Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2012Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2012 Inleiding 1.Beoordeling van de te bereiken resultaten Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis Inleiding Afwegingskader Resultaat 2: wonen in een geschikt huis 1.2.
(7x)+ licht + zwaar + was 270 180 270 360 465 4u30 3u 4u30 6u 7u45 ‘evt. +’ houdt in, dat extra tijd geïndiceerd kan worden bij grotere leefeenheden, aanwezigheid kleine kinderen, extra bewassing, etc. Hbh overige activiteiten alleenstaande/twee- of meerpersoonsleefeenheden Nr. Activiteiten Minuten Uren 2.1 2.2 2.3 2.4 Anderen helpen in huis met zelfverzorging Anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd Dagelijkse organisatie van het huishouden Advies, instructie, voorlichting* Tot max 40 uur per week Tot max 40 uur per week 30 p week 30 p keer (max 3 keer p week, 6 weken) 0u30 1u30 * Als het gaat om het aanleren van huishoudelijke taken, dan geen tijd indiceren, maar aan te leren activiteiten indiceren in tijd en aangeven dat het om aanleren van die activiteiten gaat. Bij de bepaling van de omvang van de indicatie worden de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: Tijden in de beschikking worden altijd afgerond op halve uren; De tijd waarmee de hulp bij het huishouden wordt geïndiceerd is noodzakelijk en niet meer dan nodig om verantwoorde hulp bij het huishouden te bieden in de directe leefruimten van de belanghebbende; De normtijden zijn gebaseerd op ‘normale’ huishoudens. Als er sprake is van bijvoorbeeld medische of praktische problematiek in de leefeenheid, zoals dieet, (ernstige) vervuiling van het huis, incontinentie, speekselvloed, overmatige transpiratie, allergie, wordt aanvullend op de basisminuten extra tijd berekend; Er kan nooit extra tijd berekend worden vanwege de persoonlijke voorkeur van de belanghebbende. Factoren voor meer/ minder inzet van hulp bij het huishouden Activiteiten Factoren meer/ minder hulp Freq. en tijd 1.1 Boodschappen doen Boodschappenlijst samenstellen Boodschappen inkopen en opslaan – wekelijks Als de leefeenheid bestaat uit meer dan 4 personen en/of er zijn kinderen jonger dan 12 jaar, dan kan er een indicatie gesteld worden voor boodschappen wanneer de afstand tot de winkels groot is. 2 keer per week +30 minuten 1.2 + 1.3 Broodmaaltijd bereiden en warme maaltijd bereiden Broodmaaltijd klaarzetten Tafel dekken en afruimen Koffie/thee zetten Afwassen (machine/handmatig) Warme maaltijd bereiden Opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad Afwassen en opruimen Aanwezigheid van kinderen <12 jaar Per keer + 20 minuten 1.4 Licht huishoudelijk werk Afwassen, als er geen indicatie is voor maaltijdbereiding: handmatig 15-30 min per keer Machine in- en uitruimen: 10 minuten per keer Opruimen: totaal dagelijkse beurt van het interieur is afhankelijk van de specifieke kenmerken van de leefeenheid: 15 tot 40 minuten per keer. Stof afnemen/ragen Bedden opmaken Aantal kinderen onder de 12 jaar Allergie voor huisstofmijt mits in gesaneerde woning Ernstige COPD Ernstige beperkingen in gebruik van armen en handen Alleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden. In principe max. 3x per week: Voor een leefeenheid zonder kinderen max. 20 minuten. Voor een leefeenheid met kinderen jonger dan 12 jaar max. 30 minuten. 1.5 Zwaar huishoudelijk werk Stofzuigen Schrobben, dweilen, soppen: sanitair en keuken Bedden opmaken/ verschonen Opruimen huishoudelijk afval In grote woningen met veel bewoners en dus meer vervuiling Ernstige COPD Allergie voor huisstofmijt mits in gesaneerde woning Jonge kinderen Max. 3x per week: Zonder kinderen max. 20 min. Met kinderen < 12 jaar max. 30 minuten. 1.6 De was doen Kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine Centrifugeren, ophangen, afhalen. Was drogen in droogmachine Vouwen, strijken (alleen bovenkleding), opbergen Aantal kinderen jonger dan 16 jaar: + 30 minuten per kind per week Bedlegerige patiënten: + 30 minuten extra wassen i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz.: + 30 minuten 1x per week: huishoudens met kleine kinderen max. 3x per week. 2.1 en 2.2 Anderen helpen bij de zelfverzorging Anderen helpen bij de maaltijden Wassen en aankleden Hulp bij eten en/of drinken Opvoedingsactiviteiten Aantal kinderen Leeftijd kinderen Gezondheidssituatie/ functioneren van kinderen/huisgenoten Aanwezigheid gedragsproblematiek < 6 jaar: max. 40 uur per week > 6 jaar: afhankelijk van situatie 2.3 Dagelijkse organisatie van het huishouden Organisatie huishoudelijke activiteiten Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden Communicatieproblemen Aantal huisgenoten, vooral kinderen jonger dan 16 (Psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden 1x per week: max. 3,5 uur 2.4 Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden Instructie bij Omgaan met apparaten Licht huishoudelijk werk Zwaar huishoudelijk werk Textielverzorging Boodschappen doen Warme maaltijd bereiden Communicatieproblemen 3x per week: max. 6 weken Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening waarvan verwacht kan worden dat ook iemand zonder beperkingen deze voorziening aan kan schaffen. Een dergelijke voorziening is niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking, maar is een voorziening die door alle inwoners aangeschaft kan worden. Feit is dat wat vandaag de dag nog een bijzondere voorziening is, binnen afzienbare tijd een gangbaar artikel in de winkel kan zijn en dus mogelijk algemeen gebruikelijk. Een voorbeeld is de thermosstatische kraan die feitelijk was ontwikkeld om personen met beperkingen in de zin van verminderde spierkracht en slechte warmte/koude-prikkels, veilig te laten omgaan met warm water. In de