Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeente TilburgDe raad van de gemeente Tilburg; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; Besluit: vast te stellen de Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeente Tilburg, waarin is geregeld het werken met een toezichthouder en een register. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg; peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen vanaf twee jaar tot het moment waarop zij basisonderwijs kunnen volgen gedurende ten minste vijf uur per week, verspreidt over twee dagdelen van minder dan 4 uur per dagdeel, met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; begeleider: degene die anders dan de beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal; ouders: ouders en/of verzorgers van het kind; kind(eren): kind(eren) uit de gemeente Tilburg; Voor- en Vroegschoolse Educatie(VVE)groepen/-peuterspeelzalen: exploitatie conform de regelgeving van deze verordening en de VVE regelgeving. Algemeen geldt hierbij dat een kind ten minste zes uur per week, verspreidt over minimaal twee dagdelen van minder dan 4 uur per dagdeel aanwezig is. HOOFDSTUK2.MELDINGSPLICHT Artikel2.Melding in het register van het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1.Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 2.De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Artikel3.Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’; ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’; ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. (Ambitieniveau 2 staat gelijk aan peuterspeelzaalwerk conform de VVE regelgeving.) Artikel4.Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1.Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding. Dit in verband met de controle en de registratie. 2.Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17 van deze verordening, eerder dan na de in het eerste lid genoemde termijn van acht weken blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening en het GGD protocol, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5.Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17 van deze verordening, blijkt dat niet aan de eisen van deze verordening wordt voldaan. Artikel6.Register 1.Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 van deze verordening zijn verstrekt. 2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden. 3.Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage. Artikel7.Wijzigingen van gegevens 1.De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk melding aan het college. 2.De houder wordt in kennis gesteld van de aantekeningen die in het register zijn verwerkt. HOOFDSTUK3.DE KWALITEITSEISEN Artikel8.Algemene kwaliteitseisen 1.De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 2.De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Artikel9.Eisen ten aanzien van verzekeringen De houder van een peuterspeelzaal is verplicht ten behoeve van in de peuterspeelzaal aanwezige functionarissen, begeleiders en kinderen een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering en een ongevallenverzekering af te sluiten. Artikel10.Oppervlakte speelruimte 1.Voor ieder kind is minimaal 3,5 m² bruto binnen speel-/werkoppervlak beschikbaar. 2.Voor ieder kind is minimaal 4 m² bruto-oppervlakte aan buitenspeelruimte beschikbaar. Artikel11.Groepen en groepsgrootte 1.De opvang van kinderen vindt plaats in groepen in vaste en in passend ingerichte afzonderlijke ruimtes. 2.In een groep zijn ten hoogste vijftien kinderen gelijktijdig aanwezig. Artikel12.Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep 1.Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 2.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’ zijn er in elk geval ten minste twee begeleiders aanwezig en er is één beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 3.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig. 4.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. Artikel13.Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder. In de overeenkomst is onder andere vastgelegd dat de houder een overdrachtsformulier aan de basisschool stuurt. Verder is in de overeenkomst gemeld dat de peuterspeelzaal gehouden is aan het hanteren van de Ouderbijdragetabel zoals die jaarlijks door de gemeente Tilburg wordt vastgesteld. Door ondertekening gaan beide partijen akkoord met de afspraken uit de overeenkomst. Artikel14.Informatieplicht aan de ouders De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 13 van deze verordening, in ieder geval over: het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3 van deze verordening; het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal; de klachten- en inspraakregeling. Artikel15.Verklaring omtrent het gedrag 1.Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. 2.Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overlegt niet ouder dan twee maanden. 3.Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. 4.Een kopie van de verklaringen van alle medewerkers dient op locatie aanwezig te zijn wanneer door de GGD een controle wordt uitgevoerd. HOOFDSTUK4.HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel16.Aanwijzing van toezichthouder Het college wijst de GGD als toezichthouder aan. De GGD stelt, in overleg met de gemeente, een protocol met eisen en adviezen op. Het toezicht geschiedt conform het protocol en de eisen en regels zoals neergelegd in deze verordening. Artikel17.Onderzoek door toezichthouder 1.De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening, binnen zes weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening en het GGD protocol. 2.Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder tweejaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening en het GGD protocol. 3.Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder tussentijds onderzoek verrichten ter controle of aan de eisen van het inspectierapport is voldaan of naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening en het GGD protocol. Artikel18.Het inspectierapport 1.De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. 2.Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening en het GGD protocol niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3.Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage van het rapport. 4.De toezichthouder zendt een inspectierapport aan de houder, die een afschrift daarvan ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. Artikel19.Aanwijzing en bevel 1.Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. 2.In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3.Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd. 4.De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. Artikel20.Strafbepaling Overtredingen van de artikel 2, eerste lid en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak of een aantekening over het inspectierapport in het register. HOOFDSTUK5.SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel21.Afwijkingen van het gestelde in de Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeenteTilburg Afwijkingen van de eisen/regels gesteld in de Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeente Tilburg kan alleen geschieden met toestemming van de betrokken beleidsambtenaar van de gemeente Tilburg. Artikel22.Overgangsbepaling 1.Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een vergunning c.q. een vertrouwensverklaring op grond van de Verordening Kinderopvang 1997 beschikken. 2.Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register. 3.Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze verordening een verklaring omtrent het gedrag over. Artikel23.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van 25 april 2005. 2.Met ingang van die datum vervalt de Verordening Kinderopvang 1997. Artikel24.Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeente Tilburg. ALGEMENE TOELICHTINGGemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet Kinderopvang. Dit betekent dat de grondslag voor deze verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente vormt. De verordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet Kinderopvang stelt ten aanzien van Kinderopvang. Voor dit laatste zijn twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van Kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het ligt dan ook voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te stellen, uiteraard voor zover die eisen aansluiten bij het specifieke doel van het peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden: het toezicht op de instellingen voor Kinderopvang en op peuterspeelzalen zal door dezelfde toezichthouder worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht wordt vergemakkelijkt als de toezichthouder zoveel mogelijk met dezelfde regels te maken heeft. Evenals in de Wet Kinderopvang is in de verordening gekozen voor algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden, gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGArtikel 1. BegripsomschrijvingenDe beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd. Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de begripsomschrijving van een begeleider. Artikel 2. Melding in het register van het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaalDit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal willen gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar formulier. Het stelsel van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen actief zijn op het terrein van peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan de gemeente de mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een nieuw initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet. De gemeente moet een gemelde peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor een ieder toegankelijk is. Opneming in het register geeft ouders de zekerheid dat er van gemeentewege zal worden toegezien op de kwaliteit van hygiëne en veiligheid. Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een meldingsstelsel kan dit niet maar moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels. Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil. In een vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten. Wel wordt in het register een melding gemaakt wanneer niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Artikel 3. Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerkHet eerste ambitieniveau
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.