Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen (Verordening parkeerbelastingen 2008) Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb. 459; b. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV1990), met dien verstande dat gehandicaptenvoertuigen, fietsen en bromfietsen op twee wielen en niet voorzien van een carrosserie, niet als voertuigen worden beschouwd; c. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; d. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; e. houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt register was ingeschreven; f. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen, en hetgeen onder maatschappelijke opvattingen overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; g. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur; h. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift “zone”, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; i. vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe aangewezen belanghebbenden- en/of parkeerapparatuurplaatsen; j. vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; k. dag: een periode van vierentwintig uren, welke aanvangt om 0.00 uur; l. dagdeel: het gedeelte van een dag vóór 13.00 uur, danwel tussen 13.00 en 18.00 uur of nà 18.00 uur; m. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; n. maand: een aaneengesloten periode van zoveel dagen als de kalendermaand, waarin de ingangsdatum valt, telt. o. autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan een huishouden; p. aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die is aangesloten bij de Stichting voor Gedeeld Autogebruik of die gecertificeerd is door de brancheorganisatie en die een of meer motorvoertuigen voor autodate ter beschikking stelt; q. autodateplaats: de belanghebbendenplaats die bestemd is voor het parkeren van een autodate motorvoertuig en die nader aangeduid is met het onderbord met het opschrift: “Alleen voor autodate”. r. gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, een ingevolge de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart daarmee gelijkgestelde parkeerkaart of de Stadsgewestelijke Gehandicapten-parkeerkaart. Artikel2Parkeerbelastingen Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het -anders dan krachtens een vergunning als bedoeld in onderdeel b en met inachtneming van de daaraan verbonden voorwaarden- parkeren van een voertuig op een bij, danwel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3Belastingplicht 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2.Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: degene, die de belasting voldoet, danwel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat: indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel4Vrijstelling invaliden Houders van een geldige gehandicaptenparkeerkaart zijn vrijgesteld mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst. Indien geen voorruit aanwezig is, dient de gehandicaptenparkeerkaart op een van buitenaf zichtbare plaats duidelijk leesbaar te worden aangebracht. Artikel5Tarief, tijdvak en maatstaf van heffing Het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel6Ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de belasting terstond verschuldigd na afloop van het parkeren, indien wordt geheven door middel van het aanmelden bij de centrale computer, van het bedrijf waarmee de gemeente Den Haag een overeenkomst heeft gesloten, voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel7Wijze van heffing en termijn van betaling 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid moet de belasting, indien het inwerking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het aanmelden bij de centrale computer, van het bedrijf waarmee de gemeente Den Haag een overeenkomst heeft gesloten, voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen, betaald worden binnen één maand na de dag waarop het belastbare feit heeft plaats gevonden. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren anders dan op parkeerapparatuurplaatsen, wordt geheven bij wege van inworp van geld in een betaalautomaat danwel bij wege van nota en moet worden betaald na afloop van het parkeren danwel terstond na aanbieding van de nota. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Voldoening via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld. 5.In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kan de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, ingeval de vergunningsperiode minimaal 185 dagen bedraagt en de belasting wordt voldaan via een afgegeven machtiging tot automatische incasso, in twee termijnen worden betaald. Het eerste termijn-bedrag - de helft van de verschuldigde belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b - dient dan te worden betaald binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de vergunningperiode. Het tweede termijn-bedrag dient te worden betaald binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de tweede helft van de vergunningperiode. 6.Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. 7.Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt. 8.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste tot en met het zesde lid gestelde termijn. Artikel8Ontheffing van parkeerbelasting 1.Ontheffing van parkeerbelasting met betrekking tot de vergunning als genoemd in onderdeel 3, onder A., B., C. en J. van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt zonder dat daartoe een aanvraag is ingediend, verleend. Ontheffing van parkeerbelastingen met betrekking tot de overige in de tarieventabel opgenomen vergunningen wordt uitsluitend op aanvraag verleend. 2.Indien een vergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over de nog niet ingetreden volle dagen, waarop de vergunning betrekking heeft. 3.Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt geen gebruik kan maken van de vergunning, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle dagen gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest. 4.Indien voor een voertuig parkeerbelasting als genoemd in onderdeel 3, onder G van de bij deze verordening behorende tarieventabel is betaald en aannemelijk is dat niet of slechts gedurende een gedeelte van de desbetreffende periode van de parkeermogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle dagen gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest. Het bedrag van de ontheffing wordt berekend door op het maandtarief het in de eerste volzin bedoelde aantal volle dagen tegen het dagdeeltarief in mindering te brengen. 5.Ontheffing van parkeerbelasting wordt niet verleend indien het bedrag daarvan minder zou bedragen dan € 2,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.