Keur oppervlaktewateren waterschap Aa en MaasInhoudsopgave Hoofdstuk 1 Definities en begripsbepalingen Artikel 1 Definities en begripsbepalingen Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren Artikel 2 Meldplicht lozen en afvoeren Artikel 3 Vergunningplicht lozen en afvoeren Artikel 4 Vergunningplicht aanvoeren en onttrekken Hoofdstuk 3 Schouw Artikel 5 Terinzagelegging, actualisering schouwoverzichtskaarten en uitvoering schouw Hoofdstuk 4 Inrichting, beheer en onderhoud van oppervlaktewateren Artikel 6 Onderhoudsplicht niet-leggerwateren Artikel 7 Ontvangstplicht baggerspecie en maaisel Artikel 8 Afrasteringen Artikel 9 Verbodsbepalingen Artikel 10 Reikwijdte verbodsbepalingen Artikel 11 Kunstwerken Artikel 12 Ontheffingverlening Artikel 13 Toezicht en handhaving Artikel 14 Strafbepaling Artikel 15 Regeling schadevergoeding Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Overgangsbepalingen Artikel 16 Legger Artikel 17 Verleende vergunningen en ontheffingen Slotbepalingen Artikel 18 Inwerkingtreding Artikel 19 Citeertitel Toelichting Algemenetoelichting - Formeel wettelijk kader - Reikwijdte Hogere regelgeving Vastgesteld beleid Specialiteitsbeginsel Eigendomsbeperking - Relatie Keur en legger - Valt het waterschap onder de werking van de keur? - Uitvoering en handhaving - Doel keur Hoofdstukgewijze toelichting Artikelsgewijze toelichting Bijlagen Bijlage 1 Kaartmateriaal met begrenzing beschermingsgebieden Hoofdstuk 1 Definities en bepalingen Artikel 1 Definities en begripsbepalingen Voor de toepassing van deze keur wordt verstaan onder: het waterschap: het waterschap Aa en Maas; Verordening: Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 1997; beheersplan: het beheersplan als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding en hoofdstuk 3 van de Verordening; oppervlaktewateren: wateren die dienen voor de afvoer, aanvoer of berging van water, met inbegrip van de waterbodem, taluds en onderhoudspaden; legger: de legger, waarvan de vaststelling is voorgeschreven ingevolge artikel 78 van de Waterschapswet en hoofdstuk 9 van de Verordening; leggerwateren: oppervlaktewateren, geregistreerd in de legger; niet-leggerwateren: oppervlaktewateren, niet geregistreerd in de legger; bouwwerken: alle constructies van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming direct of indirect steun vinden in of op de grond; kunstwerken: waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de waterbeheersing dan wel uit andere hoofde zijn gelegen in of over een watergang. werken: alle door menselijk toedoen gemaakte of te maken constructies met toebehoren, daaronder begrepen bouwwerken, kunstwerken, kabels en leidingen; schouw: de periodieke door of namens het dagelijks bestuur te houden controle op het door derden uit te voeren onderhoud van niet-leggerwateren en van de daaronder, -in of -over gelegen kunstwerken; talud: het hellend oppervlak van de zijdelingse begrenzingen van oppervlaktewateren; de insteek: de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten; de oever: zone tussen de insteek en land, waarin een (geleidelijke) overgang plaatsvindt van natte naar droge omstandigheden; baggerspecie: bij onderhoud vrijkomende grond met daarin voorkomende stoffen; maaisel: begroeiing met enige aanhangende baggerspecie; onderhoudsplichtige: de eigenaar of gebruiker van aangrenzende gronden indien het een niet-leggerwater betreft, dan wel -indien het een legger-water betreft - de kwantiteitsbeheerder die het beheer over dat leggerwater heeft, tenzij de legger aangeeft dat de onderhoudsverplichting bij een ander berust; beschermingsgebieden: gebieden - zoals aangegeven op de als bijlage 1 opgenomen kaarten – waarvoor een anti-verdrogingsbeleid geldt gericht op behoud en/of herstel van grondwaterstanden en kwelsituaties. Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren Artikel 2 Meldplicht lozen en afvoeren (incl. drainage) Degene die water loost in of afvoert naar oppervlaktewateren meldt de wijze daarvan schriftelijk aan het dagelijks bestuur, tenzij het gevallen betreft: waarvan voor het lozen of afvoeren een vergunning is vereist; waarvoor een vergunning is verleend die ingevolge artikel 60, derde lid, van de Wet op de waterhuishouding wordt beschouwd als een vergunning op grond van die wet; van waterafvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling. Artikel 3 Vergunningplicht lozen en afvoeren (incl. drainage) 1. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewateren gelegen in beschermingsgebieden; 2. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewateren gelegen buiten beschermingsgebieden: indien dit water afkomstig is van een uitbreiding van verhard oppervlak, indien deze uitbreiding groter of gelijk is aan 1000m²; indien op de voorgenomen wijze van lozing of afvoer meer dan 70m³ water per uur kan worden geloosd of afgevoerd. 3. De vergunningplicht genoemd in het eerste en tweede lid geldt niet voor waterafvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling. Artikel 4 Vergunningplicht onttrekken en aanvoeren Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te onttrekken aan of aan te voeren uit oppervlaktewateren, met uitzondering van: het onttrekken met een weidepomp voor het drenken van dieren; het onttrekken van water voor het blussen van branden; wateraanvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling. Hoofdstuk 3 Schouw Artikel 5 Terinzagelegging, actualisering schouwoverzichtskaarten en uitvoering schouw 1. Jaarlijks wordt op een door het dagelijks bestuur te bepalen datum, schouw gevoerd over niet bij het waterschap in onderhoud zijnde oppervlaktewateren, rekening houdend met de daaraan toegekende functie(s). 2. De oppervlaktewateren waarover schouw wordt gevoerd staan op schouwoverzichtskaarten. Deze kaarten worden jaarlijks gedurende twee weken ter visie gelegd. 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt ten minste vier weken van tevoren bekendgemaakt in een of meer in het gebied verschijnende dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. 4. In spoedeisende gevallen of buitengewone omstandigheden kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken. 5. Indien bij een schouwvoering overtredingen zijn geconstateerd, wordt een herschouw uitgevoerd binnen een door het dagelijks bestuur te bepalen termijn. Hoofdstuk 4 Inrichting, beheer en onderhoud van oppervlaktewateren Artikel 6 Onderhoudsplicht niet-legger-wateren De onderhoudsplichtigen van niet-leggerwateren zijn verplicht: voorwerpen, obstakels, materialen en stoffen die de aan-, afvoer of berging van water hinderen of kunnen hinderen, te verwijderen; begroeiingen te maaien en te verwijderen en het uitkomende maaisel binnen twee dagen na het maaien uit het water te halen en op de oever te brengen; oevers en taluds, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, in stand te houden voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de afvoer, aanvoer en/of berging van het water wordt of kan worden gehinderd. Artikel 7 Ontvangstplicht baggerspecie en maaisel Het dagelijks bestuur kan bepalen dat de eigenaar of gebruiker verplicht is meer dan de helft of een evenredig gedeelte van de baggerspecie en het maaisel als bedoeld in artikel 9.7.1 tweede lid Verordening te ontvangen. Artikel 8 Afrasteringen 1. De eigenaren of gebruikers van aan oppervlaktewateren gelegen percelen die worden gebruikt voor het houden van dieren, zijn verplicht een voldoende kerende afrastering te hebben en te houden op een zodanige afstand van de insteek van deze oppervlaktewateren en van een zodanige constructie dat de aan- en afvoer van water en het onderhoud aan de oppervlaktewateren niet wordt gehinderd. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde zodanige afstand wordt in geval van leggerwateren verstaan een minimale afstand van 1 meter uit de insteek en in geval van niet-leggerwateren een afstand van tenminste 0,5 meter. 3. De maximale hoogte van afrasteringen langs leggerwateren bedraagt 1.20 meter. Artikel 9 Verbodsbepalingen 1. Het is verboden: een oppervlaktewater aan te leggen, te verleggen, geheel of gedeeltelijk te dempen of in de afmetingen of constructie daarvan veranderingen aan te brengen; onder, in op of over een oppervlaktewater kunstwerken aan te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen; onder, in of over een oppervlaktewater buizen, kabels of leidingen te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen; de doorstroming of berging van het water op enigerlei wijze te belemmeren of te stremmen; in, boven of onder oppervlaktewateren: 1e te graven; 2e werken te maken, te hebben, te herstellen, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen; 3e beplantingen aan te brengen, te hebben of te rooien; oevers en taluds te beschadigen of te vernielen; beplantingen of materialen dienende ter verdediging van oevers, taluds of waterbodems te beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of te verwijderen; zich anders dan als rechthebbende, op of in oppervlaktewateren op te houden, indien dat door of namens het bestuur op een voor publiek kenbare