Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Begripsomschrijvingen Artikel
- In deze verordening wordt verstaan onder: raad: de gemeenteraad van Tilburg; college: het college van burgemeester en wethouders van Tilburg; verzoek: een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4; verzoeker: de belanghebbende die een verzoek als bedoeld in artikel 4 van deze verordening indient; commissie: de adviescommissie als bedoeld in artikel 7 van deze verordening; schadeveroorzakendbesluit: besluiten als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en/of besluiten gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het daarop gebaseerde Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) en/of rechtmatige feitelijke handelingen door of in opdracht van de gemeente Tilburg voor zover deze besluiten, respectievelijk feitelijke handelingen strekken tot herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein te Tilburg; plangebied van het Pieter Vreedeplein: het plangebied van het in 2002 onherroepelijk geworden bestemmingsplan “Pieter Vreedeplein e.o.”. Toepasbaarheid Artikel
- Deze verordening heeft uitsluitend betrekking op verzoeken om schade van belanghebbenden die een belang hebben in het plangebied van het Pieter Vreedeplein, welke schade een gevolg is van besluiten als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en/of besluiten gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het daarop gebaseerde Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), en/of rechtmatige feitelijke handelingen door of in opdracht van de gemeente Tilburg, voorzover deze besluiten, respectievelijk feitelijke handelingen strekken tot herontwikkeling in het plangebied van het Pieter Vreedeplein te Tilburg. Het recht op schadevergoeding. Artikel
- Indien een belanghebbende meent dat hij schade lijdt of zal lijden als gevolg van een schadeveroorzakend besluit als omschreven in artikel 1, en deze schade het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico zodanig overschrijdt, dat dit alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd, kan de raad op verzoek een vergoeding toekennen. De vergoeding wordt bepaald in geld. De raad kan eerst inhoudelijk op een verzoek beslissen na de datum van onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. HoofdstukII.Procedurebepalingen Het verzoek om schadevergoeding. Artikel
- Het verzoek om schadevergoeding wordt gericht aan de gemeenteraad en wordt in gevallen waarin de schadeoorzaak een besluit is zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de verzoeker; de dagtekening; een aanduiding van het besluit en/of handelen dat de schade naar het oordeel van de verzoeker heeft veroorzaakt; De verzoeker verschaft tevens de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn verzoek nodig zijn en waarover verzoeker redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het college bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk en stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure. Indien, naar het oordeel van het college niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het tweede en derde lid, stelt het college verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een termijn van acht weken na verzending van de brief waarin verzoeker op het verzuim is gewezen. Vereenvoudigde afhandeling van het verzoek. Artikel
- De raad neemt het verzoek niet in behandeling indien het niet overeenkomstig artikel 4 is ingediend. De raad kan het verzoek binnen 12 weken na de ontvangst schriftelijk afwijzen zonder toepassing te geven aan artikel 6 en volgende indien het verzoek naar het oordeel van de raad kennelijk ongegrond is. De in het voorgaande lid genoemde termijn kan door de raad eenmaal met ten hoogste 12 weken worden verlengd. Opdracht tot advies. Artikel
- Indien geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 5 geeft het college aan de commissie onder toezending van het verzoek opdracht ter zake advies uit te brengen; De in het voorgaande lid bedoelde opdracht geschiedt binnen 12 weken na het verstrijken van de - eventueel verlengde - termijn, bedoeld in het tweede lid van artikel
- De commissie. Artikel
- Als commissie treedt op Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam. Horen partijen door commissie. Artikel
- De commissie stelt zowel de verzoeker of zijn gemachtigde als een of meer vertegenwoordigers van de gemeente in de gelegenheid hun zienswijzen naar voren te brengen. Verzamelen informatie door commissie. Artikel
- Het college stelt de commissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. De verzoeker verschaft de commissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Financiële gegevens dienen in dit verband voorzien te zijn van een getrouwheidsverklaring van een daartoe wettelijk bevoegd accountant. Indien de verzoeker meent dat de door hem verstrekte gegevens strikt vertrouwelijk zijn dan dient dit door de verzoeker uitdrukkelijk te worden aangegeven. De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden, daaronder begrepen ambtenaren in dienst van de gemeente of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen, door derden kosten gemoeid zijn, oefent de commissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming door het college van burgemeester en wethouders. De commissie kan een plaatsopneming houden, indien zij dit nodig acht. Bepaling schadevergoeding door commissie Artikel
