Maatregelenverordening IOAW/IOAZ gemeente Rijssen-Holten 2013 De raad van de gemeente Rijssen-Holten overwegingen: gelet op artikel op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid van de Gemeentewet, artikel 35 eerste lid en artikel 20 tweede lid van de IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid en artikel 20 eerste lid van de IOAZ; gezien het advies van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2013; besluit: de Maatregelenverordening IOAW / IOAZ gemeente Rijssen-Holten 2013 met ingang van 1 januari 2013 in werking te laten treden; de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Rijssen-Holten 2010 vanaf 1 januari 2013 in te trekken. Maatregelenverordening IOAW / IOAZ gemeente Rijssen-Holten 2013 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde bruto grondslag inclusief vakantietoeslag, gebaseerd op artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; Artikel 2 Het opleggen van een maatregel Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college en zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt. Het eerste lid is ook van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt Artikel 3 Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. Artikel 4 Hoogte en duur van de maatregel Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de maatregel een maand. Artikel 5 Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage van de maatregel, het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel 6 Informeren van belanghebbende Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende geïnformeerd. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie naar voren te brengen. Zijn visie wordt meegewogen in het besluit. Het informeren van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn visie naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 34 IOAW/IOAZ, werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ; of het college het informeren niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 7 Afzien van het opleggen van een maatregel Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; De gedraging meer dan één jaar op grond van de IOAW en meer dan drie jaar op grond van de IOAZ, vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel 8 Ingangsdatum en tijdvak De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand, waarin de uitkering nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, indien sprake is van schending van de verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ. Artikel 9 Samenloop van gedragingen Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 4, eerste lid, niet verantwoord is. Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid en het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Artikel 10 Indeling in catergorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 37 IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.