Verordening voorzieningen gehandicapten 2005De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 oktober 2004 met nummer SAM/BA; 10.593; besluit: de Verordening
Artikel 3
.1 maakt een onderscheid tussen drie soorten voorzieningen, te weten het collectief vervoersysteem (a), de voorzieningen in natura (b) en de financiële tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van vervoer (c). Het onderscheid tussen deze drie hoofdcategorieën vervoersvoorzieningen is gemaakt gezien het verschillende karakter van deze vormen van voorzieningverstrekking. In deze algemene omschrijving wordt een opsomming gegeven van vervoersvoorzieningen die op grond van deze verordening kunnen worden verstrekt. Omdat het een opsomming is, waaraan niet de voorwaarde is verbonden dat het om de ene of de andere voorziening gaat, is het ook mogelijk een combinatie van vervoersvoorzieningen te verstrekken. a.een collectief vervoersysteem Door een hoogwaardig systeem van aanvullend openbaar vervoer op te zetten kan een gemeente in belangrijke mate aan haar zorgplicht voldoen ten aanzien van het vervoer buitenshuis. De individuele vervoersvoorzieningen kunnen voor een groot deel worden ondervangen door deze vorm van vervoer. Het collectief vervoer is derhalve een voorziening die binnen de rangorde van voorzieningen het primaat heeft. Dit primaat blijkt met name uit de formulering van artikel 3.
- b.vervoersvoorzieningen in natura Onder punt b van artikel 3.1 worden vervoersvoorzieningen genoemd, die in natura worden verstrekt. Hieronder wordt kort ingegaan op het soort vervoersvoorzieningen. Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen: het gaat hier om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de middellange afstand. Een open elektrische buitenwagen: dit vervoermiddel (ook wel scootermobiel genoemd) voorziet in de vervoersbehoefte voor de korte/middellange afstand. Een ander verplaatsingsmiddel: hier vallen alle andere verplaatsingsmiddelen onder die op grond van het Wvg-beleid in natura worden verstrekt. Hierbij valt te denken aan bijzondere fietsen. c. tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van vervoer Een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt voor de aanpassing van het eigen vervoermiddel. Uitgangspunt daarbij is dat de gehandicapte alleen in aanmerking kan komen voor een financiële tegemoetkoming in de meerkosten ten opzichte van de gebruikelijke kosten. Voor het gebruik van vervoermiddelen, genoemd onder 2, wordt een forfaitaire vergoeding in de vorm van een cliëntgebonden budget verstrekt. Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding worden twee groepen onderscheiden: zelfstandig wonende gehandicapten, die zittend in een rolstoel vervoerd moeten worden; zelfstandig wonende gehandicapten, die niet zittend in een rolstoel vervoerd behoeven te worden. Op basis van deze overwegingen worden de forfaitaire vergoedingen in de volgende percentage normvergoedingen onderscheiden: categorie a : 150% categorie b : 100% In het uitzonderlijke geval, dat met de in artikel 3.1 geboden vervoersmogelijkheden geen adequate oplossing geboden kan worden, dient overwogen te worden of gebruik gemaakt moet worden van de in artikel 8.1 (hardheidsclausule) of 8.2 (onvoorzien) gegeven bevoegdheid. NB: Auto’s worden niet (meer) verstrekt. Gehandicapten die nu nog een auto in bruikleen hebben, komen nog wel in aanmerking voor tegemoetkoming in de gebruikskosten. De gehandicapte blijft deze vergoeding ontvangen tot op het moment dat de bruikleenauto is opgereden. Nadat de auto is opgereden is de gehandicapte in de regel aangewezen op het collectief vervoer. Artikel 3.2 Het recht op een vervoersvoorziening Door de formulering van lid 1 is aangegeven dat louter de aantoonbare beperkingen van de gehandicapte in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoersystemen bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre, de gehandicapte in aanmerking komt voor deze vorm van vervoersvoorziening. Doordat de regiotaxi bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (bijvoorbeeld indien iemand niet in een drukke bus durft te reizen) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening worden getroffen, hetgeen wellicht beter gevonden kan worden in een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo’n situatie de problematiek op te lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel derhalve bij gebrek aan een langdurige noodzaak terecht niet onder de Wet voorzieningen gehandicapten. Het wordt anders als blijkt dat het probleem niet therapeutisch kan worden opgelost. In voorkomend geval is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. In lid 3 is uitdrukkelijk geregeld dat alleen dan een voorziening in natura of financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt wanneer gebruikmaking van het collectief systeem van aanvullend vervoer niet mogelijk is als gevolg van aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek. In lid 5 wordt de mogelijkheid geboden om een vervoersvoorziening in natura aanvullend te verstrekken op het gebruik van het collectief vervoerssysteem. Dit is aan de orde wanneer er slechts beperkt gebruik kan worden gemaakt van het collectief vervoersysteem. Lid 6 van artikel 3.2 bepaalt dat geen vergoeding als bedoeld in artikel 3.1 onder a en onder c sub 2wordt verstrekt wanneer het (gezamenlijk) inkomen als bedoeld in artikel 1.