- De commissie onderzoekt of naar haar mening de aanvrager ten gevolge van het onherroepelijke schadeveroorzakend besluit schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Zij betrekt daarbij de mate waarin de verzoeker de hem ter beschikking staande mogelijkheden heeft benut ter voorkoming of beperking van deze schade. De commissie vermeldt het resultaat van dit onderzoek met de beweegredenen in haar rapport. Leidt het in voorgaand lid bedoelde onderzoek tot de vaststelling van schade, dan berekent de commissie de ten laste van de aanvrager blijvende schade en een billijke schadevergoeding. Advisering door commissie. Artikel
- De commissie brengt schriftelijk rapport uit aan de raad binnen zeven maanden na de beslissing van de raad het verzoek in handen van de commissie te stellen. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk vier weken voor de beslissingdoor het college aan de verzoeker toegezonden. Beslissing omtrent de aanvraag Artikel
- Binnen vijf maanden nadat de commissie het rapport genoemd in het vorige artikel heeft uitgebracht, beslist de raad. Indien de raad een schadevergoeding vaststelt, bepaalt hij de datum waarop de vergoeding uiterlijk moet zijn voldaan. Voorschot Artikel
- Het college van burgemeester en wethouders kent de verzoeker die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 3 en wiens belang naar het oordeel van het college vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, op diens schriftelijk verzoek een voorschot toe. Het college beslist op het verzoek, gehoord de commissie. Indien het college beslist tot het verlenen van een voorschot wordt daarmee geen aanspraak als bedoeld in artikel 3 erkend. Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is of wordt uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Het college kan daarvoor zekerheidsstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie, verlangen. HoofdstukIII.Slotbepalingen Artikel
- Deze verordening zal, met gebruikmaking van artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet in werking treden op 23 juli
- Citeertitel. Artikel
- Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004”. Algemene toelichting op de verordening nadeelcompensatie en planschadevergoeding PieterVreedeplein Tilburg 2004.InleidingHet Pieter Vreedeplein in het hart van het centrum van Tilburg, zal de komende jaren een flinke metamorfose ondergaan. Op 25 maart 2004 is met toepassing van artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling/ bouwvergunning verleend voor de bouw van een bioscoopcomplex, winkels, woningen en een ondergrondse parkeergarage op het Pieter Vreedeplein. Het betreft het gebied wat begrensd wordt door de Telegraafstraat aan de noordzijde, de Heuvelring aan de oostkant, de Tuinstraat aan de zuidzijde en de IJzerstraat in het westen. Het plein was tot voor kort in gebruik als parkeerplaats. Aan de zuidzijde (Tuinstraat) wordt het plein begrensd door een fietsroute, de achtergevels van enkele op de Heuvelstraat georiënteerde winkels en enkele aan het fietspad gelegen, op het Pieter Vreedeplein gerichte winkel- en horecabedrijven. Met name de in het plangebied aan de Tuinstraat gevestigde (horeca)- ondernemers hebben reeds enige tijd geleden hun zorgen geuit over de bereikbaarheid van hun bedrijven en de verwachte inkomstenderving gedurende de jarenlange bouwactiviteiten op het plein. Enkele ondernemers vrezen zelfs voor het voortbestaan van hun bedrijf. Om de ondernemers en ook andere belanghebbenden in het plangebied, die aantoonbare onevenredige schade lijden als gevolg van rechtmatige overheidsbesluiten casu quo rechtmatige overheidshandelingen, te compenseren is onderzocht of het wenselijk is dan wel een meerwaarde heeft om hiervoor een speciale regeling in het leven te roepen. Een en ander heeft geresulteerd in onderhavige regeling met als titel “Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004”. Het bijzondere karakter van de onderhavige regelingHet bijzondere karakter van deze verordening komt tot uitdrukking in de keuze om voor de belanghebbenden in het plangebied te voorzien in de behandeling van zowel planschadeclaims voortvloeiende uit artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening als verzoeken om vergoeding van schade (nadeelcompensatie) die het gevolg zijn van besluiten gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het daarop gebaseerde Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) en/of rechtmatige feitelijke handelingen door of in opdracht van de gemeente Tilburg strekkende tot herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein. Reden voor deze “gecombineerde” verordening is dat de afwikkeling van de totale schade als gevolg van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein in één hand blijft, zowel wat betrokken bestuursorgaan (de gemeenteraad) als wat de bevoegde rechter betreft én dat naar belanghebbenden toe op voorhand duidelijkheid wordt verschaft over de mogelijkheden tot het verkrijgen van nadeelcompensatie, mede in relatie tot het planschadestelsel. Bij het ontbreken van een dergelijke verordening zouden planschadekwesties bij de gemeenteraad en de bestuursrechter belanden, de nadeelcompensatiekwesties in verband met verkeersbesluiten bij het college van burgemeester en wethouders en de bestuursrechter en de nadeelcompensatiekwesties betreffende de feitelijke handelingen bij het college van burgemeester en wethouders en de burgerlijke rechter (althans voor zover de desbetreffende schade niet als “uitvoeringsschade” die onder het bereik van artikel 49 WRO valt is aan te merken). Door het vaststellen van deze verordening wordt niet beoogd aansprakelijkheden in het leven te roepen die rechtens niet bestaan. Deze regeling beoogt slechts te voorzien in het toekennen van schadevergoeding in die gevallen waarin artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel -wanneer geen specifieke wettelijke schadevergoedingsregeling voorhanden