wijze is aangegeven; op of in oppervlaktewateren vistuigen, anders dan sportvistuigen, te plaatsen of te hebben; in oppervlaktewateren: 1e voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren, te lozen of op te slaan; 2e afval, vuilnis of andere dergelijke stoffen, daaronder begrepen meststoffen en chemische middelen, te storten, te laten vloeien of te hebben; nabij oppervlaktewateren: 1e afgravingen voor het winnen van delfstoffen of baggerspecie, alsmede seismische onderzoeken te verrichten; 2e leidingen, tanks, drukvaten of andere vergelijkbare werken neer te leggen, op te richten, te hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen; | 3e boringen te verrichten, zoals benodigd voor het exploreren van of winnen van gas, vloei- of delfstoffen; in oppervlaktewateren dieren of planten uit te zetten, die in strijd zijn met of afbreuk doen aan de aan oppervlaktewateren in het provinciale Waterhuishoudingplan of het waterbeheersplan toegekende functies; het maaiveld te verhogen of te verlagen; het wegnemen, verplaatsen of beschadigen van aanwezige peilschalen en meetapparatuur; taluds of de bodem af te branden of het daarop stoken van vuren; op welke wijze dan ook muggenlarven of watervlooien te scheppen; om andere reden dan het verrichten van onderhoud vegetatie te verwijderen. 2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van de uitvoering van herstel- en onderhoudswerkzaamheden door of vanwege het waterschap. Artikel 10 Reikwijdte verbodsbepalingen 1. Het bepaalde in artikel 9 eerste lid onder e, h en j geldt voor leggerwateren met inbegrip van de grond gelegen binnen een afstand van vijf meter gemeten vanuit de insteek. 2. Het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder k geldt voor leggerwateren met inbegrip van de grond gelegen binnen een afstand van 10 meter gemeten vanuit de insteek. Artikel 11 Kunstwerken Het is met betrekking tot kunstwerken verboden enige handeling te verrichten waardoor deze worden beschadigd of de werking daarvan kan worden belemmerd, veranderd of stopgezet. Artikel 12 Ontheffingverlening 1. Het dagelijks bestuur kan, rekening houdend met de toegekende waterhuishoudkundige functies en de in het provinciale Waterhuishoudingsplan, de in het waterbeheersplan vastgestelde doelstellingen ten aanzien van de oppervlaktewateren en de hieruit voortvloeiende onderhoudsbeheersplannen ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 6, 8, 9 en 11, een verleende ontheffing wijzigen of intrekken, ambtshalve dan wel op aanvraag. 2. Aan de ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden ter bescherming van de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. 3. De toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel kan mede strekken ter bescherming van de aan de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied verbonden belangen, voorzover daarin niet is voorzien door een andere wettelijke regeling. 4. Het dagelijks bestuur is bevoegd voor de in het eerste lid bedoelde aanvraag en de daarbij te verstrekken gegevens een aanvraagformulier vast te stellen. 5. Aanvragen gaan vergezeld van deugdelijke situatietekeningen, kadastrale kaarten, ontwerptekeningen. Artikel 13 Toezicht en handhaving Het dagelijks bestuur wijst ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze keur bepaalde en de handhaving. Artikel 14 Strafbepaling 1. Overtreding van de geboden in de artikelen 6, 7, en 8 en van de verboden in de artikelen 9 en 11 alsmede overtreding van de voorschriften van een krachtens hoofdstuk 4 verleende ontheffing wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd. Artikel 15 Regeling schadevergoeding Aan de eigenaar of gebruiker van erven en gronden langs of in de nabijheid van oppervlaktewateren, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van door of vanwege het waterschap verrichte handelingen als bedoeld in hoofdstuk 4, welke schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet anderszins is of kan worden geregeld, wordt door het dagelijks bestuur op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Overgangsbepalingen Artikel 16 Legger Totdat de legger is vastgesteld, worden als leggerwateren aangemerkt, de wateren waarvoor het waterschap overeenkomstig artikel 11.3.2 eerste lid Verordening onderhoudsplichtig is. Artikel 17 Verleende vergunningen en ontheffingen 1. Een vergunning of ontheffing, verleend vóór de inwerkingtreding van deze keur, waarbij een ingevolge deze keur vergunning- of ontheffingplichtig werk of handelen door het bevoegd gezag is toegestaan, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn verleend. 