loop der jaren is dit een artikel geworden dat vrij in iedere sanitairzaak te koop is. Indien een voorziening algemeen gebruikelijk is, krijgt de belanghebbende van deze voorziening geen vergoeding van de gemeente. Wat algemeen gebruikelijk precies is, wordt regelmatig getoetst aan algemeen maatschappelijke normen. Het begrip algemeen gebruikelijk gaat volgens de vaste rechtsregels van de Centrale Raad van Beroep op als een zaak voldoet aan de volgende drie criteria: De voorziening is niet alleen voor iemand met een beperking bedoeld; De voorziening is voor iedereen gewoon te koop bij bedrijven of winkels; De voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten. Een uitzondering op een algemeen gebruikelijke voorziening is de situatie waarbij een plotselinge ziekte of beperking (bijvoorbeeld door een ongeluk) noopt tot acute vervanging. Ter informatie is hieronder een niet-limitatief overzicht opgenomen van een aantal zaken die algemeen gebruikelijk zijn. Er zal altijd een individuele toets plaatsvinden om te kijken of de voorziening voor de belanghebbende algemeen gebruikelijk is. • Creëren van een gelijkvloerse douche • Douchekop met glijstang • Thermosstatische kranen • Ventilatiesysteem badkamer • Hendelmengkranen • Wandbeugels (niet inklapbaar of opklapbaar) • Inductie of keramische kookplaat • Verhoogd/verlaagd toilet • Wasdroger • Waterbed • Airconditioning • Centrale verwarming • Thermosstatische radiatorkranen • Meterkast met meerdere groepen • zonwering • Intercom • Hometrainer • Mobiele telefoon • Spartamet of vergelijkbare elo-fiets • Tandem • Fiets of tandem met hulpmotor • Fiets met trapondersteuning • Fiets met lage instap • Brommer • Autoaanpassingen zoals: Automatische transmissie Neerklapbare achterbank Rechter buitenspiegel Stuurbekrachtiging Trekhaak (Verwarmde) buitenspiegels Elektrisch bedienbare ramen Airconditioning Kosten APK-keuring Elektrische garagedeur opener Tot slot wordt opgemerkt dat het voor komt dat hele ruimtes aangepast moeten worden, bijvoorbeeld een op de beperkingen ingerichte keuken. Daarbij kunnen alleen die kosten voor een vergoeding in aanmerking die noodzakelijk zijn. Dus in het voorbeeld van de keuken alleen de meerkosten ten opzichte van een normale keuken. Voorwaarden In de beschikking worden voorwaarden gesteld waar de belanghebbende aan dient te voldoen, waardoor het mogelijk is de woonvoorziening te controleren en het proces te bewaken. De voorwaarden moeten middels de beschikking aan de belanghebbende en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de belanghebbende is, worden bekend gemaakt. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woonvoorziening wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woonvoorziening; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woonvoorziening; Direct na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de woonvoorziening verklaart de belanghebbende schriftelijk aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (de technische eisen die gesteld worden aan de woonvoorziening); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de kosten van de woonvoorziening; De gereedmelding gaat vergezeld met alle rekeningen en betalingsbewijzen die betrekking hebben op de realisatie van de woonvoorziening; Indien na controle blijkt dat de belanghebbende niet voldaan heeft aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de toekenning van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming, wordt niet of slechts gedeeltelijk overgegaan tot uitbetaling. Voor compensatie in aanmerking komende kosten De volgende kosten van bouwkundige- of woontechnische voorzieningen kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in de Standaardvoorwaarden en Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect 1997 (SR 1997). Dit zijn de standaardvoorwaarden van de bond van Nederlandse architecten (NBA). Tevens is De Nieuwe Regeling (DNR 2005) van toepassing. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woonvoorziening moet worden ingeschakeld, worden deze kosten compensabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de woonvoorziening; De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; het onderhoud, de keuring of de reparatie betrekking heeft op: stoelliften; rolstoel- of sta-plateauliften; woonhuisliften; hefplateauliften; balansliften; de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; electromechanische openings- en sluitingsmechanisme van deuren; Het verwijderen van woonvoorzieningen Het college verwijdert zo weinig mogelijk voorzieningen uit woningen. Aangepaste woningen die vrijkomen zullen zoveel mogelijk opnieuw worden toegewezen aan een andere belanghebbende. De gemeente is daarom niet verantwoordelijk voor het verwijderen van voorzieningen, met uitzondering van de traplift indien deze in bruikleen verstrekt is. Inhoudsopgave Inleiding 1 Klantinformatie 2 Uitsluitingen 3 Periodiek budget Toekenningsbeschikking Uitbetaling Administratie en verantwoording Controle en verantwoording Terugvordering 6 Beëindiging of wijziging Ondersteuning voor de budgethouder 4 Eenmalig budget Toekenningsbeschikking Uitbetaling Administratie en verantwoording 4 Controle en verantwoording Terugvordering 6 Beëindiging of wijziging Ondersteuning voor de budgethouder Inleiding Voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn regels opgesteld rond de individuele verstrekkingen van voorzieningen. Deze verstrekkingen zijn bedoeld als compensatie voor de beperking die de belanghebbende ervaart. Het college doet dit aan de hand van de bepalingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en de bepalingen in de beleidsregels. Als een individuele voorziening aan een belanghebbende is toegekend, bestaat voor de