is- artikel 3:4, tweede lid Awb, of althans het mede aan artikel 3:4 tweede lid Awb ten grondslag liggende, algemene rechtsbeginsel van “égalité devant les charges publiques” (gelijkheid voor openbare lasten) vordert dat onevenredige schade voor vergoeding in aanmerking komt. Met het beginsel van gelijkheid voor openbare lasten wordt gedoeld op de regel dat de onevenredig nadelige –dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. Nadrukkelijk is er dan ook niet voor gekozen om belanghebbenden voor wat betreft planschade ex artikel 49 WRO te verwijzen naar de reeds bestaande “Procedureverordening planschadevergoeding 1997”. De “Procedureverordening planschadevergoeding 1997” wordt voor wat betreft planschadeverzoeken ten gevolge van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein dus vervangen door de “Verordening nadeelcompensatie en planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004”. Onderscheid tussen planschade- en nadeelcompensatiegevallenPlanschadeArtikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is de juridische titel voor het al dan niet toekennen van schade vanwege een in planologisch opzicht gewijzigde situatie. Dit artikel is exclusief van toepassing op schade, veroorzaakt door onder meer bestemmingsplannen en vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Op een verzoek om vergoeding van de planschade kan uw raad pas beslissen na het tijdstip waarop een planologische maatregel als bedoeld in artikel 49 WRO onherroepelijk is geworden. Indien een belanghebbende op het tijdstip van het inwerking treden van de in het geding zijnde planologische maatregel niet in een rechtsbetrekking staat tot het beweerdelijk getroffen object, mist artikel 49 WRO toepassing. Bij een inhoudelijke beoordeling komt de vraag aan de orde of er sprake is van een wijziging van het planologisch regime. Als dit het geval is wordt beoordeeld of belanghebbende daardoor in een nadeliger positie is komen te verkeren, waardoor schade is of wordt geleden. Hiertoe moet de in het geding zijnde planologische maatregel worden vergeleken met het voorheen geldende planologisch regime, waarbij in aanmerking moet worden genomen de maximale invulling van de planologische mogelijkheden, ongeacht of realisering ervan heeft of zou hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat, hoezeer een situatie feitelijk ingrijpend gewijzigd kan zijn, dit niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat vergelijking van de planologische maatregelen leidt tot een planologisch nadeliger positie. Indien wordt geconcludeerd dat de wijziging van het planologisch regime leidt tot schade, dient uw raad naar het tijdstip van het in werking treden van de in het geding zijnde planologische maatregel het schadebedrag te bepalen. Tenslotte dient uw raad vast te stellen of het schadebedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Planologisch kader Pieter VreedepleinTen aanzien van het Pieter Vreedeplein en de directe omgeving is vigerend het (in 2002 onherroepelijk geworden) bestemmingsplan “Pieter Vreedeplein e.o.” dat aan het plangebied enerzijds een uit te werken bestemming ten behoeve van centrumdoeleinden geeft en anderzijds een uit te werken bestemming verblijfsdoeleinden. Het daaraan voorafgaande planologisch regime, het bestemmingsplan “Centrum 1e herziening” gaf aan het plein de volgende bestemmingen: deels een uit te werken bestemming Centrumdoeleinden II, deels een bestemming Centrumdoeleinden II en deels een bestemming Verkeersdoeleinden-parkeerterrein (ook ondergrondse parkeervoorzieningen mogelijk). Ondanks de ruime bouwmogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan “Pieter Vreedeplein e.o.” (na uitwerking) biedt, past de voorgenomen bebouwing niet binnen de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan. Een en ander heeft te maken met afwijkingen van de positionering en -met name- de hoogte van de geplande woontorens. Om deze reden is voor het oprichten van de voorgenomen bebouwing een zelfstandige projectprocedure ex artikel 19 lid 1 WRO gevoerd waarvoor Gedeputeerde Staten bij besluit van 23 maart 2004 een zgn. verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven en ons college op 25 maart 2004 een vrijstelling/bouwvergunning heeft verleend. NadeelcompensatieOnder nadeelcompensatie wordt over het algemeen verstaan het compenseren van nadelen, die een gevolg zijn van rechtmatig handelen door de overheid. Een bestuursorgaan kan zowel als onderdeel van het nemen van een schadetoebrengend besluit (bijvoorbeeld een verkeersbesluit) als ook los daarvan in een zelfstandige procedure een nadeelcompensatiebeslissing nemen over het al dan niet toekennen van een vergoeding voor het als gevolg van het schadeveroorzakend handelen geleden nadeel. In het eerste geval spreekt men van een "onzuiver schadebesluit”, in het tweede geval van een “zuiver schadebesluit”. Voorwaarde voor het nemen van een “zuiver schadebesluit” is wel, dat de schadetoebrengende handeling is vervat in een daartoe benodigd, voor bezwaar en beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vatbaar besluit, dan wel dat ten aanzien van de schadetoebrengende handeling een nadeelcompensatieregeling van toepassing is. Ten aanzien van rechtmatige feitelijke handelingen kan geen zuiver schadebesluit worden genomen tenzij een nadeelcompensatieregeling van toepassing is. Reden hiervoor is dat een beslissing om naar aanleiding van feitelijke handelingen al dan niet schadevergoeding toe te kennen in juridische zin gekwalificeerd moet worden als een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Bij een inhoudelijke beoordeling van nadeelcompensatieverzoeken dient te worden