Verordening (re)integratie arbeidsgehandicaptenDe raad van de gemeente Tilburg; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet gelet op de artikelen 13a en 13b van Wet Inschakeling Werkzoekenden; Besluit: vast te stellen de volgende 'Verordening (re)integratie arbeidsgehandicapten' met de daarbij behorende toelichting. Hoofdstuk1.Inleidende bepalingen. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan onder: Wet REA: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; Wiw: de Wet inschakeling werkzoekenden; Buf: het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden; arbeidsgehandicapte: een persoon als bedoeld in artikel 2 en artikel 12 van de Wet REA; subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget: een subsidie voor werkgevers als bedoeld in artikel 13b, eerste lid van de Wiw juncto artikel 7a van het Buf; subsidie in de vorm van een pakket op maat: een subsidie voor werkgevers als bedoeld in artikel 13b, tweede lid van de Wiw juncto artikel 7b van het Buf; subsidie voor werknemersvoorzieningen: een subsidie voor arbeidsgehandicapte werknemers als bedoeld in artikel 13a, derde lid van de Wiw juncto artikel 8b, 8c en 8d van het Buf; subsidie voor voorzieningen voor het verrichten van arbeid in Wiw-dienstbetrekking en op een proefplaats: een subsidie ten behoeve van arbeidsgehandicapten als bedoeld in artikel 13a, eerste lid van de Wiw juncto artikel 8a van het Buf; Awb: de Algemene wet bestuursrecht; dienstverband: een dienstbetrekking in de zin van artikel 1, eerste lid, onder p, van de wet REA, niet zijnde een Wiw-dienstbetrekking, aangegaan voor tenminste zes maanden; Wiw-dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van artikel 1, eerste lid onder g van de Wiw; proefplaats: een proefplaats in de zin van artikel 115, tweede en derde lid van de Algemene bijstandswet, artikel 38, tweede en derde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 38, tweede en derde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel2.Bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het nemen van besluiten over het verstrekken van subsidies op grond van de artikelen 13a en 13b Wiw en de daarop gebaseerde bepalingen in het Buf, met inachtneming van deze verordening. Artikel3.Plafond scholings- en activeringsbudget. 1.Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor de subsidies die bekostigd worden uit het scholings- en activeringsbudget als bedoeld in artikel 14 en artikel 14a, eerste lid van het Buf. 2.Burgemeester en wethouders kunnen jaarlijks een budgetplafond vaststellen voor de overige uitgaven die bekostigd worden uit het scholings- en activeringsbudget als bedoeld in artikel 14 en 14a van het Buf. 3.Aanvragen als bedoeld in het tweede lid kunnen worden geweigerd indien door het totaal van toezeggingen in dat jaar het budgetplafond is bereikt. Artikel4.Verdelen van de subsidie. Het verdelen van het beschikbare budget als bedoeld in artikel 3 vindt plaats in volgorde van ontvangst van de aanvragen. Een aanvraag wordt in deze volgorde opgenomen als zij volledig is. Hoofdstuk2.De aanvraag. Artikel5.De termijn van aanvraag. Met uitzondering van de aanvragen waarvoor een wettelijke aanvraagtermijn geldt op grond van het bepaalde in artikel 7a, zesde lid en artikel 7b, tweede lid van het Buf worden de aanvragen voor subsidie binnen twee maanden na aanvang van het dienstverband, de Wiw-dienstbetrekking of de proefplaats van de arbeidsgehandicapte bij burgemeester en wethouders ingediend. Artikel6.Gegevens bij de aanvraag. 1.De werkgever verstrekt bij zijn aanvraag voor subsidie de volgende gegevens: naam, adres, woonplaats en sofinummer van de arbeidsgehandicapte; een afschrift van de arbeidsovereenkomst met de arbeidsgehandicapte waaruit de aard, duur en omvang van het dienstverband blijkt; gegevens waaruit blijkt op grond waarvan de arbeidsgehandicapte als zodanig wordt aangemerkt; overige gegevens die burgemeester en wethouders nodig achten om te kunnen besluiten over de subsidieaanvraag. 2.De werkgever verstrekt bij een aanvraag voor subsidie in de vorm van een pakket op maat, naast de in het eerste lid genoemde gegevens, tevens: een verklaring omtrent het bestaan en de hoogte van een loonkostensubsidie die voor de arbeidsgehandicapte werknemer is ontvangen; een gespecificeerde begroting met toelichting en onderbouwing van de gevraagde subsidie, uitgesplitst naar de in artikel 7b, eerste lid, onder a tot en met e van het Buf genoemde onderdelen. 3.De werkgever verstrekt bij een aanvraag voor subsidie voor voorzieningen voor het verrichten van arbeid in Wiw-dienstbetrekking en op een proefplaats, naast de in het eerste lid genoemde gegevens, tevens een gespecificeerde begroting met toelichting en onderbouwing van de gevraagde subsidie, uitgesplitst naar de in artikel 8a, tweede lid, onder a tot en met d van het Buf genoemde onderdelen. 