Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: Rijnland: Het hoogheemraadschap van Rijnland; het college: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland; het algemeen bestuur: de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland de Adviescommissie: het adviesorgaan bedoeld in artikel 15; aanvraag: een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 13, dan wel artikel 22; aanvrager: de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel 13 dan wel artikel
(2006)verwijst naar toepassing van de Verordening schadevergoeding. De verordening heeft een aanvullend karakter en is dan ook niet van toepassing indien, en voor zover in de compensatie van nadeel op enigerlei andere wijze is voorzien. Men spreekt in dit verband wel van het subsidiairiteitsvereiste. Mocht schade verzekerbaar zijn, ook dan is uitkering op grond van de Verordening Schadevergoeding Rijnland uitgesloten. Indien en voor zover door landelijke vergoeding bijvoorbeeld of anderszins in een vergoeding is voorzien, is deze verordening niet van toepassing. Evenmin is de verordening van toepassing op schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad of wanprestatie, omdat deze onderwerpen door het burgerlijk recht worden beheerst. Handelingen die als onrechtmatig zijn aan te merken, zijn bijvoorbeeld een onbevoegd handelen, een handelen in strijd met wettelijke voorschriften, een ongeoorloofde inbreuk op een subjectief recht, een handelen in strijd met een contractuele verplichting (wanprestatie). Als het college van mening is dat het verzoek buiten het bereik van deze verordening valt, dan kan het verzoek zonder nader onderzoek worden afgewezen. Indien niet duidelijk is of een verzoek betrekking heeft op schade uit een rechtmatig of een onrechtmatig overheidshandelen, heeft de burgerlijke rechter daarover het laatste woord. Als de rechter tot het oordeel komt dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen, zal het college zijn eerder ingenomen standpunt desverzocht kunnen heroverwegen en bezien of alsnog het eerder ingediende schadevergoedingsverzoek op basis van de onderhavige verordening afgewikkeld kan worden. 1. AR 9 juli 1990, AB 1991, 229, BR 1991, p. 144; ABRS 26 oktober 1995, AB 1996, 297. 2. ABRvS 8 november 2006 (Venlo) AB 2007/252. Artikelsgewijze toelichting Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze bepaling worden enkele kernbegrippen omschreven. Met de wijziging in 2008 is de begripsomschrijving van algemeen bestuur aangepast aan de huidige benaming, de omschrijving van college is toegevoegd. Artikel 2 Het recht op schadevergoeding Algemeen Een belangrijke wijziging betreft de bevoegdheid over de uitvoering van de verordening. De uitvoering van de Verordening lag voorheen in handen van het algemeen bestuur, oorspronkelijk in 2005 Algemene Vergadering genoemd, nadien Verenigde Vergadering. In de wijziging wordt voorgesteld de uitvoering volledig in handen van het college van dijkgraaf en hoogheemraden te leggen. De tekstuele wijziging van Algemene Vergadering naar college wordt verder niet vermeld, tenzij uitdrukkelijk aangegeven. De wijziging sluit aan bij de gebruikelijke gang van zaken bij uitvoering van verordeningen: het algemeen bestuur stelt de algemene kaders, het dagelijks bestuur voert uit. Het algemeen bestuur weegt de algemene belangen, het dagelijks bestuur weegt de individuele belangen. Ook de bevoegdheidsverdeling in de Waterschapswet bepaalt dat het college de besluiten van het algemeen bestuur voorbereidt en uitvoert. De uitvoering van een verordening berust in de ogen van de wetgever derhalve bij het college. Een complicatie bij uitvoering door het algemeen bestuur zou liggen in de sfeer van afweging en bezwaar. Behalve over de toekenning van schadeverzoeken zou het algemeen bestuur ook over bezwaren tegen toekenningsbesluiten moeten oordelen. Die afwegingen spelen zich in beginsel af in de openbaarheid, wat bij schadeverzoeken van met name bedrijven gevoelig ligt. Wanneer de uitvoering van de verordening in handen is van het college is een vertrouwelijke behandeling eenvoudiger te waarborgen. Bovendien kan het college door de hogere vergaderfrequentie sneller op ingekomen verzoeken en adviezen beslissen. De gewijzigde verordening spoort met de gewijzigde bevoegdheidstoedeling op dit punt (weer) met de regeling bij het hoogheemraadschap van Delfland en de modelverordening van de Unie van Waterschappen (laatstelijk: Schaderegeling regionale waterberging, UvW, april 2004). De verordening uit 2005 en de voorganger daarvan zijn destijds – met uitzondering van de bevoegdheidsverdeling - geënt op de regeling van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ook Delfland en de Unie van Waterschappen hanteren een daarvan afgeleide (model)regeling, met een beslissingsbevoegdheid voor het college. In de regeling van Delfland blijft alleen de bevoegdheid om de leden van de commissie te benoemen bij het algemeen bestuur. Die resterende bevoegdheid is van weinig betekenis en kan eveneens bij het college worden gelegd. De reden om de uitvoeringsbevoegdheid aanvankelijk bij het algemeen bestuur te leggen steunde op de letterlijke formulering van artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding. Dat artikel biedt – kort gezegd - de gedupeerde bij wijziging van een peilbesluit de mogelijkheid een schadeverzoek tot het algemeen bestuur te richten. Daarnaast lag destijds een spiegelbepaling van artikel 40 Wet op de waterhuishouding in de planschaderegeling van artikel 49 Wet op de ruimtelijke ordening bij wijziging van een bestemmingsplan. Destijds was het de gemeenteraad die over planschadevergoeding besloot. Tot slot zal ook reden van budgetbewaking mogelijk een rol hebben gespeeld om de bevoegdheid tot schadevergoeding bij het algemeen bestuur te leggen. Inmiddels is voldoende duidelijk geworden dat niet het algemeen bestuur zelf over de schadeverzoeken bij peilbesluiten hoeft te besluiten, maar kan volstaan met het vaststellen van een regeling. Voorts is de bevoegdheid om planschadevergoeding toe te kennen in artikel 49 Wet RO eind 2005 bij de colleges van burgemeester en wethouders neergelegd. Budgetbewaking van schadeclaims is tot slot mogelijk via de begrotingspost Onvoorzien. Pas bij toekenning van een schadevergoeding die de post Onvoorzien te boven gaat zal het college zich – in het licht van de bestuurlijke verhoudingen - tot het algemeen bestuur willen wenden. Het college blijft echter het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen. De verantwoording aan de VV over toegekende vergoedingen zal niet afwijken van wat gebruikelijk is. In de Jaarrekening zal blijken wat uit de post Onvoorzien is betaald. Waar nodig zal de VV tussentijds via de Turap op de hoogte worden gesteld. De conclusie van het voorgaande luidt dat Rijnland aansluit bij wat inmiddels algemeen gebruikelijk is, door de bevoegdheid tot uitvoering van de Verordening schadevergoeding neer te leggen bij het college. Eerste lid Dit artikel verwoordt de materiële maatstaf aan de hand waarvan het bestuur verzoeken om schadevergoeding beoordeelt.3 Deze Verordening Schadevergoeding beoogt een regeling te bieden voor de behandeling en beoordeling van de op het - mede aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb ten grondslag liggende - rechtsbeginsel van de "égalité devant les charges publiques" (gelijkheid voor openbare lasten) gebaseerde verzoeken om schadevergoeding. Daarbij is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich op het standpunt stelt dat een verplichting tot nadeelcompensatie uitsluitend kan worden gebaseerd op het rechtsbeginsel van de égalité devant les charges publiques’ (gelijkheid voor openbare lasten). Dit beginsel is bovendien naar het oordeel van de Afdeling slechts van toepassing indien en voor zover het schadeveroorzakend handelen of nalaten van de overheid geschiedt ter behartiging van een openbaar belang. 