Beleidsregel Peilafwijkingen1. Inleiding Voorwoord In het u voorliggende rapport wordt aangegeven hoe het hoogheemraadschap haar taak met betrekking tot peilafwijkingen (onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen) ziet en zal invullen. De beleidsregel is een uitwerking van een aantal doelstellingen zoals gesteld in het WBP3. Middels deze beleidsregel wil het hoogheemraadschap inzichtelijk maken waar het voor staat en wat het beleid is voor de komende jaren op het gebied van vergunningverlening met betrekking tot peilafwijkingen. Dit biedt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de ingelanden. Primair zal deze beleidsregel een toetsingskader voor vergunningen zijn. Met andere woorden: de beleidsregel geeft de motieven waarop de te nemen individuele beschikkingen (zoals vergunningen) zullen worden gebaseerd of waaraan aanvragen voor beschikking worden getoetst. Hierbij spreekt het voor zich dat in individuele gevallen een individuele belangenafweging plaats zal vinden. Tegen deze beleidsregel is als zodanig geen rechtsgang mogelijk. Tegen de uitwerking van het beleidsplan in een individuele beschikking is dit wel mogelijk. Daarnaast is het zo dat het hoogheemraadschap mag cq moet afwijken van het vastgestelde beleid indien de toepassing van het beleid in het individuele geval onredelijk zou zijn. Deze afwijking van het beleid moet dan wel gemotiveerd worden. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en -kwantiteit in zijn beheersgebied. Als waterkwantiteitsbeheerder is het verplicht om peilbesluiten vast te stellen voor het oppervlaktewater. Dit betekent dat het hoogheemraadschap, voor elk peilvak dat het beheert en onderhoudt, een peil bepaalt en vaststelt. Wanneer particulieren gebieden onttrekken aan het watersysteem en daarbinnen een afwijkend peil hanteren, neemt over het algemeen de beheersbaarheid van het omringende peilvak af. Wanneer het gehanteerde peil ook nog lager is dan in het omliggende peilvak – we spreken dan van een onderbemaling - kunnen hiernaast andere negatieve bijeffecten optreden, zoals versnelde maaivelddaling in veengebieden of verslechtering van de waterkwaliteit in diepe polders. Binnen een hoogwatervoorziening is het gehanteerde peil hoger. De laatst genoemde negatieve bijeffecten treden hier in mindere mate op. Gezien dit laatste ligt de nadruk in deze beleidsregel op de regulering van onderbemalingen. De verbetering van het peilbeheer heeft voor Rijnland de komende jaren prioriteit. Rijnland streeft naar een robuust systeem met grote peilvakken, waarvan de te hanteren peilen in een peilbesluit worden vast gelegd. Hierbij wordt voor zo groot mogelijke eenheden een gemiddeld peil ingesteld. Voor de peilvaststelling wordt gekeken naar maaiveldhoogte, functie, grondsoort, etc. Vervolgens worden alle belangen in het betreffende peilvak afgewogen. Bovendien wordt opnieuw gekeken naar de begrenzing van de verschillende peilgebieden. Bij deze afweging worden de mogelijkheden bestudeerd om peilafwijkingen te integreren in het peilvak. Wanneer door middel van een mogelijke peilvakindeling de noodzaak van onderbemalingen wordt voorkomen, verdient dit de voorkeur. Daarnaast bestaat de noodzaak van een helder toetsingskader voor de regulering van bestaande peilafwijkingen en het toetsen van nieuwe aanvragen. Het hoogheemraadschap heeft de beleidsregel peilafwijkingen opgesteld om peilafwijkingen te reguleren. Het doel hiervan is het eenduidig toetsen van bestaande peilafwijkingen en het beoordelen van nieuwe aanvragen voor peilafwijkingen. Middels deze beleidsregel maakt Rijnland inzichtelijk waar het voor staat en wat het beleid is voor de komende jaren op het gebied van vergunningverlening met betrekking tot peilafwijkingen. Dit biedt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de ingelanden. Doel van het beleid is tweeledig: enerzijds om meer controle over het watersysteem te krijgen, dat nu deels bij derden ligt. Anderzijds is er het doel de robuustheid en beheersbaarheid van het watersysteem ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit te vergroten. Met de vaststelling van dit