- onder b meer bedraagt dan 1,5 maal het normbedrag. Tevens is er in dat geval geen recht op (gesubsidieerde) deelname aan het collectief vervoersysteem. Inhoudsopgave TOELICHTING HOOFDSTUK 4 ROLSTOELEN Artikel 4.
Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders een rolstoel kunnen verstrekken voor verplaatsing binnen of voor binnen èn buiten. Onder handbewogen rolstoelen kan ook verstaan worden een duw-wandelwagen. Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de rolstoelverstrekking. Vaak zullen aanpassingen tegelijkertijd met de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan echter ook voorkomen dat aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de rolstoel worden aangevraagd en worden verleend. Sportrolstoelen vallen eveneens onder de rolstoelen zoals hier bedoeld. Artikel 4.2 Het recht op een rolstoel In dit artikel is in het eerste lid omschreven wanneer een gehandicapte in aanmerking komt voor verstrekking van een rolstoel. De eerste voorwaarde is dat er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (afgeleid van de begripsomschrijving van de gehandicapte). Voorts moet men (om medisch-ergonomische redenen) in belangrijke mate aangewezen zijn op zittend verplaatsen. Tenslotte moeten andere loophulpmiddelen onvoldoende uitkomst bieden. De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel in belangrijke mate, aanwezig te zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat gehandicapten voor sportrolstoelen in aanmerking komen, ook indien zij in het dagelijkse leven van loophulpen gebruik kunnen maken, maar zonder sportrolstoel niet in staat zijn tot sportbeoefening. Voorts wordt ervan uitgegaan dat regelmatig van de sportrolstoel gebruik gemaakt zal worden voor sportgebruik. Artikel 4.3 Bruikleen Een rolstoel wordt in bruikleen verstrekt aan de gehandicapte. De gemeente is eigenaar van de rolstoel en betaalt op basis van een contract de kosten van onderhoud, verzekering en reparatie van de rolstoelen aan de leverancier. In de bruikleenovereenkomst, die de gemeente en de gehandicapte sluiten, zijn afspraken opgenomen m.b.t. onderhoud en reparatie. Een sportrolstoel wordt niet in bruikleen verstrekt maar in de vorm van een afkoopsom. Met dit forfaitaire bedrag kan de gehandicapte zelf een sportrolstoel aanschaffen, waarmee tenminste 3 jaar gesport moet kunnen worden. Deze vergoeding voorziet tevens in de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van de rolstoel gedurende een periode van drie jaar. De hoogte van deze forfaitaire vergoeding is geregeld in het Financieel Besluit. TOELICHTING HOOFDSTUK 5 HOOGTE FINANCIËLE TEGEMOETKOMINGEN Artikel 5.1 Hoogte financiële tegemoetkomingen In de verordening wordt het beleid in grote lijnen vastgelegd door de Raad. De uitvoering is opgedragen aan het college. Het Financieel Besluit is het overzicht waarin alle verstrekkingen en bedragen zijn opgenomen die de gemeente in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten kan verstrekken. De vaststelling van dit besluit is opgedragen aan het college, zodat snel en adequaat gereageerd kan worden op ontwikkelingen m.b.t. prijzen en tarieven. Artikel 5.2 Indexering Dit artikel maakt het mogelijk alle bedragen jaarlijks te indexeren. TOELICHTING HOOFDSTUK 6 HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING De Algemene wet bestuursrecht (Awb) Eén van de doelstellingen van de Awb is het bevorderen van eenheid in regelgeving. De Awb, die op 1 januari 1994 voor een deel in werking is getreden, bevat een groot aantal regels die ook op deze verordening van toepassing is. Als gevolg daarvan is de procedurele kant van deze verordening sober gehouden. Wel is er in deze verordening voor gekozen alle procedurele regels, die op grond van de Awb hun werking op de gemeentelijke voorzieningen hebben, in de artikelsgewijze toelichting van de verordening op te nemen. Voor een goed begrip worden hieronder in grote lijnen de consequenties aangegeven die de Awb heeft voor deze verordening. De procedure om te komen tot een voorziening is als een aanvraagprocedure in de Awb opgenomen.In de Awb is eveneens opgenomen binnen welke termijn na het indienen