4 Voorwaarde is dat de gestelde schadeoorzaak (op zichzelf) als een rechtmatig overheidshandelen gekwalificeerd kan worden. Dat brengt met zich mee dat dijkgraaf en hoogheemraden in beginsel eerst een beslissing omtrent schadevergoeding wegens rechtmatige overheidsdaad kunnen nemen, indien de gestelde schadeoorzaak rechtens onaantastbaar is geworden. Dan pas staat immers vast dat de schadeoorzaak inderdaad als een rechtmatig handelen gekwalificeerd kan worden. In het eerste lid is ook het subsidiariteitvereiste verwoord. Dit houdt in dat de benadeelde slechts aanspraak kan maken op een vergoeding voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien. Dit criterium beoogt uiteraard te voorkomen dat betrokkene ongegrond verrijkt wordt, doordat dezelfde schade tweemaal wordt vergoed. 5 Bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden nagegaan, of de schade waarvan vergoeding wordt verzocht reeds geacht kan worden anderszins voldoende te zijn gecompenseerd. Zulks kan bijvoorbeeld geschieden door aanbiedingen in natura. 6 Tweede lid Het tweede lid verwijst naar bepalingen die bij de beslissing omtrent toekenning van schadevergoeding in aanmerking dienen te worden genomen. De artikelen 3 tot en met 11 beogen de zinsnede “voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven” nader te concretiseren. Het gaat daarbij overigens niet om een limitatieve opsomming van in aanmerking te nemen factoren. Derde lid Het derde lid zoekt aansluiting bij de kern van het in het Burgerlijk Wetboek neergelegde wettelijk stelsel, namelijk dat schade primair wordt vergoed in geld (art. 6:103 BW). Nochtans kunnen dijkgraaf en hoogheemraden een vergoeding toe kennen in andere vorm dan betaling van een geldsom. Bij nadeelcompensatie kan het zonder redelijke grond afwijzen van compensatie in natura er toe leiden dat aan de benadeelde schadevergoeding wordt ontzegd, althans voor zover hij de schade had kunnen beperken door het aanbod te aanvaarden. Artikel 3 Abnormale last Wil er gesproken kunnen worden van onevenredige schade, dan moet deze schade (tenminste) buiten het (normale) maatschappelijke risico vallen. Het rechtmatig toebrengen van nadelen die daarbinnen vallen levert in beginsel geen schending van het egalité-beginsel op, zodat deze nadelen ten laste van de benadeelde dienen te blijven. Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden, ook al bestaat geen uitzicht op de vorm en omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zal concretiseren en de aard en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Het begrip normaal maatschappelijk risico wordt in de praktijk zowel gekoppeld aan de aard van de schadeveroorzakende gebeurtenis, als aan de ernst en de omvang van het nadeel, en soms ook aan het getroffen belang. Aard van de schadeveroorzakende gebeurtenis Het eerste gezichtspunt betrekt het normaal maatschappelijk risico op de schadeveroorzakende gebeurtenis. Uitgangspunt daarbij is dat het leven in een samenleving als de onze meebrengt dat men er rekening mee moet houden dat de overheid ter uitvoering van de op haar rustende taak, een groot aantal verschillende maatregelen neemt die zij in het algemeen belang acht, maar die een krenking kunnen inhouden van het eigen, persoonlijke belang van één of meer bepaalde individuele rechtssubjecten, zonder dat daar compensatie in geld of anderszins tegenover staat. Er kunnen zich echter feiten en/of omstandigheden voordoen waardoor een individueel belang tengevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet te laste van betrokkenen dient te blijven. 7 Veel van de nadeelcompensatierechtspraak heeft betrekking op ingrepen van overheidswege in de infrastructuur (feitelijke maatregelen als aanleg, onderhouds- of verbeteringswerkzaamheden of juridische maatregelen met betrekking tot landwegen, waterwegen, dijken etc.). De daardoor veroorzaakte nadelen worden in beginsel "als een normale maatschappelijke ontwikkeling" beschouwd, waarmee een ieder geconfronteerd kan worden. 8 Doorkruising van gewekte verwachtingen Individuele rechtssubjecten kunnen en mogen dus niet de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat de eigen belangen nimmer zullen worden gekrenkt ten faveure van het algemeen belang. Dat is slechts in uitzonderingsgevallen anders. Een uitzondering kan zich voordoen wanneer de daartoe bevoegde (overheids-)instantie onvoorwaardelijk en op rechtens bindende wijze heeft verklaard dat een bepaalde situatie ongewijzigd zal blijven, althans bij betrokkene het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij niet op een bepaalde wijze zou ingrijpen. In dat geval behoeft men uiteraard geen rekening te houden met mogelijke nadelige veranderingen in die situatie. Indien het bestuur om zwaarwegende reden besluit andere belangen te laten prevaleren, kunnen de rechtszekerheid en de daarmee corresponderende individuele belangen onder omstandigheden worden opgeofferd aan dit zwaarwegende belang, mits het veroorzaakte onaanvaardbare, buiten het maatschappelijk risico vallende nadeel wordt vergoed. 9 Onder omstandigheden kan ook het verzaken van een informatieverplichting door de overheid tot een nadeelcompensatieverplichting leiden. 10 Ernst en omvang van de schade De nadelige gevolgen van maatregelen, die als een normale maatschappelijke ontwikkeling moeten worden beschouwd, behoren in beginsel voor rekening van betrokkenen te blijven. Soms komt echter betekenis toe aan de ernst van het nadeel. De schade moet vanuit deze optiek bezien voldoende ernstig zijn wil deze buiten het normaal maatschappelijk risico vallen. Wanneer de betreffende overheidsmaatregel ertoe leidt dat een bedrijf ter plaatse niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij maatregelen worden getroffen waarmee aanzienlijke bedragen zijn gemoeid, kan dat bijdragen aan het oordeel dat de door de maatregel veroorzaakte schade niet kan worden geacht te behoren tot het voor het betrokken bedrijf als normaal te beschouwen bedrijfsrisico.11 Schade voor een individueel bedrijf, die slechts over een korte periode wordt geleden en voor het getroffen bedrijf geen duurzame gevolgen van betekenis heeft moet als een normaal bedrijfsrisico worden beschouwd.12 Mogelijkheid om nadeel door te berekenen Onder omstandigheden komt betekenis toe aan het feit dat gedupeerde de schade, die hij vergoed wenst te zien, heeft verdisconteerd, of heeft kunnen verdisconteren in de prijzen, die hij aan zijn afnemers in rekening brengt. Indien dit zonder noemenswaardig nadeel kan geschieden, kan geconcludeerd worden dat de gestelde schade zich niet heeft voorgedaan, of althans dat deze niet zodanig ernstig is dat deze het normale risico overschrijdt.13 In absolute zin geringe schade In andere rechtspraak wordt rekening gehouden met aard en omvang van het nadeel.14 In absolute zin geringe schades komen veelal niet voor vergoeding in aanmerking.15 In relatieve zin geringe schade Ook in relatieve zin geringe schades kunnen tot het normale maatschappelijke risico gerekend worden. Wanneer de schade relatief gering is in verhouding tot de schade waarmee benadeelde redelijkerwijs rekening kon houden toen hij besloot om in het geschade belang te investeren, valt deze schade binnen het normaal maatschappelijk risico. Hetzelfde geldt indien de schade wordt bezien in verhouding tot de normale economische bedrijfsrisico’s waarmee een ondernemer rekening heeft te houden, of in verhouding tot normaliter als gevolg van een bepaald soort maatregelen te lijden schade.16 Onder omstandigheden kan ook betekenis worden toegekend aan de omvang van de omzetderving in verhouding tot de totale omzet. 