toetsingskader wordt rechtsongelijkheid voorkomen, omdat dit kader er voor zorgt dat op een objectieve manier gelijke gevallen, gelijk worden getoetst. Leeswijzer Na een algemene inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het vigerende beleid van de hogere overheden en van het hoogheemraadschap. In hoofdstuk 3 wordt globaal de actuele situatie van onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen beschreven en de oorzaken en gevolgen van het bestaan ervan. Op welke wijze het hoogheemraadschap peilafwijkingen kan reguleren en welke criteria hiervoor worden gebruikt, wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 en 6 wordt aangegeven hoe het hoogheemraadschap de bestaande peilafwijkingen zal reguleren en de nieuwe aanvragen zal beoordelen. Hoofdstuk 7 beschrijft de planning van de uitvoering van het voorliggende beleid. 2. Huidig beleid 2. Huidig beleid Dit hoofdstuk beschrijft het huidige beleid van het Rijk, van beide provincies en van het hoogheemraadschap van Rijnland. Voor peilbeheer in het algemeen en voor peilafwijkingen specifiek is een aantal wetgevingsterreinen van belang: Waterstaatswetgeving: Waterschapswet, Wet op de waterhuishouding, Verordening Waterbeheer Rijnland, Nota Uitwerking Peilbeheer, Reglement voor het waterschap, Keur. Planologische wetgeving, in het bijzonder: Wet op de ruimtelijke ordening en de Onteigeningswet. 2.1 Rijksbeleid Artikel 21 van de Grondwet noemt de zorg voor de bewoonbaarheid van ons land een fundamentele taak van de overheid. Waterschapswet Waterschappen zijn openbare lichamen welke de waterstaatkundige verzorging in een bepaald gebied ten doel hebben. De taak die tot dat doel aan het hoogheemraadschap is opgedragen, betreft de zorg voor de waterhuishouding. Wet op de Waterhuishouding In artikel 9 van deze wet worden waterschappen verplicht tot het vaststellen van een (water )beheersplan. In artikel 40 van deze wet is opgenomen dat degenen die t.g.v. het vaststellen of wijzigen van een peilbesluit of het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, wordt door het gezag dat het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. Overig rijksbeleid In nota’s van de overheidsinstanties staan met betrekking tot water begrippen als veiligheid, duurzaamheid en het tegengaan van verdroging en versnippering centraal. Deze en andere thema’s worden uitgewerkt in de verschillende beleidsstukken van de verschillende overheidsinstanties. In de vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt, om aan een aantal van bovengenoemde thema’s meer prioriteit te geven, aan water (watersysteem) in de ruimtelijke ordening een grotere rol toegedicht. Water dient meer sturend te zijn in de ruimtelijke ordening. 2.2 Provinciaal beleid Provincies beschrijven in hun waterhuishoudingsplannen het waterhuishoudkundig beleid voor de betreffende planperiode. Het waterhuishoudingplan geeft daarbij de hoofdlijnen weer voor het te voeren beleid. Hier ligt de veronderstelling aan ten grondslag dat nadere uitwerking plaats zal vinden in de beheersplannen van lagere overheden, zoals het WBP-3 van het hoogheemraadschap. Verordening Waterbeheer Rijnland (VWR) In deze provinciale verordening worden eisen gesteld aan het waterbeheersplan. Bovendien wordt verplicht gesteld voor waterkwantiteitsbeheerders om peilbesluiten vast te stellen voor het oppervlaktewater in het beheer van deze beheerders. Dit betekent dat de waterbeheerder, voor elk peilvak onder zijn beheer en onderhoud, een peil bepaalt en vaststelt. Met betrekking tot onderbemalingen wordt gesteld dat het verboden is zonder vergunning, de waterstand te brengen op een peil dat afwijkt van het peil dat is vastgesteld in het peilbesluit. De procedure voor deze vergunningverlening is tevens vastgelegd in de VWR. In de VWR is vastgelegd dat een onderbemalingsvergunning geen langere geldigheidsduur heeft dan het peilbesluit; met andere woorden een onderbemalingsvergunning vervalt van rechtswege op het moment dat een peilbesluit van kracht wordt. Provincie Zuid-Holland Tweede partiele herziening Waterhuishoudingsplan 1995-1998, thema peilbeheer: Nota Uitwerking Peilbeheer (NUP.) In de NUP van de provincie Zuid-Holland worden onder andere eisen gesteld aan de drooglegging, gedifferentieerd naar functie, en worden bovendien toetsingsnormen gegeven voor vergunningaanvragen met betrekking tot peilafwijkingen. Wanneer alle belangen in acht worden genomen, kunnen zich een tweetal situaties voor het verlenen van een vergunning voor een onderbemaling voordoen: 1. Indien de gemiddelde maaiveldhoogteligging van de percelen binnen de onderbemaling in opvallende mate afwijkt van de gemiddelde maaiveldhoogte in het omringende gebied. 