4.De arbeidsgehandicapte verstrekt bij zijn aanvraag voor subsidie voor werknemersvoorzieningen de volgende gegevens: een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit de duur en omvang van het dienstverband blijkt; gegevens waaruit blijkt op grond waarvan de arbeidsgehandicapte als zodanig wordt aangemerkt; een onderbouwing van de gevraagde subsidie, uitgesplitst naar de in artikel 8b, eerste lid, onder a tot en met c van het Buf genoemde onderdelen. 5.Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven. Hoofdstuk3.Voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen en weigeringsgronden. Artikel7.Geen subsidie voor algemeen gebruikelijke voorzieningen. Geen subsidie wordt verstrekt voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7b, eerste lid onder c, d en e en artikel 8a, tweede en derde lid van het Buf als de voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn. Artikel8.Geen subsidie bij geringe kosten. Geen subsidie wordt verstrekt indien het totaal van de kosten van de voorzieningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd minder bedragen dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c. van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel9.Op individu gerichte voorzieningen. Een subsidie voor werknemersvoorzieningen en voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid onder a van het Buf wordt alleen toegekend indien de betreffende voorzieningen in overwegende mate op het individu zijn gericht. Artikel10.Hoogte van de subsidie. 1.Een subsidie voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7b, eerste lid onder c, d en e en artikel 8a, tweede en derde lid en artikel 8b, onder a van het Buf is gelijk aan de werkelijke kosten van de voorzieningen, voor zover die naar het oordeel van burgemeester en wethouder noodzakelijk, sober en doelmatig zijn. 2.Indien de werkelijke kosten van de voorzieningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de vorm van een pakket op maat hoger zijn dan f 50.000,-, kan bij de bepaling van de hoogte van het subsidiebedrag rekening worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever van de te treffen voorziening. Artikel11.Weigeren subsidie. Met uitzondering van de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget, kan de subsidie naast de in artikel 7a, derde lid van het Buf en artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat: de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; de subsidieverstrekking niet past binnen het reïntegratiebeleid van de gemeente. Hoofdstuk4.Het beslissen op de aanvraag. Artikel12.Het besluit tot subsidieverstrekking. 1.Voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget en in de vorm van een pakket op maat wordt een beschikking tot het verlenen van subsidie gegeven. 2.Ten aanzien van subsidies voor respectievelijk werknemersvoorzieningen en voorzieningen voor het verrichten van arbeid in Wiw-dienstbetrekking en op een proefplaats, stellen burgemeester en wethouders de subsidie vast zonder voorafgaande beschikking tot verlening van de subsidie. Artikel13.Beslistermijn. 1.Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager wordt daarvan schriftelijk in kennis gesteld. Hoofdstuk5.Verplichtingen subsidieontvanger. Artikel14.Medewerking werkgever. De werkgever verplicht zich in voldoende mate mee te werken om het dienstverband, de Wiw-dienstbetrekking of de proefplaats met de arbeidsgehandicapte in stand te houden. Artikel15.Medewerking arbeidsgehandicapte. De arbeidsgehandicapte verplicht zich in voldoende mate mee te werken om het dienstverband, de Wiw-dienstbetrekking of de proefplaats met de werkgever in stand te houden. Artikel16.Toezicht en informatieplicht. 1.Burgemeester en wethouders kunnen personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2.Subsidie op grond van deze verordening wordt verstrekt onder voorwaarde, dat de subsidieontvanger aan een toezichthouder alle medewerking verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Artikel17.Meldingsplicht bij wijziging omstandigheden. 1.De subsidieontvanger doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan burgemeester en wethouders van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag dan wel voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. 2.Als feiten en omstandigheden als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval beschouwd wijzigingen in de aard, de duur en omvang van het dienstverband, Wiw-dienstbetrekking of proefplaats van de arbeidsgehandicapte. Artikel18.Bewaarplicht. De subsidieontvanger bewaart alle bewijsstukken die aan de subsidieverstrekking ten grondslag liggen, tenminste gedurende drie jaar na de vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter beschikking voor controledoeleinden. Hoofdstuk6.Vaststellen van de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget of een pakket op maat. Artikel19.De aanvraag tot vaststellen. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de werkgever bij burgemeester en wethouders een aanvraag tot het vaststellen van subsidie in binnen drie maanden na de afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend. Artikel20.Gegevens bij de aanvraag tot vaststellen van de subsidie. Bij de aanvraag tot vaststellen van de subsidie wordt in ieder geval vermeld: de datum van aanvang van het dienstverband; indien van toepassing, de datum van beëindiging van het dienstverband, de reden daarvan en een overzicht van de aantoonbaar gemaakte kosten voor de arbeidsgehandicapte; indien van toepassing, wijzigingen in de duur en omvang van het dienstverband gedurende de subsidieperiode en de datum waarop deze wijzigingen hebben plaatsgevonden. Artikel21.Aanvullende gegevens bij de aanvraag tot vaststellen subsidie in de vorm van een pakket op maat. Bij de aanvraag van de beschikking tot vaststelling van de subsidie in de vorm van een pakket op maat worden, naast de in artikel 20 genoemde gegevens, eveneens de volgende stukken verstrekt: een gespecificeerde rekening van de gemaakte kosten; een overzicht van de verrichte activiteiten dan wel de getroffen voorzieningen. Artikel22.Vaststellen van de subsidie in de vorm van een pakket op maat. De subsidie in de vorm van een pakket op maat kan, naast de gevallen vermeld in artikel 7a, vierde en vijfde lid van het Buf en artikel 4:46, tweede en derde lid Awb, lager worden vastgesteld indien: is gebleken dat de subsidie voor andere activiteiten of voorzieningen is aangewend dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel toegekend; de werkgever verkeert in staat van faillissement casu quo surseance van betaling. Artikel23.Beslistermijn vaststellen van de subsidie. 1.Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor subsidievaststelling als bedoeld in artikel 19 binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager wordt daarvan schriftelijk in kennis gesteld. Hoofdstuk7.Betaling en bevoorschotting. Artikel24.Voorschotten subsidie pakket op maat. Burgemeester en wethouders kunnen de werkgever voorschotten voor het pakket op maat verlenen tot maximaal 80% van het verstrekte subsidiebedrag. Artikel25.Loonkostensubsidie. Een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 7b, lid 1, onder a wordt op verzoek van de werkgever in maandelijkse voorschotten verstrekt. Artikel26.Betalingstermijn. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald binnen zes weken na deze vaststelling. Hoofdstuk8.Slotbepalingen. Artikel27.Zaken waarin de verordening niet voorziet. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders. Artikel28.Inwerkingtreding. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar afkondiging en werkt terug tot 1 juli
- Artikel29.Citeertitel. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening (re)integratie arbeidsgehandicapten". Algemene toelichtingWet op de (Re)integratie van arbeidsgehandicapten (REA) Op 1 juli 1998 is de wet op de (re)integratie van arbeidsgehandicapten (REA) in werking getreden. Gemeenten krijgen met deze wet de beschikking over een aantal instrumenten om de reïntegratie van arbeidsgehandicapten te bevorderen. Het gedeelte van de wet REA dat de taken en bevoegdheden van gemeenten regelt, is opgenomen in de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). De Wiw is uitgebreid met een nieuwe paragraaf 4, bestaande uit de artikelen 13a en 13b. Beide bepalingen zijn nader uitgewerkt in het Besluit uitvoering en financiering Wiw (Buf). Het Buf is daartoe uitgebreid. De artikelen 13a en 13b van de Wiw en het Buf geven het kader aan waarbinnen gemeenten hun taken moeten uitvoeren. Het Buf kent de volgende reïntegratie-instrumenten: 1.Subsidie aan de werkgever in de vorm van een plaatsingsbudget De voorwaarden voor het verstrekken van een plaatsingsbudget zijn in artikel 13b, eerste lid van de Wiw en artikel 7a van het Buf geregeld. Het plaatsingsbudget moet worden toegekend als de werkgever voldoet aan de voorwaarden die in de Wiw en het Buf zijn gesteld. De kosten van deze subsidie kunnen volledig worden gedeclareerd bij het rijk. Aanvullende voorwaarden in een gemeentelijke subsidieverordening zijn voor het plaatsingsbudget niet mogelijk, wel zijn een aantal procedurele bepalingen opgenomen om de eventuele terugvordering bij de werkgever te regelen. 2.Subsidie aan de werkgever in de vorm van een pakket op maat Het pakket op maat (artikel 13b, tweede lid Wiw en artikel 7b Buf) kan bestaan uit: a.een loonkostensubsidie ten bedrage van ten hoogste 33 1/3% van het overeengekomen bruto-loon per jaar, gedurende maximaal drie jaar b.een eenmalige trainings- en begeleidingssubsidie van ten hoogste f 4.000,- een subsidie voor de kosten van scholing een subsidie voor de kosten, die voortvloeien uit noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij arbeid te gebruiken hulpmiddelen, alsmede de kosten die voortvloeien uit de aanpassing van de inrichting van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van de arbeidsgehandicapte aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf e.een subsidie voor kosten van andere voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan de voorzieningen als bedoeld in de onderdelen b. c. en d. Voor het verstrekken van een subsidie in de vorm van een pakket op maat kan de gemeente met toepassing van de Awb een subsidieplafond en verdeelregels vaststellen. Deze verordening voorziet daarin. 