17 Aard van het getroffen belang Bij de beoordeling van de vraag, of een nadeel al dan niet gerekend moet worden tot het “normale”, voor rekening van de benadeelde komende risico, wordt rekening gehouden met de aard van het belang waarin de benadeelde getroffen wordt. Daarbij wordt met name een onderscheid gemaakt tussen ondernemersbelangen en particuliere belangen. In dat verband wordt doorgaans aangenomen dat een ondernemer ook normale bedrijfs- of ondernemersrisico’s heeft te dragen. Dit kan meebrengen dat slechts een beperkt deel van de totale omzetschade voor een beperkt tijdvak redelijkerwijs niet ten laste van de ondernemer behoort te blijven.18 Omrijschade wordt bij sommige bedrijven geacht inherent te zijn aan de normale bedrijfsactiviteiten.19 Ook wordt wel aangenomen dat het (bedrijfsmatig) houden van vee nu eenmaal het risico van ziekte van dat vee insluit. Maatregelen ter bestrijding van zodanige ziekte moeten daarom gerekend worden tot de normale bedrijfsschade van een veehouder. Slechts indien geoordeeld zou moeten worden dat de geleden schade de normale bedrijfsrisico’s overstijgt kan er aanleiding bestaan om schade te vergoeden.20 Daarnaast kan ook de abnormale gevoeligheid van het geschade belang, de gevaarzettende functie van dit belang en/of de beperkte maatschappelijke waardering van het geschade belang bijdragen aan het oordeel dat de belanghebbende een groter risico heeft te dragen. Voordelige positie waarin betrokkene als gevolg van overheidshandelen verkeerde Indien een belanghebbende als gevolg van de opstelling van de overheid in een voordelige positie verkeerde, bijvoorbeeld omdat hij geen vergoeding behoefde te betalen voor het gebruik van overheidsgronden, of omdat hij minder behoefde te betalen dan anderen, kan dat een factor zijn die mede bepalend is voor het aan de belanghebbende toerekenbare risico, in die zin dat meer risico aan hem toerekenbaar is.21 Artikel 4 Speciale last Met onevenredige schade doelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op schade die niet alleen buiten het maatschappelijke risico valt, maar tevens op een beperkte groep burgers of instellingen drukt. De kring van getroffenen moet beperkt en duidelijk bepaalbaar zijn. Het moet gaan om schade die een gelijke behandeling van de rechtsgenoten verstoort doordat de schade bij een of enkele personen of een kleine groep van personen terechtkomt, terwijl anderen in een min of meer gelijke positie niet getroffen worden. Indien het nadeel een grotere groep van personen treft is er in beginsel geen sprake van onevenredig nadeel, en bestaat er dus geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding.22 Artikel 5 Actieve risicoaanvaarding Bij de beantwoording van de vraag, of een nadeel redelijkerwijs ten laste van benadeelde behoort te blijven komt bij nadeelcompensatie grote betekenis toe aan een (hypothetische) reconstructie van hetgeen waarmee belanghebbende voorafgaande aan de gebeurtenis waarop de (eventuele) aansprakelijkheid berust redelijkerwijs rekening kon en behoorde te houden. Met name is het van belang te reconstrueren met welke risico's belanghebbende op het moment dat hij besliste omtrent het al dan niet investeren in - kort gezegd - het (nadien) geschade belang, en vervolgens tot het moment waarop de schadeoorzaak zich voordeed, onder de toenmalige omstandigheden redelijkerwijs rekening kon houden. De risico's waarmee hij redelijkerwijs, bij het doen van deze investeringsbeslissing en daarna rekening kon houden wordt hij in beginsel geacht te hebben aanvaard. Deze risico's blijven dan ook voor zijn rekening.23 Of in een concreet geval risicoaanvaarding wordt aangenomen hangt in sterke mate af van het handelen of nalaten van de belanghebbende zelf. De belanghebbende zal zelf moeten nagaan of het verantwoord is om op een bepaald moment bepaalde kosten te maken of investeringen te doen, of hiervan af te zien. Hij zal bij het nemen van een beslissing daaromtrent rekening hebben te houden met hetgeen op dat moment in de concrete omstandigheden van het geval, naar objectieve maatstaven en met inachtneming van de op het concrete geval toepasselijke ervaringsregels, voorzienbaar is. Indien belanghebbende daarnaast nog beschikt over extra informatie, dan moet hij daarmee uiteraard ook rekening houden bij het nemen van zijn beslissingen. Doet hij dat niet, of in onvoldoende mate dan komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening. Daar staat tegenover dat indien belanghebbende, voorafgaande aan het investeringsmoment op adequate wijze informatie heeft ingewonnen bij de betrokken overheid omtrent de te verwachten maatregelen of ontwikkelingen en hij op grond van de verstrekte inlichtingen geen rekening behoefde te houden met de later genomen maatregelen, hij niet geacht kan worden deze maatregelen en de daaruit voortvloeiende schade te hebben aanvaard.24 Bij dit alles wordt uitgegaan van hetgeen van een (geobjectiveer
- de)belanghebbende, die zich van de mogelijkheden en zijn belangen bewust is, had mogen worden verwacht onder de destijds geldende omstandigheden. Wie bijvoorbeeld vergunning heeft gekregen voor een bepaalde activiteit, moet begrijpen dat zo een vergunning geen eeuwigheidswaarde heeft en dat er altijd de mogelijkheid is dat zij wordt beëindigd. Wie reeds vele jaren een werk op grond van een opzegbare of intrekbare vergunning heeft, dient te beseffen, dat er een tijd zal komen, waarop de situatie beëindigd of gewijzigd moet worden en dat het risico van intrekking groeit naarmate de tijd verstrijkt. Veelal komt beslissende betekenis toe aan hetgeen waarmee de vergunningverlenende overheid ten tijde van de vergunningverlening redelijkerwijs rekening behoorde te houden, meer in het bijzonder aan de periode die het bestuursorgaan op dat moment kon overzien. Indien in de nabije toekomst ontwikkelingen of maatregelen te verwachten zijn die intrekking of wijziging van de vergunning impliceren, ligt afgifte van de verzochte vergunning niet zonder meer in de rede. De keerzijde van die gedachte is dat de vergunninghouder er in beginsel op mag rekenen, dat gedurende de ten tijde van vergunningverlening voor het bestuursorgaan overzienbare periode geen intrekking of wijziging van de vergunning zal plaatsvinden, zonder dat zijn nadelen op enigerlei wijze gecompenseerd worden. Na verloop van de "overzienbare" periode bestaat er in beginsel geen aanspraak op schadevergoeding. Het risico van intrekking van de vergunning na afloop van