Achtergrondnota). De beleidsnota Keurontheffing Waterkeringen is bedoeld voor bewoners, grondeigenaren en andere belanghebbenden in het AGV-gebied, die plannen ontwikkelen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit, het beheer, het (periodiek) onderhoud en versterkingswerkzaamheden van waterkeringen. De nota is tevens bedoeld als handreiking voor medewerkers van het waterschap ten behoeve van het verlenen van keurontheffingen. 1.3 Precedentwerking Eveneens kunnen geen rechten worden ontleend aan mogelijke tekortkomingen bij bestaande waterkeringen. Indien een bestaande waterkering tekortkomingen heeft, is het afhankelijk van de oorzaak en de aard van de tekortkoming, de taak van de onderhoudsplichtige, de veroorzaker, of AGV om deze te herstellen dan wel te verbeteren. AGV moet hierbij rekening houden met de prioritering van waterkeringswerken elders in het AGV-gebied. Een mogelijke tekortkoming betekent niet, dat deze tekortkoming ook kan worden geaccepteerd in een nieuwe situatie of op een andere locatie. 2 Reikwijdte nota en de Keur 2.1 Verboden in de Keur In de Keur zijn verbodsregels voor activiteiten en ingrepen in, op en rond waterkeringen opgenomen om de waterkerende werking daarvan te beschermen en blijvend te kunnen garanderen. Het is echter mogelijk om op deze verbodsregels "ontheffing" aan te vragen. Een ontheffing is een vergunning om bepaalde activiteiten of ingrepen uit te mogen voeren, onder bepaalde randvoorwaarden. Daarbij wil AGV er zeker van zijn dat de kerende werking van de betreffende waterkering niet wezenlijk wordt aangetast of dat dit wordt gecompenseerd. Daarnaast mag de activiteit of ingreep het onderhoud van de waterkering en de in de loop der tijd noodzakelijke ophoging en versterking daarvan niet onmogelijk of veel duurder maken. Ophoging en versterking van waterkering is namelijk op den duur altijd noodzakelijk wegens de voortgaande maaivelddaling van de dijk en zijn omgeving. Daarnaast kan het nodig zijn omdat het waterpeil van het te keren water hoger wordt of verhoogd moet worden, vanwege bijvoorbeeld klimatologische ontwikkelingen of een andere wijze van (peil)beheer. 2.2 Ontheffingen op Keur-verboden Het kenmerk van een ontheffing is “nee, tenzij”. Dat betekent, dat bepaalde activiteiten in, op en rond waterkeringen niet zijn toegestaan, tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden waaronder ontheffing kan worden verleend op een bepaald verbod zijn echter vaak niet eenvoudig te bepalen. Vaak zijn gegevens nodig over de invloed van de ingreep of activiteit op de stabiliteit van het betreffende deel van de waterkering en dat is op zijn beurt weer afhankelijk van de structuur en opbouw van de waterkering, de ondergrond en de directe omgeving daarvan. Om enig houvast te geven voor zowel aanvragers van een ontheffing als voor diegenen die de ontheffing moeten verlenen is gepoogd om in de onderhavige beleidsnota zoveel mogelijk regels en richtlijnen te geven die bij ontheffingverlening gehanteerd zullen worden. Daarbij is een onderscheid gemaakt in "beleidsregels", in de tekst aangeduid met (B), die vrij strak gehanteerd worden en waar weinig "ruimte" in zit, en in richtlijnen. Richtlijnen geven meer een "richting" aan en zijn doorgaans minder duidelijk of zwart-wit dan beleidsregels. Voor beiden geldt echter dat er alleen gemotiveerd van afgeweken kan/mag worden. Voor het afwijken van een beleidsregel moet doorgaans sprake zijn van bijzondere omstandigheden. 2.3 Typologie waterkeringen Het gebied van AGV kent verschillende typen waterkeringen, die in de keur zijn gedefinieerd. Op de bij de Keur behorende keurkaarten is aangegeven tot welk type de waterkeringen behoren. Onderscheid is gemaakt op grond van belang en functie. Het gaat in volgorde van afnemend belang om primaire, secundaire en tertiaire waterkeringen. Fysiek gezien kan het daarbij gaan om "echte dijken" ofwel waterkerende dijklichamen, om stroken grond breder dan 30 meter met een (theoretische) waterkerende werking, de zogenaamde verholen waterkeringen, of om waterkerende kunstwerken zoals sluizen, dammen en keerschotten. De secundaire waterkeringen kunnen verder worden onderverdeeld in directe en indirecte boezem- en tussenboezemwaterkeringen, zomerkaden en compartimenteringskeringen. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de verschillende typen waterkeringen en de kenmerken en opbouw daarvan wordt verwezen naar de Keur en naar de Achtergrondnota Keurontheffingen Waterkeringen. 2.4 Reikwijdte verboden en ontheffingen In de Keur zijn op en rond waterkeringen zones gedefinieerd waarin bepaalde verboden wel of niet gelden dan wel strenger gehanteerd worden. Er is daarbij een onderscheid gemaakt in de kernzone van de waterkering en de daaromheen gelegen beschermingszones (
figuur 1). Deze zonering is bepalend voor welke ingrepen en activiteiten ontheffing aangevraagd moet worden op de betreffende verboden uit de Keur. Onder de kernzone en de beschermingszones zijn twee “theoretische” profielen gelegen, het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte. De ligging van deze twee profielen is bepalend voor het feit of wel of geen ontheffing kan worden verleend en zo ja, onder welke voorwaarden. In de beleidsregels van deze beleidnota worden deze profielbenamingen daarom vaak gebruikt. De strengste voorwaarden gelden voor het keurprofiel en de kernzone, met name bij waterkerende dijklichamen ofwel echte fysieke "dijken" met een schuin (gras)talud aan binnen- en buitenzijde. De voorwaarden zijn, in ieder geval buiten het keurprofiel en de kernzone, minder streng voor de zogenaamde verholen waterkeringen. Deze begrippen zijn verder uitgelegd en uitgewerkt in hoofdstuk 3. 2.5 Reikwijdte van de nota De nota Keurontheffing Waterkeringen heeft in de eerste plaats betrekking op nieuwe activiteiten of werkzaamheden en op het aanbrengen van nieuwe objecten of elementen in en bij waterkeringen. De nota heeft deels ook betrekking op het beoordelen of (op veiligheid) toetsen van bestaande objecten of situaties die formeel ontheffingsplichtig zijn maar waarvoor (nog) geen schriftelijke ontheffing is verleend. 3 Waterkeringzones en -profielen Er is een onderscheid gemaakt in de kernzonevan de waterkering, de daaromheen gelegen beschermingszones en de daar weer omheen gelegen buitenbeschermingszones. Binnen de kern- en beschermingszones zijn twee “theoretische” profielen gelegen, het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte. (
figuur 2). (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 2 Dwarsdoorsnede van een denkbeeldig waterkerend “breed” dijklichaam, waarbij zowel het keurprofiel als het profiel van vrije ruimte binnen het actuele profiel van de kering vallen.) Het keurprofiel is het minimaal benodigde profiel van de waterkering om de vereiste kerende werking te kunnen garanderen. Om het keurprofiel heen is het profiel van vrije ruimte gelegen. Dit is de in de toekomst benodigde ruimte voor ophoging en versterking. Het profiel van vrije ruimte is binnen de beschermingszones en bij brede overgedimensioneerde waterkeringen (
figuur 2) ook deels of geheel binnen de kernzone c.q. de fysiek aanwezige waterkering gelegen. Bij het bepalen van het profiel van vrije ruimte wordt rekening gehouden met de te verwachten ontwikkelingen over een periode van 50 tot 100 jaar. Bij bepaalde, zeer ruim gedimensioneerde, waterkeringen kan de kernzone middels de legger beperkt zijn/worden tot een deel, de buitendijkse, het midden of de binnendijkse kant, van de werkelijke fysieke waterkering (
ook §3.1 en de figuren 4 t/m 6). Intermezzo: Verschil tussen zones en profielen Onder de kernzone en de beschermingszones is in de ondergrond het ‘theoretische’ keurprofiel gedefinieerd. Dit is het werkelijk voor de waterkering en de stabiliteit daarvan, benodigde deel van de ondergrond. Het kan zijn dat de hele waterkering binnen het keurprofiel ligt, of dat een deel van een waterkerend dijklichaam buiten het keurprofiel gelegen is (