3.Werknemersvoorzieningen De gemeente kan gedurende maximaal een jaar op aanvraag werknemersvoorzieningen verstrekken (artikel 13 a, derde lid Wiw en artikel 8b Buf). De voorzieningen worden in natura of in geld verstrekt aan de arbeidsgehandicapte. Deze werknemersvoorzieningen zijn: a.niet algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de arbeidsgehandicapte zijn werkplek kan bereiken Deze voorzieningen kunnen samenvallen met de (leef)vervoersvoorzieningen die gemeenten verstrekken aan gehandicapten op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). De WVG is dan voorliggend. Ten laste van het scholings- en activeringsbudget kunnen uitsluitend de werkvervoersvoorzieningen worden vergoed. b.noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van de arbeidsgehandicapte bij het verrichten van de hem opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor de specifiek met de handicap samenhangende beperking Deze persoonlijke ondersteuning, ook wel begeleid werken of jobcoaching genoemd, wordt nader uitgewerkt in artikel 8c van het Buf. c.communicatievoorzieningen voor doven Deze voorzieningen worden nader uitgewerkt in artikel 8d Buf: onder deze voorzieningen worden uitsluitend verstaan een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die zijn erkend door het Lisv. Zowel ten aanzien van de persoonlijke ondersteuning als de communicatievoorzieningen voor doven zijn in het Buf de voorwaarden geregeld. Voor de vervoersvoorzieningen kan nog nadere regelgeving volgen, maar hier is vooralsnog vanaf gezien. 4.Voorzieningen voor het verrichten van arbeid in Wiw-dienstbetrekking of op een proefplaats. De gemeente kan op basis van artikel 13a, eerste lid Wiw en artikel 8a Buf voorzieningen in natura of in geld verstrekken voor het verrichten van arbeid in een Wiw-dienstbetrekking of op een proefplaats. De voorzieningen worden verstrekt aan de werkgever (in geval van een Wiw-dienstbetrekking is dat de gemeente). Deze voorzieningen zijn in ieder geval: scholing, training en begeleiding van de werknemer noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van de arbeid c.de inrichting van arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen d.aanpassing van de inrichting van een bedrijf, voorzover dit noodzakelijk is om bij dat bedrijf werkzaamheden te verrichten. Het kan hierbij zowel om werkgeversvoorzieningen gaan die aan de werkplek zijn gebonden (bijvoorbeeld aangepast meubilair) als om werknemersvoorzieningen die aan de arbeidsgehandicapte gebonden zijn (bijvoorbeeld werkvervoersvoorziening). De werknemersvoorzieningen en de voorzieningen voor het verrichten van arbeid in Wiw-dienstbetrekking of op een proefplaats betreffen aanspraken van burgers. Daarom is in artikel 13a, vierde lid Wiw met verwijzing naar artikel 3 Wiw bepaald dat gemeentebesturen bij verordening regels moeten stellen voor het verstrekken van deze voorzieningen. Deze verordening voorziet daarin. Algemene wet bestuursrecht (Awb) De mogelijkheden voor gemeenten om nadere voorschriften te stellen, worden niet alleen bepaald door de Wiw en het daarop gebaseerde Buf, maar ook door de regels in de Awb over subsidieverstrekking. De Awb bevat een groot aantal dwingende voorschriften over subsidies. Van deze regels mogen gemeenten niet afwijken. Daarnaast geeft de Awb ook gangbare, aanvullende en facultatieve regels. In deze verordening zijn de bepalingen opgenomen die gemeenten kunnen stellen in aanvulling op de Wiw, het Buf en de Awb. Voorzieningen in natura of in geld Het Buf biedt de mogelijkheid de voorzieningen in geld of in natura te verstrekken. In deze verordening wordt de keuze gemaakt de verstrekkingen in geld te doen. Dit heeft uitvoeringstechnisch grote voordelen. De gemeente verstrekt de aanvrager een geldbedrag (subsidie) ter hoogte van de werkelijke kosten van de aangevraagde voorzieningen. Hierdoor is ook direct duidelijk welk beslag er gelegd wordt op het beschikbare REA-budget. De aangevraagde voorzieningen moeten dan natuurlijk wel binnen de regelgeving van het Buf en het beleid van de gemeente passen. Voorzieningen die in geld worden verstrekt zijn subsidies in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, voorzieningen in natura zijn dat niet. In deze verordening wordt consequent de term 'subsidie' gebruikt. De subsidietitel van de Awb is van toepassing op deze verordening. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 De definitie van arbeidsgehandicapte in deze verordening betreft uitsluitend de arbeidsgehandicapten die onder de doelgroep van de gemeente vallen, te weten arbeidsgehandicapten die uitsluitend recht hebben op een Abw-, IOAW- of IOAZ- uitkering en arbeidsgehandicapten met een Wiw-dienstbetrekking. De definitie van subsidie is niet de verordening opgenomen. De reden hiervoor is dat de Awb in artikel 4:21 een dwingende en algemeen geldende begripsomschrijving van subsidie geeft. Op grond van artikel 4:21 is een subsidie: "de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten" Artikel 2 De Wiw en het Buf dragen de uitvoering van de taken op aan de gemeente (dit is de gemeenteraad). In dit artikel legt de raad de bevoegdheid om over subsidieaanvragen te beslissen neer bij burgemeester en wethouders. Artikel 3 Met het vaststellen van een subsidieplafond worden de aanspraken op subsidies beperkt tot een bepaald bedrag. Hierdoor wordt een open-einde regeling voorkomen. Overschrijding van het budget is op zichzelf geen harde weigeringsgrond. Het enkele feit dat een begrotingspost is uitgeput, is een onvoldoende reden voor een bestuursorgaan om een subsidie te weigeren. Met het vaststellen van een subsidieplafond wordt dit probleem opgelost. Op basis van artikel 3, eerste lid stellen Burgemeester en wethouders het subsidieplafond jaarlijks vast. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moeten subsidieaanvragen worden afgewezen als de verstrekking zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond. Het pakket op maat en voorzieningen die worden verstrekt in geld zijn subsidies in de zin van de Awb. Voorzieningen in natura en toeleidingstrajecten (waaronder de REA-beoordeling) zijn geen subsidies in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en vallen dus niet onder het subsidieplafond. Daarom is in het tweede lid voor de overige aanvragen geregeld dat hier een budgetplafond voor kan worden vastgesteld. In het derde lid is opgenomen dat ook de overige aanvragen (niet-subsidies) kunnen worden geweigerd als daarmee het budgetplafond wordt overschreden. Het opnemen van het tweede en het derde lid, heeft tot gevolg dat zowel aanvragen voor subsidies en toeleidingstrajecten (waaronder de REA-beoordeling) kunnen worden geweigerd als het vastgestelde budget wordt overschreden. Omdat de gemeente de kosten van de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget volledig bij het Ministerie kan declareren, loopt zij bij deze subsidie geen enkel financieel risico. Om deze reden hoeft voor deze subsidie geen subsidieplafond te worden vastgesteld. Het subsidieplafond en het budgetplafond is gelijk aan het bedrag dat op de begroting voor de desbetreffende taak is gereserveerd. Het vaststellen van een plafond is dus een louter administratieve aangelegenheid die door burgemeester en wethouders kan worden verricht. Het subsidieplafond moet vóór het begin van de periode waarvoor het geldt worden bekendgemaakt (artikel 4:27 lid 1 Awb). In deze verordening wordt gekozen voor de periode van een begrotingsjaar. Dit sluit aan bij de periode waarvoor het scholings- en activeringsbudget door het rijk wordt verstrekt. Op grond van artikel 4:34, eerste lid Abw kan een subsidie worden verleend ten laste van een begroting die nog niet is goedgekeurd of vastgesteld onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld (begrotingsvoorbehoud). Bij het vaststellen van het REA-subsidieplafond moet het beschikbare REA-budget worden verminderd met het verplicht besteedbare deel bij Arbeidsvoorziening, dit deel kan immers niet aan subsidies worden uitgegeven. Om deze reden wordt in artikel 3, eerste lid verwezen naar artikel 14a, eerste lid Buf. Het tweede lid van artikel 14a gaat immers over de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening. Het is wel mogelijk een deel van het Wiw-scholings- en activeringsfonds te gebruiken voor subsidies op grond van de wet REA. Het plafond kan dus hoger worden vastgesteld dan het vrij besteedbare REA-budget. Om deze reden is aan artikel 3, eerste lid ook een verwijzing naar artikel 14 van het Buf opgenomen. Het budgetplafond in het tweede en derde lid is van toepassing op het totale scholings- en activeringsbudget, daarom wordt verwezen naar artikel 14a en 14 van het Buf. Ook hier is de verwijzing opgenomen naar artikel 14 van het Buf (totale WIW-scholings- en activeringsbudget). Artikel 4 Artikel 4:26, tweede lid, Awb schrijft voor dat als een subsidieplafond wordt vastgesteld, op hetzelfde moment ook de wijze van verdeling moet worden vermeld. Artikel 4 geeft deze verdeelregel. Omdat subsidies gedurende het gehele begrotingsjaar kunnen worden aangevraagd, geldt als verdeelcriterium: "wie het eerst komt, die het eerst maalt" De keuze voor deze verdeling is gemaakt om het beschikbare budget volledig te kunnen verdelen en het risico van terugvordering door het Rijk te beperken. Artikel 5 In artikel 7a, zesde lid van het Buf staat dat een aanvraag voor subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget niet in behandeling wordt genomen als de werkgever deze aanvraag later dan vier weken na aanvang van het dienstverband indient. In artikel 7b, tweede lid van het Buf staat dat een aanvraag voor subsidie in de vorm van een pakket op maat in het geval dat reeds een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget is verstrekt, uiterlijk binnen 13 weken na de verstrekking van het plaatsingsbudget moet zijn ingediend. Voor het overige worden zowel in de Wiw als in het Buf geen termijnen genoemd waarbinnen de subsidieaanvragen moeten zijn ingediend. Om die reden wordt in artikel 5 een regeling gegeven voor de aanvraagtermijn van de overige subsidies. Dit artikel bepaalt dat deze aanvragen binnen twee maanden na aanvang van het dienstverband respectievelijk de Wiw-dienstbetrekking of de proefplaats van de arbeidsgehandicapte moeten worden ingediend. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die ook door Arbeidsvoorziening en het Lisv worden gehanteerd. Dit heeft als voordeel dat de werkgever met gelijke termijnen te maken heeft. Artikel 6 Bij de gegevens die bij de aanvraag verstrekt worden, wordt een onderscheid gemaakt tussen gegevens die een werkgever moet verstrekken en gegevens die een arbeidsgehandicapte moet verstrekken. De arbeidsgehandicapte dient de aanvraag voor werknemersvoorzieningen in, alle overige aanvragen gebeuren door de werkgever. In beide gevallen is bepaald dat bij de aanvraag de gegevens waaruit blijkt dat betrokkene arbeidsgehandicapte is, moeten worden overhandigd. Deze bepaling is opgenomen om enerzijds zeker te kunnen stellen dat de arbeidsgehandicapte instemt met de aanvraag en anderzijds omdat het recht op voorzieningen pas ontstaat als vaststaat dat sprake is van een arbeidshandicap. Bij de in artikel 6, eerste lid onder d, bedoelde gegevens kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het aantal uren dat gewerkt gaat worden. Als de gemeente in beleidsregels vastlegt dat alleen subsidie wordt verstrekt voor dienstverbanden van bijvoorbeeld minimaal 8 uur per week, biedt dit artikel de grond waarop deze gegevens kunnen worden opgevraagd. Overigens kan voor het plaatsingsbudget geen enkele aanvullende voorwaarde gesteld worden. Bovendien wordt in artikel 6 geregeld dat per type subsidie specifieke gegevens verstrekt moeten worden. Deze specifieke gegevens heeft de gemeente nodig om te kunnen beoordelen of de aanvrager voor subsidie in aanmerking komt, gelet op de bepalingen in de Wiw en het Buf, en om te hoogte van de subsidie te kunnen vaststellen. Aangezien een loonkostensubsidie onderdeel kan uitmaken van een pakket op maat is in het tweede lid bepaald dat de werkgever een verklaring omtrent het bestaan en de hoogte van een loonkostensubsidie voor dezelfde arbeidsgehandicapte moet overhandigen. Op deze manier kan dubbele subsidiëring worden voorkomen. De in het vierde lid gevraagde onderbouwing betreft een nadere toelichting van de arbeidsgehandicapte op de noodzaak van de aangevraagde werknemersvoorziening(en). Artikelen 7 tot en met 11 Deze artikelen bevatten de voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Door het opnemen van deze voorwaarden in de verordening, worden de voorwaarden die de gemeente stelt aan de verschillende subsidievormen min of meer gelijk aan de voorwaarden van de twee andere instanties die belast zijn met de (re)integratie van arbeidsgehandicapten (Arbeidsvoorziening en het Lisv). Bij het opstellen van de voorwaarden is dan ook gekeken naar het Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA ( Staatsblad 1998, 293). In dit Besluit worden nadere regels gesteld ten aanzien van de uitvoering van de Wet REA door het Lisv. De voorwaarden vormen een aanvulling op de voorwaarden die in het Buf ten aanzien van de verschillende subsidievormen worden gesteld en gelden niet voor het plaatsingsbudget. Artikel 7 Artikel 7 bepaalt dat geen subsidie wordt verleend voor de kosten van voorzieningen als deze voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in het Reïntegratie-instrumentenbesluit voor het Lisv (Staatsblad 293) en voor Arbeidsvoorziening (Staatsblad 291) en in de WVG-modelverordening. Het is immers niet de bedoeling dat kosten of diensten worden vergoed uit het REA-budget die door de meeste mensen (in een bepaalde bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt. Dit artikel is aanvullend op de regelgeving in het Buf en zal vooral van belang zijn voor scholing en voorzieningen waarvoor in het Buf geen nadere regels zijn gesteld. Artikel 8 Artikel 8 bepaalt dat geen subsidie wordt verstrekt bij geringe kosten van de aangevraagde voorzieningen. Hiermee wordt voorkomen dat onevenredig hoge uitvoeringskosten moeten worden gemaakt bij het verstrekken van 'kruimelsubsidies'. De ondergrens van 1,85 maal het minimumloon per dag, is overgenomen uit het Re‹ntegratie-instrumenten-besluit Wet REA (Staatsblad 1998, 293). Deze rekenmethode sluit hiermee aan bij die van het Lisv en het CBA. Gekozen is voor het totaal van de kosten van de aangevraagde voorzieningen. Als een aanvrager meerdere aanvragen doet die gezamenlijk wel, maar individueel niet, boven het drempelbedrag uitkomen, worden die aanvragen op grond van dit artikel wel gehonoreerd. Artikel 9 Artikel 9 benadrukt dat de werknemersvoorzieningen en scholing, training en begeleiding van de arbeidsgehandicapte in een Wiw-dienstbetrekking of op een proefplaats op het individu gericht moeten zijn. Deze bepaling is opgenomen omdat het niet in de rede ligt voorzieningen toe te kennen waarvan niet vaststaat wie de gebruiker hiervan zal worden. Daarnaast wordt met deze bepaling aangegeven dat bij de toekenning van voorzieningen zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met