deze "overzienbare periode" is door de vergunninghouder aanvaard toen hij gebruik maakte van de vergunning. De "normale levensduur" van het vergunningplichtig werk, de "afschrijvingsperiode", of de "technische levensduur" zijn in deze benadering van weinig of geen betekenis.25 Degene die bijvoorbeeld een kabel of leiding onder een weg of in een dijk heeft op basis van een opzegbare vergunning, maar zelfs ook op basis van een voor onbepaalde tijd verleende vergunning, kan geacht worden kennis te hebben van het feit dat na verloop van tijd zodanige werkzaamheden aan de weg of de dijk moeten worden verricht dat de kabels of leidingen (tijdelijk) verwijderd moeten worden. Er is sprake van eigen schuld, in de betekenis dat de benadeelde onredelijk/onzorgvuldig handelt met het oog op zijn eigen belangen, wanneer de schade behalve aan het overheidsoptreden mede te wijten is aan een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dan wel die omstandigheid tot zijn risicosfeer behoort. Onredelijk handelen van de belanghebbende is aanleiding om de schade voortvloeiende uit het rechtmatig overheidsoptreden geheel of gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde te laten. In hoeverre de schade als gevolg de opzegging of wijziging van een voor onbepaalde tijd verleende vergunning het gevolg is van omstandigheden die aan de vergunninghouder kunnen worden toegerekend, wordt onder meer bepaald door de volgende factoren. De te verwachten ongestoorde liggingsduur. In Nederland moet er bijvoorbeeld van uit worden gegaan dat primaire waterkeringen met enige regelmaat moeten worden versterkt. Zo is het een ervaringsfeit dat vergunningplichtige werken gemiddeld eens in de 20 jaar moeten wijken voor het dijkbelang, indien het betreft primaire waterkeringen. Ten aanzien van de primaire waterkeringen kan aansluiting worden gezocht bij de Nadeelcompensatieregeling 1999 voor het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken. Vindt opzegging of wijziging van een vergunning plaats na verloop van de te verwachten ongestoorde liggingsduur, dan is het nadeel dat de vergunninghouder daardoor lijdt het gevolg van een omstandigheid die volledig aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. Vindt de opzegging plaats binnen de te verwachten ongestoorde liggingsduur dan is, afhankelijk van het tijdsverloop tussen de verlening van de vergunning en het opzeggen daarvan en het al dan niet tijdelijke karakter van de vergunning, het nadeel dat de vergunninghouder daar door lijdt in mindere mate het gevolg van een omstandigheid die aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. Extra kwetsbaarheid door het doen van buitengewoon hoge investeringen op een bepaald onderdeel. Men aanvaardt daarmee de kwade kans dat van bepaalde wijzigingen in de bestaande situatie een onevenredig groot nadeel het gevolg is, zodat die onevenredige schade het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Van risicoaanvaarding is sprake wanneer op het moment van de investeringsbeslissing de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel in voldoende mate kenbaar was om hiermee bij de beslissing tot het investeren rekening te (kunnen) houden. Wanneer het gaat om schade aan investeringen die zijn gedaan ten behoeve van een reeds bestaand belang, bijvoorbeeld aanpassing of uitbreiding van een bestaand bedrijf, of in gevallen van bedrijfsopvolging, gaat deze regel niet zonder meer op. In gevallen waarin de betrokkene redelijkerwijs rekening kon houden met toekomstige aantastingen van zijn belang door overheidsingrepen, is bepalend of hij door desalniettemin kosten te maken, of investeringen te doen, al dan niet redelijk handelde. Hierbij moet bijvoorbeeld in aanmerking worden genomen dat men van iemand die al jaren in een bepaalde woning woont niet kan verwachten, dat hij aanpassingen van zijn pand achterwege laat en zich elders vestigt, omdat hij kon weten dat de planologische situatie ter plaatse van zijn woning zou verslechteren.26 Ook kan men van een bedrijfsopvolger niet zonder meer verwachten, dat hij reeds om die reden van bedrijfsopvolging afziet.27 Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat sommige bedrijven bijvoorbeeld in verband met hun concurrentiepositie regelmatig zullen moeten investeren om de accommodatie aan de eisen destijds aan te passen. 28 Het maken van een specifieke keuze uitsluitend in verband met het kostenaspect. Bijvoorbeeld door te kiezen voor het leggen van kabels en leidingen in waterkeringen en niet in de aangrenzende aanzienlijk minder risicodragende particuliere gronden, uitsluitend omdat dan geen hoge vergoedingen aan particuliere grondeigenaren behoeven te worden betaald. Er is onder meer sprake van risicoaanvaarding indien de benadeelde (contractueel) heeft ingestemd met de uitsluiting van de aansprakelijkheid of als deze willens en wetens het risico heeft aanvaard van op korte termijn intredende, nadelige gebeurtenissen. Artikel 6 Voorwerp van voorzienbaarheid Het artikel spreekt voor zich. De voorzienbaarheid kan betrekking hebben op verschillende aspecten: de aard van de concrete maatregel die uiteindelijk genomen werd, en/of het tijdstip waarop die maatregel genomen wordt, de concrete plaats waar de maatregel genomen wordt; de wijze van uitvoering daarvan; de duur van de maatregel; of de aard en omvang van de daaruit voor hem voortvloeiende schade. De opsomming is niet limitatief bedoeld. Schade voortvloeiende uit zodanig optreden komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Of een bepaald optreden in de lijn der verwachtingen ligt kan afhankelijk zijn van bijvoorbeeld de planologische ontwikkelingen in een bepaald gebied, maatschappelijke ontwikkelingen, het (waterhuishoudkundig) beleid van de overheid. Zo liggen reconstructiewerkzaamheden, het afsluiten of het verleggen van wegen, het uitbaggeren van wateren, de bouw van vaste oeververbindingen, het versterken van dijken, en dergelijke in beginsel in de lijn der verwachtingen. Zij zijn immers niet meer dan een logisch gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen en derhalve voor een ieder kenbaar. Er zijn echter situaties denkbaar waarin weliswaar het schadeveroorzakend optreden in de lijn der verwachtingen ligt, doch belanghebbende desondanks geacht moet worden er geen rekening mee te hebben kunnen houden. Deze situatie zal zich voordoen indien het optreden van een abnormale omvang is, een sterk afwijkende reikwijdte heeft of qua gevolgen bijzonder ingrijpend is. Tot deze categorie van gevallen kan onder bepaalde omstandigheden worden gerekend de schade voortvloeiende uit de op grond van artikel 11, eerste lid, Waterstaatswet 1900 rustende ontvangst- (en verspreidings)plicht van de aangeland voor bij het onderhoud aan wateren vrijkomende specie. In bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat zodanig grote hoeveelheden specie vrijkomen dat het handhaven van de ontvangst- (en verspreidingsplicht) niet zonder meer aanvaardbaar is. In dat geval kan het redelijk zijn dat het waterschap de betreffende aangeland een schadevergoeding toekent. Voorts kan het schadetoebrengende optreden niet of slechts ten dele niet in de lijn der verwachtingen liggen, maar had de benadeelde er in het concrete geval toch rekening mee kunnen en behoren te houden. Eigen schuld, risicoaanvaarding en dergelijke