van een aanvraag door de gemeente beslist moet zijn op de aanvraag. De beslissing moet binnen een redelijke termijn zijn genomen, waarbij wordt gesteld dat die redelijke termijn in ieder geval is verstreken als het bestuursorgaan binnen 8 weken geen beslissing heeft gegeven. Sommige aanvragen in het kader van de Wvg vragen een duidelijk langere beslistermijn dan 8 weken. In die situaties kan het bestuursorgaan aan belanghebbende een kennisgeving zenden waarin mededeling wordt gedaan van de termijn die nodig is om tot een beslissing te komen. Deze mededeling moet in ieder geval zijn gedaan voor het verstrijken van de periode van 8 weken. Is binnen 8 weken geen besluit kenbaar gemaakt of geen mededeling gedaan van een langere termijn, dan kan gesproken worden van een fictieve weigering op grond waarvan de gehandicapte een bezwaarschriftenprocedure kan starten. Over de adviesaanvragen regelt de Awb ook het een en ander, met name ten aanzien van de externe adviseur. Tot slot geeft de Awb ook regels betreffende de motivering van een beslissing. De Awb bepaalt dat te allen tijde een beroepsprocedure voorafgegaan dient te worden door een bezwaarschriftenprocedure. Dat geldt dus ook voor de Wvg, zonder dat dit in de verordening is opgenomen. Een beroep tegen een besluit in het kader van de Wvg moet worden ingesteld bij de Rechtbank (sector Bestuursrecht). Artikel 6.1 Aanvraagprocedure De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een voorziening op aanvraag wordt toegekend. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de gehandicapte noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een gehandicapte kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In artikel 6.1 is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Het is artikel 4.4 Awb dat hiertoe de mogelijkheid biedt. De aanvraag in het kader van de Wvg, die niet op het beschikbaar gesteld aanvraagformulier is ingediend, kan niet zonder meer terzijde worden gelegd. De Awb bepaalt dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens. Ditzelfde geldt wanneer het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld. Alvorens overgegaan kan worden tot een besluit de aanvraag niet te behandelen, dient de gehandicapte eerst de gelegenheid te worden gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Artikel 4:5 Awb regelt dit in lid
- Besluit men, nadat deze gelegenheid is geboden, alsnog een aanvraag niet te behandelen, dan moet dit conform artikel 4.5 AWB lid 4 schriftelijk binnen een bepaalde termijn worden meegedeeld aan de gehandicapte. Tegen een beschikking om een aanvraag niet in behandeling te nemen staan overigens dezelfde rechtsmiddelen open als tegen een weigering van de bestaande beschikking zou hebben opengestaan. Wie een aanvraag in kan dienen en waar dat moet gebeuren kan ook nog verwarring opleveren. De aanvraag kan uiteraard ingediend worden door de gehandicapte. Maar het is ook mogelijk dat een ander namens de gehandicapte een aanvraag indient. In principe dient men een aanvraag in te dienen bij die gemeente waar men in het bevolkingsregister is ingeschreven. Alleen in de situatie dat men verhuist naar een andere gemeente, kan het voorkomen dat men een aanvraag indient bij een gemeente waar men (nog) niet in het bevolkingsregister staat ingeschreven. De aanvrager van een beschikking kan aangeven dat zijn gegevens vertrouwelijk ter beschikking worden gesteld. Op grond van artikel 2.5 AWB 6 dienen de gegevens vertrouwelijk te worden behandeld. Artikel 3.4 a.2.2 Awb bepaalt dat de datum van ontvangst direct op de aanvraag dient te worden aangetekend terwijl de aanvrager hier per omgaande bericht van ontvangt. Beslistermijn De Awb regelt in artikel 4.13 dat de beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. De Wvg kent een dergelijke termijn niet. De Awb regelt dan dat, bij gebreke daarvan, dit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag dient te gebeuren. In het tweede lid van artikel 4.13 geeft de Awb aan dat die redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen 8 weken geen beschikking heeft gegeven noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.