de specifieke belemmeringen die de arbeidsgehandicapte vanwege ziekte of gebrek ondervindt en dat hij een zoveel mogelijk op zijn situatie afgestemde voorziening krijgt toegekend. Voor werkgeverssubsidies wordt deze voorwaarde niet gesteld, omdat het hier ook kan gaan om grote aanpassingen in het bedrijf (bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk maken van een gebouw). In artikel 10, tweede lid van de verordening is bepaald dat de gemeente bij een pakket op maat hoger dan f 50.000,- rekening kan houden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever. Artikel 10 In artikel 10 wordt bepaald dat de werkelijke kosten van de voorzieningen als scholing, aanpassing van de werkplek en vervoersvoorzieningen 100% vergoed worden, als deze naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk, sober en doelmatig zijn. Ook bij het Lisv en het CBA geldt het uitgangspunt van 100% kostenvergoeding. Voor de overige subsidies zoals de loonkostensubsidie, de eenmalige trainings- en begeleidingssubsidie, de persoonlijke ondersteuning en de communicatievoorzieningen voor doven zijn in het Buf al nadere regels gesteld ten aanzien van de maximale vergoeding. Voor een pakket op maat geldt dat de gemeente vanaf een subsidie van f 50.000,- rekening kan houden met het bedrijfseconomisch voordeel van de werkgever. Artikel 10, tweede lid bepaalt dat indien de werkelijke kosten van de voorzieningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de vorm van een pakket op maat hoger zijn dan f 50.000,-, bij de bepaling van de hoogte van het subsidiebedrag rekening kan worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever van de te treffen voorziening. Deze bepaling is overgenomen uit het Reïntegratie instrumenten-besluit Wet REA en geldt eveneens voor het Lisv en Arbeidsvoorziening. Artikel 11 In artikel 7a, derde lid van het Buf staat dat de gemeente de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget geheel of gedeeltelijk kan weigeren als de subsidie wordt aangevraagd voor een arbeidsgehandicapte voor wie de werkgever reeds eerder subsidie op grond van de wet REA of een plaatsingsbudget of pakket op maat op grond van de Wiw of de Arbeidsvoorzieningswet heeft ontvangen. De verwijzing naar deze weigeringsgrond is in deze verordening opgenomen, zodat de gemeente ook een aanvraag voor andere subsidies op deze grond kan weigeren. Ook de Awb bevat een aantal weigeringsgronden in artikel 4: 25 (overschrijding subsidieplafond). In artikel 4:35 lid 1 en lid
- In aanvulling op deze wettelijke weigeringsgronden, bevat artikel 11 nog twee gronden om de subsidie te weigeren. Beide gronden verwijzen naar het gemeentelijk beleid inzake de (re)integratie van arbeidsgehandicapten. De aanvullende weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 11 gelden niet voor het plaatsingsbudget. Artikel 12 Op grond van de Awb vindt de verstrekking van subsidies in beginsel in twee stappen plaats. De eerste stap is het besluit tot verlenen van de subsidie, de tweede stap is het besluit tot vaststellen van de subsidie. Het is mogelijk om de eerste stap (de subsidieverlening) over te slaan. In die gevallen wordt het definitieve bedrag van de subsidie direct vastgesteld. Het voordeel van het direct vaststellen van de subsidie is besparing van de werklast voor zowel de gemeente als de subsidieaanvrager. De aanvraag en de bijgevoegde gegevens hoeven slechts één keer door de subsidieontvanger ingediend en door de gemeente gecontroleerd te worden. Een nadeel van het direct vaststellen van het subsidiebedrag is het feit dat het verstrekte subsidiebedrag minder gemakkelijk is terug te vorderen als blijkt dat de subsidieontvanger zich niet gehouden heeft aan de subsidievoorwaarden. De gronden voor intrekking van het besluit tot vaststelling van de subsidie zijn beperkter dan bij het besluit tot subsidieverlening. In artikel 12 wordt ervoor gekozen de verstrekking van de subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget en een pakket op maat in twee stappen te laten plaatsvinden, terwijl bij de overige subsidies de verstrekking in ‚‚n stap geschiedt. De reden dat in deze verordening alleen voor het plaatsingsbudget en het pakket op maat is gekozen voor twee stappen is dat het bij de subsidie in de vorm van een pakket op maat om relatief grote bedragen kan gaan, waarbij gemeenten de meerkosten ten opzichte van het vastgestelde basisbedrag voor hun rekening moeten nemen. Bij het plaatsingsbudget heeft deze bepaling het voordeel dat ten onrechte uitgekeerde subsidie makkelijker teruggevorderd kan worden. Op basis van artikel 7a, vierde en vijfde lid van het Buf moet de gemeente deze ten onrechte verstrekte subsidie immers terugvorderen. In het tweede lid is bepaald dat de subsidie voor de kosten van de overige voorzieningen direct vastgesteld kan worden, zonder voorafgaande beschikking tot verlening. Aangezien de kosten van voorzieningen voorafgaand aan de subsidieverlening bekend zijn, kan hiermee een dubbele administratieve handeling worden voorkomen en kan het