onderzocht of en zo ja in hoeverre het gestelde nadeel een gevolg is van de gewraakte overheidshandeling, kortom er dient sprake te zijn van causaal verband. Vervolgens dient onderzoek te worden gedaan naar de omvang van de schade, naar de vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven en naar de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd. Niet voor vergoeding in aanmerking komt schade die geheel of gedeeltelijk behoort tot het normale maatschappelijk risico van een belanghebbende dan wel in de sfeer van diens actieve of passieve risicoaanvaarding. Bij actieve risicoaanvaarding geldt als uitgangspunt dat degene die zich in een situatie begeeft, welke mogelijk onderhevig is aan invloeden ten gevolge van overheidsingrijpen, zorgvuldig dient te onderzoeken welke maatregelen gelden, welke reeds zijn aangekondigd en welke maatregelen -op korte termijn- te verwachten zijn. Van degene die zich in een dergelijke situatie begeeft mag verwacht worden dat hij bij die beslissing de risico’s van nadeel veroorzakende overheidsingrepen heeft ingecalculeerd, zodat de risico’s, indien zich deze werkelijk voordoen, redelijkerwijs voor zijn rekening dienen te blijven. Van passieve risicoaanvaarding is onder meer sprake wanneer de benadeelde te kort is geschoten in de zorg voor de eigen belangen. Allerlei vormen van ‘riskant stilzitten’ van benadeelde kan hieronder begrepen worden, bijvoorbeeld geen of niet tijdig gebruik maken van de mogelijkheid om bedenkingen tegen de voorgenomen maatregel bekend te maken. Schade die “anderszins” verzekerd is (bijvoorbeeld door aankoop, onteigening of op grond van een wettelijke schadevergoedingsregeling zoals artikel 49 WRO) komt evenmin voor vergoeding op grond van nadeelcompensatie in aanmerking. Onderlinge plaats en rangorde van beide schadevergoedingsstelselsArtikel 49 WRO betreft een wettelijk geregeld recht op schadevergoeding. Het stelsel van nadeelcompensatie heeft daarentegen een buitenwettelijk karakter en is daardoor naar zijn aard slechts aanvullend van toepassing ten opzichte van wettelijke schadevergoedingsstelsels. Daar waar artikel 49 WRO van toepassing is wijkt dus het stelsel van nadeelcompensatie. Voor zover het gestelde nadeel zijn oorsprong vindt in de planologische wijziging van de situatie is artikel 49 WRO exclusief van toepassing. Ten aanzien van aangelegenheden ten aanzien van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein die rechtstreeks het gevolg zijn van de planologische ingreep/ingrepen is te denken aan: ??de nadelige gevolgen van de bouwactiviteiten, zoals een tijdelijk verslechterd winkelklimaat als gevolg van bijvoorbeeld geluid- en stofhinder. Het betreft tijdelijke schade in de vorm van inkomensschade. ??de ruimtelijke gevolgen van de nieuw ontstane definitieve situatie. Het betreft structurele schade in de vorm van inkomens- en/of vermogensschade. Voorzover het gestelde nadeel zijn oorsprong vindt in (noodzakelijke aanvullende) maatregelen die hun grondslag niet vinden in het planologisch kader maar daarbuiten, kan het stelsel van nadeelcompensatie van toepassing zijn. In het kader van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein kan hierbij gedacht worden aan: ??verkeersmaatregelen die de verkeerscirculatie wijzigen, zodanig dat de bereikbaarheid van winkelpanden/horecagelegenheden/tijdelijk (ernstig) wordt beperkt; ??werkzaamheden zonder een directe relatie met bouwactiviteiten zoals (her)bestrating en aanpassing van nutsvoorzieningstelsels; In deze gevallen betreft het tijdelijke inkomensschade. Een verzoek om toepassing van nadeelcompensatie (op grond van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten) vergt een andere beoordeling dan een verzoek om planschadevergoeding. Bij toepassing van nadeelcompensatie geldt als uitgangspunt dat er géén sprake is van schadevergoeding tenzij. Zo moet het treffen van verkeersmaatregelen als een normale maatschappelijke ontwikkeling worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van betrokkenen behoren te blijven. Dat neemt echter niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven. Dat er aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dient in beginsel door benadeelde aannemelijk te worden gemaakt. Daarbij dient de benadeelde niet alleen aannemelijk te maken dat hij schade lijdt of zal lijden als gevolg van deze maatregel, maar ook dat hij “onevenredige, buiten haar normaal maatschappelijk risico vallende en redelijkerwijs niet ten laste van hem komende schade heeft geleden als gevolg van het genomen verkeersbesluit”. Toekenning van nadeelcompensatie is, anders dan toekenning van planschade, eerder uitzondering dan regel. Bij toepassing van artikel 49 WRO geldt als uitgangspunt dat er sprake is van schadevergoeding tenzij. In beginsel is de wijziging van een planologische maatregel een normale maatschappelijke ontwikkeling. Dat betekent echter niet dat de nadelige gevolgen van planologische maatregelen in beginsel voor rekening van betrokkenen behoren te blijven. De wetgever heeft met artikel 49 WRO de schade die een belanghebbende lijdt als gevolg van een planologische wijziging die hem in een nadeliger positie brengt, in beginsel niet voor diens rekening willen laten. Voor- en nadelen van het vaststellen van een nadeelcompensatieregeling casu quo-verordeningAan de vaststelling van een nadeelcompensatie- en planschaderegeling ten behoeve van de herontwikkeling “Pieter Vreedeplein” zijn zowel voor- als nadelen verbonden. Nadelen??het aantal belanghebbenden dat van de regeling gebruik zal kunnen maken is niet erg groot omdat de regeling slechts betrekking heeft op één project/ gebied; ??extra bestuurlijke lasten, omdat het