Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013Burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten; gelet op de bepalingen in de verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 Besluiten vast te stellen: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013. Inleiding Voor u ligt het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten (hierna: besluit). In dit besluit zijn alle bedragen opgenomen die van belang zijn voor de uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 gemeente Eijsden-Margraten (hierna: verordening) Het voordeel van het besluit is dat bij wijziging van de bedragen (bijvoorbeeld omdat aan de hand van de prijsindex een bijstalling plaatsvindt) of beleidsregels de verordening niet gewijzigd hoeft te worden. Hierdoor wordt voorkomen dat deze wijzigingen in de Raad besproken en opnieuw vastgelegd moeten worden. Bijstelling van het besluit door het College kan aanzienlijk sneller plaatsvinden. Het besluit is vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders van Eijsden-Margraten op 22 januari 2013 en gaat in met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 gemeente Eijsden-Margraten of de Algemene Wet Bestuursrecht. In dit besluit wordt verstaan onder: verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013; aanvrager: de persoon die een aanvraag indient voor een individuele voorziening op grond van de verordening en voor wie de gevraagde voorziening is bedoeld dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger; college: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning [Stb. 2006-351]; inkomen Het inkomen als genoemd in artikel 4.2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Staatsblad 2006; 450); algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een snelle beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt; individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt; voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 6 en 6a van de wet, waarmee de ondersteuningsbehoevende een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in de verordening en het besluit te stellen regels van toepassing zijn; financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening; eigen bijdrage: een bij de verlening van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de rechthebbende komende financiële bijdrage, waarop de regels van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning, de ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013’ en het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013’ van toepassing zijn; eigen aandeel: een bij de verlening van een financiële tegemoetkoming voor rekening van de rechthebbende komend aandeel in de kosten, waarop de regels van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning, de ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013’ en het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013’ van toepassing zijn; forfaitaire vergoeding: een bijdrage ineens die los van de werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt; gemaximeerde vergoeding: een vergoeding in de kosten van een voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt verstrekt; meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening; normbedrag: een forfaitair of gemaximeerde vergoeding; gehuwden: gehuwd zijn voor de burgerlijke stand, een geregistreerd partnerschap of samenwonend met een fiscaal partnerschap; budgethouder: een ondersteuningsbehoevende aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger, en die aan het College verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; budgetperiode: de periode waarvoor een persoonsgebonden budget is toegekend; collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer: Omnibuzz\Regiotaxi; hulp bij het huishouden: de door het college geboden individuele compensatie van beperkingen op het vlak van de resultaatsgebieden zoals genoemd in artikel 9, 11, 12 en 13 van de verordening; hulp bij het huishouden basis alleen schoonmaakwerkzaamheden hulp bij het huishouden plus: schoonmaakwerkzaamheden en ondersteuning in de huishouding. alfahulp: een thuiszorgaanbieder die, op grond van de regeling “Dienstverlening aan huis”, een arbeidsverhouding heeft met de verzorgingsbehoevende als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. woonvoorziening: de door het college geboden individuele compensatie van beperkingen op het vlak van de resultaatsgebieden zoals genoemd in artikel 10 en 14 van de verordening; rolstoelvoorziening: de door het college geboden individuele compensatie van beperkingen op het vlak van de resultaatsgebieden zoals genoemd in artikel 14 en 16 van de verordening; vervoersvoorziening: de door het college geboden individuele compensatie van beperkingen op het vlak van de resultaatsgebieden zoals genoemd in artikel 15 en 16 van de verordening. Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en welke niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de verordening of de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Alle bedragen die in dit besluit genoemd worden, zijn netto bedragen, inclusief BTW, tenzij anders is vermeldt. HOOFDSTUK2.BIJZONDERE REGELS OVER HET VERSTREKKEN IN NATURA EN ALS PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel2.Regels rond verstrekking en verantwoording 1.Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Verstrekking van een voorziening, zowel als voorziening in natura dan wel als persoonsgebonden budget/financiële tegemoetkoming, is niet mogelijk indien een voorziening als algemeen gebruikelijk is aan te merken. 2.Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; betrokkene in een schuldhulpverleningstraject zit, waaronder tevens begrepen een schuldsanering op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; Indien de verwachting is dat een voorziening noodzakelijk is voor een periode die korter is dan de economische levensduur dan wel de verwachte noodzakelijke duur van de voorziening kan het College besluiten deze voorziening enkel in natura te verstrekken. indien de verwachting is dat een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden noodzakelijk is voor een periode korter dan 3 maanden. 3.Verstrekking van een voorziening, zowel als voorziening in natura dan wel als persoonsgebonden budget/financiële tegemoetkoming, is niet mogelijk indien een voorziening als algemeen gebruikelijk is aan te merken. In het algemeen kan worden gesteld dat iets algemeen gebruikelijk is indien het voldoet aan de volgende vier voorwaarden: het aan te schaffen object kan voor een niet-gehandicapte in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend; het is gewoon te koop; het is niet duurder dan soortgelijke producten; het is niet speciaal voor gehandicapten. De verstrekking van een persoongebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor een individuele voorziening wordt na toekenning op basis van bevoorschotting uitbetaald. Artikel3.Verantwoording en controle 1.De verantwoording van het persoonsgebonden budget aan het College door de budgethouder vindt eerstens plaats via het door het College beschikbaar gestelde verantwoordingsformulier. Een verdere controle kan plaatsvinden aan de hand van door de budgethouder te overleggen relevante, originele en gedateerde facturen en/of betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. 2.Het College kan op basis van een steekproef bepalen dat de aanvrager de op het door het College beschikbaar gestelde verantwoordingsformulier vermelde gegevens aantoont door middel van bewijsstukken. 3.De controle van de verantwoording vindt steekproefsgewijs plaats, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar, waarbij de steekproef minimaal een omvang heeft van 10% van de verstrekte persoonsgebonden budgetten. 4.In verband met de in lid 3 van dit artikel genoemde controle dient de budgethouder gedurende een periode van 3 jaar bewijsstukken te bewaren van de besteding van het persoonsgebonden budget. 5.Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoongebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het College het reeds verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen. 6.Bij het verstrekken van een individueel hulpmiddel dient de klant binnen 3 maanden na verstrekking desgevraagd een originele nota te kunnen overleggen. 7.Het vastgestelde Persoonsgebonden budget [PGB] betreft een maximum vergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota. 8.Bij overlijden van de cliënt, na de 15e in een kalendermaand, zal het PGB voor hulp bij het huishouden worden stopgezet per eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden. Valt de overlijdensdatum voor of op de 15e in een kalendermaand dan zal het PGB over de tweede helft van die kalendermaand door het College worden teruggevorderd. HOOFDSTUK3.EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL Artikel4.Opleggen eigen bijdrage en eigen aandeel 1.De eigen bijdrage of het eigen aandeel zoals genoemd in hoofdstuk 6 paragraaf 5 van de verordening wordt opgelegd bij de voorziening als genoemd in hoofdstuk 5 paragraaf 2, van de verordening. Hierbij geldt dat ten aanzien van de verstrekking van een rolstoel, op grond van de Wet, geen eigen bijdrage of eigen aandeel mag worden gevraagd. Indien bij de verstrekking van een individueel hulpmiddel een middel wordt herverstrekt als bruikleenverstrekking, zal bij de bepaling van de hoogte de eigen bijdrage worden uitgegaan van de daadwerkelijke kosten zoals de gemeente deze maakt voor het hulpmiddel. 2.De te betalen eigen bijdrage of eigen aandeel zal worden vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor [CAK] zoals is bepaald in het Bijdragebesluit Zorg in artikel 16a lid 4 onder b. conform artikel 4 lid 1 onder 3 van de Algemene Maatregel van Bestuur [gepubliceerd Staatsblad 450 van 2 oktober 2006]. 3.De opgelegde eigen bijdrage of eigen aandeel voor woonvoorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de woning; de kosten van een traplift; andere woonvoorzieningen anders dan in bruikleen en vervoersvoorzieningen in de vorm van een PGB wordt geïnd gedurende 39 perioden van 4 weken. 4.De opgelegde eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden; voor woonvoorzieningen in bruikleen en voor vervoersvoorzieningen in bruikleen zal worden geïnd gedurende de gehele periode dat de voorziening wordt geleverd. 