definitieve subsidiebedrag direct na de aanvraag vastgesteld worden. Artikel 13 Aangezien in de Wiw en het Buf geen beslistermijnen staan vermeld, zijn deze in dit artikel alsnog opgenomen. De beslistermijn van 8 weken sluit aan bij de termijnen in de Algemene wet bestuursrecht (redelijke termijn). Artikelen 14 tot en met 18 In deze artikelen zijn de verplichtingen van de subsidieontvanger geregeld, zoals de informatieplicht, de meldingsplicht en de bewaarplicht. Artikel 16 Dit artikel regelt het toezicht van de gemeente en de informatieplicht van de subsidieontvanger. De gemeente moet dan op grond van artikel 5:11 van de Awb een toezichthouder aanwijzen voor de handhaving en het toezicht. In het tweede lid van dit artikel is de medewerkingsplicht van de subsidieontvanger opgenomen, om te verzekeren dat tegen niet-medewerking kan worden opgetreden door de subsidie lager vast te stellen. In artikel 5:11 en verder van de Awb staan de bevoegdheden van toezichthouders vermeld. Artikelen 19 tot en met 23 Hoofdstuk 6 heeft betrekking op de tweede stap in het proces van subsidieverstrekking: het vaststellen van de subsidie. In deze verordening geldt dit alleen voor het plaatsingsbudget en het pakket op maat omdat in artikel 12, tweede lid is bepaald dat de subsidies voor de overige voorzieningen direct worden vastgesteld. Artikel 19 Artikel 19 bepaalt dat de werkgever binnen drie maanden na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, de aanvraag voor het vaststellen van de subsidie indient. Artikel 20 Artikel 20 bepaalt welke gegevens de werkgever moet overhandigen bij de aanvraag tot vaststellen van de subsidie. Dit zijn in ieder geval gegevens over de duur en omvang van het dienstverband en bij voortijdige be‰indiging van het dienstverband de aantoonbaar gemaakte kosten, om de hoogte van de subsidie vast te kunnen stellen. Artikel 21 In artikel 21 wordt geregeld welke gegevens de werkgever aanvullend moet verstrekken bij een subsidie in de vorm van een pakket op maat. Artikel 22 Artikel 22 geeft aan in welke gevallen de subsidie in de vorm van een pakket op maat lager wordt vastgesteld dan de subsidieverlening, waardoor de werkgever het overeenkomstige bedrag moet teruggeven als de gemeente een voorschot heeft verstrekt. Bij een plaatsingsbudget geldt altijd dat de subsidie vooraf is verstrekt en kan alleen op basis van artikel 7a, vierde en vijfde lid van het Buf de subsidie lager worden vastgesteld. De werkgever moet het subsidiebedrag dat ten onrechte is uitgekeerd teruggeven aan de gemeente. Het ten onrechte uitgekeerde subsidiebedrag wordt bij de gemeente teruggevorderd door het rijk. Artikel 4:46, lid 2 en 3 Awb bevatten ook gronden om een subsidie lager vast te stellen. Op grond van lid 2 kan subsidie lager worden vastgesteld indien: a.de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; b.de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden; c.de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid; d.de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Het derde lid van artikel 4:46 luidt: "Voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen". De gemeente stelt dus op basis van artikel 22 van de verordening de subsidie vast. Artikel 23 Op basis van artikel 23 beslist de gemeente binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. Artikel 24 In artikel 24 is bepaald dat de gemeente de werkgever voorschotten kan verstrekken voor het pakket op maat. Ten aanzien van het plaatsingsbudget is in de Wiw en het Buf al geregeld dat deze subsidie in jaarlijkse tranches vooraf wordt verstrekt. Voor de overige subsidies is bevoorschotting niet nodig, omdat die op grond van artikel 12, tweede lid direct worden vastgesteld en op grond van artikel 26 binnen zes weken worden betaald. Ten aanzien van het pakket op maat kan de gemeente besluiten voorschotten te verstrekken tot een bepaald percentage van het verleende subsidiebedrag. In deze verordening is gekozen voor 80% omdat dit aansluit bij de bevoorschotting van Arbeidsvoorziening bij het pakket op maat. Als de gemeente voorschotten verstrekt, moet dit op grond van artikel 4:45 Abw bij de beschikking tot verlenen worden meegedeeld. Artikel 25 In artikel 25 is bepaald dat de loonkostensubsidie als onderdeel van het pakket op maat op verzoek van de werkgever altijd in maandelijkse voorschotten wordt verstrekt. Artikel 26 Artikel 26 regelt dat het resterende subsidiebedrag binnen zes weken na de vaststelling wordt betaald. Op grond van artikel 4:52 van de Abw worden de voorschotten verrekend met het definitieve subsidiebedrag. Artikel 27 Artikel 27 is bedoeld om eventuele lacunes in de verordening op te kunnen vangen. De bepaling is uitdrukkelijk niet bedoeld als een hardheidsclausule. Artikel 28 In artikel 28 is de datum van inwerkingtreding bepaald. Verder is bepaald dat aanvragen die sinds 1 juli 1998 (datum inwerkingtreding Wet Rea) bij de gemeente zijn ingediend onder de werking van deze verordening vallen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 september
- de voorzitter, de secretaris