Parkeerverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2010 De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2009; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit: vast te stellen de Parkeerverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2010. Afdeling I. Definities en begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur; belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen; vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; jaar: een kalenderjaar. Afdeling II. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen Artikel 2 1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid. 2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel 3 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen binnen een in de vergunning te omschrijven gebied of een gedeelte daarvan. 2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3. Een vergunning kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn; een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent en gevestigd is in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn; een bewoner van een gebied waar belanghebbendenparkeerplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van zijn bezoekers; een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent en gevestigd is in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van bezoekers; een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent en gevestigd is buiten een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren; een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent en gevestigd is buiten een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, voor het incidenteel uitvoeren van werkzaamheden binnen dit gebied; een natuurlijke persoon die in een gebied waar belanghebbendenparkeerplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, in de uitoefening van zijn of haar beroep regelmatig werkzaamheden verricht op het gebied van eerstelijns medische dienstverlening, met dien verstande dat de vergunning slechts geldt gedurende de uitvoering van de werkzaamheden. 4. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen. 6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel 4 1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier wekenverlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel 5 1. Een vergunning wordt voor ten hoogste 1 jaar verleend. 2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: de periode waarvoor de vergunning geldt; het gebied, weg of weggedeelte waarvoor de vergunning geldt; de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 wordt de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig niet vermeld op een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 3, onder c, d, e en f. Artikel 6 Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang. Afdeling III. Verbodsbepalingen Artikel 7 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuurplaats; op een belanghebbendenplaats. 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 8 1. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijd waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet indien aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen en indien voorts het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning en niet wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel. Artikel 9 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder vergunning; zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning; in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. 3. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een ontheffing. 4. Het college kan de in het vorige lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing. Afdeling IV. Strafbepaling Artikel 10 Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie. Afdeling V. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 11 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast de door het college aangewezen personen. Artikel 12 Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2010. Artikel 13 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Parkeerverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2002, voor het laatst gewijzigd op 24 april 2003. Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening Schouwen-Duiveland 2002 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. Vastgesteld door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland in zijn vergadering van 29 oktober 2009, griffier, voorzitter, Nota-toelichting Algemene toelichting Parkeerbeleid is al jaren een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal niveau. Via parkeerbeleid kunnen we de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument voor de parkeerregulering is betaald parkeren en parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren). In het verleden heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) drie varianten voor een model Parkeerverordening en drie varianten voor een model Verordening Parkeerbelastingen opgesteld: model voor fiscale afhandeling; model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’ model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’. Bij het model voor de fiscale afhandeling wordt de handhaving door gemeenten zelf gedaan door middel van het opleggen van een fiscale naheffingsaanslag, indien iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan. Bij de strafrechtelijke afhandelingvia de ‘Wet Mulder’ wordt de handhaving door de politie, bijzondere opsporingsambtenaren (boa’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.