5.Ten aanzien van personen tot 18 jaar aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, wordt geen eigen bijdrage of eigen aandeel gehanteerd. Artikel5.Omvang van eigen bijdrage en eigen aandeel 1.De bedragen en de percentages op basis waarvan de maximale eigen bijdrage of eigen aandeel berekend worden, zijn gelijk aan de bedragen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, Stb.2006 nr. 450, artikel 4.1, lid 1, zoals jaarlijks aangepast door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2.De maximaal te betalen eigen bijdrage of eigen aandeel kan nooit hoger zijn dan de kosten van de voorziening: Bij hulp bij het huishouden in natura geldt in deze het uurtarief dat de zorgleverancier in kwestie aan het college in rekening brengt. Deze uurtarieven zijn opgenomen in bijlage IV van dit Besluit; Bij hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een alfahulp (artikel 7.1 sub b van dit Besluit) geldt een tarief van € 15,07 per uur voor hulp bij het huishouden basis (artikel 1 sub v van dit Besluit) en €18,82 voor hulp bij het huishouden plus (artikel 1 sub w van dit Besluit); Bij hulp bij het huishouden in de vorm van een regulier persoonsgebonden budget (artikel 7.1 sub a van dit besluit) geldt een tarief van € 15,07 per uur voor hulp bij het huishouden basis (artikel 1 sub v van dit Besluit) en €18,82 voor hulp bij het huishouden plus (artikel 1 sub w van dit Besluit); Bij verstrekking van vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen geldt in deze 100% van de kostprijs van de voorziening zoals door het college is voldaan; van de huurprijs van de voorziening zoals door het college is voldaan; van de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget zoals door het college is verstrekt Het bepaalde in bovenstaand sub d geldt niet voor de kosten die het college maakt voor de collectieve vervoersvoorziening Regiotaxi. In dit geval wordt per te reizen zone een eigen aandeel ter hoogte van € 0,70 in rekening gebracht bij de gebruiker. HOOFDSTUK4.HULP BIJ HET HUISHOUDEN Artikel6.Vorm van verstrekking hulp bij het huishouden 1.Bij de verstrekking van een voorziening voor hulp bij het huishouden in natura dan wel persoonsgebonden budget, wordt de omvang van deze voorziening vastgesteld in uren en minuten per week. 2. Bij de verstrekking van een voorziening voor hulp bij het huishouden wordt het zoveel mogelijk behouden van de regie van de cliënt centraal gesteld. Dit betekent in de praktijk: Indien een cliënt een hoog regievoerend vermogen heeft, wordt de voorziening zoveel als mogelijk in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt; Bij een beperkt regievoerend vermogen, maar voldoende om de hulp aan te sturen, gaat de voorkeur uit naar een pgb-alfa; Als het regievoerend vermogen onvoldoende is om de hulp aan te sturen wordt de voorziening in de vorm van zorg in natura verstrekt Artikel7Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden 1.Als het College een individuele voorziening toekent in de vorm van een persoonsgebonden budget kan dit bestaan uit: a. Een persoonsgebonden budget. Een financiële tegemoetkoming voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. 2.Het persoonsgeboden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden, waaronder de arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt vastgesteld in uren en minuten per week, waarbij een bruto uurtarief van € 15,07 geldt. 3.Het persoongebonden budget als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan in enig kalenderjaar niet meer bedragen dan de door de zorgbemiddelingsorganisatie aan de gemeente opgegeven som van de gerealiseerde en geautoriseerde productie-uren over het desbetreffende kalenderjaar. Het bruto tarief waarmee gerekend wordt bedraagt € 15,07. Het hierboven bepaalde geldt in gelijke mate voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden in de vorm van dienstverlening ingevolge een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel8Informatieplicht en geïnformeerde toestemming 1.Het College zal de aanvrager voor het nemen van een besluit op een aanvraag informeren over de vormen van hulp bij het huishouden. 2.Het College zal de keuze van de aanvrager schriftelijk vastleggen in het besluit op de aanvraag. Artikel9Uitbetaling persoonsgebonden budget Verstrekking van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt na toekenning op basis van bevoorschotting maandelijks uitgekeerd. Artikel 10 Vrij besteedbaar bedrag Het persoonsgebonden budget bij hulp bij het huishouden kent een vrij besteedbaar bedrag waarover geen verantwoording verschuldigd is. Dit bedrag bedraagt € 56,00 jaarbasis Artikel11Omvang van hulp bij het huishouden De door het College ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden te verstrekken voorziening, zoals bepaald in artikel 9 van de verordening, zal worden omschreven in de door het College vastgestelde ‘Richtlijn indicatiestelling voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten’ Artikel12Maximale looptijd hulp bij het huishouden 1.De door het College ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden te verstrekken voorziening kan worden verstrekt voor een periode van maximaal 5 jaar of zoveel eerder als het College daartoe aanleiding ziet, waarna het College een herindicatie zal doen plaatsvinden. 2.De ondersteuningsbehoevende zal hiertoe een aanvraag doen bij de gemeente. HOOFDSTUK5.WOONVOORZIENINGEN Artikel13.Hoogte van de financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget 1.De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor standaard woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de gemaximeerde normbedragen, zoals weergegeven in Bijlage II van dit besluit. 