verstrekking van deze voorziening de mogelijkheid te kiezen tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. In dit uitvoeringsprotocol staat beschreven wat de regels en verantwoordelijkheden (rechten en plichten) zijn van de budgethouder en het college rondom de verstrekking, uitbetaling en terugvordering van het persoonsgebonden budget. Voorziening in natura In artikel 1 lid p. van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 staat beschreven: “Voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het resultaat te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening.” Dit sluit aan op de in de beleidsregels opgenomen toelichting van een verstrekking in natura (paragraaf 2.2.): “Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de belanghebbende een voorziening verstrekt, die hij of zij kant-en-klaar krijgt. De voorziening kan in eigendom, bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening worden verstrekt”. Persoonsgebonden budget (PGB) In artikel 1 lid q. van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 staat beschreven: “Persoonsgebonden budget: een geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in natura.” Bij verstrekking van een persoonsgebonden budget krijgt een budgethouder dus geen kant en klare voorziening, maar een geldbedrag waarmee de budgethouder zelf deze voorziening kan kopen. Met het persoonsgebonden budget moet een vergelijkbare voorziening kunnen worden aangeschaft als bij verstrekking in natura. Periodiek budget In dit uitvoeringsprotocol wordt gesproken over een periodiek budget en een eenmalig budget. Er is sprake van een periodiek budget als de oplossing voor het participatieprobleem bestaat uit het inzetten van zorg. Hierbij kan gedacht worden aan de inzet van hulp bij het huishouden. Eenmalig budget Er is sprake van een eenmalig budget als de oplossing in één keer aangeschaft kan worden. Hierbij kan gedacht worden aan een rolstoel, scootmobiel en een woningaanpassing. Als de oplossing dus in één keer aangeschaft kan worden en de budgethouder kiest ervoor om deze oplossing te huren, wordt een eenmalig budget verstrekt. Juridische status Het uitvoeringsprotocol ontleent zijn status aan artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel voor hem gedelegeerde bevoegdheid.” Dit uitvoeringsprotocol is als bijlage bij de beleidsregels gevoegd. De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidsregels worden door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. Daarnaast kunnen de bedragen jaarlijks worden geïndexeerd wat gemandateerd is aan het College van Burgemeester en Wethouders. Leeswijzer Het uitvoeringsprotocol persoonsgebonden budget is opgedeeld in 4 hoofdstukken. In hoofdstuk 1 komt naar voren op welke wijze de informatievoorziening aan de belanghebbende over het persoonsgebonden budget geregeld is. Vervolgens komt naar voren wat de uitsluitingen zijn (wanneer heeft de belanghebbende geen keus voor een persoonsgebonden budget (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 en 4 zijn de rechten en plichten van de budgethouder en het college beschreven met betrekking tot een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken zijn onderverdeeld in een periodiek en een eenmalig budget. 1.Klantinformatie Het Zorgloket van de gemeente is de belangrijkste informatiebron voor onze inwoners over de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het college is verplicht om informatie te verstrekken op basis van prestatieveld 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Met de juiste informatie kan iemand zich beter oriënteren op de van de mogelijkheden, maar ook met de voorwaarden en verantwoordelijkheden die aan een persoonsgebonden budget verbonden zijn. Het voorkomt misverstanden en mogelijk teleurstellingen of problemen voor budgethouders en het college in een later stadium. Klantinformatie op gemeentelijk niveau Het college geeft de informatievoorziening rondom verstrekking van een persoonsgebonden budget op verschillende manieren vorm, namelijk: Mondelinge informatie via het Zorgloket (ICL); Schriftelijke informatie via folders; Mondelinge informatie tijdens Het Gesprek en de procedure daarna. Wanneer de oplossing gevonden wordt in een individuele voorziening, wordt de mogelijkheid besproken om de voorziening in natura verstrekt te krijgen of via een persoonsgebonden budget. Daarnaast worden in ieder geval de voor- en nadelen besproken van deze opties en de verantwoordelijkheden die gekoppeld zijn aan een persoonsgebonden budget; Met de toekenningsbeschikking wordt nog een informatieblad meegestuurd. In het informatieblad is voor de budgethouder alle noodzakelijke informatie terug te vinden rondom de verstrekking, uitbetaling en terugvordering van het persoonsgebonden budget; Schriftelijke informatie via de gemeentelijke website. Klantinformatieop landelijk niveau Daarnaast heeft de belanghebbende de mogelijkheid gebruik te maken van de landelijke informatie die verstrekt wordt over een persoonsgebonden budget, namelijk: Landelijke informatie vanuit postbus 51 en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op www.postbus51.nl en www.info-wmo.nl; Informatie vanuit de belangenvereniging van budgethouders, Per Saldo, via de website www.pgb.nl of per telefoon op 0900-