figuur 2). Het keurprofiel moet in principe vrij blijven van waterkeringvreemde elementen tenzij deze de stabiliteit van de waterkering vergroten. Rond het keurprofiel is doorgaans extra ruimte nodig voor toekomstige ophoging en versterking van de waterkering. De meeste waterkerende dijklichamen moeten namelijk na verloop van tijd worden opgehoogd en versterkt vanwege zetting van de ondergrond, met name in veengebieden en bij veenhoudende waterkeringen. Langs de primaire waterkering van het Markermeer moet daarbovenop nog extra ruimte worden vrijgehouden voor een in de toekomst mogelijk hoger peil van het buitenwater. Deze extra ruimte wordt (in beide gevallen) het profiel van vrije ruimte genoemd. Het profiel van vrije ruimte moet vrij blijven van ingrepen die toekomstige ophoging en versterking moeilijk of onmogelijk maken. De begrenzing van het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte (in de ondergrond) is voor de verboden uit de Keur zelf niet van direct belang. De begrenzing is wel van belang om te bepalen of ontheffing kan worden verleend voor bepaalde ingrepen in de kern- of beschermingszones. Om te weten of een ontheffing voor ingrepen of activiteiten moet worden aangevraagd is het alleen van belang om te weten of deze in de kern- of beschermingszone van een waterkering plaats vinden. De kernzone omvat dan in ieder geval de binnen de waterkering gelegen delen van het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte. De daarbuiten vallende delen van de fysieke waterkering zijn dan onderdeel van de beschermingszone (
figuur 2). De aan de kernzone grenzende beschermingszones zijn bedoeld om activiteiten en ingrepen te kunnen verbieden die een negatief effect (kunnen) hebben op de stabiliteit van de waterkering. Daarbij is het vooral van belang om na te gaan of de activiteit of ingreep een negatieve invloed heeft of kan hebben op het keurprofiel van de waterkering. Bij waterkerende dijklichamen zijn grenzend aan de beschermingszones zogenaamde buitenbeschermingszones gedefinieerd. De breedte daarvan is evenals die van de beschermingszones zelf, afhankelijk van het type waterkering. Beide zijn vastgelegd in artikel 2 lid 7 van de Keur (
tabel 1: §3.1). In de buitenbeschermingszone is graven dieper dan 2 meter verboden en zijn beperkingen gesteld aan het leggen van drukleidingen en het hebben van explosiegevaarlijk materiaal, inrichtingen en (ingegraven) drukvaten en dergelijke middels Keur-artikel 9 lid 6. Daarnaast zijn in een zone van 500 meter vanuit de teen van primaire en directe secundaire waterkerende dijklichamen en een zone van 300 meter vanuit de teen van indirecte secundaire waterkerende dijklichamen exploratieboringen en het gebruik van explosieven en trillingsbronnen voor seismische onderzoek niet toegestaan zonder ontheffing (art. 9 lid 7). De reden is dat de genoemde ingrepen ondanks de afstand toch een (potentieel) schadelijk effect kunnen hebben op de stabiliteit van de waterkering. Alle zones bij elkaar worden in het spraakgebruik ook wel keurgebied of keurzone genoemd. De termen keurgebied en keurzone worden in het vervolg van deze beleidsnota echter niet gehanteerd omdat ze voor velerlei uitleg vatbaar zijn. 3.1 Kernzone, keurprofiel en waterkeringtype De strengste verboden gelden voor het keurprofiel en de kernzone, met name bij waterkerende dijklichamen ofwel fysieke "dijken" met een hellend talud aan binnen- en buitenzijde. De geboden zijn, in ieder geval buiten het keurprofiel, minder streng voor zogenaamde verholen waterkeringen. Het keurprofiel is het minimaal benodigde deel van de waterkering dat theoretisch gezien noodzakelijk is om de ter plekke gewenste kerende werking te kunnen garanderen. (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 3 Dwarsdoorsnede van een denkbeeldig “smal” (doorgaans groen) dijklichaam: keurprofiel gelijk aan actuele profiel, profiel van vrije ruimte valt buiten waterkering) De kernzone kan smaller gedefinieerd zijn dan de waterkering zelf (figuur 4, 5 en 6) of zelfs "verholen" zijn in een veel groter aaneengesloten