2. Voor al hetgeen ten tijde van inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht vergunning of ontheffing ingevolge deze keur te zijn verleend. Slotbepalingen Artikel 18 Inwerkingtreding 1. Deze keur treedt in werking 6 weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2. Op het tijdstip genoemd in het eerste lid worden de Keur De Aa 2001, vastgesteld op 9 november 2001 en de Keur op de oppervlaktewateren waterschap De Maaskant 2002, vastgesteld op 23 mei 2002 ingetrokken met dien verstande dat de bepalingen van deze keuren van kracht blijven, indien en voor zover de dienovereenkomstige bepalingen van deze keur niet in werking zijn getreden. Artikel 19 Citeertitel Deze keur wordt aangehaald als Keur oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas. Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 5 januari 2004, de griffier, de dijkgraaf, drs, C.J.E. van Vlokhoven drs. L.P.M. van den Berg Algemene toelichting Formeelwettelijk kader Ingevolge artikel 78 Waterschapswet dient het algemeen bestuur de verordeningen te maken die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. De keur voor de oppervlaktewateren is zo’n verordening. De taken die het waterschap zijn opgedragen, zijn omschreven in het waterschapsreglement dat door de provincie is vastgesteld. In het Reglement voor Waterschap Aa en Maas is bepaald dat dit waterschap de zorg heeft voor de waterkeringen en het waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat het waterschap slechts bevoegd is tot het stellen van keurbepalingen ter bescherming van de waterkwaliteit voorzover daarin bij hogere regeling (zie artikel 4 Uitvoeringsbesluit ex artikel 1, derde lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren) niet is voorzien. Naast uitvoering van reglementaire taken kan er sprake zijn van opdracht tot uitvoering van taken in medebewind. Zo heeft het waterschap ingevolge de Wet op de waterhuishouding en de provinciale Verordening waterhuishouding Noord-Brabant de bevoegdheid de vergunningplicht voor het lozen en onttrekken nader uit te werken. Hieraan wordt in de keur voor de oppervlaktewateren invulling gegeven. Reikwijdte 1. Hogere regelgeving Het waterschapbestuur is op grond van artikel 59 Waterschapswet niet bevoegd ten aanzien van onderwerpen waarin door een hogere wettelijke regeling is voorzien verordeningen te maken die met die hogere regelingen in strijd zijn. Bovendien mag het waterschapsbestuur geen regels stellen met betrekking tot onderwerpen, waarin door een hogere wettelijke regeling uitputtend wordt voorzien. Afstemming heeft derhalve plaatsgevonden met de Waterstaatswet, de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet op de waterhuishouding en de provinciale Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2. Vastgesteld beleid De bepalingen in deze keur dienen te worden toegepast met inachtneming van het voor het waterstaatkundig zorggebied geldende beleid. Voor de waterhuishoudingszorg is dit beleid op rijksniveau vastgelegd in de Nota waterhuishouding en op provinciaal niveau in de waterhuishoudingsplannen. Het in het voor het gebied vastgestelde beheersplan verwoorde beleid is richtinggevend bij de uitvoering van de keur door het waterschap. 3. Specialiteitsbeginsel Op grond van het in de artikelen 56 en 78 van de Waterschapswet opgenomen specialiteitsbeginsel kan het waterschap alleen regels stellen ter behartiging van zijn reglementaire taken. Tijdens de parlementaire behandeling van de Waterschapswet is er evenwel op gewezen dat het waterschap bij de besluitvorming naast waterstaatkundige belangen ook rekening moet houden met andere publieke belangen. Concreet betekent dit dat het waterschap zijn aandacht niet uitsluitend moet richten op het water zelf, maar ook op de relevante omgeving daarvan, zoals waterbodem, de oever, de infrastructuur. Belangen van natuur, landschap en milieu mogen bij de besluitvorming worden meegenomen voor zover ze betrokken zijn bij de reglementaire taak van het waterschap. In het vigerende waterbeheersplan wordt invulling gegeven en wordt aangegeven hoe het waterschap vanuit het brede perspectief rekening houdt bij de besluitvorming met natuur-, milieu- en landschapsbelangen. Via de keur zal deze brede belangenafweging gestalte moeten krijgen. 