- 2.Uitsluitingen Niet in alle gevallen bestaat de mogelijkheid om bij verstrekking van een individuele voorziening in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. Binnen het beleid van de gemeente zijn enkele uitsluitingen bepaald. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: a.Als de belanghebbende in aanmerking komt voor een algemene of collectieve voorziening. Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt voor individuele voorzieningen. Een voorbeeld hiervan is de Regiotaxi. Dit betreft een collectieve voorziening waardoor het niet mogelijk is om hiervoor een persoonsgebonden budget te krijgen. b.Als het vermoeden bestaat dat de belanghebbende niet in staat is om zelf de besteding van het persoonsgebonden budget of de verantwoording hierover te verzorgen. Dit wordt meegenomen in het indicatieproces. Hierbij wordt gekeken of er sprake is van de volgende situaties: De belanghebbende is wilsonbekwaam; De belanghebbende is bekend met financiële problemen en/of problemen bij de afbetaling; De belanghebbende leidt een zwervend bestaan; De belanghebbende is bekend met een ziektebeeld waarbij beperkingen naar voren komen in het verantwoordelijkheidsbesef, ziekte-inzicht en/of regelvermogen. Hierbij kan gedacht worden aan dementie of een verstandelijke handicap. Als de budgethouder bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget zich niet aan de opgestelde regels en verantwoordelijkheden in dit uitvoeringsprotocol heeft gehouden en als dit verwijtbaar is aan de budgethouder. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarbij de budgethouder bij een eerdere toekenning van een persoonsgebonden budget dit budget niet besteed heeft aan de eisen die gesteld waren aan de oplossing waarvoor het budget was toegekend. Hierbij wordt in acht genomen of de budgethouder dit wist of in alle redelijkheid had kunnen weten. d.Als er sprake is van een voorziening die naar verwachting binnen een kort tijdsbestek vervangen moet worden door een andere voorziening. Hierbij kan gedacht worden aan het kortdurend inzetten van hulp bij het huishouden (minder dan 3 maanden). Ook kan gedacht worden aan voorzieningen die gezien de snelle progressie van een ziektebeeld voor het verstrijken van de levensduur niet meer compenserend zijn en daarom vervangen moeten worden. e.Als er sprake is van een bouwkundige of woontechnische voorziening in een huurwoning, aangebracht door de verhuurder. Aan de verhuurder wordt geen persoonsgebonden budget toegekend, dit gebeurt alleen aan de budgethouder zelf. f.Bij toekenning van vergoeding voor vervoer per taxi(bus) is het niet mogelijk om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen. Het is wel mogelijk dit te verstrekken middels een financiële tegemoetkoming. Dit is besloten in het voordeel van de belanghebbende, omdat er minder verantwoordelijkheden en verantwoording van de belanghebbende verwacht wordt bij een financiële tegemoetkoming. g.Indien er voor een voorziening een persoongebonden budget is verstrekt en de redelijke afschrijvingstermijn van deze voorziening nog niet is verstreken, wordt voor diezelfde voorziening niet nogmaals een persoonsgebonden budget of voorziening in natura verstrekt. Uitzonderingen hierop zijn als uit onderzoek blijkt dat de voorziening, bij normaal gebruik, eerder aan vervanging toe is, evenals situaties waarin de beperkingen van de aanvrager dusdanig zijn veranderd dat de al verstrekte voorziening niet meer compenserend is en een andere voorziening noodzakelijk is. Dit is in situaties bij niet te voorziene progressie van de beperkingen. Als deze progressie te voorzien was, wordt er geen PGB verstrekt (zie punt d). h.Bij een indicatie voor hulp bij het huishouden categorie HBH3 wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. Dit in verband met de meestal urgente, kortdurende en complexe aard van de problematiek. In bovenstaande situaties kan een belanghebbende bij verstrekking van een voorziening niet kiezen voor een persoonsgebonden budget. Of er sprake is van één van bovenstaande uitsluitingen is onderdeel van het indicatieproces.
- Periodiek budget 3.1 Toekenningsbeschikking In de toekenningsbeschikking wordt beschreven welke oplossing aan de belanghebbende is toegekend ter compensatie van zijn beperkingen. Als de belanghebbende gekozen heeft voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget worden in de beschikking of de bijlagen bij de beschikking ten minste onderstaande punten beschreven: a.Het doel waarvoor het budget bedoeld is. In de beschikking staat beschreven aan welke eisen de oplossing moet voldoen, waarvoor het budget is toegekend. b.De hoogte van het budget. In de beschikking staat beschreven wat de hoogte is van het budget en hoe de berekening van het budget heeft plaatsgevonden. c.Toekennen van een bruto budget. Dit houdt in dat de eigen bijdrage niet van het budget ingehouden is en uit eigen middelen betaald moet worden. De budgethouder krijgt hiervan een aparte factuur van het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dit is dezelfde procedure als bij toekenning van een voorziening in natura en wordt daarom hier niet verder beschreven. d.De budgetperiode. In de beschikking staat voor welke periode het budget geldig is. Dit kan een andere periode zijn dan de looptijd van de indicatie. De voorwaarden die het college stelt aan de budgethouder over de verantwoording en besteding van het persoonsgebonden budget. De ondersteuning die het college biedt voor de budgethouder bij het gebruik en beheer van het persoonsgebonden budget. Het persoonsgebonden budget kan aan het einde van ieder kalenderjaar geïndexeerd worden. Het college stelt jaarlijks de hoogte van het uurbedrag van een persoonsgebonden budget voor Hulp in het Huishouden vast. De budgethouder ontvangt in december een nieuwe beschikking met daarin de hoogte van het budget voor het daarop volgende kalenderjaar. 3.2 Uitbetaling Het college betaalt het eerste voorschot voor het persoonsgebonden budget zo snel mogelijk uit, na verzending van de toekenningsbeschikking. Het eerste voorschotbedrag wordt naar rato berekend. Het budget wordt per maand uitbetaald. De volgende voorschotten worden voor in de eerste week van de betreffende maand naar de rekening van de budgethouder overgemaakt. Het persoonsgebonden budget wordt alleen overgemaakt naar de budgethouder zelf. Het is niet mogelijk om het budget rechtstreeks op de rekening van de zorgaanbieder of hulpverlener te laten storten. 