Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2010nummer 2009.14144c De raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp; gezien het voorstel van het college van 10 november 2009; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2010 Artikel 1 - Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt: onder gemeentelijke riolering mede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater begrepen; onder afvalwater verstaan water en stoffen die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering; onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak; onder verbruiksperiode verstaan de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft. Artikel 2 - Belastbaar feit en belastingplicht Onder de naam “rioolheffing” wordt een recht geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; ingeval een gedeelte van een eigendom – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 – ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. Artikel 3 - Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de rechten geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt. Artikel 4 - Maatstaf van heffing Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het einde van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd en/of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd en/of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. Artikel 5 - Belastingtarieven Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt: € 188,74 per eenheid van 0 tot en met 400 kubieke meters afvalwater of gedeelte daarvan; € 18,85 voor iedere eenheid van 50 kubieke meters afvalwater of een gedeelte daarvan boven de 400 kubieke meters, met dien verstande dat per eigendom geen hoger recht wordt geheven dan € 320,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.