- Dit betekent dat binnen 8 weken na het indienen van de aanvraag, de aanvrager in ieder geval bericht van burgemeester en wethouders ontvangt. Dat bericht houdt ofwel een besluit (beschikking) in ofwel een kennisgeving van een termijn waarbinnen het besluit (de beschikking) kan worden verwacht. Wat een redelijke termijn is, is in het kader van de Wvg in zijn algemeenheid niet aan te geven. Zo zal een ingewikkelde woningaanpassing aanmerkelijk meer tijd vergen dan een betrekkelijk eenvoudige aanvraag voor een vervoersvoorziening. Het is aan de rechter, na een bezwaarschriftenprocedure, om in een concreet geval te bezien of de redelijke termijn inderdaad reeds verstreken was. De rechter kan dit doen op verzoek van betrokken gehandicapte in twee situaties: wanneer de acht weken verstreken zijn van artikel 4.13 lid 2 en geen beschikking is afgegeven; wanneer de termijn die burgemeester en wethouders volgens de regeling van artikel 4.14 hebben genoemd als redelijke termijn is verstreken, eveneens zonder dat beschikt is. Omdat overschrijding van deze termijnen gelijkgesteld is met een uitdrukkelijk besluit kan de gehandicapte in deze gevallen de hulp inroepen van de rechter door eerst bezwaar te maken en daarna beroep in te stellen tegen het uitblijven van de beslissing. Maakt een gehandicapte gebruik van de mogelijkheden tot bezwaar of beroep, dan behouden burgemeester en wethouders de mogelijkheid - ook na het verstrijken van de beslistermijn - tot het geven van een beschikking. Het college is hier zelfs toe verplicht. Artikel 4.15 tenslotte bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het college krachtens artikel 4.5 de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan te vullen, welke opschorting voortduurt tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Motivering Ingevolge artikel 4.16 Awb dient de beschikking te berusten op een deugdelijke motivering. De motivering dient vermeld te worden bij de bekendmaking van de beschikking (Artikel 4.17 lid 1 Awb). Volgens lid 2 van artikel 4.17 Awb dient zo mogelijk vermeld te worden krachtens welk wettelijk voorschrift de beschikking wordt gegeven. In het kader van deze verordening is dat artikel 2 Wvg (zorgplicht). Lid 3 van artikel 4.17 bepaalt dat, indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van de beschikking kan worden vermeld, het bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk daarna verstrekt. Vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat, zo bepaalt artikel 4.18 lid 1 Awb. Maar wordt dan om een motivering verzocht, dan dient die zo spoedig mogelijk gegeven te worden. Artikel 4.19 Awb bepaalt dat, indien een advies zelf volledig de motivering bevat en het advies ter kennis van de gehandicapte is of wordt gebracht, kan worden volstaan met verwijzing naar dit advies. Tot slot bepaalt de Awb nog in artikel 4.20 dat, indien burgemeester en wethouders een beschikking geven die afwijkt van een krachtens wettelijk voorschrift (i.c. de Wvg) met het oog daarop uitgebracht advies, dit in de motivering wordt vermeld, met vermelding van de redenen voor de afwijking. Bezwaar en beroep Artikel 11 Wvg bepaalt dat tegen beschikkingen tot toekenning, weigering of intrekking van een in artikel 2 (Wvg) bedoelde voorziening voor de gehandicapte beroep openstaat. Dit beroep is mogelijk bij de rechtbanken, sectoren Bestuursrecht; hoger beroep is mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep. Artikel 7.1 Awb bepaalt dat voordat een beroep gedaan kan worden op de administratieve kamer van de Arrondissementsrechtbank, eerst bezwaar gemaakt dient te worden tegen dit besluit. Dit betekent dat er altijd aan een beroepsprocedure eerst een bezwaarschriftenprocedure vooraf dient te gaan. Laat men de periode om bezwaar te maken ongebruikt passeren, dan verspeelt men daarmee in principe ook de mogelijkheid tot beroep. Beroep op de rechter is dus pas mogelijk nadat via bezwaar het besluit aan een bestuurlijke heroverweging is onderworpen. Een bezwaarschrift moet ingediend worden bij hetzelfde bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, i.c. burgemeester en wethouders. Men kan een bezwaarschrift indienen na ontvangst van een beschikking en na verstrijken van de redelijke termijn voor de beslissing (Artikel 4.13 Awb). Het bezwaarschrift moet naam en adres van de indiener bevatten evenals de dagtekening en de omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Verder moet het bezwaarschrift de gronden voor het bezwaar bevatten. Daarbij kunnen ook de nieuwste feiten, ook die zich hebben voorgedaan na het nemen van het bestreden besluit, meegenomen worden. De termijn waarbinnen een bezwaarschrift moet worden ingediend bedraagt zes weken (Artikel 6.7 Awb) en deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt (Artikel 6.8 lid 1 Awb). Wanneer een bezwaarschrift ingediend wordt tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit dan is het bezwaar niet aan een termijn gebonden, met dien verstande dat het niet onredelijk laat ingediend mag worden (bijvoorbeeld enkele jaren nadat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven). Wordt een bezwaarschrift ingediend bij een onbevoegd orgaan, dan dient dit orgaan het bezwaarschrift, nadat de datum van ontvangst erop is aangetekend, zo spoedig mogelijk door te zenden onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender (Artikel 6.15 lid 1 Awb). Het college dient de ontvangst van een bezwaarschrift schriftelijk te bevestigen. Het college beslist binnen zes weken op een bezwaarschrift, tenzij een bezwaarschriftencommissie wordt ingeschakeld; in dat geval dient een beslissing te vallen binnen tien weken (Artikel 7.10 Awb lid 1). In het kader van de procedure wordt aan de gehandicapte de gelegenheid geboden gehoord te worden (Artikel 7.2 Awb en volgende artikelen). De beslissing betekent dat het college ofwel het bezwaar ongegrond achten (haar eerdere beslissing in stand laten) ofwel haar eerdere beslissing herroept en een nieuwe beslissing neemt (Artikel 7.11 de leden 1 en 2 Awb). Na een bezwaarschriftenprocedure kan men in beroep gaan bij de administratieve kamer van de Arrondissementsrechtbank. Dit beroep moet ook weer binnen 6 weken worden ingesteld. Elke beschikking dient de mededeling te bevatten dat tegen het genomen besluit bezwaar c.q. beroep mogelijk is en waar dit mogelijk is.Tot slot bepaalt artikel 7.15 Awb dat voor de behandeling van het bezwaar geen recht verschuldigd is. Daarentegen is bij beroep op de rechtbank wel griffierecht verschuldigd. Artikel 6.2 Gronden voor weigering In artikel 6.2 geeft de verordening een drietal gronden voor weigering aan. Onder a. wordt ingegaan op de mogelijkheid dat op grond van de verstrekte gegevens niet kan worden vastgesteld dat recht op een voorziening bestaat. Dat kan zijn omdat, ondanks de mogelijkheid tot aanvulling, de gegevens onvolledig zijn of omdat betrokkene weigert bepaalde gegevens beschikbaar te stellen, waardoor het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld. Onder b wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het mag duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de gehandicapte hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Onder c wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Zutphen heeft. Artikel 6.3 Bijzondere bepalingen Artikel 6.3 bepaalt in lid 1 dat in de beschikking moet worden vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking heeft indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend. Door deze vermelding kan worden voorkomen dat later onduidelijkheid blijkt te bestaan over het precieze doel van de financiële tegemoetkoming. Ook maakt deze omschrijving de intrekking van een voorziening en de terugvordering daarvan eenvoudiger. Lid 2 van artikel 6.3 bepaalt dat in de beschikking geldingsduur, uitkeringsmaatstaf alsmede toepasselijke voorschriften voor uitbetaling vermeld dienen te worden indien het een periodieke tegemoetkoming betreft. Deze voorschriften hebben primair tot doel een goede motivering te geven voor de beslissing. Een tweede doel is om voldoende duidelijkheid te scheppen bij de gehandicapte wat van hem verwacht wordt. Hiermee kan voorkomen worden dat de situatie ontstaat dat gehandicapte en gemeentebestuur beide een initiatief van de ander afwachten, terwijl de gehandicapte actie dient te ondernemen. TOELICHING HOOFDSTUK 7 VERPLICHTINGEN EN BEVOEGDHEDEN VAN RECHTHEBBENDE EN HET COLLEGE Artikel 7.1 Inlichtingen, onderzoek, advies Lid 1 van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de gehandicapte op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door één of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Lid 2 geeft aan dat het college advies vraagt indien: de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; het college dat om medische redenen van zorgvuldigheid noodzakelijk acht. Voor wat betreft de advisering kan onderscheid worden gemaakt tussen interne en externe adviseurs. Een interne adviseur werkt onder het gezag van het college . Op een externe adviseur zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Wanneer het een eenvoudige voorziening betreft kan in veel gevallen worden volstaan met een deskundige intakeprocedure (hoogwaardige intake). Het kan van belang zijn in ieder geval advies te vragen wanneer het gaat om specifieke individuele aanpassingen aan bijvoorbeeld een te verstrekken rolstoel of woningaanpassing. In het verstrekkingenbeleid wordt hier nader op ingegaan. Voorts is het van belang om advies te vragen in een zaak waar een eventuele bezwaar/beroepsprocedure kan worden verwacht; dit vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid. Lid 3 stelt eisen aan de (extern) adviseur. Wat de adviesprocedure betreft voor wat betreft het vragen van advies aan een extern deskundige, bieden de bepalingen van de Awb voldoende uitkomst. Artikel 3.3: Advisering van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3.5 geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten moet een adviseur benoemd worden. De wet zelf vereist dat en wel op grond van artikel 5 lid 1 onder c: daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de Wvg advies uit te brengen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe adviseurs. De hierboven genoemde omschrijving van adviseur betreft alleen externe adviseurs. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. De Wvg vereist vermelding ook niet. De wet noemt: de procedure ..., daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies. De eisen, die gesteld kunnen worden aan een deskundigenadvies, zijn opgenomen in dit derde lid. Deze eisen zijn ontleend aan die zoals geformuleerd in de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten. Daarbij kan het volgende worden aangetekend: Onder medische kennis dient verstaan te worden het beoordelen/interpreteren van de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beperking. Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap aangeduid. De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele situatie te vertalen naar handicaps. Door kennis te hebben van het individu, zijn omgeving en de rol van het individu hierin, is het mogelijk inzicht te krijgen in de aard en de mate van het probleem. Tevens is het dan reeds mogelijk om een globale vertaalslag te maken naar mogelijke oplossingen. Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient inzicht te hebben in de aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de mens. Dit vereist kennis over menselijke eigenschappen (anatomie, fysiologie, psychologie) en technische eigenschappen van hulpmiddelen. De technische kennis betekent dat een adviseur weet moet hebben van onder andere bouwkundige (on)mogelijkheden. De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie. Artikel 7.2 Wijzigingen in de situatie Ingevolge artikel 7.2 is de gehandicapte die een voorziening heeft ontvangen verplicht wijzigingen, die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het (voortduren van het) recht op een voorziening, dit uit eigen beweging aan het college door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals verandering van de hoogte van het inkomen als het gaat om inkomensafhankelijke bijdragen, de staat van een in bruikleen verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verhuizing etc. Om misverstanden te voorkomen is tevens in dit artikel vermeld, dat de informatieplicht overgaat op de rechtsopvolger van de gehandicapte, hetgeen bijvoorbeeld kan voorkomen bij overlijden. De erfgenamen zijn dan verplicht de gemeente te informeren, zodat de bruikleen van een rolstoel beëindigd kan worden. Artikel 7.3 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening Parallel aan artikel 4.2.6.1 lid 1 sub c Awb kan het college volgens het eerste lid de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat zo de juiste gegevens bekend waren geweest, het college niet tot toekenning zou zijn overgegaan. Indien er reeds uitbetaald of geleverd is, kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Er is dan sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waartoe het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Het ligt voor de hand dat van deze mogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer betrokkene dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen 6 maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd (lid 2). Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening vooraf gaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Dit tweede lid is dus niet van toepassing op woningaanpassingen. Voor woningaanpassingen is naar analogie van artikel 2.2 eerste lid geregeld dat binnen een periode van 9 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming de woningaanpassing gereed moet zijn en dat dit aan burgemeester en wethouders wordt gemeld. Artikel 7.4 Eindigen recht op voorziening In deze bepalingen, waarvan de inhoud voor zich spreekt, wordt omschreven in welk geval het recht op een voorziening eindigt. Artikel 7.5 Restitutie voorziening en kostenverhaal Ook deze bepalingen, waarvan de inhoud voor zich spreekt, dienen ter uitvoering van artikel 5 van de Wet voorzieningen gehandicapten. Met name lid 3 kan van belang zijn wanneer extra kosten gemaakt moeten worden om een voorziening terug te vorderen. TOELICHTING HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule Artikel 8.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na het inwinnen van advies. Ook het afwijken ten gunste van de woningeigenaar kan in het belang van de gehandicapte noodzakelijk zijn. Dit afwijken kan uiteraard alleen maar ten gunste van de betrokken gehandicapte en nimmer ten nadele. De hardheidsclausule dient slechts te worden toegepast indien bijzondere omstandigheden van het concrete geval daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat deze bepaling nadrukkelijk restrictief moet worden toegepast. In artikel 8.
- onder 3 is afzonderlijk vermeld dat bij woningaanpassingen die een bedrag van € 45.378,-- te boven gaan, het college op basis van een positief advies van het RIO, een beslissing kan nemen voor toekenning van de dure woningaanpassing. Door het opnemen van deze hardheidsclausule kunnen de kosten, die een drempelbedrag van € 9.983,--, te boven gaan worden gedeclareerd bij het Ministerie van VWS. Artikel 8.2 Beslissing door het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet Deze restclausule biedt het college de mogelijkheid in alle niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen te worden. Artikel 8.3 Evaluatie gemeentelijk beleid Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te worden. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de verordening. Een evaluatie laat onverlet de mogelijkheid of noodzaak voor het college om in de Marap belangrijke ontwikkelingen tussentijds te melden. Artikel 8.4 Cliëntenparticipatie De cliëntenparticipatie Wvg is ondergebracht bij de Cliëntenraad Sociale Zaken gemeente Zutphen. De taak van de Cliëntenraad is het college gevraagd en ongevraagd te adviseren over alle zaken die verband houden met de uitvoering van de sociale zekerheid en aanverwante (beleids)terreinen door de afdeling Sociale Zaken. Ook de Wet voorzieningen gehandicapten valt hieronder. Artikel 8.5 Citeertitel/inwerkingtreding Artikel 8.5 geeft aan wanneer de verordening in werking treedt. Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.2 Beperkingen HOOFDSTUK 2 WOONVOORZIENINGEN Artikel 2.1 Type woonvoorzieningen Artikel 2.2 Aanvang werkzaamheden, gereed melding, vaststelling en uitbetaling financiële tegemoetkoming Artikel 2.3 Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt verstrekt Artikel 2.4 Het primaat van de verhuizing Artikel 2.5 Aard van de materialen Artikel 2.6 Verzekering van de voorzieningen Artikel 2.7 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken andere woonruimte Artikel 2.8 Frequentie van woningaanpassing Artikel 2.9 Extra bouw- en grondkosten Artikel 2.10 Verwijdering woning uit woningbestand Artikel 2.11 Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten Artikel 2.12 Aanpassen woonwagens Artikel 2.13 Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten Artikel 2.14 Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie Artikel 2.15 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting Artikel 2.16 Kosten van huurderving Artikel 2.17 Anti-speculatiebeding Artikel 2.18 Afspraken met verhuurders HOOFDSTUK 3 VERVOERSVOORZIENINGEN Artikel 3.