bepalen in hoeverre benadeelde nog rekening kon en behoorde te houden met het schadeveroorzakende optreden. Artikel 7 Passieve risicoaanvaarding Van passieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de benadeelde ervan heeft afgezien passende (aanpassings-)maatregelen te nemen vanaf het moment dat hij redelijkerwijs rekening moest, of althans in voldoende mate rekening kon houden met de mogelijkheid dat zaken waarbij hij een belang heeft, in de toekomst door bepaalde overheidsmaatregelen zouden kunnen worden aangetast. Hij wordt alsdan geacht de schade die hij vervolgens lijdt, en die hij had kunnen voorkomen door tijdig te handelen (passief) te hebben aanvaard.29 Artikel 8 Schadebeperking Een (potentieel) benadeelde moet alle maatregelen nemen ter beperking of voorkoming van de schade voortvloeiende uit rechtmatig overheidsoptreden, voor zover dat voor hem mogelijk is en redelijkerwijze van hem kan worden gevergd. Indien niet aan de verplichting tot schadebeperking wordt voldaan is er geen aansprakelijkheid voor de meerdere schade die daarvan het gevolg is. De omvang van de schadebeperkingsplicht wordt beperkt door de redelijkheid. De redelijke kosten van de maatregelen komen voor rekening van de veroorzaker van de schade. Slechts die maatregelen komen voor vergoeding in aanmerking die nodig en passend zijn om de schade te voorkomen of te beperken. De maatregelen die niet nodig zijn, of niet geschikt zijn om het nadeel te beperken vallen buiten de vergoedingssfeer. Uiteraard mogen de kosten van de beperkende maatregelen de omvang van de te beperken schade niet te boven gaan. Artikel 9 Verrekening van voordeel Gedacht kan worden aan de economische waarde van vrijgevallen arbeid, of - bij winkels welke deel uitmaken van een keten van winkels van dezelfde ondernemer - van de opbrengst van overloop van klanten naar die andere winkels.30 Ook de omstandigheid dat de benadeelde anderszins gebaat is bij het schadeveroorzakende besluit kan tot mindering van de schadevergoeding leiden.31 Veelvoorkomende posten die voor verrekening in aanmerking komen zijn ‘rente vrijkomend kapitaal’, voordelen wegens ‘vrijkomende arbeid’ en aftrek ‘nieuw voor oud ’. Artikel 10 Kosten van deskundigenbijstand Inmiddels is in de rechtspraak aanvaard dat deze kosten onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.32 Indien om vergoeding van deze kosten verzocht wordt ligt de vraag voor, of het in het concrete geval redelijk was dat verzoeker deskundigenbijstand van de desbetreffende deskundige inriep, en of de omvang van de daarmee gepaard gaande kosten redelijk is te achten. Bij deze beoordeling zal onder meer een rol kunnen spelen, of en in hoeverre het inquisitoire karakter van het onderzoek door het bestuursorgaan, met behulp van een onafhankelijke deskundigencommissie, in het concrete geval al dan niet een actieve inbreng van degene die om vergoeding vraagt vergt, en of, en zo ja in hoeverre de ingeroepen deskundigenbijstand heeft bijgedragen aan de vaststelling van een geobjectiveerde schadevergoeding. Voor toekenning van zodanige bijdrage kan ingevolge de planschadejurisprudentie aanleiding bestaan, indien het inschakelen van deskundigen redelijkerwijs noodzakelijk was teneinde tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen. Wanneer
- a)een procedureverordening, zoals hier, voorschrijft dat, indien om schadevergoeding is verzocht, advies moet worden gevraagd aan een onafhankelijke deskundige en
- b)betrokkene zonder dit advies af te wachten een eigen adviseur inschakelt én
- c)het advies van de onafhankelijke deskundige objectief is en op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen, dienen de kosten van de eigen adviseur voor rekening van verzoeker te blijven.33 Artikel 11 Vergoeding van wettelijke rente Een vergoeding in de vorm van wettelijke rente voor schade veroorzaakt door te late uitbetaling van de schadevergoeding kan deel uitmaken van de toe te kennen schadevergoeding. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het burgerlijk recht, in dier voege dat het bepaalde in artikel 6:119 BW wat de wijze van berekening van wettelijke rente betreft van overeenkomstige toepassing wordt geacht. Het tijdstip waarop de rente ingaat wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door het bestuursorgaan dat over de schadevergoeding dient te beslissen.34 Artikel 12 Indiening aanvraag Bij de wijziging van 2008 is de termijn voor indiening van een aanvraag om schadevergoeding wordt verlengd van 6 weken naar 5 jaar. De termijn van 6 weken is volgens rechtspraak onredelijk kort en niet houdbaar gebleken. Rechters achten een termijn van 5 jaar redelijk, omdat deze verjaringstermijn volgens de wet ook geldt voor civiele schadeclaims en het steeds de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om de bestuurlijke en civiele schadezaken zoveel mogelijk gelijk te stellen. De benadeelde dient een verzoek om schadevergoeding zo spoedig mogelijk in te dienen. Het moet uit bestuurlijk oogpunt ongewenst worden geacht dat nog verzoeken om schadevergoeding worden ingediend vele jaren nadat het nadeel gebleken is. Het is niet mogelijk voor alle gevallen een vaste termijn te bepalen waarbinnen de aanvraag tot nadeelcompensatie moet zijn ingediend. Soms zal schade zich pas na langere tijd voordoen, bijvoorbeeld in geval van zettingschade. Indien een vaste termijn voor indiening van de aanvraag zou worden bepaald zou dat als onredelijk gevolg hebben dat velen niet op basis van deze regeling een aanvraag zouden kunnen indienen. In geval dat al direct bij het betreffende optreden blijkt dat nadeel wordt toegebracht is het niet redelijk dat langer dan nodig met het indienen van de aanvraag wordt gewacht. Dit is met name van belang in verband met het rechtszekerheidsbeginsel. In dit stelsel worden gevolgen verbonden aan het achterwege laten van enig handelen vanaf het moment dat de belanghebbende in actie kon komen teneinde de verlangde schadevergoeding te verkrijgen. De termijn voor indiening van een verzoek begint in het algemeen te lopen wanneer redelijkerwijze kan worden gezegd dat op de geldende voorschriften tezamen met het vervuld zijn van de daarin gestelde feitelijke voorwaarden in beginsel een financiële aanspraak kan worden gebaseerd. In de leden twee en drie is dit stelsel nader uitgewerkt voor de nadeelcompensatiepraktijk. In lid 4 staat geregeld dat niet later dan twintig jaar na het besluit of de handeling van de overheid een verzoek kan worden gedaan, zulks aan de hand van hetgeen in het Burgerlijk Wetboek is geregeld op het punt van verjaring (artikel 3:310 BW), en stuiting van de verjaring (art. 3:316 ev. BW). Verduidelijkt is de intentie dat de buitenste verjaringstermijn van 20 jaar blijft gelden, ook als verlenging wordt toegestaan van de binnenste termijn van 5 jaar. Artikel 13 Het verzoek om schadevergoeding In dit artikel worden nadere regels gegeven voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding. Op het indienen van zodanig verzoek is uiteraard hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Daarnaast zijn op het schadevergoedingsverzoek toegesneden bepalingen opgenomen. Eerste lid Naast de in lid 1 genoemde vereisten waaraan een verzoek om schadevergoeding moet voldoen, stelt art. 4:2 Awb eisen aan het indienen van een verzoek. Van een verzoeker wordt verlangd dat