2. Indien het grondgebruik van de percelen binnen de onderbemaling een drooglegging vereist die in opvallende mate afwijkt van de vereiste drooglegging in het omliggende gebied. In de bovenstaande gevallen wordt onder “wijkt in opvallende mate af” verstaan: een verschil van ten minste 10 en ten hoogste 40 cm. Bovendien wordt in de NUP bij beide situaties opgemerkt dat het bovenstaande alleen geldt als de oppervlakte van de onderbemaling te gering is om een apart peilgebied te vormen. De criteria 1 en 2 zijn van toepassing op nieuwe aanvragen voor het stichten van een onderbemaling. Principieel gelden voor bestaande onderbemalingen dezelfde beleidsuitgangspunten en geformuleerde criteria. In de beheersplannen dienen de waterbeheerders aan te geven op welke wijze en binnen welk tijdsbestek de bestaande onderbemalingen aan bovengenoemde uitgangspunten voldoen; zonodig dient intrekking of wijziging van de bestaande vergunning plaats te vinden. De normen in de NUP zijn verder niet geconcretiseerd. Beleidsplan Milieu en Water In het Beleidsplan Milieu en Water van de provincie Zuid-Holland is de gedachte uit de 5e Nota Ruimtelijke Ordening, dat water een meer sturende rol dient te krijgen, verder uitgewerkt. Verder is in het Beleidsplan Milieu en Water bepaald dat de uitvoering van het peilbeleid (waterbeheer) op gebiedenniveau dient te worden vormgegeven. Het peilbeheer moet daarbij de waterkwantiteit en -kwaliteit mogelijk maken die nodig zijn voor de gewenste natuursoorten, agrarisch (natuur)beheer, bebouwing of archeologische waarden. Daarbij dient, volgens dit beleidsplan, te worden gestreefd naar het verminderen van het aantal peilvakken om versnippering tegen te gaan. Provincie Noord-Holland Notitie peilbesluiten Wat betreft onderbemalingen zijn hierin de volgende doelstellingen gesteld. Gebieden met veel onderbemalingen worden beheersbaar gemaakt: in 2005 is de oppervlakte aan onderbemalingen per afwateringsgebied teruggebracht tot maximaal 25 procent van dat gebied, in 2010 tot maximaal tien procent In ieder peilbesluit wordt een nadere begrenzing van maximaal onder te bemalen gebied aangegeven De waterschappen zetten zich in om beschikkingen voor onderbemalingen te herzien en te actualiseren. In de ontheffing wordt een peil (t.o.v. NAP) opgenomen en pompcapaciteit; lager dan dit peil mag niet bemalen worden. Geadviseerd wordt dit te koppelen aan de peilbesluitherziening die eens per tien jaar plaatsvindt. In het peilbesluit wordt een motivatie opgenomen voor het eventueel handhaven van onderbemalingen. In overleg met de waterschappen zal de provincie aanvullend beleid formuleren voor het intrekken van bestaande onderbemalingen. Waar billijk (bij onevenredige schade) en juridisch juist zullen de nadelige gevolgen voor belanghebbenden worden gecompenseerd. De waterschappen geven in hun beheersplannen aan op welke manier zij het toezicht en de handhaving uitoefenen op de onderbemalingsbeschikkingen en op illegale peilverlagingen. 