Artikel 3
.2 Het recht op een vervoersvoorziening HOOFDSTUK 4 ROLSTOELEN Artikel 4.
Artikel 4
.2 Het recht op een rolstoel Artikel 4.3 Bruikleen HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE TEGEMOETKOMINGEN, FORFAITAIRE EN GEMAXIMEERDE VERGOEDINGEN Artikel 5.1 Hoogte financiële tegemoetkomingen Artikel 5.2 Indexering HOOFDSTUK 6 HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING Artikel 6.1 Aanvraagprocedure Artikel 6.2 Gronden voor weigering Artikel 6.3 Bijzondere bepalingen HOOFDSTUK
- VERPLICHTINGEN EN BEVOEGDHEDEN VAN RECHTHEBBENDE EN HET COLLEGE Artikel 7.1 Inlichtingen, onderzoek, advies Artikel 7.2 Wijzigingen in situatie Artikel 7.3 Intrekking besluit tot verlenen van voorziening Artikel 7.4 Eindigen recht op voorziening Artikel 7.5 Restitutie voorziening en kostenverhaal HOOFDSTUK
- SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Hardheidsclausule Artikel 8.2 Onvoorzien Artikel 8.3 Evaluatie gemeentelijk beleid Artikel 8.4 Cliëntenparticipatie Artikel 8.5 Citeertitel / inwerkingtreding Artikelsgewijze toelichting op de Verordening Voorzieningen Gehandicapten Zutphen TOELICHTING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.2 Beperkingen TOELICHTING HOOFDSTUK 2 WOONVOORZIENINGEN Artikel 2.1 Type woonvoorzieningen Artikel 2.2 Aanvang werkzaamheden, gereed melding, vaststelling en uitbetaling financiële tegemoetkoming Artikel 2.3 Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt verstrekt Artikel 2.4 Het primaat van de verhuizing Artikel 2.5 Aard van de materialen Artikel 2.6 Verzekering van de voorzieningen Artikel 2.7 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken andere woonruimte Artikel 2.8 Frequentie van woningaanpassing Artikel 2.9 Extra bouw- en grondkosten Artikel 2.10 Verwijdering woning uit woningbestand Artikel 2.11 Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten Artikel 2.12 Aanpassen woonwagens Artikel 2.13 Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten Artikel 2.14 Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie Artikel 2.15 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting Artikel 2.16 Kosten van huurderving Artikel 2.17 Anti-speculatiebeding Artikel 2.18 Afspraken met verhuurders TOELICHTING HOOFDSTUK 3 VERVOERSVOORZIENINGEN Artikel 3.
Artikel 3
.2 Het recht op een vervoersvoorziening TOELICHTING HOOFDSTUK 4 ROLSTOELEN Artikel 4.
Artikel 4
.2 Het recht op een rolstoel Artikel 4.3 Bruikleen TOELICHTING HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE TEGEMOETKOMINGEN Artikel 5.1 Hoogte financiële tegemoetkomingen Artikel 5.2 Indexering TOELICHTING HOOFDSTUK 6 HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING De Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 6.1 Aanvraagprocedure Artikel 6.2 Gronden voor weigering TOELICHTING HOOFDSTUK 7 VERPLICHTINGEN EN BEVOEGDHEDEN VAN RECHTHEBBENDE EN HET COLLEGE Artikel 7.1 Inlichtingen, onderzoek, advies Artikel 7.2 Wijzigingen in situatie Artikel 7.3 Intrekking besluit tot verlenen van voorziening Artikel 7.4 Eindigen recht op voorziening Artikel 7.5 Restitutie voorziening en kostenverhaal TOELICHTING HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Hardheidsclausule Artikel 8.2 Onvoorzien Artikel 8.3 Evaluatie gemeentelijk beleid Artikel 8.4 Cliëntenparticipatie Artikel 8.5 Citeertitel / inwerkingtreding