3.3Administratie Bij een persoonsgebonden budget dat bedoeld is voor de uitvoering van huishoudelijke taken, heeft de budgethouder taken die vergelijkbaar zijn met de taken van werkgever of opdrachtgever. Dit hangt af van het type hulpverlener: een particulier of een instelling/-freelancer. Als de budgethouder kiest om de hulp te laten verlenen door een particulier, dan zijn de taken vergelijkbaar met die van een werkgever. Deze taken betreffen: Het aannemen van een hulpverlener; Het afsluiten van een schriftelijke arbeidsovereenkomst; Op tijd uitbetalen van het loon; Regelen van een vakantieregeling; Uitbetaling van de hulpverlener bij ziekte. Als de hulpverlener meer dan 3 dagen bij de budgethouder werkt komen hier eveneens taken bij voor het regelen van de sociale lasten. Als de budgethouder kiest om de hulp te laten verlenen door een instelling of freelancer, dan zijn de taken vergelijkbaar met die van een opdrachtgever. Deze taken betreffen: Het afsluiten van een schriftelijk contract met de hulpverlener; Op tijd uitbetalen van de factuur. Voor het vastleggen van deze taken is een boekhouding nodig. Deze bestaat ten minste uit de volgende punten: De schriftelijke (arbeids)overeenkomst. Hierin staat in ieder geval benoemd wat geleverd wordt, door wie, wanneer en wat die persoon/-instelling hiervoor betaald krijgt (uurtarief); Het betalingsbewijs. Dit is het bewijs dat de persoon, instelling of freelancer betaald is. Dit kan zijn een factuur van de instelling, een rekeningafschrift van de budgethouder of een getekende kwitantie (bij contante betalingen). Verantwoording. Voor de controle van de besteding van het budget door de gemeente wordt een verantwoording verwacht van de budgethouder over een kalenderjaar. De budgethouder betaalt dat deel van het budget terug dat niet wordt besteed. Verantwoording Van de budgethouder wordt een verantwoording verwacht over de besteding van het budget. De budgethouder is de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is toegekend. De budgethouder is altijd zelf verantwoordelijk voor de besteding van het budget. Niemand anders kan daarvoor verantwoordelijk gesteld worden. Voor de jaarlijkse/tussentijdse verantwoording maakt de budgethouder gebruik van het verantwoordingsformulieren dat aangeleverd wordt door de gemeente. Vrij besteedbaar (ingeval van een periodiek PGB bij hulp bij het huishouden) Indien men het gehele jaar gebruik heeft gemaakt van een PGB, hoeft niet over het hele jaarbedrag verantwoording te worden afgelegd. Een deel van het jaarbudget kan men vrij besteden. Dit vrij besteedbare jaarbedrag is 1,5% van het jaarbudget, met een minimum van € 250 en een maximum van € 1.250 per jaar. Let op: Indien men bijvoorbeeld slechts over drie maanden in het jaar een PGB ontvangt wordt de vrijlating berekend naar het aantal maanden dat u een PGB ontvangt. Het vrij besteedbaar bedrag kan men bijvoorbeeld gebruiken voor het plaatsen van personeelsadvertenties, voor postzegels, voor telefoonkosten en voor andere kosten die u maakt in het kader van uw persoongebonden budget. Of gewoon om uw hulpverleners uit te betalen. Men hoeft aan ons bovendien niet te laten zien hoeveel geld men zelf hebt bijbetaald om de hulp rond te krijgen. 3.4 Controle Bij controle van de verantwoording moet bij navraag van het college inzicht geboden worden door de budgethouder in de bescheiden en rekeningen, welke betrekking hebben op het persoonsgebonden budget. De besteding wordt jaarlijks gecontroleerd. Voor de controle wordt de verantwoording bij de budgethouder opgevraagd aan het begin van het nieuwe kalenderjaar. Vervolgens wordt de verantwoording administratief beoordeeld op volledigheid van de punten die bij de verantwoording ingevuld moeten worden. Dit wordt bij iedere budgethouder gecontroleerd. Het college kan door middel van een steekproef bij een aantal budgethouders een intensieve controle uitvoeren. De budgethouder wordt schriftelijk op de hoogte gebracht als hij intensief gecontroleerd zal gaan worden. Bij deze controle worden het contract en de betalingsbewijzen opgevraagd. De budgethouder wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van de uitkomst van de controle. Als de verantwoording niet akkoord is, krijgt de budgethouder de mogelijkheid de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. 3.5 Terugvordering Redenen om een deel of het gehele persoonsgebonden budget terug te vorderen zijn: Als niet het volledige budget verantwoord is. Het gedeelte van het budget dat niet verantwoord is, wordt dan teruggevorderd; Als de verantwoording niet volledig is of bij onjuist verstrekte gegevens; Als het besluit geheel of gedeeltelijk is ingetrokken. Het betreffende deel van het budget wordt teruggevorderd. De hoogte van de terugvordering zal benoemd worden in de beëindigingsbeschikking; Bij oneigenlijk gebruik van het budget. Dit houdt in dat het budget niet besteed is aan een oplossing die voldoet aan de eisen die in de beschikking staan benoemd voor de te leveren oplossing. Als er sprake is van een terugvordering wordt de budgethouder hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 3.6 Beëindiging of wijziging Het persoonsgebonden budget wordt beëindigd als: De budgethouder komt te overlijden; De budgethouder verhuist buiten de gemeente; De budgethouder langdurig opgenomen wordt in een AWBZ-instelling; De budgethouder langer dan drie maanden aaneengesloten wordt opgenomen in een instelling/-ziekenhuis; De