verordening wet kinderopvang 2005 VERORDENING WET KINDEROPVANG 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders; de wet: de Wet kinderopvang; Awb: Algemene wet bestuursrecht de begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van toepassing op deze verordening. 2. VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL- MEDISCHE INDICATIE Artikel2Te verstrekken gegevens Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens: naam en adres van de ouder; indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft; overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. Artikel3Beslistermijn 1.Het college besluit over de aanvraag binnen achtweken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 2.Het college kan dit besluit met ten hoogste vierweken verdagen. Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. Artikel4Inhoud van de beschikking Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: de geldigheidsduur van de indicatie; de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht. Artikel5Weigeringsgronden Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie vast te stellen indien: a.de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of b.de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet. 3. AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING Artikel6Te verstrekken gegevens bij de aanvraag Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: naam, adres en sofi-nummer van de ouder; indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet; overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. In geval van co-ouderschap vragen beide ouders een tegemoetkoming aan voor hun eigen deel van de kosten. Indien er sprake is van een uitbreiding van het aantal uren kinderopvang, dient een aanvullende aanvraag voor een tegemoetkoming in de extra kosten van kinderopvang te worden ingediend. 4. VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING Artikel7Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming 1.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 2.Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. Artikel8Weigeringsgrond 1.Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet. 2.De weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Awb zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel9Ingangsdatum van de tegemoetkoming 1.De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. 2.Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden. Artikel10De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend 1.De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een tegemoetkomingsjaar. 2.In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. Artikel11Omvang van de kinderopvang 1.Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd. 2.In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg. Artikel12Inhoud van de beschikking Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat in ieder geval: de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder behoort; de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft; de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt; de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend; de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; de verplichtingen van de ouder. Artikel13De bevoorschotting van de tegemoetkoming De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uit betaald. 5. VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING Artikel14Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming 1.De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. 2.Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. 3.De tegemoetkoming kan op grond van artikel 4:46 lid 2 Awb lager worden vastgesteld 4.Kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk worden beschouwd, worden op grond van artikel 4:46 lid 3 Awb bij de vaststelling van de tegemoetkoming buiten beschouwing gelaten. Artikel15Verrekening met de voorschotten De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. 6. VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER Artikel16Inlichtingenplicht 1.De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming. 2.De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. Artikel17Intrekken of wijzigen van een besluit Op grond van artikel 4:48 en 4:49 Awb kan een beschikking tot verlening van de tegemoetkoming worden gewijzigd of worden ingetrokken. De beleidsregels terugvordering WWB en Wet kinderopvang zijn met ingang van 1 januari 2005 van overeenkomstige toepassing. Artikel18Terugvordering Indien de beschikking tot verlening of het vaststellen van de tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, wordt dit bedrag teruggevorderd op grond van artikel 38 van de wet. De beleidsregels terugvordering WWB en Wet kinderopvang zijn met ingang van 1 januari 2005 overeenkomstig van toepassing. Artikel19Opschorten van de betaling Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te schorten. Artikel20De bestuurlijke boete 1.In verband met het opleggen van een boete zijn de artikelen 77 tot en met 84 van de wet van toepassing. Het college kan een boete opleggen van maximaal € 2.269,-- indien een ouder de inlichtingenverplichting niet nakomt. 2.Het college stelt nadere regels omtrent het opleggen van een boete. 7. SLOTBEPALINGEN Artikel21Inwerkingtreding 1.Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet en artikel 149 van de Gemeentewet treedt deze verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking. 2.Voor paragraaf 2, de sociaal medische indicatie, geldt dat deze in werking treedt vanaf het moment dat artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking treedt. Artikel22Algemeen Voor de gevallen waarin deze verordening niet voorziet kan het college nadere regels stellen. Artikel23Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang (VWk) 2005 Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1 BegripsbepalingenDe begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld. Artikel 2-5 Sociaal medisch geïndiceerdenIn het de wet is de doelgroep sociaal medisch geïndiceerden omschreven als een doelgroep waarvoor gemeenten een tegemoetkoming in de kosten kinderopvang gaan verstrekken. Het kan dan gaan om noodzakelijke kinderopvang vanwege sociaal-medische problematiek bij het kind of de ouder. Deze noodzakelijkheid moet middels een indicatieadvisering worden aangetoond. Minister de Geus echter heeft besloten om de artikelen in de wet die betrekking hebben op de doelgroep sociaal-medisch geïndiceerden in 2005 nog niet in werking te laten treden. Vanwege budgettaire en efficiency redenen wil de minister één organisatie aanwijzen voor de indicatieadvisering voor sociaal-medische problematiek. Door het centralisatieproces van het Regionale Indicatie Orgaan (RIO) en de vormgeving van het Landelijk Centrum Indicatie-stelling Zorg (CIZ) is het onzeker of het CIZ per 1 januari 2005 in staat is de extra taak van de indicatieadvisering voor sociaal-medische problematiek en kinderopvang uit te voeren. Het centralisatieproces overigens heeft te maken met een nog verder uit te werken nieuwe wet, te weten de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Deze wet zal onder andere de Welzijnswet en de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) gaan vervangen. Vooralsnog is de ingangsdatum van de WMO 1 januari 2006. De Minister weet nog niet of de artikelen omtrent de sociaal-medische indicatie wel in werking treden in 2006. Vandaar dat ervoor is gekozen om wel reeds artikelen in de verorde-ning op te nemen omtrent de sociaal-medische indicatie, maar deze pas in werking te laten treden als artikel 23 van de wet in werking treedt. Dit is in de verordening geregeld in artikel 21 lid 2. In 2005 worden er middelen in het gemeentefonds gestort voor de doelgroep sociaal-medisch geïndiceerden. Het is in 2005 gemeentelijke vrijheid om deze doelgroep ook als doelgroep voor een tegemoetkoming kinderopvang aan te wijzen. Vooralsnog is geadviseerd om de doelgroep sociaal-medisch geïndiceerden inderdaad als doelgroep voor een tege-moetkoming kinderopvang aan te wijzen en de kosten hiervoor vanuit de bijzondere bijstand te bekostigen. Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraagDe tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26 Wet kinder-opvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor de aan-vragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het aanbeveling dat de gemeente het aan-vraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan te geven. Dit nog nader in een werkproces worden geregeld. Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de tege-moetkoming in verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang en artikel 16, eerste lid). Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschre-ven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang). Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke doel-groep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens beschikt: de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt; In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten verstrek-ken; De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering ontvangen. De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinaciering 2000. Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente; naam van deze gemeente. Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut. Bewijs van inschrijving school op opleidingsinstituut. In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekend. Deze bepaling is volledigheidshalve in de verordening opge-nomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang. Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkomingDe termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. In de modelverordening is gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd. De beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari bij de gemeente moeten indienen. Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er naar moeten streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed mee gebo-den is direct af te handelen. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden versneld. Artikel 8 WeigeringsgrondDe weigeringsgronden genoemd in artikel 4:35 Awb zijn de volgende en gelden alleen indien er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat; er geen sprake is van kinderopvang; de aanvrager niet aan de tegemoetkoming verbonden verplichtingen zal voldoen; de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de tegemoetkoming van belang zijn; indien in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkomingDit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er zijn twee ingangsdata mogelijk: De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben. De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang plaatsvindt. Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten van kinderop-vang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag: schriftelijk moet worden ingediend; moet zijn ondertekend; de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten; een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd. De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is geno-men. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aan-vraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op aan-vragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleendDe tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïnte-gratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. Artikel 11 Omvang van de kinderopvangDe Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doel-groep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoet-koming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van kinder-opvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ’Koakopje’), zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang. Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.