ReferendumverordeningDe raad van de gemeente Nijkerk; gelet op de motie, aangenomen in de raadsvergadering van 30 juni 2005; gelezen het collegevoorstel van 16 augustus 2005; gelet op artikel 149 Gemeentewet; besluit vast te stellen de Verordening op het referendum (referendumverordening). Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder referendum: een raadplegende volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een door de raad te nemen besluit. kiesgerechtigden: diegenen die op de drieënveertigste dag voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Nijkerk; voorgenomen besluit: een raadsuitspraak waarin het voornemen tot het nemen van een besluit kenbaar wordt gemaakt; besluit: een schriftelijke beslissing van de raad. Artikel2Toepassingsgebied Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele grondgebied van de gemeente of een gedeelte daarvan. Artikel3Uitzonderingen Een referendum kan niet worden gehouden over besluiten: over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen; over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; over verordeningen op het gebied van de gemeentelijke belastingen; over bestemmingsplannen; waarvan de raad van mening is dat er andere dan bovengenoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden. Artikel4Initiatief en besluit 1.Het initiatief tot het houden van een referendum kan worden genomen door de raad, door het college in een voorstel aan de raad of - met toepassing van de verordening Burgerinitiatief - door een voldoende aantal inwoners van de gemeente. 2.De raad besluit tot het houden van een referendum over een voorgenomen besluit. Artikel5Datum 1.De raad stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden, met dien verstande dat het referendum plaatsvindt binnen drie maanden nadat de raad besloten heeft tot het houden van een referendum. 2.De in het eerste lid genoemde termijn kan met drie maanden worden verlengd. Artikel6Vraagstelling 1.De raad stelt de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het referendum vast. 2.De vraagstelling wordt weergegeven op de oproepingskaart. Artikel7Advies en toezicht 1.De raad laat zich bij het vaststellen van de vraagstelling adviseren door een onafhankelijke deskundige. 2.De raad stelt deze deskundige aan. Artikel8Uitvoering Het college is belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum. Het college regelt de bestuurlijke en ambtelijke coördinatie. Artikel9Budget 1.De raad stelt, nadat is besloten tot het houden van een referendum, een budget beschikbaar voor voorlichting en organisatie. 2.De raad kan bepalen dat een deel van het budget beschikbaar wordt gesteld aan maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij het onderwerp waarop het referendum betrekking heeft. 3.Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming uit het in het tweede lid bedoelde budget. Artikel10De stemming 1.Stemgerechtigd zijn degenen die op de drieënveertigste dag vóór de dag waarop het referendum wordt gehouden, kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad. 2.De bepalingen van de Kieswet zijn voor wat betreft de raadsverkiezingen voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. Artikel11Geldigheid van de uitslag 1.Het referendum wordt als geldig beschouwd, indien meer dan 30% van de kiesgerechtigden een stem heeft uitgebracht. 2.De uitslag van het referendum wordt berekend op basis van de gewone meerderheid van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Artikel12De beslissing van de raad Binnen drie maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden, vindt besluitvorming plaats over het voorgenomen raadsbesluit dat aan het referendum is onderworpen. Artikel13Strafsanctie Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken, danwel deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft; stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden. Artikel14Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van haar bekendmaking. Artikel15Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als 'Referendumverordening'. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nijkerk d.d. 22 september 2005 de griffierF.E. CONTANTde plv. voorzitterC.H. VAN BAAKToelichting op de Referendumverordening AlgemeenDe tijdelijke referendumwet in sinds 1 januari 2005 vervallen. Een nieuwe landelijke regeling voor een correctief referendum laat op zich wachten. Op grond van de huidige bepalingen in de Grondwet en de Gemeentewet hebben gemeenten al wel de mogelijkheid tot het houden van een raadplegend referendum. Er zijn geen uniforme regels voor het raadplegend referendum op lokaal niveau. Het kabinet was destijds van mening dat de vraag of en zo ja, hoe op lokaal niveau raadplegende referenda worden gehouden, een zaak is die door gemeenten zelf moet worden beslist binnen de randvoorwaarden die de Grondwet en Gemeentewet stellen. Bij de vernietiging van de referendumverordening van de gemeente Amsterdam in 1996 zijn deze randvoorwaarden nog eens onderstreept: het is de gemeenteraad die per geval beslist of een raadplegend referendum wordt gehouden; ieder raadslid beslist individueel in hoeverre hij zich aan de uitslag van het referendum gebonden zal achten; de gemeenteraad neemt een definitief besluit over het onderwerp van het referendum, nadat het referendum is gehouden. Bevoegdheid De bevoegdheid van de raad om een referendumverordening vast te stellen vloeit voort uit de algemene verordenende bevoegdheid, opgenomen in artikelen 149 van de Gemeentewet. Samenloop met inspraak Een referendum komt niet in de plaats van voorgeschreven inspraakmogelijkheden. Het is raadzaam om een referendum in een vroegtijdig stadium van een procedure te houden. Voorlichting over het referendumonderwerp kan dan bijvoorbeeld in praktische zin gekoppeld worden aan voorlichting over hetzelfde onderwerp in het kader van de voorgeschreven inspraak. Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1 BegripsbepalingenIn deze verordening gaat het om het raadplegend referendum. Dat wil zeggen een referendum dat niet bij voorbaat bindend is voor de raad en plaatsvindt voordat door de raad een definitief besluit over het onderhavige onderwerp wordt genomen. Een correctief referendum, waarbij de bevolking een besluit dat de raad al heeft genomen achteraf bindend kan verwerpen, is op dit moment wettelijk nog niet mogelijk. Degenen die kiesgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen zijn ook gerechtigd om deel te nemen aan een referendum. Daarom is aangesloten bij artikel B3 van de Kieswet. Ook voor de genoemde termijn is aangesloten bij de Kieswet, artikel J
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.