4. Eigendombeperking Bij de keur wordt het eigendomsrecht beperkt. Artikel 1 boek 5 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het eigendomsrecht kan worden beperkt. De eigendomsrechten mogen, in verband met waterstaatsbelangen, echter niet op onevenredige wijze worden aangetast. Dit aspect dient ook bij de toepassing van de keur in de belangenafweging te worden meegenomen. Relatie Keur en legger Uit de legger is af te lezen wie onderhoudsplichtig is, waaruit de onderhoudsverplichting bestaat ofwel waar het gebods- en verbodsregime van de keur van toepassing is. De legger is in deze te beschouwen als een onderdeel van de keur. Wijziging van de legger betekent dan ook een wijziging in de toepassing van de keur. Valt het waterschap onder de werking van de keur? De bepalingen in deze keur bevatten uitsluitend geboden en verboden die zich richten tot derden en niet tot het waterschap als lichaam van openbaar bestuur, handelend ter uitvoering van zijn taak. Wanneer het waterschap optreedt als ieder ander privaat persoon heeft het voor de uitvoering van ingevolge de keur vergunningplichtige werken een keurvergunning nodig. Gezien het beperkte uitsluitend waterstaatkundige belangenkader van de keur kan worden gesteld dat het waterschap in het kader van de uitvoering van zijn openbare taak in principe geen keurontheffing nodig heeft. Uitvoering en handhaving Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de uitvoering van de keur. Dit betekent enerzijds dat dit bestuur moet zorgen voor de handhaving van de in de keur gestelde geboden en verboden en anderzijds dat het bestuur belast is met de uitvoering van het in de keur opgenomen vergunningenstelsel. Ingevolge de Waterschapswet kan de handhaving geschieden met gebruikmaking van strafvervolging en van bestuursrechtelijk optreden. Bij overtreding van de keur kunnen boetes op grond van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Artikel 85 van de Waterschapswet bepaalt dat de door de leden van het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren belast zijn met de opsporing van de keurovertredingen, onverminderd de bevoegdheid van de bij artikel 141 Wetboek van Strafrecht aangewezen personen. Deze opsporingsambtenaren kunnen de overtreder van de keur een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85 derde lid Waterschapswet). Echter de bevoegdheden zoals opgenomen in artikel 85 Waterschapswet bezitten bovengenoemde personen van het waterschap niet zonder meer. De betreffende personen dienen te worden aangewezen en beëdigd door de Minister van Justitie en moeten bovendien aan bepaalde bekwaamheidseisen voldoen. Daarnaast kan het bestuur ook gebruik maken van de bevoegdheden tot het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom. Doel keur De bepalingen van deze keur hebben uitsluitend tot doel de afvoer en aanvoer of berging van het op de bodem vrij aanwezige oppervlaktewater te bevorderen en de gewenste ontwatering te verkrijgen van de gronden die op dat oppervlaktewater afwateren. Om dit doel te bereiken is nodig dat: er voldoende berging is om pieken in de toestroming van water te kunnen opvangen; er voldoende afvoercapaciteit is om het overtollige water af te kunnen voeren; er een goede afstroming vanaf het aangrenzende maaiveld plaatsvindt; snel kan worden gesignaleerd of de waterafvoer wordt gestremd. Hoofdstukgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Definities en begripsbepalingen Voor een goed begrip van de in de keur opgenomen regeling is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de betekenis van de begrippen die in de keur worden gehanteerd. Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren Dit hoofdstuk geeft voor het hele waterschapsgebied een verbodsregiem (behoudens vergunning) voor het onttrekken aan en het aanvoeren uit oppervlaktewateren. Tevens bevat het een gebiedsgericht verbodsregiem voor het lozen in en het afvoeren van water naar oppervlaktewateren. Ook drainage valt onder dit verbodsregiem. Bij drainage wordt grondwater uit percelen geloosd op oppervlaktewater met het doel de grondwaterstand van één of meer percelen in de omgeving te verlagen. Drainage heeft niet alleen effect op de grondwaterstand en grondwaterstroming van percelen, maar ook op die van percelen in de omgeving en kan met name in gebieden met natuurwaarden de grondwaterstand en grondwaterstroming sterk verstoren. Gekoppeld aan het instrumentarium dat dit hoofdstuk biedt, dient een vergunningenbeleid te worden ontwikkeld. Hoofdstuk 3 Schouw Het betreft hier de schouw op het onderhoud aan waterlopen (gebodsbepalingen) en daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen. Bij de schouw wordt rekening gehouden met de functie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.