grond- en dijklichaam dat voor de doorsnee-burger doorgaans niet meer herkenbaar is als waterkering (figuur 8). Voorbeelden hiervan zijn de Haarlemmerdijk en Zeedijk in Amsterdam, bekende "straten" waarvan waarschijnlijk maar weinig mensen beseffen dat dit nog steeds "dijken" en zelfs "primaire waterkeringen" zijn. Het kan ook gaan om een "virtuele" waterkering in een groter aaneengesloten gebied dat de grens vormt tussen twee lager of zelfs maar één lager gelegen deel/delen. Dit is bijvoorbeeld het geval in Amsterdam in het grensgebied tussen Buitenveldert en Nieuw Zuid, de plaats van het grote plan voor de "Zuidas". Er is geen fysieke waterkering aanwezig, maar mocht de ondergrond hier doorgraven worden of totaal geperforeerd worden met kabels en leidingen dan bestaat het gevaar dat er een "lek" ontstaat van de hoger gelegen boezemwateren van Amsterdam naar de lager gelegen polder van Buitenveldert (figuur 8). (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 4 Dwarsdoorsnede van een waterkerend dijklichaam met binnendijkse bebouwing: keurprofiel en kernzone worden gekozen (beperkt) tot buitendijkse kant) (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 5 Dwarsdoorsnede van een half verholen waterkering met binnendijkse bebouwing: keurprofiel en kernzone worden gekozen (beperkt) tot buitendijkse kant) (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 6 Dwarsdoorsnede van een “breed” waterkerend dijklichaam met buitendijks woonschepen: keurprofiel en kernzone worden gekozen aan (beperkt tot) de binnendijkse kant) (
bijlage figuren.pdfvoor Figuur 7 Dwarsdoorsnede van een breed (tweezijdig kerend) dijklichaam zonder bebouwing: kernzone, keurprofiel en profiel van vrije ruimte gekozen in (beperkt tot) het middendeel van de waterkering) (
bijlage figuren.pdfvoor Figuur 8 Dwarsdoorsnede van een (geheel) verholen waterkering) 3.2 Breedte beschermingszones Uitgangspunten voor het bepalen van de breedte van beschermingszones langs waterkeringen zijn per type waterkering in tabelvorm vastgelegd in artikel 2 lid 9 van de Keur. Deze tabel
bijlage figuren.pdf voor Figuur 3 Het bepalen van de kerende hoogte van een waterkering (H)) Langs beschermende gronden zijn géén beschermingszones gedefinieerd. De exacte breedte van de beschermingszones zal evenals die van de kernzone, en de geografische ligging van kern- en beschermingszones, te zijner tijd voor iedere (type) waterkering in het beheergebied van AGV worden vastgelegd in de legger bij de Keur. 4 Beoordelen ontheffingsaanvragen De beoordeling of een (nieuwe) activiteit of het aanbrengen/aanleggen van waterkeringvreemde objecten of elementen toelaatbaar is, vindt plaats op basis van de volgende uitgangspunten.
ook Achtergrondnota). Binnen het keurprofiel mogen zich in principe geen waterkeringvreemde objecten bevinden, tenzij deze de stabiliteit vergroten. Het keurprofiel moet te alle tijden de garantie bieden dat de waterkering voldoende sterk en standzeker is en het waterkerend vermogen voldoende is gewaarborgd. Vrijhouden kruin Waterkeringen, waarbij in het geval van een calamiteit of doorbraak de gevolgschade (slachtoffers, economische schade) groot kan zijn, moeten te allen tijde bereikbaar zijn, in het bijzonder bij (dreigende) calamiteiten. Dit betekent, dat de waterkering met materieel moet kunnen worden bereikt. Hiervoor moet een strook van tenminste 3 meter breed op de kruin van waterkerende dijklichamen worden vrijgehouden van obstakels, ook als die slechts tijdelijk aanwezig zijn. Bij waterkeringen met een kruinbreedte van minder dan 3 meter, moet de gehele kruin vrij zijn van obstakels (B). 4.1 Gegevens ten behoeve van de beoordeling In bepaalde gevallen, met name bij ingrijpende ingrepen en activiteiten moet de initiatiefnemer (aanvrager ofwel beoogd vergunninghouder) op verzoek van de vergunningverlener van AGV aantonen, dat wordt voldaan aan bepaalde eisen. Hiertoe dienen de voor beoordeling noodzakelijk geachte gegevens aan AGV te worden verstrekt. Het kan daarbij onder meer gaan om gegevens met betrekking tot:
