Toeslagenverordening WWB gemeente Putten Vastgesteld bij besluit van de raad van 10 januari 2013 nr. 289128De raad der gemeente Putten; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 december 2012, nr. 289133; gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand; besluit: in te trekken: - de Toeslagenverordening WWB gemeente Putten; vast te stellen: - de Toeslagenverordening WWB gemeente Putten 2013. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begrippen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet Werk en Bijstand; het college: het college van burgemeester en wethouders van Putten; de raad: de gemeenteraad van Putten; de gezinsnorm: de norm voor een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 van de wet; woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 van de wet; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand. Artikel2Doelgroep 1.De bepalingen uit deze verordening zijn uitsluitend van toepassing op alleenstaanden van 23 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd op alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en op gezinnen waarvan alle meerderjarige gezinsleden 18 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn. 2.De bepalingen omtrent de verhoging of verlaging zoals bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening laten de toepassing van artikel 18, eerste lid van de wet onverlet. Hoofdstuk2Criteria voor het verhogen van de norm Artikel3Toeslag alleenstaande (ouder) 1.De basisnorm wordt voor de alleenstaande en voor de alleenstaande ouder verhoogd indien de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de basisnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van de woonkosten met een ander. 2.In afwijking van lid 1 wordt de basisnorm niet verhoogd indien de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of van het niet aanhouden van een woning. 3.De toeslag bedraagt voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd dan wel alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, 20% van het netto minimumloon. 4.De toeslag bedraagt voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd of alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning tevens één ander zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het netto minimumloon. 5.Er bestaat geen recht op toeslag voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd of alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning tevens twee anderen hun hoofdverblijf hebben. 6.Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten. 7.Indien een belanghebbende met meer dan twee anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning wordt deze niet geacht de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen delen als bedoeld in lid 1. De inkomsten uit verhuur worden op zijn bijstandsnorm in mindering gebracht. 8.De inkomsten uit verhuur als bedoeld in het zevende lid worden vastgesteld op het bedrag van de door de verhuurder ontvangen huur, minus de voor de verhuurder te maken aantoonbare kosten in verband met deze verhuur waarbij de nettohuur in ieder geval tenminste de basishuur voor minima zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag bedraagt Hoofdstuk3Criteria voor het verlagen van de norm Artikel4Verlagen norm gezin 1.De basisnorm ingevolge artikel 21, eerste lid, wordt lager vastgesteld indien belanghebbenden, behorend tot de categorie gezinnen, lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de basisnorm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de woonkosten met een ander. 2.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van het netto minimumloon, indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de basisnorm voorziet als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of van het niet aanhouden van een woning. 3.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor belanghebbenden in wier woning tevens één ander zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het netto minimumloon. 4.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor belanghebbenden in wiens woning tevens twee anderen hun hoofdverblijf heeft, 20% van het netto minimumloon. 5.Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten. 6.Indien een belanghebbende met meer dan twee anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning wordt de hoofdbewoner niet geacht de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen delen als bedoeld in lid 1. De inkomsten uit verhuur worden op zijn bijstandsnorm in mindering gebracht. 7.De inkomsten uit verhuur als bedoeld in het zesde lid worden is de optelsom van de door de onderhuurders betaalde huurbedragen, met dien verstande dat het bedrag van de door de verhuurder ontvangen huur tenminste de basishuur voor minima bedraagt zoals bedoeld in artikel 16 van de wet op de Huurtoeslag. Op de ontvangen huur worden aantoonbare redelijke kosten in verband met deze verhuur in mindering worden gebracht. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel5Anti-cumulatiebepaling 1.De toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze verordening geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt: 50 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande; 70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder; 80 procent van de gezinsnorm voor een gezin. 2.Het eerste lid wordt buiten toepassing gelaten indien sprake is van een situatie bedoeld in de artikel 3 lid 7 en artikel 4 lid 6. Artikel6Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel7Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB gemeente Putten 2013. Bijlage Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB gemeente Putten Artikel 1 Begrippen Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd. Lid 2 onderdeel d: gezinsnorm. Voor het begrip 'gezinsnorm' wordt verwezen naar de norm voor een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn, zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn. Lid 2 onderdeel e: woning Het begrip 'woning' is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat onder 'woning' wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB. Lid 2 onderdeel f: woonkosten Het begrip 'woonkosten' is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de 7 van 13 waterschapslasten en de erfpachtcanon. Artikel 2 Doelgroep De werking van de verordening is beperkt tot alleenstaanden in de leeftijdscategorie van 23 tot de pensioengerechtigde leeftijd en alleenstaande ouders van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. In het geval van alleenstaande ouders is ervoor gekozen om deze toe te passen vanaf 21 jaar en tot de pensioengerechtigde leeftijd. In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze verordening uitsluitend toe te passen indien alle meerderjarige gezinsleden ouder zijn dan 18 jaar doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Hier is aansluiting gezocht bij de gezinsnormen zoals neergelegd in artikel 21 WWB. Het college kan, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB. Artikel 3 Toeslag alleenstaande (ouder) Lid 1 Op grond van artikel 25 WWB kan het college besluiten de norm voor een alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder te verhogen met een toeslag indien een belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het niet geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening. Lid 2 Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande (ouder) of gezin, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. In artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.