in nadeelcompensatiekwesties, anders dan in planschadevergoedingskwesties, niet zonder meer nodig is een adviescommissie in te schakelen; ??met het instellen van een verordening trekt de gemeente de bewijslast naar zich toe (bijvoorbeeld in het geval van schade door een verkeersmaatregel). Ook indien er geen nadeelcompensatieverordening is kan men een verzoek om toekenning van schade indienen. In dat geval ligt de bewijslast bij de verzoeker; ??het vaststellen van een dergelijke regeling kan precedenten scheppen voor andere (bouw)ontwikkelingen in de stad. Voordelen??door het vaststellen van een dergelijke regeling wordt een met voldoende waarborgen omklede regeling in het leven geroepen op grond waarvan benadeelden op voorhand voldoende zekerheid wordt verschaft op welke wijze en volgens welke normen schadevergoeding in verband met de uitvoering van dit project zal worden toegekend; ??vaststelling van een dergelijke regeling leidt tot een adequate gecombineerde afwikkeling van schadeclaims, zowel wat betrokken bestuursorgaan als wat de bevoegde rechter betreft; ??onder de werking van de verordening kunnen naast de gevolgen van publiekrechtelijke besluiten (zoals verkeersbesluiten) ook aanvullende rechtmatige feitelijke handelingen worden gebracht, hetgeen de noodzaak tot het voeren van civielrechtelijke procedures dienaangaande voorkomt; ??door de vaststelling van deze regeling wordt de inzichtelijkheid van de voor de burger openstaande rechtsgangen vergroot; ??in een verordening kunnen beperkende formeel-juridische elementen worden opgenomen zoals een “horizonbepaling” (bijvoorbeeld het opwerpen van een drempel of korting); ??in een verordening kunnen procedurevoorschriften en –termijnen worden opgenomen, die meer armslag bieden dan de anders van toepassing zijnde Algemene wet bestuursrecht. Afweging voor- en nadelenDe voor- en nadelen tegen elkaar afwegende kan tot de conclusie worden gekomen dat het in dit geval zinvol is om een nadeelcompensatieregeling vast te stellen in de vorm van een verordening waarin nadeelcompensatie en planschade gecombineerd worden in één verordening. Het nadeel van verwachte extra bestuurlijke lasten kan worden beperkt door in de verordening ook voor nadeelcompensatiekwesties een adviescommissie in het leven te roepen. Het nadeel van de ongewenste precedentwerking kan worden ondervangen door de bijzondere kenmerken van dit project in dit voorstel aan te geven. Met dit project wordt onder meer beoogd de functionele structuur van het kernwinkelgebied te versterken. Verder wordt met dit project beoogd een aantrekkelijke route van de Spoorlaan/Stationszone naar de Heuvelstraat te concretiseren. Kenmerkend voor het project is voorts de lange bouwtijd (circa 4 jaar) en als gevolg daarvan een langdurige periode waarbinnen voor belangenhebbenden schade kan optreden. Genoemde specifieke kenmerken van dit project alsmede het feit dat reeds op voorhand te voorzien is dat er door een aantal met name ondernemers wellicht toch schade geleden zal worden, pleit ervoor om een dergelijke nadeelcompensatieregeling vast te stellen. De schadeafwikkeling wordt middels het vaststellen van een dergelijke verordening gestroomlijnd en gekanaliseerd hetgeen duidelijkheid geeft richting de belanghebbenden. Die duidelijkheid kan ook zeker bijdragen aan een spoedige herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein en alle daarmee samenhangende (nog te nemen) noodzakelijke besluiten en maatregelen. Inhoud “Verordening Nadeelcompensatie- en planschadevergoeding PieterVreedeplein Tilburg 2004”Voor de inhoud van de verordening wordt allereerst verwezen naar de bij dit voorstel gevoegde (bijlage 1) en van dit voorstel deel uitmakende concept “Verordening Nadeelcompensatie- en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004”. In hoofdstuk I van de verordening treft u algemene bepalingen aan, in hoofdstuk II de procedurebepalingen en in hoofdstuk III de slotbepalingen. Verder voorziet de verordening in een algemene en een artikelsgewijze toelichting. Op enkele specifieke elementen uit de verordening wordt hieronder nader ingegaan. VoorschotregelingTussen het tijdstip van indienen van het schadeverzoek en het eventueel uitkeren van de toegekende schadevergoeding (incl. wettelijke rente) zit over het algemeen een behoorlijk lange periode (circa 8-12 maanden). Om te voorkomen dat iemand zodanig in de (financiële) problemen komt dat hij als gevolg van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein vóór afhandeling van het schadeverzoek genoodzaakt is zijn zaak te sluiten, wordt in de nadeelcompensatie-/ planschadeverordening een voorschotregeling opgenomen. Deze regeling wordt met de nodige waarborgen omkleed. Zo dient in het verzoek om toekenning van een voorschot het urgentievereiste (met cijfers) onderbouwd te worden. Het urgentievereiste houdt in dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat verzoeker de uiteindelijke beslissing omtrent toekenning van schadevergoeding niet kan afwachten. Voor grote ondernemingen (bijvoorbeeld in dit geval V&D) kan worden aangenomen dat deze niet spoedig aanspraak kunnen maken op bevoorschotting. Doorgaans zal een zodanige onderneming niet aannemelijk kunnen maken dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij de definitieve beslissing op diens verzoek niet kan afwachten. Verder dient de verzoeker om toekenning van een voorschot schriftelijk de verplichting aan te gaan dat het toegekende voorschot geheel dan wel gedeeltelijk wordt terugbetaald indien blijkt dat het voorschot ten onrechte is of wordt uitbetaald. Normaal ondernemersrisicoIn de Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 zelf worden op