BELEIDSREGELS TERUGVORDERING EN VERHAAL Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, Wet aanscherping handhaving socialezekerheidswetten, de artikelen 58 tot en met 62i van de Wet werk en bijstand, de artikelen 25, 26, 27, 28, 30 en 31 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 25, 26, 27, 28, 30 en 31 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen besluit vast te stellen: BELEIDSREGELS TERUGVORDERING EN VERHAAL BEGRIPSBEPALINGEN Artikel1 Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de hieronder genoemde wetten. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder Awb: Algemene wet bestuursrecht; BW: Burgerlijk Wetboek; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht; debiteur: degene van wie wordt teruggevorderd, dan wel degene op wie wordt verhaald; inkomensvoorziening: bijstand op grond van de WWB of een uitkering op grond de IOAW of IOAZ; inlichtingenplicht: de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, artikel 13, eerste en tweede lid, van de IOAW of van de IOAZ of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi); IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; WWB: Wet werk en bijstand. TERUGVORDERING Artikel2 Toepassingsbereik Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle vorderingen op grond van de WWB, IOAW, IOAZ. Deze beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing op alle vorderingen op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de Wet inburgering, de Wet maatschappelijke ondersteuning, het BW en de minimaregelingen van de gemeente Stichtse Vecht, voor zover in deze wetten en regelingen niet dwingend anders is bepaald. Artikel3 Opschorting, herziening, intrekking, terugvordering Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op een inkomensvoorziening ingevolge artikel 54, eerste en tweede lid van de WWB, artikel 17, eerste en tweede lid van de IOAW of van de IOAZ. Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening ingevolge artikel 54, derde en vierde lid van de WWB, artikel 17, derde en vierde lid van de IOAW of van de IOAZ. Het college vordert de ten onrechte verleende inkomensvoorziening terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a van de WWB en de artikelen 25, 26, 27, 28, 30 en 31 van de IOAW of IOAZ. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering af te zien. Artikel4 Herziening en intrekking Een besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening wordt herzien of ingetrokken als: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een inkomensvoorziening; anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Artikel5 Terugvordering Het college vordert de inkomensvoorziening terug van de debiteur voor zover deze: ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; voortvloeit uit gestelde borgtocht; ingevolge artikel 52 van de WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand of inkomen bestaat; anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de debiteur dit redelijkerwijs kon begrijpen, of anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de debiteur naderhand met betrekking tot de periode waarover een inkomensvoorziening is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 WWB of artikel 8 van de IOAW of van de IOAZ beschikt of kan beschikken, en/of; een inkomensvoorziening is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de debiteur vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming. terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. Artikel6 Afzien van terugvordering Het college kan afzien van terugvordering indien de schuldenaar: gedurende 10 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende 10 jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of; een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost. Artikel7 Terugvordering: bruto of netto Het college vordert de vordering bruto terug, voor zover de door het college krachtens de Wet op de Loonbelasting 1964 af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen, alsmede de te betalen vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, door het college niet verrekend kunnen worden met nog af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding. Het college vordert de vordering netto terug, indien de vordering is ontstaan buiten toedoen van de debiteur en de debiteur niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, is voldaan. Indien naar het oordeel van het college sprake is van dringende redenen, vindt geen brutering van de vordering plaats. Artikel8 Wijze van invordering De debiteur dient het bedrag ineens en terstond binnen zes weken na dagtekening van het besluit te voldoen. De debiteur kan een verzoek doen om een betalingsregeling te treffen, wanneer hij niet kan voldoen aan het onder het eerste lid bepaalde. Indien op enig moment blijkt dat debiteur beschikt of kan beschikken over een vermogen waaruit de ten onrechte genoten uitkering ineens kan worden voldaan, moet de vordering ineens en terstond worden afgelost. Bij betaling in termijnen geldt dat de vordering volledig en naar draagkracht moet worden voldaan. Tot de draagkracht worden gerekend alle inkomsten en voorzieningen die de van toepassing zijnde beslagvrije voet zoals bepaald in de artikelen 475d en 475e van het Rv overschrijden. Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in besluit tot terugvordering geldt als een opgelegde betalingsverplichting. Artikel9 Verrekening en beslaglegging Indien de debiteur niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het besluit tot terugvordering ten uitvoer gelegd door middel van: verrekening met de maandelijks verleende inkomensvoorziening, op grond van artikel 48, vijfde lid en artikel 60, derde lid, van de WWB, artikel 28, tweede, derde en vierde lid, van de IOAW of van de IOAZ, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; verrekening op grond van artikel 6:127 van het BW; een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Rv of; beslag in de zin van het Tweede Boek van het Rv. Artikel10 Aflossingsverplichting Indien de debiteur een inkomen heeft op inkomensvoorzieningsniveau, bedraagt: de aflossingsverplichting maximaal 10% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningnorm per maand indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht; de aflossingsverplichting maximaal 6% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningnorm per maand bij overige vorderingen; Indien de debiteur een inkomen boven inkomenvoorzieningsniveau heeft, bedraagt: de aflossingsverplichting minimaal 10% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm per maand, vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke inkomensvoorzieningnorm, indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht; de aflossingsverplichting minimaal 6% van de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm per maand bij overige vorderingen, voor zover de vordering binnen 36 maanden volledig kan worden voldaan. Indien de vordering niet binnen deze termijn volledig kan worden voldaan, wordt de aflossingsverplichting vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm. Is sprake van bijzondere omstandigheden dan kan een betalingsregeling getroffen worden waarbij de aflossing op een lager bedrag wordt vastgesteld. Voorwaarde is wel dat de vordering binnen 36 maanden wordt voldaan. Een debiteur die een inkomensvoorziening op grond van de WWB, IOAZ of IOAW heeft ontvangen wordt, wat betreft de hoogte van de vast te stellen aflossingsverplichting, gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van de inkomensvoorziening gelijkgesteld met een op grond van die wetten inkomensvoorzieningsgerechtigde onder de voorwaarde van nakoming van de aflossingsverplichting. In geval van beslaglegging door een derde (een andere schuldeiser dan het college) kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d leden 1 en 2 van het Rv. Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens indien de gewijzigde omstandigheden van de debiteur daartoe aanleiding geeft of indien de debiteur desgevraagd geen informatie geeft over zijn omstandigheden. Artikel11 Geen heronderzoek naar de aflossingsverplichting bij betaling binnen 36 maanden Een heronderzoek naar de aflossingverplichting van de debiteur vindt jaarlijks plaats maar kan achterwege blijven indien de debiteur een betalingsvoorstel heeft gedaan aan het college, op basis waarvan de vordering volledig zal zijn voldaan binnen een periode van 36 maanden, te rekenen vanaf het moment van ingang van de aflossingsverplichting, het aflossingsbedrag per maand minimaal € 50 bedraagt en de debiteur die verplichting nakomt. Het college kan het betalingsvoorstel van de debiteur, ingevolge lid 1 van dit artikel afwijzen indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht dan wel indien de debiteur in de periode van 60 maanden voorafgaande aan het verzoek, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan één keer verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan. Artikel12 Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door de debiteur De debiteur kan een (schriftelijk) verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting. Het college betrekt bij de beoordeling van dit verzoek hetgeen in deze beleidsregels is bepaald, in het bijzonder de artikelen 10, 11 en 13. Artikel13 Uitstel of matiging van de aflossingsverplichting Indien de financiële situatie van de debiteur, dan wel bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven kan het college op verzoek besluiten tot het verlenen van uitstel van betaling of matiging van de aflossingsverplichting gedurende een bepaalde periode. Nadat een besluit tot terugvordering wettelijk ten uitvoer is gelegd, kan het college op verzoek besluiten de aflossingsverplichting te matigen, met handhaving van het derdenbeslag. Aan deze matiging van de aflossingsverplichting kan het college voorwaarden verbinden. Indien gedurende een periode van ten minste 60 aaneengesloten maanden de debiteur, als gevolg van de nakoming van de betalingsverplichting of de wettelijke tenuitvoerlegging, een inkomen op of beneden de beslagvrije voet heeft genoten, kan het college, op verzoek tot matiging van de aflossingsverplichting besluiten. Voor vorderingen die niet zijn ontstaan wegens schending van de inlichtingenplicht geldt een termijn van 36 aaneengesloten maanden. In de gevallen waarin het college heeft besloten tot het verlenen van uitstel van betaling of tot matiging van de aflossingsverplichting, kan periodiek onderzoek plaatsvinden naar de draagkracht van de debiteur. Indien de financiële situatie of de omstandigheden van de debiteur zijn gewijzigd, kan het college besluiten tot geheel of gedeeltelijke intrekking van het besluit genoemd in de eerdergenoemde leden van dit artikel. Bij het ontstaan van nieuwe vorderingen kan het college het besluit tot uitstel van betaling of matiging van de aflossingsverplichting ambtshalve aanpassen. Indien de debiteur uitstel van betaling of matiging van de aflossingsverplichting als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is verleend, wordt dit niet aangemerkt als het voldoen aan de aflossingsverplichting in de zin van artikel 15 van deze beleidsregels. Artikel14 Kosten van de invordering 1.Bij het niet voldoen aan de betalingsverplichting uit eigen beweging worden de kosten van de invorderingsmaatregelen in rekening gebracht bij de debiteur. De kosten worden als volgt berekend: Saldo