Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten De Bilt en Utrecht en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Overwegende dat het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun algemeen bestuur daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen; het voornemen bestaat om met ingang van 1 juli 2013 de samenwerking operationeel te hebben en de taken daadwerkelijk gezamenlijk te gaan uitvoeren met ingang van 1 januari 2014; Gelet op: hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen, artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet; artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet; artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht BESLUITEN de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband; ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen; belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten De Bilt en Utrecht, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband; deelnemende gemeenten: de gemeenten De Bilt en Utrecht; deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; directeur: de door het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is; gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht; gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 35 of 36 is overgedragen aan het samenwerkingsverband; heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen; kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet; nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening; regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; reglement: het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008; samenwerkingsverband: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; vertegenwoordigende organen: de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; voorzitter: de voorzitter van het samenwerkingsverband, en waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet. Artikel2Belang In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van: de heffing en invordering van belastingen, en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden. Artikel3Het openbaar lichaam 1.Bij deze regeling wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld, genaamd Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. 2.Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht. Hoofdstuk2Inrichting en samenstelling van het bestuur Afdeling1Het bestuur Artikel4Bestuur Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Artikel5Hoofdschap Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het samenwerkingsverband. Afdeling2Algemeen bestuur Artikel6Samenstelling 1.Elk van de colleges wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het algemeen bestuur vertegenwoordigt, behoudens het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden dat twee leden uit zijn midden aanwijst die hem in het algemeen bestuur vertegenwoordigen. 2.De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges. 3.Indien tussentijds binnen het algemeen bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. 4.Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5.Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien. 6.Voor ieder lid van het algemeen bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid alsmede artikel 20 van overeenkomstige toepassing. Artikel7Reglement van orde Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel8Vergaderingen 1.Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste twee maal en voorts zo vaak als daartoe besloten is. 2.Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt. 3.Het algemeen bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het tweede lid ingediend verzoek. Artikel9Oproeping 1.De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. 2.Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. Artikel10Quorum 1.De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 2.Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 3.Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien uit de presentielijst is gebleken dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Artikel11Vergaderorde 1.De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 2.Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. 3.Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. Artikel12Belangenverstrengeling 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan een stemming over: een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3.Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Artikel13Stemming 1.Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; in een vergadering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 10, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. Artikel14Besluitvorming 1.Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, tenzij deze regeling anders bepaalt en met dien verstande dat: het lid van het algemeen bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is aangewezen drie stemmen heeft; de overige leden van het algemeen bestuur ieder één stem hebben. 2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Artikel15Stemmen over personen 1.De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes. 2.Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. 3.Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot. Artikel16Overige stemmingen 1.De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. 2.Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. 3.Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. 4.Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 5.Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 6.Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht. Artikel17Openbaarheid vergaderingen 1.De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2.In de vergadering van het algemeen bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. 3.Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 4.Op de vergadering, bedoeld in het derde lid, is het tweede lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd, alleen beraadslagen of besluiten indien ten minste de helft van het aantal leden tegenwoordig is. Artikel18Besluitvorming in besloten vergaderingen 1.In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening. 2.In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter. 3.In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van: het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten; het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen; het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd. Artikel19Onschendbaarheid De leden van het bestuur van het samenwerkingsverband en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd. Artikel20Ontslag Het college van de deelnemer kan het door hem in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Afdeling3Dagelijks bestuur Artikel21Samenstelling 1.Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur. 2.Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 3.Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet. 4.Artikel 6, zesde lid, is niet van toepassing op het lidmaatschap van het dagelijks bestuur. Artikel22Vergaderingen 1.Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig oordeelt of ten minste één lid daar de voorzitter om verzoekt. 2.De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. 3.Ieder lid heeft één stem. 4.Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen. 5.Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Artikel23Ontslag Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Afdeling4Voorzitter Artikel24Aanwijzing 1.De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 2.Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3.Uit de andere leden als bedoeld in artikel 21, eerste lid wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter. Afdeling5Secretaris Artikel25Benoeming, schorsing en ontslag 1.De secretaris wordt door het algemeen bestuur benoemd. 2.De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het algemeen bestuur. 3.In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur tot schorsing overgaan. Het doet daarvan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt indien het algemeen bestuur haar niet bekrachtigt in een, binnen acht weken na de datum van het schorsingsbesluit gehouden, vergadering. Artikel26Taak 1.De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede. 2.De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband. Artikel27Vervanging 1.Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris. 2.Artikel 25, tweede en derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt. Afdeling6Overige bestuursorganen Artikel28Bestuurscommissies Het algemeen bestuur is bevoegd om bestuurscommissies als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen. Artikel29Algemene bepaling Het samenwerkingsverband heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband en belastingdeurwaarders. Artikel30Heffingsambtenaar 1.De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel31Invorderingsambtenaar 1.De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. 2.De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het dagelijks bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld. 3.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel32Ambtenaar van het samenwerkingsverband 1.De ambtenaar van het samenwerkingsverband heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel33Belastingdeurwaarder 1.De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Afdeling7Ombudsfunctie Artikel34Ombudsfunctie Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen. Hoofdstuk3Bevoegdheden van het samenwerkingsverband Afdeling1Bevoegdheden van het bestuur Artikel35Bevoegdheden Het bestuur van het samenwerkingsverband is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen. Artikel36Overdracht bevoegdheden 1.Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven. 2.De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, en de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 3.De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel37Additionele overdracht 1.Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 36 overdragen aan het samenwerkingsverband. 2.Het algemeen bestuur neemt hetgeen dat op grond van het vorige lid is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Afdeling2Bevoegdheden van het algemeen bestuur Artikel38Algemene bevoegdheden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet berust de in artikel 35 omschreven bevoegdheid bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur, het Reglement of deze regeling is toegekend aan het dagelijks bestuur of de voorzitter. 2.Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de belangen die het samenwerkingsverband zijn opgedragen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 36 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.