voorhand, gelet op de jurisprudentie hieromtrent geen kortingen, respectievelijk drempels vastgelegd. Wel zal in navolging van hetgeen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is geaccepteerd in het kader van een vaste gemeentelijke gedragslijn in de gemeente Den Haag (het betrof hier een nadeelcompensatieverordening voor een soortgelijk stadsproject, genaamd Souterrain Grote Markt/Kalverstraat) bij de uitvoering van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 als beleid worden gehanteerd dat de grens van het normaal ondernemersrisico wordt gesteld op het nadeel dat wordt geleden als gevolg van een omzetdaling van 15% gerelateerd aan een aantal referentiejaren. Er bestaat pas aanleiding voor toekenning van nadeelcompensatie als het nadeel deze drempel overstijgt. Als referentieperiode wordt gehanteerd een periode van 3 jaar voorafgaand aan de werkzaamheden. Van een verrekening van het normaal ondernemersrisico wordt afgezien, in het geval een ondernemer langer dan twee jaar met de werkzaamheden is geconfronteerd. Uitvoering schadeverzoeken in één handBinnen de gemeente Tilburg is het gebruikelijk dat de uitvoering van planschadeverzoeken in handen gesteld wordt van de afdeling Ruimtelijke Ordening en de uitvoering van nadeelcompensatieverzoeken als gevolg van verkeersbesluiten in handen van Openbare Werken Tilburg (OWT). Omdat het niet wenselijk is een scheiding aan te brengen in de uitvoering van de schadeverzoeken die op grond van de door de raad vast te stellen “Verordening Nadeelcompensatie en Planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004” worden ingediend wordt er voor gekozen om de uitvoering van deze verordening in handen te stellen van de afdeling Ruimtelijke Ordening. Indien het schadeverzoeken aangaande verkeersbesluiten betreft zal dit vanzelfsprekend dienen te gebeuren in nauw overleg met OWT. Tijdelijke referendumwetOp grond van de Tijdelijke Referendumwet (Trw) zijn alle besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemeen verbindend voorschrift referendabel. Deze nadeelcompensatie- en planschadeverordening is ook een algemeen verbindend voorschrift en valt dus onder de werking van de Tijdelijke Referendumwet. Dat betekent dat de verordening ingevolge artikel 22 lid 2 van de Tijdelijke Referendumwet in beginsel niet eerder in werking kan treden dan zes weken na bekendmaking van de verordening. Artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet biedt de mogelijkheid om gebruik te maken van een spoedprocedure indien de inwerkingtreding niet zo lang op zich kan laten wachten. De Verordening Nadeelcompensatie en planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 is in het leven geroepen om met name voor de ondernemers in het plangebied een duidelijke regeling te creëren ten aanzien van eventuele schade die zij mogelijk zullen gaan lijden als gevolg van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein. Uitgangspunt was dat de verordening in werking zou treden op het moment dat de (bouw) werkzaamheden daadwerkelijk zouden starten. Vanwege de zorgvuldige voorbereiding en de in het kader daarvan noodzakelijke advisering door derden is die termijn niet gehaald. Voor een beperkt aantal ondernemers is de periode tussen aanvang van de (bouw)werkzaamheden en de inwerkingtreding van de verordening wellicht al lang genoeg om hun zaak failliet te zien gaan. Niet wenselijk is dan ook de ondernemers nu nog eens 2 maanden te laten wachten voordat de verordening in werking kan treden. Voorgesteld wordt gebruik te maken van de spoedprocedure uit artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet en de Verordening Nadeelcompensatie en planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 in werking te laten treden op 23 juli
- De verordening blijft wel referendabel en doorloopt dezelfde route als andere verordeningen met dit verschil dat hij alvast in werking kan treden. Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1.Enige, in de verdere artikelen genoemde begrippen worden hier gedefinieerd. Artikel 2.De verordening heeft betrekking op schadeverzoeken van belanghebbenden die een belang hebben in het plangebied van het Pieter Vreedeplein en welke schade het gevolg is van besluiten als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en/of besluiten gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het daarop gebaseerde Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BAWB) en/ of rechtmatige feitelijke handelingen door of in opdracht van de gemeente, voor zover deze besluiten, respectievelijk feitelijke handelingen strekken tot herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein. Hierbij kan gedacht worden aan: -de nadelige gevolgen van bouwactiviteiten, zoals een tijdelijk verslechterd winkelklimaat als gevolg van bijvoorbeeld geluid- en stofhinder; -de ruimtelijke gevolgen van de nieuw ontstane definitieve situatie; maar ook aan: -verkeersmaatregelen die de verkeerscirculatie wijzigen, zodanig dat de bereikbaarheid van de winkel-, horeca-, en overige bedrijfspanden in het plangebied (ernstig) wordt beperkt; -werkzaamheden zonder een directe relatie met bouwactiviteiten zoals (her)bestrating en aanpassing van nutsvoorzieningstelsels; Artikel 3.Dit artikel verwoordt de materiële maatstaf aan de hand waarvan de raad verzoeken om schadevergoeding beoordeelt. Voor een uitwerking van de te hanteren maatstaven wordt verwezen naar het bijbehorende raadsvoorstel. Deze verordening treedt, voor wat betreft het onderdeel planschade in het plangebied van het Pieter Vreedeplein, in de plaats van de Procedureverordening Planschadevergoeding
- Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de schade kan worden weggenomen door betaling van een geldsom. In het derde lid is bepaald wanneer het recht op schadevergoeding ontstaat. Voorwaarde voor het al dan niet toekennen van schadevergoeding is dat het desbetreffende schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is. Artikel 4.In dit artikel worden regels gegeven voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding. Eerste lidDe benadeelde dient een verzoek om schadevergoeding zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit in te dienen. Deze bepaling is opgenomen omdat het uit bestuurlijk oogpunt ongewenst moet worden geacht dat nog verzoeken om schadevergoeding worden ingediend jaren nadat het nadeel gebleken is. Echter de periode waarbinnen men zich een beeld zal kunnen vormen van het al dan niet optreden van schade alsmede de omvang ervan, zal van geval tot geval kunnen verschillen. Seizoensinvloeden kunnen hier (bijvoorbeeld bij bedrijfsbranches) een rol spelen. Om die reden is er dan ook van afgezien een bepaalde termijn te noemen waarbinnen het verzoek moet worden gedaan. Voor het indienen van planschadeclaims op grond van artikel 49 WRO is thans in de wet ook (nog) niet voorzien in een maximale termijn. Tweede en derde lidVan een verzoeker wordt verlangd dat hij alle gegevens -van welke aard dan ookverschaft die de raad nodig heeft voor het beoordelen van de gegrondheid van de schadeclaim. Met de administratieve behandeling van de claim wordt het college van burgemeester en wethouders belast. In het verzoekschrift dient de hoogte van het naar het oordeel van verzoeker te vergoeden schadebedrag aangegeven te worden. De financiële vertaling daarvan zal kunnen geschieden aan de hand van boekhoudkundige gegevens casu quo een verklaring van een financieel deskundige. Vierde lidHet college bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk. In verband met het bepaalde in artikel 4:14 Awb zal verzoeker worden ingelicht over de met de behandeling van het verzoek ten hoogste gemoeide termijnen. Vijfde lidIndien de verzoeker onvoldoende gegevens heeft versterkt om de gegrondheid van het verzoek te kunnen beoordelen, stelt het college van burgemeester en wethouders conform artikel 4:5, eerste lid, Awb verzoeker in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens alsnog te verschaffen. Artikel 5.Dit artikel maakt een vereenvoudigde behandeling van het verzoek om schadevergoeding mogelijk indien een verzoek daartoe aanleiding geeft. Eerste lidIn het eerste lid van artikel 5 is in overeenstemming met artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaald dat een verzoek buiten behandeling wordt gelaten indien de verzoeker nalatig blijft om de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens te verschaffen. Tweede/derde lidIndien een verzoek naar het oordeel van de raad kennelijk ongegrond is, wordt het zonder behandeling door de adviescommissie afgewezen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer bij een summier onderzoek duidelijk is dat het geleden nadeel niet veroorzaakt is een schadeveroorzakend besluit als genoemd in artikel 1f. Kennelijk ongegrond is verder het verzoek betreffende schade waarvan de vergoeding anderszins is verzekerd. De raad dient binnen 12 weken na de ontvangst van de benodigde gegevens zijn beslissing op het verzoek aan verzoeker schriftelijk kenbaar te maken. Deze bepaling geldt uitsluitend voor het geval dat beslist wordt zonder raadpleging van een adviescommissie. Lid 3 maakt het mogelijk de termijn met maximaal 12 weken te verlengen indien een beschikking niet binnen 12 weken kan worden gegeven. Artikel 6.Indien een verzoek niet buiten behandeling wordt gelaten, of wegens kennelijke ongegrondheid wordt afgewezen, wordt het verzoek toegezonden aan een ter zake deskundige onafhankelijke adviescommissie. Deze commissie heeft tot taak de raad te adviseren inzake de op het verzoek te nemen beslissing. Artikel 7.Deze nadeelcompensatieverordening voorziet erin dat een adviescommissie wordt ingesteld wanneer het verzoek niet op voet van artikel 5 vereenvoudigd is afgedaan. Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam treedt op als adviescommissie. Hoewel dit niet noodzakelijk is, ligt het wel voor de hand om voor alle schadeverzoeken op grond van deze verordening, vanuit een oogpunt van coördinatie en in aanmerking genomen de betrekkelijk geringe omvang van het relevante plangebied, dezelfde commissie in te schakelen. Artikel 8.Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 9.De commissie zal, teneinde zich een goed oordeel te kunnen vormen over de aanvraag dienen te beschikken over relevante informatie van de gemeente en de aanvrager. De gemeente kan zich het recht voorbehouden bepaalde informatie niet te verstrekken, voor zover dit in overeenstemming is met de Wet openbaarheid van bestuur. Het kan noodzakelijk zijn dat de verzoeker om verdere (boekhoudkundige) gegevens wordt gevraagd. Het beschikbaar stellen van die gegevens zal dan essentieel zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag. Artikel 10.Zie de toelichting op artikel