2.De financiële tegemoetkoming/persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing of een roerende woonvoorziening wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van een woning in eigendom of eigenaar van de woning waaraan de voorzieningen zijn getroffen. 3.Indien de kosten van de woonaanpassing of roerende woonvoorziening meer bedragen dan € 2.500,00 of indien toepassing van de normbedragen, genoemd in lid 1 van dit artikel, niet mogelijk is, wordt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor deze woonvoorziening, in afwijking van het in lid 1 van dit artikel gestelde, door het College vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst-adequate voorziening, vast te stellen op basis van een offerte. 4.Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd, dan bedraagt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget 75% van de in Bijlage II van dit besluit genoemde bedragen of de in lid 3 van dit artikel bedoelde goedkoopst-adequate offerte. 5.Woningaanpassingen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige kosten kunnen worden meegenomen, zijn hiervan uitgesloten. Artikel14.Kostensoorten woningaanpassingen Bij het vaststellen van de hoogte van de persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 3% van de aanneemsom met een minimumbedrag van € 500,00; De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, waarbij de in Bijlage III genoemde maximale normen gelden; De door het College (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen worden; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van (her)aansluiting op een openbare nutsvoorziening; De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de ondersteuningsbehoevende, voor zover de kosten onder a. tot en met i. meer dan € 1.000,00 bedragen, 10% van die kosten met een maximum van € 350,00. Artikel15.Afschrijvingstermijn De afschrijvingstermijnen van voorzieningen worden gehanteerd, zoals weergegeven in Bijlage II van dit besluit of middels een beoordelingsrapportage van een bouwkundige. Artikel16.Hoogte verhuis- en herinrichtingskosten Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van de verordening, bedraagt de forfaitaire vergoeding voor verhuis- en (her)inrichtingskosten € 2.000,00. Artikel17.Terugbetaling bij verkoop 1.1.De wooneigenaar is, bij verkoop binnen 10 jaar naar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden, verplicht tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van €10.000,00 te boven gaat. Hierbij wordt gedurende 10 jaar onderstaand afschrijvingsschema toegepast: 1e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 10% 2e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 20% 3e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 30% 4e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 40% 5e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 50% 6e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 60% 7e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 70% 8e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 80% 9e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 90% 10e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 100% 2.De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Na akkoord bevinding gereedmelding zal binnen 2 weken uitbetaling plaatsvinden. 3.De gereedmelding bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de woonvoorziening is verleend. 4.Degene aan wie de woonvoorziening wordt verleend dient gedurende een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. Artikel18.Niet toepassen primaat verhuizing Het primaat van verhuizing, zoals bedoeld in Hoofdstuk 5 artikel 10 lid 3 van de verordening, blijft in ieder geval buiten toepassing indien: de kosten van aanpassing van de door de ondersteuningsbehoevende bewoonde woning minder bedragen dan € 5.000,00, tenzij uit onderzoek blijkt dat binnen afzienbare termijn nieuwe aanpassingen noodzakelijk zullen zijn en het in dit lid genoemde bedrag alsnog zal worden overschreden; er niet binnen een tijdsbestek van 1 jaar een woning beschikbaar komt waar naartoe de ondersteuningsbehoevende kan verhuizen, tenzij uit onderzoek blijkt dat het medisch verantwoord is om de in dit lid genoemde termijn te verruimen; er een contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is bij de ondersteuningsbehoevende, op grond van objectieve psychische en/of sociale redenen; de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning; de woning waar naartoe kan worden verhuisd zich niet binnen de gemeentegrenzen bevindt. Artikel19.Maximaal aanpassingsbedrag voor bezoekbaar maken woning 1.De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woonruimte, niet zijnde woonverblijf, bedraagt maximaal € 3.225,00. 2.Het in lid 1 van dit artikel genoemde bedrag kan worden toegekend voor het bezoekbaar maken van maximaal één woning. Artikel20.Financiële bovengrens bij woonvoorzieningen Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van de verordening, bedraagt de financiële bovengrens bij woonvoorzieningen €45.000,00 Artikel21.Hoogte financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget bij een woonvoorziening in verband met luchtwegallergieën/CARA 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van de verordening, wordt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen in verband met luchtwegallergieën/CARA vastgesteld op basis van de gemaximeerde normbedragen, zoals weergegeven in Bijlage I van dit besluit. 