hij alle gegevens, van welke aard dan ook, verschaft die het bestuur nodig heeft voor het beoordelen van de gegrondheid van het verzoek. Eerste lid onder e Het voorschrift sub e moet het onder meer mogelijk maken te beoordelen of verzoeker zich baseert op een rechtmatig handelen als bedoeld in artikel 2, of op een onrechtmatig handelen. Van de verzoeker wordt dus verlangd dat hij aangeeft op welke rechtsgrond hij zijn verzoek baseert. Dient het bestuur naar het oordeel van verzoeker de schade te vergoeden omdat het achterwege laten van de vergoeding hem in strijd zou brengen met het mede aan artikel 3:4, tweede lid Awb ten grondslag liggende beginsel van “’egalité devant les charges publiques”, of steunt het verzoek in wezen op de gedachte dat het bestuur door te handelen zoals hij gedaan heeft anderszins in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht gehandeld heeft? Het antwoord op deze vraag bepaalt of de aanvraag door middel van een vereenvoudigde afdoening (kennelijke ongegrondheid) kan worden afgewezen, of niet. Daarenboven is deze bepaling van belang, omdat het op de weg ligt van degene die schadevergoeding verzoekt om aannemelijk te maken dat het uit een overheidsmaatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven.35 Wanneer verzoeker er - nadat hem eventueel de mogelijkheid is geboden een verzuim op dit punt te herstellen -, naar het oordeel van het bestuur, niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zich mogelijk een situatie voordoet waarin het uit de als schadeoorzaak aangeduide maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven, kan de aanvraag eveneens door middel van een vereenvoudigde afdoening (kennelijke ongegrondheid) worden afgewezen. Als verzoeker onvoldoende bewijs aandraagt om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat zich mogelijk een situatie voordoet waarin het uit de als schadeoorzaak aangeduide maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven, bestaat er geen aanleiding om een nader onderzoek door een onafhankelijke commissie van deskundigen te doen verrichten. Eerste lid onder f en g In de aanvraag moet worden aangegeven wat de aard en omvang is van het geleden nadeel. Indien mogelijk moet een gespecificeerde opgave van de schade worden overlegd. Dat bedrag behoeft niet hetzelfde te zijn als de totale geleden schade, alleen al omdat in de vergoeding daarvan deels voorzien kan zijn door een andere compensatieregeling. Eerste lid onder h Met het eerste lid, onder h wordt bedoeld de benadeelde in de gelegenheid te stellen suggesties te doen omtrent de wijze van schadevergoeding. Denkbaar is immers dat het nemen van een feitelijke maatregelen adequater is dan het verlenen van een schadevergoeding in geld. Tweede lid Het bestuur bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk. In verband met het bepaalde in artikel 4:14 Abw zal verzoeker worden ingelicht over de met de behandeling van het verzoek ten hoogste gemoeide termijnen. Derde lid Indien de verzoeker onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de gegrondheid van het verzoek te kunnen beoordelen, kan het bestuur besluiten het niet in behandeling te nemen. Dit stemt overeen met het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, Abw. Wel dient verzoeker eerst in de gelegenheid te worden gesteld om de ontbrekende gegevens alsnog te verschaffen. Artikel 14 Afdoening zonder advisering door de Adviescommissie Deze regeling gaat ervan uit dat het onnodig is om voor bepaalde gevallen de zware procedure van behandeling van het verzoek om schadevergoeding door een adviescommissie te volgen. Eerste lid Indien niet voldaan is aan de eisen voor het in behandeling nemen van het verzoek, of indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek, terwijl verzoeker in de gelegenheid is gesteld het verzoek aan te vullen, wordt het verzoek niet in behandeling genomen. Dit komt overeen met het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, Abw. Tweede lid. Het tweede lid geeft, overeenkomstig artikel 4:5, vierde lid Awb aan het college een termijn van vier weken nadat het verzoek ingevolge artikel 13, derde lid, alsnog is aangevuld, of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, om een besluit om het verzoek niet in behandeling te nemen aan de verzoeker bij aangetekende brief mede te delen. Derde lid Indien een verzoek naar het oordeel van het college kennelijk ongegrond is, wordt het zonder behandeling door de Adviescommissie afgewezen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer aanstonds, dat wil zeggen bij een summier onderzoek, duidelijk is dat het geleden nadeel niet door het bestuur veroorzaakt is. Ook in gevallen waarin verzoeker onvoldoende aannemelijk weet te maken dat zich mogelijk een situatie voordoet waarin het uit de door hem als schadeoorzaak aangeduide overheidsmaatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven, kan er aanleiding bestaan het verzoek als kennelijk ongegrond af te wijzen. Kennelijk ongegrond is voorts het verzoek betreffende een schade waarvan de vergoeding, anderszins is verzekerd. Dit artikellid strekt er voorts toe duidelijk te maken dat een verzoek om schadevergoeding dat niet steunt op een rechtmatige overheidsdaad als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. Deze Verordening Schadevergoeding heeft immers uitsluitend betrekking op schade die het gevolg is van een rechtmatige schadeoorzaak. Deze regeling voorziet niet in vergoeding van schade waaraan een onrechtmatige daad of wanprestatie ten grondslag is gelegd. Bijzondere aandacht verdient het geval waarin nog niet vaststaat dat de schadeoorzaak voor rechtmatig moet worden gehouden, omdat nog niet onherroepelijk is beslist op een aanhangig gemaakt beroep. Ook dan wordt het verzoek om schadevergoeding wegens kennelijke ongegrondheid afgewezen. Er is immers niet voldaan aan het vereiste van de rechtmatigheid van de schadeoorzaak. Overigens laat dit onverlet dat de verzoeker een herhaald verzoek kan indienen wanneer wel aan dit vereiste is voldaan. Hetzelfde geldt overigens zolang nog een bestuursrechtelijk rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de schadeoorzaak. Ook wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 12, lid 4 en wanneer een verzoek niet tijdig is ingediend, is nader onderzoek niet nodig. Indien reeds na summier onderzoek blijkt dat de aanvraag niet kan worden gehonoreerd, dan wel zonder nader onderzoek kan worden toegewezen is sprake van kennelijke ongegrondheid respectievelijk kennelijke gegrondheid van de aanvraag. De kennelijke (on)gegrondheid van de aanvraag moet duidelijk zijn zonder dat nader op de inhoudelijke merites van de zaak wordt ingegaan. Vierde en vijfde lid Het vierde lid geeft aan, dat het college binnen acht weken na de ontvangst van het verzoek zijn beslissing strekkende tot kennelijke ongegrondverklaring van het verzoek aan verzoeker bij aangetekende brief kenbaar dient te maken. Deze bepaling geldt uitsluitend voor het geval dat beslist wordt zonder raadpleging van een Adviescommissie. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in Afdeling 4.1.3 Abw. In artikel 4:15 Awb wordt deze termijn opgeschort gedurende de termijn die een verzoeker wordt gelaten voor het alsnog verschaffen van de benodigde gegevens. Artikel 4:14 Awb maakt het mogelijk de termijn met een redelijke termijn te verlengen indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven. Artikel 15 De Adviescommissie Eerste en tweede lid Indien een verzoek niet kennelijk (on)gegrond of niet kennelijk niet-ontvankelijk is en buiten behandeling wordt gelaten, wordt deze in handen gesteld van de Adviescommissie. Deze commissie heeft tot taak het college te adviseren inzake de op het verzoek te nemen beslissing Gelet op de aard van de te nemen beslissingen en de gevolgde bestuurspraktijk dient de commissie uit onafhankelijke deskundigen te bestaan. In algemene zin valt op te merken dat het inschakelen van een adviescommissie bij de behandeling van zaken als de onderhavige bijdraagt aan een zorgvuldige voorbereiding van de te nemen beslissingen en daarmee aan de legitimiteit daarvan voor de betrokken burgers. De onderhavige regeling voorziet erin dat een adviescommissie wordt ingeschakeld wanneer het verzoek niet op grond van artikel 14 is afgedaan. De regeling gaat ervan uit dat de Adviescommissie in beginsel met drie leden aan het college advies uitbrengt, uitzonderingen daargelaten (zie artikel 16). Vierde en vijfde lid Een ruim bemeten behandelingstermijn is nodig, in verband met de tijd die gemoeid is met het beantwoorden van de vraag, of het verzoek eenvoudig kan worden afgedaan conform het bepaalde in artikel 14. Toegevoegd is de verplichting voor het college een reactie op de aanvraag mee te zenden bij doorzending van de aanvraag naar de Adviescommissie. Dit zal de advisering kunnen versnellen. Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat de beslissing van het college tot instelling of consulatie van een commissie een voorbereidingshandeling is waartegen, gelet op het bepaalde in artikel 6:3 Awb, bij de administratieve rechter geen beroep kan worden ingesteld. Artikel 16 Samenstelling Adviescommissie In deze bepaling wordt de benoeming, samenstelling, zittingstermijn en secretariaat van de Adviescommissie beschreven. Eerste lid Vanaf de wijziging van 2008 benoemt het college de leden van de commissie. De aanwijzing van plaatsvervangers is verduidelijkt. Tweede lid Er is een flexibel aantal leden voor de commissie mogelijk gemaakt; dit biedt de mogelijkheid deskundigen van verschillende disciplines te benoemen. Derde lid Verduidelijkt is dat de daadwerkelijke advisering aan het college in beginsel steeds wordt gedaan door een commissie van drie leden, waaronder de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter. Bij aanvragen om voorschot, dan wel in eenvoudige gevallen waarin weinig of geen discussie is over de schadeoorzaak en schadeomvang, bijvoorbeeld bij kabels en leidingen, kan het college ermee volstaan uitsluitend aan de voorzitter advies te vragen. In het onderzoek voorafgaand aan de advisering kan de commissie dan wel de voorzitter volgens artikel 18, derde lid één of meer van de overige leden van de commissie als deskundigen benaderen, dan wel deskundigen buiten de commissie om advies vragen. Bij advisering in voorschotverzoeken en bij (overig) advies door uitsluitend de voorzitter geldt volgens artikel 19 lid 8 een kortere adviestermijn. Zesde lid Tot uiting is gebracht dat het college de secretaris van de Adviescommissie aanwijst. Dit kan vanaf de wijziging in 2008 ook een secretaris buiten Rijnland zijn. Meerdere personen, binnen of buiten Rijnland, kunnen de secretaris bijstaan. Artikel 17 Het door de commissie te verrichten onderzoek De Adviescommissie adviseert over de op het verzoek te nemen beslissing en of er sprake is van nadeel dat redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. De commissie stelt daartoe een onderzoek in naar de schadeoorzaak, de schadeomvang, de aansprakelijkheid en de vraag of de vergoeding van schade niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd, of had kunnen worden verzekerd. Wanneer blijkt dat nadeel niet veroorzaakt is als gevolg van een rechtmatig besluit of een rechtmatige handeling, dan behoeven de andere vragen niet meer beantwoord te worden. Voorts zal het niet nodig zijn de omvang van de schade nauwkeurig te bepalen als bijvoorbeeld duidelijk is dat de schade vanwege verzekerbaarheid of maatschappelijk risico redelijkerwijs ten laste van de verzoeker behoort te blijven. Aan de Adviescommissie kan de opdracht worden gegeven rekening te houden met het ter zake door het Rijk, de provincie of het waterschap gevoerde beleid, mits een zorgvuldig onderzoek daardoor niet wordt belemmerd. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat het advies van de commissie, indien het nadeel voor vergoeding in aanmerking komt, mede de omvang en vorm van de schadevergoeding betreft. De commissie kan ook maatregelen (in natura) voorstellen die geschikt zijn om de schade te beperken of ongedaan te maken. Artikel 18 Bevoegdheden en verplichtingen Eerste en tweede lid Het bepaalde in het eerste en tweede lid stemt overeen met hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht wordt geregeld voor gevallen waarin een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift is belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten (Afdeling 3.3. Awb). In het eerste lid wordt geregeld dat het bestuur aan de commissie de gegevens verschaft die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Tot die gegevens behoren niet alleen het verzoek met de daarbij behorende, eventueel later toegevoegde, bescheiden, maar ook de zich onder het bestuur bevindende gegevens over de schadeoorzaak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing (art. 3:7 lid 2 Awb). Het tweede lid legt een soortgelijke verplichting op aan de verzoeker. Ook hij dient de gegevens te verschaffen die de commissie nodig heeft voor een goede vervulling van haar taak. De verzoeker zal waarschijnlijk al gegevens hebben overgelegd bij het indienen van zijn verzoek, maar het is niet onmogelijk te achten dat de commissie het overleggen van nadere gegevens nodig vindt. Derde en vierde lid Het derde lid stelt de commissie in de gelegenheid inlichtingen in te winnen bij derden. Indien daarmee kosten zijn gemoeid, bijv. omdat een deskundigenadvies wordt gevraagd, is met het oog op die kosten voorafgaande instemming van het bestuur nodig. Het vijfde lid maakt het de commissie mogelijk de situatie ter plekke in ogenschouw te nemen. Nu de onderhavige regeling niet op een wettelijke grondslag berust, komt haar uiteraard niet de bevoegdheid toe plaatsen te betreden tegen de wil van de rechthebbende. De regeling van het derde en vierde lid komt overeen met hetgeen in de bestuurspraktijk gebruikelijk is.36 Artikel 19 Procedure Adviescommissie In deze bepaling wordt de door de Adviescommissie te volgen procedure beschreven. Het toegevoegde achtste lid heeft als oogmerk de procedure voor een beslissing op relatief eenvoudige verzoeken te bekorten. Bij een voorschotverzoek schrijft artikel 22 een eigen procedure voor. Ook daar geldt bij advies door alleen de voorzitter een verkorte adviestermijn. Artikel 20 De beslissing op de aanvraag Eerste lid De beslistermijn is verkort van twaalf naar zes weken. Oorspronkelijk diende het algemeen bestuur te beslissen, wat een langere termijn rechtvaardigde. Nu het college beslist is aangesloten bij een beslistermijn van zes weken als ook in de modelregeling van UvW. De verkorte beslistermijn geldt ook bij beslissingen over voorschotverzoeken. Toegevoegd