vordering Invorderingskosten gemeente Stichtse Vecht Minder dan € 50 Gelijk aan het saldo Van € 50 tot € 333,33 € 50 € 333,33 en hoger 15% tot max. € 500 Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van een dringende reden of bijzondere omstandigheden. Indien het college de vordering ter tenuitvoerlegging overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, dan worden de door de derde gemaakte kosten volledig doorberekend aan de debiteur. Artikel15 Kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting Het college kan in de situaties zoals genoemd in artikel 6 ambtshalve of op (schriftelijk) verzoek besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering. Het college besluit niet tot kwijtschelding indien de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken, behoudens voor zover de vordering niet op die zaken verhaald kan worden. In afwijking van het tweede lid besluit het college wel tot kwijtschelding: indien er gelet op de persoonlijke situatie van de debiteur sprake is van dringende redenen; bij overlijden van de debiteur, zodra vaststaat of aannemelijk is dat de nalatenschap geen of onvoldoende verhaalsmogelijkheden biedt. Voor een inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening geldt dat indien minimaal 36 maanden overeenkomstig de aflossingsverplichting op de vordering is afgelost, het saldo van de vordering ambtshalve wordt kwijtgescholden. Indien bij de verstrekking van de geldlening sprake is geweest van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, geldt deze bepaling niet. Artikel16 Opschorting invordering Het college kan de invordering in geval van een door de debiteur ingediend bezwaarschrift opschorten indien de invordering onevenredig belastend is voor de debiteur of financiële risico’s voor het college oplevert. VERHAAL Artikel17 Verhaalsbevoegdheid Het college maakt gebruik van de bevoegdheid de kosten van bijstand te verhalen op grond van artikel 61 t/m 62i van de WWB, voor zover zich daartegen geen andere wettelijke regeling verzet. Artikel18 Afzien van verhaal Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50 per maand dan wel € 600 per jaar. Het college bepaalt de verhaalsbijdrage voor een kind op het minimale bedrag dat de Belastingdienst hanteert voor de fiscale aftrek voor levensonderhoud van kinderen. Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van de debiteur of degene die de inkomensvoorziening ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. Artikel19 Ingangsdatum verhaalsbijdrage De verhaalsbijdrage wordt opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van de debiteur. Artikel20 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek In afwijking van artikel 19 van deze beleidsregels kan het college op verzoek van de debiteur besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van de inkomensvoorziening voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de debiteur niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering wegens verhaal van de inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. Het college trekt het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal in of wijzigt dit besluit ten nadele van de debiteur, indien: niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid van dit artikel; de debiteur de vordering niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel21 Verhaal in rechte en op grond van rechterlijke uitspraak Indien de debiteur niet uit eigen beweging bereid is het verschuldigde te voldoen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte, tenzij het te verhalen bedrag een bedrag van € 600 niet te boven gaat. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens boek 1 van het BW, die uitvoerbaar is en niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak. Artikel22 (Her)onderzoek naar draagkracht Het college verricht één keer per 36 maanden een onderzoek naar de draagkracht van de debiteur voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, vindt binnen 36 maanden een heronderzoek plaats. Het college stelt als gevolg van dit onderzoek bij wijziging van de draagkracht de verhaalsbijdrage gewijzigd vast. Het college gaat niet over tot een nieuw verhaalsbesluit indien: uit het draagkrachtonderzoek blijkt dat de draagkracht met € 50 per maand of minder is vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek; of het woonadres en de gezinssamenstelling van de debiteur ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek gelijk zijn gebleven en het gezinsinkomen van de debiteur ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek met minder dan 15% bruto is gestegen. Artikel23 Invordering van verhaalsbijdragen Indien de debiteur een door de rechter vastgestelde verhaalsbijdrage niet voldoet, zijn de artikelen 7 tot en met 14 van deze beleidsregels overeenkomstig van toepassing. OVERIGE BEPALINGEN Artikel24 Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregels treden, met inachtneming van het derde lid, in werking de dag na de bekendmaking, maar in ieder geval op 1 januari 2013 en worden aangehaald als ‘Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Stichtse Vecht’. Voor zover de debiteur overeenkomstig de aflossingsverplichting op de vordering aflost, blijft die verplichting van kracht totdat op grond van de ‘Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Maarssen’ een heronderzoek moet plaatsvinden. Burgemeester en wethouders voornoemd, Gemeentesecretaris Burgemeester Toelichting Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Stichtse Vecht ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die noodzakelijk zijn voor het begrip van deze beleidsregels. TERUGVORDERINGArtikel 2 Toepassingsbereik Deze beleidsregels zijn in eerste instantie van toepassing op terugvordering, invordering en verhaal ingevolge de WWB, IOAW en IOAZ. Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing op overige uit te voeren wet- en regelgeving. Omdat de beleidsvrijheid ingevolge deze wet- en regelgeving veelal beperkter is, dan wel regels ontbreken - bijvoorbeeld het vereenvoudigd derdenbeslag bij vorderingen op grond van de WMO - , zijn de onderhavige beleidsregels slechts van toepassing op vorderingen ingevolge deze overige wet- en regelgeving indien de beleidsregels niet in strijd zijn met dit - hogere - wettelijk kader. Artikel 3 Opschorting, herziening, intrekking, terugvorderingIn de WWB, IOAW en IOAZ was het terugvorderen van ten onrechte verleende uitkering, alsmede het opschorten, herzien en intrekken van het recht op uitkering dat hier in de meeste gevallen aan vooraf gaat, een algehele bevoegdheid van het college. Dit is met ingang van 1 januari 2013, bij het inwerkingtreden van de Wet aanscherping handhaving socialezekerheidswetten gewijzigd: terugvorderen is een verplichting geworden. Er is daarmee geen ruimte meer voor het kwijtschelden van vorderingen of van het hanteren van kruimelbedragen. Gelet op de financiële verantwoordelijkheid voor de kosten van inkomensvoorzieningen acht het college het van groot belang dat die voorzieningen alleen terechtkomen bij die burgers die er recht op hebben. Bovendien hebben de ontvangsten voortvloeiend uit de terugvordering een gunstig effect op het beschikbare budget binnen het inkomensdeel van de WWB, IOAW en IOAZ. Daarnaast is een belangrijk beleidsuitgangspunt, in lijn met de nieuwe wetgeving, dat het plegen van fraude (dat wil zeggen schending van de inlichtingenplicht) onder geen enkele voorwaarde mag worden beloond door de ten onrechte verstrekte inkomensvoorziening niet terug te vorderen. Uit jurisprudentie blijkt dat onder dringende redenen zoals genoemd in het vierde lid alleen zeer zwaarwegende redenen kunnen worden verstaan Artikel 4 Herziening en intrekking Het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening door middel van een besluit tot herziening of intrekking, al dan niet voorafgegaan door een opschorting met hersteltermijn, is wel een algehele bevoegdheid van het college gebleven. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het besluit tot toekenning met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze bevoegdheid. De bepalingen onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 54, derde en vierde lid van de WWB en de gelijkluidende bepalingen in de IOAW en IOAZ, maar dwingend geformuleerd. Wel biedt dit artikel de mogelijkheid om uiteindelijk toch af te zien van terugvordering, als besloten wordt af te zien van herziening en intrekking. Artikel 5 TerugvorderingDe hier omschreven situaties waarin de inkomensvoorziening wordt teruggevorderd zijn inhoudelijk identiek aan de bepalingen ten aanzien van terugvordering in de WWB, IOAW en IOAZ. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer te veel of ten onrechte verstrekte inkomens-voorziening moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels dwingend geformuleerd. Een inkomensvoorziening is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op de voorziening bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient eerst een besluit tot herziening of intrekking te worden genomen (artikel 3). Aan de inkomensvoorziening die in de vorm van een geldlening is verleend moet in alle gevallen een terugbetalingsverplichting worden verbonden. Deze verplichting wordt in het besluit tot toekenning vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een besluit tot terugvordering genomen. Borgstelling is een vorm van inkomensvoorziening. Dit betekent dat in het besluit tot toekenning vastgelegd moet zijn dat het college een inkomensvoorziening heeft verleend in de vorm van een borgstelling. Deze inkomensvoorziening komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) als de debiteur in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker aan hem geleende geldsom. Op het moment van uitbetaling van de inkomensvoorziening ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58, eerste lid, sub c van de WWB en de onderhavige beleidsregels wordt teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk besluit tot terugvordering noodzakelijk. Een voorschot wordt op grond van het artikel 52 van de WWB van rechtswege verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat debiteur deze lening moet terugbetalen. Het genoemde artikel regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende inkomensvoorziening over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms is verrekening van dit voorschot niet of niet volledig mogelijk. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een inkomensvoorziening tot stand komt of dat de toegekende inkomensvoorziening niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van debiteur teruggevorderd op grond van hetzelfde, eerdergenoemde artikel. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet, dan is een afzonderlijk besluit tot terugvordering noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende inkomensvoorziening. Er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de inkomensvoorziening bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het besluit tot toekenning, bijvoorbeeld wanneer als gevolg van een administratieve fout ten onrechte een inkomensvoorziening is verleend. Als beperking geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de debiteur redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een inkomensvoorziening ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van twee
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.