budgethouder schriftelijk aangeeft de voorziening te willen beëindigen; De budgethouder overstapt naar hulp in natura; De looptijd van de indicatie is verstreken. Het is de verantwoordelijkheid van de budgethouder om voor het aflopen van de indicatie een aanvraag in te dienen bij de gemeente voor verlenging van de indicatie. Rekeninghoudend met het mogelijke onderzoek wat plaats zal moeten vinden wordt de budgethouder geadviseerd dit 8 weken voor beëindiging van de indicatie in te dienen; De budgethouder zich niet houdt aan de voorwaarden en regels die in dit uitvoeringsprotocol beschreven staan. Als er een wijziging is in de situatie is het de verantwoordelijkheid van de budgethouder om deze wijzigingen aan de gemeente door te geven. Met een wijziging in de situatie wordt bedoeld een toename of afname van de beperkingen, een wijziging van de leefeenheid en een verhuizing. In deze situaties wordt een nieuw onderzoek gestart, wat kan resulteren in een nieuwe toekennings- of beeindigingsbeschikking. 3.7 Ondersteuning voor de budgethouder De keuze voor een persoonsgebonden budget legt meer verantwoordelijkheden bij de belanghebbende dan zorg in natura. Binnen de gemeente is het op verschillende manieren mogelijk om ondersteuning te krijgen bij deze verantwoordelijkheden. Vanuit het college is een contract afgesloten met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zij bieden ondersteuning voor alle budgethouders van de gemeente met betrekking tot het afsluiten van een overeenkomst, loondoorbetaling bij ziekte van de hulpverlener en het inschakelen van een professionele arbo-dienst. Ook verzorgen zij een schade-verzekering, Wettelijk Aansprakelijksheidsverzekering (WA) en een rechtsbijstandsverzekering. Voor deze dienstverlening zijn geen kosten verbonden voor de budgethouder. Voor vragen is het SVB bereikbaar via: Post : Postbus 8038, 3503 RA te Utrecht. Telefoonnummer : 030 - 2648200 Fax : 030 - 2648209 Internetsite : www.svb.nl E-mail : pgb@svb.nl De SVB kan ook de salarisadministratie voor de budgethouder regelen. Indien de budgethouder gebruik wenst te maken van deze service, zijn de kosten voor rekening van de budgethouder. De budgethouder kan ook ondersteuning vragen aan derden bij het beheer van het persoonsgebonden budget. Deze ondersteuning mag niet betaald worden uit het te verantwoorden gedeelte van het persoonsgebonden budget. De budgethouder kan ervoor kiezen om dit te betalen uit het vrij besteedbaar gedeelte. Komen de kosten echter boven de € 250 uit, dan zal de budgethouder het verschil met eigen middelen moeten aanvullen. Voor overige vragen kan de budgethouder zich richten tot het gemeentelijk Zorgloket/ICL. 4.Eenmalig budget 4.1 Toekenningsbeschikking In de toekenningsbeschikking wordt beschreven welke oplossing aan de belanghebbende is toegekend ter compensatie van zijn beperkingen. Als de belanghebbende gekozen heeft voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget worden in de beschikking of de bijlagen bij de beschikking ten minste onderstaande punten beschreven: a.Het doel waarvoor het budget bedoeld is. In de beschikking staat beschreven aan welke eisen de oplossing moet voldoen, waarvoor het budget is toegekend; b.De omvang van het budget. De hoogte van het budget wordt afgeleid aan de hand van de aangeleverde offerte(s) van de budgethouder of van een leverancier. c.De opbouw van het budget. Bij het bepalen van het uiteindelijke bedrag van de voorziening gaat het college uit van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten (inclusief de kosten van onderhoud en eventuele verzekering). Daarbij is veelal sprake zijn van kortingen die de gemeente ontvangt bij haar leverancier. Met deze korting wordt rekening gehouden bij de berekening van het budget. Het is niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. d.Bruto budget. Dit houdt in dat een eventuele eigen bijdrage niet van het budget ingehouden is en uit eigen middelen betaald moet worden. De budgethouder krijgt hiervan een aparte factuur van het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dit is dezelfde procedure als bij toekenning van een voorziening in natura en wordt daarom hier niet verder beschreven. e.De budgetperiode. In de beschikking staat met welke afschrijvingstermijn rekening wordt gehouden. Gedurende deze periode is het de verantwoordelijkheid van de budgethouder dat hij kan beschikken over een compenserende oplossing. De voorwaarden die het college stelt aan de budgethouder over de besteding en verantwoording van het budget. In de beschikking staat of er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, wordt in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. 4.2Uitbetaling Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dit gebeurd nadat de definitieve aankoopnota is verstrekt. Het budget wordt alleen overgemaakt naar de budgethouder zelf. Het is dus niet mogelijk om het budget rechtstreeks op de rekening van de leverancier te laten storten. 4.3Administratie Van de budgethouder wordt een verantwoording verwacht over de besteding van het budget. De budgethouder is de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is toegekend. De budgethouder is altijd zelf verantwoordelijk voor de besteding van het budget. Niemand anders kan daarvoor verantwoordelijk gesteld worden. De verantwoording bestaat uit alle rekeningen en/-of betalingsbewijzen die betrekking hebben op de besteding van het budget. De budgethouder hoeft alleen het budget wat toegekend is voor aanschaf van de voorziening te verantwoorden. Het budget voor onderhoud en reparatie van de voorziening hoeft niet verantwoord te worden. Deze bedragen staan benoemd in de toekenningsbeschikking. 