2.3 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland (WBP-3) In het Waterbeheersplan 2006-2010 (WBP3) van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt een visie op het waterbeheer gegeven en wordt het beleid voor het hele beheersgebied vastgelegd. In het WBP3 heeft het hoogheemraadschap drie strategische doelen gesteld. Deze zijn: voldoende water, gezond water en veiligheid tegen overstromingen. Met betrekking tot peilafwijkingen van peilbesluiten is in het WBP-3 het volgende opgenomen: De verbetering van het peilbeheer heeft voor Rijnland de komende jaren prioriteit. Rijnland streeft naar een robuust systeem met een beperkt aantal onderbemalingen, die gereguleerd zijn, niet perse in eigen beheer. De aanwezigheid en het onvolledig inzicht in de capaciteit van onderbemalingen kunnen een probleem vormen voor het effectief beheren van het watersysteem. Sinds het vorige WBP wordt gewerkt aan de regulering van onderbemalingen. Het doel is enerzijds om meer controle over het watersysteem te krijgen, dat nu deels bij derden ligt. Anderzijds is er het doel de robuustheid en beheersbaarheid van het watersysteem ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit te vergroten. Zoals hiervoor staat aangegeven, dient het beleid op hoofdlijnen (het provinciaal beleid) nader uitgewerkt te worden in het WBP-3. Deze uitwerking heeft voor zover mogelijk plaats gevonden, maar behoeft nog nadere invulling. Met deze nota wordt deze invulling gegeven aan het beleid ten aanzien van peilafwijkingen van peilbesluiten. Met name de criteria waaraan een vergunningaanvraag getoetst moet worden ontbreken in het WBP-3 en zullen in de volgende hoofdstukken nader worden aangegeven. 3. Actuele situatie 3. Actuele situatie In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan wat nu precies onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen zijn en op de oorzaken en gevolgen van de aanwezigheid ervan. Omdat onderbemalingen over het algemeen meer negatieve neveneffecten hebben ligt de nadruk van deze beleidsregel op onderbemalingen. 3.1 Onderbemalingen Definitie: Een onderbemaling bestaat uit een of meerdere watergangen, die op een of andere manier met elkaar verbonden zijn, welke niet in open verbinding staan met het polder- of boezempeil én waarin door een particulier een lager waterpeil gehandhaafd wordt dan in de omliggende peilvak. Het verlagen van het oppervlaktewaterpeil in watergangen tussen percelen (oftewel het vergroten van de drooglegging) leidt tot een lagere grondwaterstand. Zie figuur 3.1 voor uitleg van het begrip drooglegging. Deze lokale lagere grondwaterstand is gunstig voor een aantal gebruiksfuncties. In de meeste gevallen wordt een onderbemaling ingesteld in agrarisch gebied. Over het algemeen is een lagere grondwaterstand tot een zekere mate gunstig voor het agrarisch gebruiken van land. In principe geldt dat de gewasopbrengst hoger is bij een grotere drooglegging. Bovendien is de berijdbaarheid door machines en beweidbaarheid door vee beter, door een grotere draagkracht van de bodem. Voor onderbemalingen die gebruikt worden in de bollensector geldt dat het peilbeheer zeer nauwgezet moet worden uitgevoerd. Te grote peilfluctuaties zijn nadelig voor de teelt en vele bollentelers hebben daarom in het verleden zelf een bemalingssysteem aangelegd. Ook het moment dat de onderbemaling wordt gebruikt is van belang voor de gebruikers. De meeste onderbemalers geven als reden voor het gebruik van de onderbemaling aan dat zij het belangrijk vinden om het peil tijdelijk te verlagen. In dit geval zetten zij dan, vroeg in het voorjaar, hun pomp aan wanneer zij bijvoorbeeld met machines het land op willen. Daarmee zijn zij niet afhankelijk van de waterbeheerder. Binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland zijn ca 250 onderbemalingen bekend aanwezig. Deze onderbemalingen behelzen ca 5 % van het totale beheersgebied. De gemiddelde grootte van een onderbemaling is ca 16 ha. De meeste onderbemalingen bevinden zich in veenweidegebied. De verklaring hiervoor is dat veengebied de grootste maaivelddaling heeft. Verschillen in maaivelddaling hebben ervoor gezorgd dat delen lager zijn komen te liggen. Het instellen van onderbemalingen heeft deze situatie verergerd. Een onderbemaling houdt de behoefte voor zichzelf in stand, want een verlaagd waterpeil zorgt voor een grotere maaivelddaling en een grotere maaivelddaling zorgt er voor dat een gebied nog meer gaat verschillen van het omliggende gebied en dat zorgt ervoor dat een lager waterpeil nodig is, etc, etc. De waterschappen hebben in het verleden te weinig toezicht gehouden op het ontstaan van onderbemalingen. Het merendeel van de bestaande onderbemalingen