is – ter verduidelijking - een verwijzing in het eerste lid naar artikel 14, waar de afdoening zonder advies is beschreven. Hier gelden onder meer aparte termijnen voor het college. Artikel 21 Kabels en leidingen Dit artikel is in 2008 nieuw ingevoegd, maar regelt geen nieuwe materie. Ook onder de verordening zoals die vanaf 2005 luidde was de NKL 1999 inhoudelijk van overeenkomstige toepassing verklaard, zij het op een minder herkenbare plaats in de regeling. De voorkeur verdient een vermelding in de tekst van de verordening. De NKL 1999 kent een eigen, gesloten afwegingskader, waardoor een inhoudelijk advies niet steeds nodig zal zijn. Landelijke ontwikkelingen of wijzigingen op het gebied van de NKL 1999 worden geacht automatisch deel uit te maken van deze verordening. De NKL 1999 is in te zien via http://www.stuurgroepskl.nl/. De hierna volgende artikelen zijn vernummerd door tussenvoeging van dit nieuwe artikel. Artikel 22 Voorschot In artikel 22 is voorzien in de mogelijkheid van bevoorschotting. Een bevoorschottingsregeling is essentieel voor een adequate schadevergoedingsregeling.37 Bevoorschotting kan onder meer strekken ter beperking van de schade. Eerste lid De verzoeker, die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 2 en wiens belang vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, kan het college verzoeken hem een voorschot te verlenen. Omtrent dat verzoek wordt de reeds ingeschakelde Adviescommissie gehoord. Een beslissing omtrent bevoorschotting kan, anders dan de beslissing omtrent schadevergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden genomen vóórdat het schadeveroorzakende besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat verzoeker naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding kan betrokken worden of het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit naar redelijke verwachting rechtens onaantastbaar zal worden en of verzoeker dientengevolge schade zal lijden die op de voet van artikel 2 voor vergoeding in aanmerking zal komen. Een verzoek om bevoorschotting dient ook te worden onderscheiden van een verzoek om vergoeding van schade die verzoeker lijdt als gevolg van een handeling van het college in het kader van de voorbereiding van een eventueel te nemen besluit. Vervallen is de verplichting om vóór de beslissing op een aanvraag om voorschot de volle Adviescommissie te horen. Bij voorschotverzoeken kan het college volgens artikel 16 lid 3 volstaan met een adviesopdracht aan uitsluitend de voorzitter van de Adviescommissie. In dat geval geldt tevens een kortere adviestermijn. In de praktijk blijkt een advies van alleen de voorzitter te volstaan, hetgeen de procedure versnelt. Het toezenden van een concept-advies in voorschotverzoeken is eveneens uit oogpunt van snelheid minder gewenst. Daar komt bij dat de beslissing op de aanvraag om voorschot niet bindend is voor de behandeling van de aanvraag om schadevergoeding. De leden 5 t/m 8 van artikel 19 blijven dan ook buiten toepassing. De overige bepalingen over de Adviescommissie en de advisering gelden zoveel mogelijk ook in voorschotverzoeken. Tweede en derde lid Indien het college beslist tot toekenning van een voorschot wordt daarmee geen aansprakelijkheid erkend. Het voorschot kan volgens deze regeling uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. Het college kan daarvoor zekerheidsstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie, verlangen. Daarbij moet betrokken worden de vraag naar het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling van het voorschot. Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel Eerste lid De wijzigingen van de verordening in 2008 gelden direct vanaf de eerste dag na bekendmaking en werken, zoals de hele verordening, terug tot 1 januari 2005. Voor besluiten van het college of het algemeen bestuur, alsmede voor de benoeming van de leden van de Adviescommissie en de aanwijzing van de secretaris, genomen of gedaan voor inwerkingtreding van de wijzigingen, geldt zonodig een bekrachtiging c.q. respecterende werking. Ondanks de onmiddellijke werking van de verlengde indieningstermijn van 5 jaar dekt de overgangsregel tevens besluiten met een eventuele overschrijding van de eerdere termijn van 6 weken, die niet strikt is gehandhaafd. 3 Bij de formulering is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en op gelijke leest geschoeide bepalingen. 4 ABRvS 18 mei 2000, Gst. 2000, 7128.3; ABRvS 9 juni 2000, JB 2000, 243 ; ABRvS 10 juli 2000, Gst. 7128.9. 5 De meeste wettelijke regelingen betreffende schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad kennen een of andere variant in deze richting. 6 ABRS 25 juli 1994, BR 1995, p.509. 7 bijv. KB 20 november 1992, AB 1993, 202. 8 AG 27 augustus 1990, BR 1991, p. 283; AR 22 november 1983, AB 1984, 154; KB 16 april 1991, AB 1992, 250; KB 23 januari 1995, AB 1995, 267; KB 19 mei 1995, AB 1995,444; ABRS 15 oktober 1998, JB 1998, 278; ABRS 23 september 1996, BR 1998, p.303-308; AG 23 maart 1989, AB 1989, 428; AG 28 november 1991, BR 1992, p. 773; ABRS 26 oktober 1995, AB 1996, 297; ABRS 23 september 1996, BR 1998, p.308-313. 9 KB 11 januari 1973, AB 1974,173, Gst. 6238, AA 1973,p.353; AR 23 november 1984, BR 1985, p. 471; VAR 22 januari 1985, AB 1986, 278; Bindend Advies Raad van State van 19 juni 1989, AB 1989, 550 ; CBB 14 juli 1993, AB 1994, 245. 10 AR 8 juni 1984, AB 1985,188; AR 17 april 1989, AB 1990,35. 11 AR 22 november 1983, AB 1984,154; BR 1983,p.230, HR 18 januari 1991, AB 1991, 241. 12 vergelijk HR 11 november 1994, NJ 1995, 152. 13 ABRS 26 oktober 1995, JB 1996, 13 en ABRS 23 september 1996 ; KB 10 januari 1986, AB 1986,449;BR 1986,435; KB 2 april 1985,AB 1985, 415. 14 AR 24 oktober 1983, BR 1984,p. 424. 15 ABRS van 22 december 1995, AB 1996, 250; AR 29 juni 1987, AB 1988, 262; AG 27 augustus 1990, BR 1991, p. 283. 16 KB 11 mei 1989, AB 1990,20. 17 KB 28 juni 1985, BR 1986, p.49; AR 9 juli 1990, BR 1991, p. 144; AR 10 januari 1985,AB 1985,256. 18 AG 30 januari 1991, BR 1991, p. 920. 19 AG 10 oktober 1988, BR 1989, p. 125. 20 ABRS 30 maart 1995, AB 1995, 375. 21 AR 21 februari 1991,AB 1992, 263; ABRS 26 oktober 1995, JB 1996, 13; ABRS 23 september 1996, AB 1996, 459. 22 HR 18 januari 1991, AB 1991, 241. 23 HR 24 november 1995, RvdW 1995, 251 C 24 VAR 16 februari 1984, AB 1984,422. 25 AR 10 januari 1985, AB 1985,256; AR 9 maart 1993, AB 1994,83; ABRS 2 juli 1994, BR 1995, p. 593; ABRS 26 oktober 1995, JB 1996, 13; ABRS 23 september 1996, BR 1998, p. 303. 26 AG 10 oktober 1988, AB 1988, 233; BR 1989, 125. 27 AG 5 februari 1993, AB 1993, 523. 28 AG 4 oktober 1990, BR 1991, p. 49 en AG 3 februari 1993, BR 1993, p. 728. 29 KB 29 december 1988, AB 1989, 90; AG 7 december 1993, BR 1994, p. 680; ABRS 25 juli 1994, BR 1995, p. 596;ABRS 22 augustus 1994, BR 1995, p. 515. 30 AR 5 april 1983,AB 1983, 534; AR 1 juni 1987,AB 1988, 115. 31 KB 27 februari 1984, AB 1985,443 ; CBB 14 juli 1993, AB 1994, 245 . 32 ABRS 23 september 1996, BR 1998, p. 303 en ABRS 1 augustus 1997, AB 1998, 37. 33 ABRvS 27 september 1999, Gst. 7117.6 ; ABRvS 4 februari 2000, Gst. 7117.8. 34 ABRS 29 september 1994 BR 1995, p. 517; ABRS 6 februari 1995, BR 1995, p. 864. 35 ABRS 15 oktober 1998, JB 1998, 278. 36 bijv. artikel 25 van de Monumentenwet 1988. 37 Vz. ABRS van 18 november 1997, AB 1998, 60.