2.De in Bijlage I van dit besluit genoemde normbedragen worden bepaald op: 100% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen tot 2 jaar; 75% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 2 tot 4 jaar; 50% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 4 tot 6 jaar; 25% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 6 tot 8 jaar; 0% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 8 jaar of ouder. 3.De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen als bedoeld in artikel 10 van de verordening wordt slechts éénmalig verstrekt. 4.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van de verordening komt enkel de slaapkamer in de huidige woonsituatie van de persoon voor sanering in aanmerking. Artikel22.Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie 1.Indien bij toepassing van artikel 10 van de verordening kosten in verband met onderhoud, keuring of reparatie van een woonvoorziening worden vergoed, zal de hoogte van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming voor deze kosten worden vastgesteld overeenkomstig het bedrag zoals door het College aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald. Artikel23.Kosten van huurderving 1.De financiële tegemoetkoming in verband met de derving van huurinkomsten wordt slechts verstrekt indien de betreffende woonruimte is aangepast voor meer dan €5.000,00 dan wel indien er in de betreffende woonruimte een traplift is geplaatst. 2.De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in het vorig lid, wordt berekend op basis van de huur van de woonruimte die aan de laatste bewoner in rekening is gebracht. 3.De maximale huur gedurende welke de financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt, bedraagt zes maanden. 4.Bij de berekening van de huur zoals bedoeld in lid 2, wordt uitgegaan van de huur die aan de laatste bewoner in rekening is gebracht, vermeerderd met de jaarlijkse huuraanpassing op 1 juli indien 1 juli valt in de periode van leegstand. Artikel24.Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen 1.Conform het gestelde in artikel 1 lid 10 van de verordening worden de volgende woonvoorzieningen tenminste als algemeen gebruikelijk aangemerkt: airconditioning woonruimte kooktoestellen algemeen zonwering (binnen en buiten) alle vormen van kranen (eenhendel-mengkranen, thermostaatkranen en glijstangset) aanleg centrale verwarming f. intercom g. afzuigkap boven kooktoestel h. (teruggebogen) deurkrukken i. Aanrechtblad j. toiletpot, verhoogd/hangend toiletpot, losse toiletverhoger, toiletstoel k. douchezitjes, douchestoelen en badzitjes l. beugels (wand/vloer), grepen (wand/vloer) en drempelhulpen m. seniorendouchebak n. badkamerrenovatie o. douchecabine; douchecel; douchewand p. waterbed q. overige, vergelijkbare algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen als genoemd in sub a tot en met sub m tot maximaal € 250,- 2.In individuele gevallen kan een in lid 1 van dit artikel genoemde voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Van een uitzondering is in ieder geval sprake: indien ten gevolge van een plotseling optredende beperking zaken die nog niet zijn afgeschreven, zoals genoemd in Bijlage II, moeten worden vervangen; als het inkomen van de aanvrager, mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het voor hem geldende bijstandsniveau zal komen. Artikel25.Frequentie woningaanpassingen 1.De aanvraag voor een woonvoorziening, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van de verordening, wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische beperkingen geen aanleiding bestond; ten behoeve van de ondersteuningsbehoevende, korter dan 10 jaar na het moment van verstrekking, een woonvoorziening bij of krachtens de wet of de Wet voorziening gehandicapten (hierna: Wvg) is verstrekt. 2.Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de verhuizing plaatsvindt als gevolg van het aanvaarden van een werkkring in een andere gemeente en redelijkerwijs van de ondersteuningsbehoevende niet verwacht mag worden dat hij naar de nieuwe werkkring reist vanuit zijn huidige woning. HOOFDSTUK6.ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL Artikel26.Hoogte persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming in de kosten van een vervoersvoorziening 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 15 van de verordening, wordt het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming voor een vervoersvoorziening vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst-adequate voorziening, indien van toepassing inclusief onderhoud en reparatie, zoals door het College aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald. 2.Indien het een aanvraag voor een vervoersvoorziening, zoals benoemd in artikel 15 van de verordening, die geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het College en een door haar gecontracteerde leverancier, wordt het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming voor de vervoersvoorziening vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst-adequate voorziening, indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, vast te stellen door het College op basis van een offerte. 