is daarom niet gereguleerd. Formeel probleem Het bestaan van ongereguleerde (niet formeel vastgelegde) onderbemalingen is een formeel probleem. Het hoogheemraadschap dient de wettelijke taak van het beheer van alle oppervlaktewater uit te voeren. In het geval van een ongereguleerde onderbemaling wordt deze taak onvoldoende uitgevoerd. Praktisch probleem Het bestaan van ongereguleerde onderbemalingen kan tevens een daadwerkelijk probleem zijn in de praktijk van het waterbeheer. Het komt voor dat ongereguleerde onderbemalingen een te grote pompcapaciteit hebben in verhouding tot het landgebruik en de oppervlakte van het onderbemalen gebied. In deze situatie wentelt de onderbemaling bij grote neerslaghoeveelheden het wateroverlast probleem af op het peilgebied waardoor het peilgebied onevenredig zwaar wordt belast. Daarnaast zijn er nog een aantal andere ongewenste gevolgen. Deze staan in paragraaf 3.4 genoemd. De verbetering van het peilbeheer heeft voor Rijnland de komende jaren prioriteit. In het WBP 2006 - 2010 beschrijft Rijnland haar streven: een robuust systeem met grote peilvakken, waarvan de te hanteren peilen in een peilbesluit worden vast gelegd. Wanneer onderbemalingen of hoogwatervoorzieningen dit streven in de weg staan moeten zij dus gereguleerd worden. De opgave voor het hoogheemraadschap is om alle ongereguleerde onderbemalingen te reguleren. Het uitvoeren van deze opgave pakt de hiervoor geschetste knelpunten aan waardoor het afwentelen van wateroverlast verdwijnt, de versnelde maaivelddaling afneemt, de waterkwaliteit mogelijk verbetert, de versnippering afneemt en de waterbeheerder haar formele taak volledig uitoefent. 3.2 Hoogwatervoorzieningen Definitie Een hoogwatervoorziening is een gebied waarin een particulier een hoger waterpeil instelt dan wordt geboden in het omliggende peilvak. Het bestaat uit een stelsel van watergangen, die niet in open verbinding staat met het polderpeil. De meeste hoogwatervoorzieningen bevinden zich voornamelijk langs de boezemkaden. Het waterpeil in de achterliggende polder is daar te laag voor de lintbebouwing langs de kade. Om de grondwaterstand voldoende hoog te houden voor de aanwezige houten paalfunderingen is het hogere peil noodzakelijk. Hiervoor wordt op een of meerdere locaties water ingelaten via een inlaat, vanuit een hoger gelegen watergang. Om het gebiedje te beschermen voor een peiloverschrijding is in de meeste situaties een stuw geplaatst om het water af te laten naar het lager gelegen peilvak waarbinnen de hoogwatervoorziening gelegen is. Hoogwatervoorzieningen bestaan sinds mensenheugenis. Reeds bij het ontvenen zijn er voorzieningen getroffen ter bescherming van de toenmalige bebouwing. Dit is veelal gebeurd nog voor het bestaan van polderbesturen. Er zijn geen cijfers bekend binnen het Hoogheemraadschap van Rijnland over het daadwerkelijke aantal hoogwatervoorzieningen. Een grove indicatie over het aantal: 100 tot 200. In het verleden werd meestal volstaan met het bekend zijn van de locaties waar zij zich bevinden. 3.3 Oorzaken In een gebied komen soms aanzienlijke verschillen in hoogteligging voor. Deze verschillen kunnen soms meer dan 1 m bedragen. Wanneer de waterbeheerder peilgebieden instelt is het uitgangspunt dat deze zo groot mogelijk zijn om een zo robuust mogelijk watersysteem te creëren. Het uiteindelijke waterpeil wordt bepaald door de gemiddelde maaiveldhoogte in het peilvak. Daarbij kan het voorkomen dat in een aantal percelen de drooglegging als onvoldoende wordt beschouwd door de gebruikers van het land. Dan wordt het instellen van een onderbemaling gezien als een soort maatwerkoplossing voor de te geringe drooglegging in een beperkt aantal percelen. Soms wordt door gebruikers om reden van afwijkend grondgebruik een onderbemaling ingesteld. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de bollenstreek. Hier zijn verschillende onderbemalingen aangelegd. De ontwatering van de percelen is voor bollenteelt van cruciaal belang. De drooglegging die hierbij past is daarmee veelal anders dan in het overige deel van het peilvak. Overigens is het voor deze specifieke teelt erg belangrijk dat het oppervlaktewaterpeil strak gehanteerd wordt. Ook de waterbeheerders hebben in het verleden een rol gespeeld in de aanwezigheid van particuliere onderbemalingen en hoogwatervoorziening. Bestaande peilafwijkingen zijn in verschillende situaties aanwezig: a. Aanleg zonder instemming van de waterbeheerder In vele gevallen is de peilafwijking illegaal. In dit geval is de onderbemaling of hoogwatervoorziening zonder toestemming van de waterbeheerder aangelegd. Er is door het waterschap nooit een vergunning verleend c.q. aangevraagd door de gebruikers. Hierbij wordt het volgende onderscheid gemaakt. 1. Gedoogsituaties Dit zijn situaties waarbij gedurende langere tijd door het waterschap niet is opgetreden tegen bestaande illegale onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen terwijl dit niet expliciet is vastgelegd in een gedoogverklaring. Dit is voor de meeste hoogwatervoorzieningen het geval. 2. Onbekende situaties Verschillende peilafwijkingen zijn aanwezig zonder dat de waterbeheerder hiervan op de hoogte is. De gemalen, inlaten of stuwen hiervan bevinden zich veelal op moeilijk te bereiken locaties. Het komt nog vele malen voor dat bij een degelijke inventarisatie ten behoeve van een bepaald project of bij het herzien van een peilbesluit blijkt dat het watersysteem lokaal is gewijzigd. 3. tijdelijke situaties Verder zijn verschillende peilafwijkingen slechts tijdelijk aanwezig. In deze situaties zijn geen permanente kunstwerken aanwezig, maar wordt bijvoorbeeld met een tractorpomp of losse slang tijdelijk het water op een ander peil gehouden. Bij hoogwatervoorzieningen spreken we in dit geval van zomersloten. b. Bestaan met medeweten van de waterbeheerder In de VWR is tevens vastgelegd dat een peilafwijkingsvergunning van rechtswege vervalt op het moment dat een nieuw peilbesluit van kracht wordt. Er is dus alleen sprake van een rechtsgeldige vergunning indien het peilbesluit van kracht is. Wanneer ooit vergunning is verleend, maar deze bij de herziening van het peilbesluit van rechtswege is komen te vervallen en vervolgens niet is vernieuwd is er eigenlijk sprake van een (stilzwijgende) gedoogsituatie, die met medeweten van het waterschap wordt geaccepteerd. 3.4 Negatieve gevolgen Het bestaan van een peilafwijking kan nadelen met zich meebrengen. Dit zijn enerzijds nadelen binnen de peilafwijking zelf en anderzijds nadelen voor het omliggende gebied. Hieronder worden de ongewenste effecten van een versnipperd peilbeheer toegelicht aan de hand van enkele belangrijke aspecten. Deze aspecten staan overigens niet op zichzelf, maar zijn duidelijk met elkaar verstrengeld. Maaivelddaling (m.n. voor onderbemalingen van belang) Maaivelddaling is vooral het gevolg van de inklinking van klei- en veengronden en de oxidatie van organische stof in veengronden. De snelheid van maaivelddaling is vrijwel recht evenredig met de grondwaterstand. Drooglegging is één van de meest bepalende factoren voor de grondwaterstand. Vertraging van het proces is mogelijk door de drooglegging zo klein mogelijk te houden. [1]Hoogteverschillen in het maaiveld worden vergroot door onderbemalingen met een grotere drooglegging dan het omliggende peilgebied. Het is met name de ongelijkmatige maaivelddaling die problematisch is met het oog op de beheersing en daarmee de duurzaamheid van het watersysteem. Behalve een gevolg, is maaivelddaling in eerste instantie een belangrijke veroorzaker geweest van het ontstaan van een versnipperd waterbeheer. Maaivelddaling en de daaraan gekoppelde peilverlagingen vormen een bijna doorgaand proces. Dit zorgt voor een vicieuze cirkel: de onderbemaling met een grotere drooglegging houdt de behoefte aan zichzelf in stand door de voortschrijdende versnelde maaivelddaling. Ecologie en waterkwaliteit Voor alle peilafwijkingen geldt dat versnippering in het waterbeheer zorgt voor obstakels in migratieroutes van (water‑)organismen. Bovendien is een beperking van de doorstroming en het optreden van stagnant water in geïsoleerde sloten in vele - maar niet alle- gevallen ongunstig voor de waterkwaliteit. Verder geldt in het geval van