- Ad lid 2: De kosten voor het opstellen van een verklaring van een financieel deskundige die nodig is voor het indienen van een claim komen voor vergoeding als schade in aanmerking, indien de claim wordt toegekend. Deze kosten zullen dan in de vorm van een forfaitair bedrag van € 300,- worden vergoed. Artikel 11.Een afschrift van het rapport van de commissie wordt toegezonden aan de aanvrager. Mocht de aanvrager zich niet kunnen verenigen met de conclusie van het rapport kan hij zijn zienswijzen kenbaar maken aan de gemeenteraad, alvorens deze een beslissing neemt. Artikel 12.Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 13.In dit artikel is voorzien in de mogelijkheid van bevoorschotting. Deze bepaling is opgenomen om de geleden schade zonodig te beperken, dan wel aan een belanghebbende de mogelijkheid te bieden tijdig te starten met bijvoorbeeld een vervangingsinvestering. De verzoeker, die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 3 en wiens belang vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, kan het college verzoeken hem een voorschot te verlenen. Over dat verzoek wordt de reeds ingeschakelde adviescommissie gehoord. Burgemeester en wethouders nemen bij de beoordeling van verzoeken om bevoorschotting als uitgangspunt dat een zodanig verzoek slechts kan worden gehonoreerd indien verzoeker naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld. Bovendien dient voldoende aannemelijk te zijn dat verzoeker de uiteindelijke beslissing omtrent toekenning van schadevergoeding niet kan afwachten (het zogenoemde urgentievereiste). Verder zal in de belangenafweging moeten worden betrokken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling in het geval uiteindelijk zou komen vast te staan dat geen of minder recht op schadevergoeding bestaat (het zogenoemde restitutierisico). Daarbij dient rekening gehouden te worden met de bereidheid van de verzoeker om zekerheid te stellen voor terugbetaling. In het tweede lid wordt bepaald dat indien het college beslist tot toekenning van een voorschot daarmee geen aansprakelijkheid wordt erkend. De gemeenteraad is dus bij het nemen van een besluit op het verzoek om schadevergoeding niet gebonden aan de beslissing over de bevoorschotting van het college van burgemeester en wethouders. Het voorschot kan volgens het derde lid van deze regeling uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. Het college kan daarvoor zekerheidsstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie verlangen. Daarbij moet betrokken worden de vraag naar het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling van het voorschot. Een beslissing omtrent bevoorschotting kan, anders dan de beslissing omtrent schadevergoeding als bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden genomen vóórdat het schadeveroorzakende besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Dat betekent overigens niet dat een beslissing omtrent bevoorschotting een beslissing behelst omtrent vergoeding van zogenoemde schaduwschade: dat wil zeggen schade die niet zozeer het gevolg is van het door verzoeker als schadeoorzaak gesteld besluit, maar schade die benadeelde lijdt als gevolg van de omstandigheid dat het eventueel rechtskracht krijgen van zodanig besluit zijn schaduw soms vooruit werpt. In het kader van de beoordeling van een verzoek om bevoorschotting is niet relevant, of verzoeker reeds schaduwschade lijdt. Artikel 14.Dit artikel geeft aan wanneer de verordening in werking treedt. Op grond van de Tijdelijke Referendumwet (Trw) zijn alle besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemeen verbindend voorschrift referendabel. Deze nadeelcompensatie- en planschadeverordening is ook een algemeen verbindend voorschrift en valt dus onder de werking van de Tijdelijke Referendumwet. Dat betekent dat de verordening ingevolge artikel 22 lid 2 van de Tijdelijke Referendumwet in beginsel niet eerder in werking kan treden dan zes weken na bekendmaking van de verordening. Artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet biedt de mogelijkheid om gebruik te maken van een spoedprocedure indien de inwerkingtreding niet zo lang op zich kan laten wachten. De Verordening Nadeelcompensatie en planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 is in het leven geroepen om met name voor de ondernemers in het plangebied een duidelijke regeling te creëren ten aanzien van eventuele schade die zij mogelijk zullen gaan lijden als gevolg van de herontwikkeling van het Pieter Vreedeplein. Uitgangspunt was dat de verordening in werking zou treden op het moment dat de (bouw) werkzaamheden daadwerkelijk zouden starten. Vanwege de zorgvuldige voorbereiding en de in het kader daarvan noodzakelijke advisering door derden is die termijn niet gehaald. Voor een beperkt aantal ondernemers is de periode tussen aanvang van de (bouw)werkzaamheden en de inwerkingtreding van de verordening wellicht al lang genoeg om hun zaak failliet te zien gaan. Niet wenselijk is dan ook de ondernemers nu nog eens 2 maanden te laten wachten voordat de verordening in werking kan treden. Voorgesteld wordt gebruik te maken van de spoedprocedure uit artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet en de Verordening Nadeelcompensatie en planschadevergoeding Pieter Vreedeplein Tilburg 2004 in werking te laten treden op 23 juli
- Artikel 15.Dit artikel spreekt voor zich. Bezwaar- en beroepsmogelijkhedenOp de besluiten van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 5 (tot afwijzing van de aanvraag zonder verdere procedure) en artikel 12 (tot het al dan niet toekennen van schadevergoeding, inclusief de hoogte van een financiële vergoeding) zijn de bezwaar- en beroepsmogelijkheden van toepassing als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze met ingang van 1 januari 1994 van kracht is Dit betekent dat eerst bezwaar kan worden ingediend bij de gemeenteraad en eventueel daarna beroep bij respectievelijk de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verlenen van een voorschot als bedoeld in artikel 13 kan worden opgevat als een voorbereidingsbesluit zodat daar geen bezwaar en beroep tegen open staat. aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 juli 2004 de griffier, de voorzitter,
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.