3.De voorziening genoemd in artikel 15 van de verordening, zijnde een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer, wordt in principe in natura verstrekt. Hierbij zal wel altijd beoordeeld worden of er aanleiding is om hiervan af te wijken. 4.De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een zaak, worden bepaald als tegenwaarde van de zaak die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Artikel27.Forfaitaire vergoeding voor het gebruik van een (eigen) auto, een (rolstoel)taxi of een bruikleenauto 1.De forfaitaire vergoeding die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto, zoals bedoeld in artikel 15 van de verordening, bedraagt € 1.034,00. 2.De forfaitaire vergoeding die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi, zoals bedoeld in artikel 15 van de verordening, bedraagt € 1.034,00. 3.De forfaitaire vergoeding die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi, zoals bedoeld artikel 15 van de verordening bedraagt € 1.594,00. 4.De forfaitaire vergoeding die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een bruikleenauto, zoals bedoeld in artikel 15 van de verordening bedraagt € 589,00. 5.De ondersteuningsbehoevende aan wie een forfaitaire vergoeding is verstrekt zoals genoemd in dit artikel, is geen verantwoording over dit bedrag aan het College verschuldigd. Artikel28.Autoaanpassingen Indien een persoongebonden budget of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een autoaanpassing op basis van artikel 15 van de verordening, dan geldt het volgende: Het maximale bedrag dat kan worden toegekend bedraagt € 1650,00; Toekenning kan enkel plaatsvinden indien de auto niet ouder is dan 3 jaar; Een aanpassing wordt maximaal eens per 5 jaar verstrekt, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen; Het dient om een aanpassing te gaan die niet standaard kan worden opgenomen of verkrijgbaar is in voorhanden zijnde automodellen, die minder vaak voorkomt of die in een uitvoering gemaakt moet worden die afwijkt van de gangbare voorzieningen; Bij vervanging van de auto dient, bij aanpassingen die verwisselbaar zijn, bekeken te worden of de aanpassingen overzetbaar zijn. HOOFDSTUK7.VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING Artikel29.Rolstoelen 1.De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een voorziening, worden bepaald als tegenwaarde van de voorziening die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgesteld en wordt verhoogd met een bedrag noodzakelijk voor 1 jaar onderhoud en reparatie. 2.Eventuele verzekering van de voorziening is voor rekening van de aanvrager. 3.Indien het een aanvraag voor een voorziening betreft die geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het College en een door haar gecontracteerde leverancier, wordt het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming voor een rolstoel vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst-adequate voorziening, indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, te bepalen door het College op basis van een offerte. Artikel30.Sportrolstoelen Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als persoonsgebonden budget. Het bedrag van dit persoonsgebonden budget bedraagt maximaal € 2.000,-- (incl. BTW) welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar en kan niet meer bedragen dan de kosten van een sportrolstoel. HOOFDSTUK8.ADVISERING EN SAMENHANGENDE AFSTEMMING Artikel31.Advisering Advisering door de daartoe aangewezen adviesinstantie wordt gevraagd indien er sprake is van een medisch complexe situatie of indien het college dat overigens gewenst vindt. Artikel32.Loket De aanmelding en/of de aanvraag voor ondersteuning wordt ingediend bij de gemeente Eijsden-Margraten. Artikel33.Samenhangende afstemming Om de verstrekking van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager, wordt bij het onderzoek inzake het advies, ex artikel 25 van de verordening, altijd aandacht besteed aan: de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager; de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek; de woning en de woonomgeving van de aanvrager; het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager; de sociale omstandigheden van de aanvrager. Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het College bij deze bevindingen aangesloten. HOOFDSTUK9.SLOTBEPALINGEN Artikel34.Citeertitel en inwerkingtreding 1.Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013. 2.Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2013. 3.Het Besluit nadere regels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 gemeente Eijsden-Margraten wordt met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten in haar vergadering van 22 januari 2013. De burgemeester, De secretaris, D.A.M. Akkermans drs. H.J.M. van Dijk BIJLAGE I (Maximale) normbedragen per 1 januari 2013 bij woningsaneringingevolge artikel 21 lid 1 van dit besluitbedrag incl. btw per vloerbedekking vinyl € 43,00 meter (4 meter breed) jaloezieën € 16,00 meter (175 cm. hoog) (bron: NIBUD) BIJLAGE II (Maximale) normbedragen per 1 januari 2013 bij woningaanpassingeningevolge artikel 14 lid 1 van dit besluitrubriek voorziening afschrijf-termijn bedrag incl. btw (all
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.