onderbemalingen dat als gevolg van een grotere drooglegging de mineralisatie van de bodem groter wordt. Hierdoor komen meer nutriënten (stikstof en fosfor) vrij. De uitspoeling van stikstof en fosfor naar het oppervlaktewater wordt groter. Dit effect wordt versterkt wanneer het peil in een onderbemaling vroeg in het voorjaar wordt verlaagd. De grondwaterstand is dan lager in de zomer. Door de lagere grondwaterstand neemt de oxidatie ( maaivelddaling) en uitspoeling van nutriënten weer verder toe. Zie conclusie uit de studie flexibel peilbeheer. Wanneer door de onderbemaler onnodig gebiedsvreemd water wordt ingelaten ten behoeve van doorspoeling, neemt de nog verder mineralisatie toe. Daarnaast heeft het handhaven van lage onderbemalingspeilen in diepe droogmakerijen een toename van zoute kwel tot gevolg. Watersysteem Steeds meer wordt de noodzaak gezien van het op een natuurlijke wijze omgaan met water en watersystemen. Tegen natuurlijke processen in werken tasten niet alleen wezenlijk waarden en kwaliteiten van de watersystemen aan, maar vergen daarnaast veel inspanning en brengen in het algemeen uiteindelijk hoge kosten met zich mee. De kwetsbaarheid van het systeem neemt toe en de veerkracht verdwijnt. Nu is het poldersysteem in wezen een onnatuurlijk systeem. Desalniettemin geldt hier dat het beperken van kunstmatige werken door het creëren van grote waterstaatkundige eenheden de beste manier is om dit systeem duurzaam te laten functioneren. Op zich is het feit dat voor grote oppervlakten in verschillende peilvakken afwijkende peilen worden gehandhaafd voor het waterkwantiteitsbeheer niet direct problematisch. Voorwaarde is echter dat er een goede afstemming tussen de peilafwijkingen en het poldersysteem bestaat. Dit geldt vooral voor onderbemalingen; hiervoor is het belangrijk dat er afstemming is tussen pompcapaciteiten[2] en de open waterberging. Een goede afstemming kan de waterbeheerder bewerkstelligen door een zorgvuldige wijze van ontheffingverlening en het opnemen van voorwaarden in de ontheffing. Wanneer iedere ontheffinghouder zich houdt aan de door het waterschap gestelde voorwaarden, kan de waterhuishouding in principe goed beheersbaar blijven en kunnen peilfluctuaties binnen acceptabele grenzen worden gehouden. Kleine waterstaatkundige systemen bieden over het algemeen minder bergingsmogelijkheden. Dit zal bij het huidige peilbeheer in kleine afwaterende peilgebieden en onderbemalingen leiden tot veel peilfluctuaties waarbij de bemalinginstallaties veelvuldiger aan- en afslaan. Voor alle peilafwijkingen maar m.n. onderbemalingen geldt dat in situaties van waterbezwaar het kan leiden tot ongewenste peilstijgingen -met in extreme gevallen kans op schade- in waterstaatkundige eenheden die belast worden met water van de onderbemaling. Daarbij geldt dat, wanneer een waterschapsgemaal tijdelijk uitvalt, het stilzetten van onderbemalingspompen tot praktische problemen leidt. [1] Relatie met broeikasgassen: de afbraak van veen in West Nederland draagt 1-3 % bij aan de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen in Nederland. Door verlaging van de grondwaterstand gaat veenafbraak sneller. De relatie tussen de afbraak van veen en de productie van broeikasgassen is niet zo zwart-wit; door het verhogen van de grondwaterstanden wordt de uitstoot van CO2 gereduceerd, terwijl deze verhoging tevens resulteert in hogere methaanuitstoot als gevolg van zuurstofarmere omstandigheden (Bos, R. v.d.: Veenafbraak en de uitstoot van broeikasgas in West-Nederland). [2] De verhouding tussen pompcapaciteit/hectare mag niet groter zijn dan deze verhouding van het omliggend peilvak. 4. Beheersmogelijkheden voor bestaande peilafwijkingen 4. Beheersmogelijkheden voor bestaande peilafwijkingen De waterbeheerder heeft een aantal mogelijkheden om een bestaande peilafwijking te reguleren. In de eerste paragrafen wordt kort ingegaan op de verschillende beheersmogelijkheden. Paragraaf 4.4 beschrijft de criteria aan die het hoogheemraadschap gebruikt om de keuze van reguleren te bepalen. 