4.4 Controle Bij controle van de verantwoording moet bij navraag van het college inzicht geboden worden door de budgethouder in de bescheiden en rekeningen, welke betrekking hebben op het persoonsgebonden budget. Bij de controle van de besteding van het persoonsgebonden budget wordt de verantwoording gecontroleerd op de volgende punten: Is het persoonsgebonden budget besteed aan de betaling of huur van een voorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten? Voldoet de aangeschafte voorziening aan de opgestelde eisen zoals beschreven in de toekenningsbeschikking? Is de aanschafte voorziening kwalitatief verantwoord? De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de aangekochte voorziening en de leverancier waarbij de voorziening wordt aangeschaft. De budgethouder kan hierbij letten op aanwezige keurmerken, zoals het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen (KBOH) keurmerk en het TNO-keurmerk op de voorziening en de Erkenningsregeling Revalidatietechnisch Bedrijf (ERB) en de Revakeur voor de leverancier. Als bij de controle naar voren komt dat de gegevens niet volledig zijn, dan wordt aan de budgethouder de mogelijkheid gegeven deze gegevens als nog aan te leveren. 4.5 Terugvordering Het college heeft de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget terug te vorderen. Redenen om een deel of het gehele persoonsgebonden budget terug te vorderen zijn: Als de verantwoording niet volledig is of bij onjuist verstrekte gegevens. Als het besluit geheel is ingetrokken. De hoogte van de terugvordering zal benoemd worden in de beëindigingsbeschikking. Bij oneigenlijk gebruik van het budget. Dit houdt in dat het budget niet besteed is aan de eisen die in de toekenningsbeschikking staan benoemd. Als er sprake is van een terugvordering wordt de budgethouder hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld door het college. 4.6 Ondersteuning voor de budgethouder De keuze voor een persoonsgebonden budget legt meer verantwoordelijkheden bij de belanghebbende dan een voorziening in natura. Het college biedt hiervoor middels onderstaande manieren ondersteuning aan de budgethouder voor deze verantwoordelijkheden: Aanvullende informatie over de verantwoordelijkheden van de budgethouder zijn terug te lezen in het Uitvoeringsprotocol persoonsgebonden budget. Dit document is te vinden op de internetsite van de gemeente en een papieren versie is op te vragen bij het Zorgloket/ICL. De budgethouder kan ook ondersteuning vragen aan derden bij het beheer van het persoonsgebonden budget. Deze ondersteuning mag niet betaald worden uit het persoonsgebonden budget. Voor overige vragen kan de budgethouder zich richten tot het Zorgloket/ICL. De Wmo kent het begrip kindvoorziening niet. Vandaar dat er een aparte bijlage aan deze doelgroep wordt besteed omdat er speciale voorzieningen verstrekt worden die alleen op kinderen zijn gericht. Voorbeelden van kindervoorzieningen zijn: Aangepaste kleedtafel en/of een aangepaste box voor kinderen. Er wordt een persoonsgebonden budget verstrekt in de meerkosten ten opzichte van een normale commode of normale box. Deze voorziening betreft een roerende woonvoorziening. De aangepaste kleedtafel en/of aangepaste box kan worden verstrekt vanwege beperkingen van het kind of vanwege beperkingen van de verzorger. Zitondersteuningselementen. Hiermee worden bedoeld kuipstoeltjes met of zonder onderstellen voor binnen- of buitengebruik. Het zijn voorzieningen die sterk op de individuele beperkingen zijn aangepast. De zitondersteuningselementen zijn geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden, die veel ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Zitondersteuningselementen voor het gebruik als kinderstoel worden vergoed via de AWBZ. Douche/toiletstoel op wielen. Voor de dagelijkse verzorging van kinderen met beperkingen in de leeftijd van 2 tot 15 jaar zijn douchestoelen en gecombineerde douche/toiletstoelen op wieltjes ontwikkeld. Fiets- en autozitjes. Er bestaan voor kinderen met beperkingen speciale zitjes voor op de fiets of in de auto. Feitelijk gaat het om een vervoersprobleem van de ouders en niet van het kind, dat immers geen eigen vervoersbehoefte heeft. Toch wordt deze vorm van een vervoersvoorziening door de Wmo vergoed, mits de noodzaak blijkt uit een medisch advies en indien de ouders genoodzaakt zijn om hun kind met beperkingen mee te nemen bij hun verplaatsingen in het kader van het leven van alledag. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met de normale kosten van een fiets of autozitje (Nibud). Een fietszitje op een scootmobiel van een ouder met beperkingen wordt niet verstrekt, immers dat betreft een normaal zitje en is daarom algemeen gebruikelijk. Een aangepaste buggy kan noodzakelijk zijn bij kleine kinderen tot 5 jaar. Verstrekking van een aangepaste buggy in de vorm van een persoonsgebonden budget of huur vind plaats onder aftrek van de kosten van een normale buggy (Nibud). Een medisch advies is noodzakelijk. Is het kind ouder dan 5 jaar en een buggy is medisch noodzakelijk, dan worden de kosten geheel vergoed (dit gebeurd niet vaak, immers het kind kan meestal in een kinderduwrolstoel). De buggy wordt verstrekt indien: regelmatig behoefte bestaat aan verplaatsing buiten de woning; het kind met beperkingen geen of een beperkt loopvermogen heeft; in de verplaatsingsbehoefte voor de korte afstand niet kan worden voorzien via een algemeen gebruikelijk middel of, indien dit de goedkoopst adequate oplossing is, een aangepast verplaatsingsmiddel voor de korte afstand. Kinderrolstoelen kunnen worden verstrekt aan een kind met beperkingen op het moment waarop in principe kinderen zonder beperkingen leren lopen. Kinderen leren in het algemeen zeer snel om te gaan met hun rolstoel, en de rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind. Zelf rondrijden in een rolstoel (geduwd of met een hoepel) stimuleert het kind om zelfstandig te worden en zo veel als mogelijk te spelen met kinderen zonder beperkingen. Een elektrische kinderrolstoel is soms noodzakelijk. Een medisch advies is voor elke kinderrolstoel noodzakelijk. Speelvoertuigen. Er bestaan voor jonge kinderen met beperkingen voorzieningen, die het midden houden tussen therapeutische speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Bijvoorbeeld kruipwagens en kruiphulpmiddelen. Na een positief medisch advies kunnen deze voorzieningen worden verstrekt. Belangrijk bij de vaststelling van de noodzaak is dat er geen alternatief algemeen gebruikelijk speelvoertuig mogelijk is. Vervoerskosten kinderen. Er bestaat een relatie tussen leeftijd en vervoersbehoefte. Indien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt wordt ervan uitgegaan dat: er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte. De ouders nemen hen mee zoals ook gebruikelijk is met kinderen zonder beperkingen; kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met kinderen zonder beperkingen; kinderen van 12 tot en met 14 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte ontwikkelen en vanaf 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen. Op grond van het bovenstaande wordt de vervoersvoorziening voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer, (bruikleen)auto of individuele taxi voor kinderen als volgt vastgesteld: aan een kind met beperkingen jonger dan 5 jaar wordt geen vervoersvoorziening toegekend; aan een kind met beperkingen van 5 tot en met 11 jaar wordt een vervoersvoorziening toegekend met een korting van 50%; aan een kind met beperkingen van 12 tot en met 14 jaar wordt een vervoersvoorziening toegekend met een korting van 25%; aan een kind met beperkingen dat de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt wordt een volledige vervoersvoorziening toegekend. In het kader van de compensatieplicht zal echter in ieder individueel geval moeten worden beoordeeld in hoeverre en sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte dan wel in hoeverre een korting voor kinderen beneden 15 jaar van toepassing kan zijn. Met betrekking tot kinderen onder de 18 jaar wordt het ingezette beleid ongewijzigd gecontinueerd. Driewielfiets/vierwielfiets. Deze fietsen worden door kinderen in het algemeen voor een korte periode gebruikt. Voorkeur gaat uit naar verstrekking in natura omdat de voorziening voor hergebruik kan worden ingezet. Een driewiel- of vierwielfiets voor kinderen wordt verstrekt indien: er sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte; het kind met beperkingen 5 jaar of ouder is (tot en met 4 jaar is er geen sprake van een zelfstandige vervoersbehoefte); de beperkingen van het kind het gebruik van een normale fiets gevaarlijk maakt (slecht evenwicht, verstandelijke handicap, gestoorde motoriek etc.). Aangepaste fietsen ivm vervoer van een kind met beperkingen. Deze fietsen kunnen worden verstrekt indien met de fiets wordt voorzien in de dagelijkse verplaatsingsbehoefte en de verplaatsingen niet plaats kunnen vinden met een normale fiets met een aangepast kinderzitje. Duofiets. Per individueel geval dient te worden beoordeeld in hoeverre een duofiets kan worden verstrekt ter compensatie van de beperkingen.
- Hoogte persoonsgebonden budget persoonsgebonden budget HBH 1 vanaf 1 januari 2012 € 14,- per uur persoonsgebonden budget HBH 2 vanaf 1 januari 2012 € 17,70,- per uur
- Maximale vergoeding van kosten voor onderhoud en keuring en reparatie Ook van toepassing op: mechanische inrichtingen voor het verstellen van voorzieningen zoals een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van deuren. Onderhoud liften Frequentie Kosten incl BTW Stoellift 1 x per jaar € 203,- Rolstoelplateaulift 1 x per jaar € 203,- Sta-plateaulift 1 x per jaar € 203,- Woonhuislift 2 x per jaar € 322,- Hefplateaulift 2 x per jaar € 203,- Balanslift 1 x per jaar € 203,- Maximale toeslagen op bovenstaande tarieven: - 50% voor installaties geplaatst buiten de woning; - 50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen; - 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijd- beveiliging respectievelijk elektrisch wegklapbare raildelen.
- Lijst met norm- en referentiebedragen Wmo per 1 april 2012 2010 2011 2012 Indexeringspercentage % 0,75% 0% 0% Afwegingskader 1.2.2 primaat verhuizing € 1.974,00 € 1.974,00 € 2.500,00 Afwegingskader 1.2.2 tegemoetkoming verhuiskosten € 1.974,00 € 1.974,00 € 1.974,00 Afwegingskader 1.2.2 bezoekbaar maken woning € 4.666,00 € 4.666,00 € 4.666,00 Afwegingskader 1.2.2 kosten ivm tijdelijke huisvesting Administratiekosten (eenmalig) verhuurder ivm treffen voorziening voorzover kosten woonvoorziening hoger zijn dan € 1000,00: 10 % van de kosten woonvoorziening met een maximum van: tijdelijke huisvesting maximaal zelfstandige woonruimte per maand tijdelijke huisvesting maximaal niet zelfstandige woonruimte per maand € 360,00 € 536,00 € 401,00 € 360,00 € 536,00 € 401,00 € 360,00 € 536,00 € 401,00 Afwegingskader 1.7.2 financiële tegemoetkoming vervoerskosten Eigen auto/taxi/derden gemaximeerd Uitsluitend taxi gemaximeerd Rolstoeltaxi/roelstoelbus gemaximeerd Forfaitair bedrag eigen auto Bruikleenauto gemaximeerd € 988,00 € 1.470,00 € 2.205,00 € 372,00 € 746,00 € 996,00 € 1.482,00 € 2.222,00 € 375,00 € 752,00 € 996,00 € 1.482,00 € 2.222,00 € 375,00 € 752,00 Afwegingskader 1.8.2 Forfaitaire financiële tegemoetkoming sportrolstoel (inclusief onderhoud en inclusief eventuele aanpassingen) Forfaitair onderhoud sportrolstoel Onderhoudskosten na 3 jaar en voor 3 jaar € 2.448,00 € 531,00 € 2.467,00 € 535,00 € 2.467,00 € 535,00