4.1 Vergunnen In VWR (Verordening Waterbeheer Rijnland) wordt gesteld dat het verboden is zonder vergunning, de waterstand te brengen op een peil dat afwijkt van het peil dat is vastgesteld in het peilbesluit. Heeft een hoogwatervoorziening of een onderbemaling op grond van de provinciale verordeningen recht op een vergunning, dan kan het hoogheemraadschap een vergunning verlenen of de peilafwijking in beheer en onderhoud overnemen. Deze peilafwijking heeft dan in principe recht van bestaan. Bij het verlenen van een vergunning wordt in feite een ontheffing verleend van het peilbesluit (op basis van de VWR) om een afwijkend peil in te stellen. Daarnaast krijgt de belanghebbende tevens een vergunning op basis van de Keur om de kunstwerken aan te brengen die nodig zijn voor het instellen van het afwijkende peil. De procedure voor deze vergunningverlening is tevens vastgelegd in de VWR. Een vergunning voor een peilafwijking heeft dezelfde geldigheidsduur als het peilbesluit. 4.2 Opheffen Het hoogheemraadschap kan een peilafwijking vervolgens opheffen[1] wanneer deze zonder vergunning aanwezig is, wanneer de vergunning vervalt of vervallen is en niet opnieuw wordt verleend en wanneer het hoogheemraadschap de vergunning intrekt. Een vergunning kan worden geweigerd, wanneer een onderbemaling of hoogwatervoorziening op grond van de provinciale verordeningen en/of deze beleidsregel geen recht heeft op een vergunning. Het kan voorkomen dat door het opheffen van een onderbemaling of hoogwatervoorziening schade geleden wordt door de gebruiker. Wanneer deze schade redelijkerwijs niet voor rekening van de belanghebbende kan zijn, beschikt het hoogheemraadschap over een schadevergoedingsregeling (artikel 40, Wet op de Waterhuishouding). 4.3 Overnemen in beheer en onderhoud Besluit de waterbeheerder een onderbemaling of hoogwatervoorziening over te nemen in beheer en onderhoud, dan wil dat zeggen dat het hoogheemraadschap de uitvoering van het peilbeheer voor zijn rekening neemt. Praktisch gezien betekent dit dat het hoogheemraadschap zorg draagt voor de benodigde kunstwerken (gemaal, peilscheidende dammen, inlaat, etc). Formeel gezien wordt dan een nieuw peilvak ingesteld, waarvoor een peilbesluit moet worden vastgesteld. 4.4 Criteria Hoe zijn de beheersmogelijkheden, zoals in de voorgaande paragrafen benoemd, te gebruiken om ons doel te bereiken: het beperken van de negatieve gevolgen van de ongereguleerde peilafwijkingen (toenemende maaiveldhoogteverschillen, achteruitgang van ecologie en waterkwaliteit en een kwetsbaarder watersysteem). In de NUP van de provincie Zuid-Holland zijn een aantal criteria geformuleerd voor het reguleren van peilafwijkingen. Deze criteria hebben alleen betrekking op het recht van bestaan van de peilafwijking. Voor de reguleringen van onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen in Zuid-Holland moet het hoogheemraadschap minimaal gebruik maken van deze criteria. Hoewel de provinciale normen van Noord-Holland niet zo scherp geformuleerd staan, worden de criteria uit de NUP als uitgangspunt voor ons gehele beheersgebied genomen. Afweging verschillende mogelijkheden a. opheffen versus recht van bestaan De meest voor de hand liggende beheersmaatregel is het opheffen van de peilafwijking. Omdat het opheffen van een onderbemaling of hoogwatervoorziening bijna in alle gevallen negatieve gevolgen heeft voor de gebruiker, moet het hoogheemraadschap hier weloverwogen mee omgaan. Het hoogheemraadschap houdt rekening met de economische belangen waarop de peilafwijking zich richt. Het opheffen van een hoogwatervoorziening kan bijvoorbeeld leiden tot grote schade voor de aanwezige bebouwing. Het hoogheemraadschap wil voorkomen dat door het opheffen van een onderbemaling de drooglegging binnen de percelen te gering worden voor het doelmatig gebruik ervan. De criteria in de NUP voorzien grotendeels hierin. In de NUP staat dat een peilafwijking in principe recht van bestaan heeft, wanneer deze voldoet aan één van de volgende criteria: 1. Indien de hoogteligging van het maaiveld in een bepaald gedeelte van een peilgebied in opvallende mate afwijkt (ten minste 10 en ten hoogste 40
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.