de desbetreffende paragrafen). Ook het hebben en houden van tuinen, bijvoorbeeld sier- of moestuinen is binnen het keurprofiel en op steile taluds niet toegestaan. Voor het hebben of houden van een tuin of andere opstallen binnen het profiel van vrije ruimte, maar buiten het keurprofiel en op flauwe taluds kan ontheffing worden verleend onder voorwaarde dat de tuin en opstallen bij ophoging van de waterkering op aanzegging van AGV binnen een termijn van 3 maanden op eigen kosten worden verwijderd of ontruimd (B)(op grond van Keur-art. 7 lid 2). AGV/Waternet zal inventariseren welke objecten, beplanting en werken op en langs waterkeringen een onacceptabel gevaar opleveren voor de stabiliteit van de waterkering of een belemmering vormen voor het onderhoud. Deze objecten, beplanting en werken zullen dan na schriftelijke aanzegging door AGV binnen een bepaalde termijn moeten zijn verwijderd. 5.2 Graven & ontgravingen Artikel 9 lid 1-a-b-c:Het is verboden om binnen de kernzone en beschermingszones van waterkeringen en de kernzone van beschermende gronden a. Te graven of grond te verwijderen. b. Werken aan te brengen, te hebben, of te verwijderen die op een diepte van meer dan 0,5 meter in de ondergrond verankerd of gelegen zijn. c. Sub a en b zijn niet van toepassing op werken in wateren, niet op het slaan van palen tot een diepte van 0,75 meter, en niet op het vervangen van bestaande werken op dezelfde plaats en diepte. Onder ontgraving wordt verstaan het verwijderen van grond onder het maaiveld, zonder dit direct terug te brengen. Bij permanente ontgraving wordt de ontgraven grond niet terug gebracht, bij tijdelijke ontgraving wel. Soms niet volledig omdat er een werk is/wordt gebouwd of aangelegd dat een deel van de ruimte van de ontgraving inneemt. Graven en ontgravingen zijn niet alleen binnen de kernzone van waterkeringen maar ook binnen de beschermingszones verboden. Graven is vaak noodzakelijk voor het aanbrengen van werken zoals palen, hekken, steigers en bebouwing, in dat geval worden bij het beoordelen van de aanvraag voor een ontheffing niet alleen de effecten van het graven bekeken, maar ook die van nut en noodzaak van het betreffende werk en de effecten van de blijvende aanwezigheid van het werk op de stabiliteit van de waterkering (
de paragrafen over de betreffende werken). In de kernzone, de taluds en een strook met een breedte van 5 meter ter weerszijden van de binnen- en buitenteen van onverharde delen van waterkerende dijklichamen en beschermingszones wordt geen ontheffing voor graven en ontgravingen gegeven, tenzij dit noodzakelijk is voor het aanbrengen, verwijderen of vervangen van werken en hier ontheffing voor is/wordt verleend (B). Een negatieve invloed van graven buiten de 5-meter-zone is mogelijk wanneer de ondiepe ondergrond gevoelig is voor het ontstaan van zandmeevoerende wellen (piping). Grondroering kan bij hoog buitenwater van invloed zijn op (buitendijkse) verplaatsing van het intredepunt van het buitenwater, waarbij onder het intredepunt wordt verstaan het contactpunt van het buitenwater met watervoerende zandlagen onder de waterkering. In dat geval zal ook buiten de 5-meter zone geen ontheffing voor bepaalde graafwerkzaamheden worden gegeven of kunnen daaraan bepaalde voorwaarden worden gesteld. 5.3 Grondwateroverspanning nabij waterkeringen Polders als de Watergraafsmeer en de polder Groot-Mijdrecht zijn diepe droogmakerijen. Het waterpeil in de Watergraafsmeer ligt bijvoorbeeld tot vijfeneenhalve meter onder NAP. Door de lage ligging van deze polders kan grondwater naar de oppervlakte komen, het zogenoemde kwelwater. Naast de kwel door grondwater kan het eerste watervoerende pakket ook een kwelstroom veroorzaken. Dit wordt een wel genoemd. Vaak is dit, vanuit de diepte komende water (eerste watervoerende pakket) enigszins zilt. De drijvende kracht achter deze kwelstroom is de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket (
figuur 4). Welvorming Welvorming wordt gestimuleerd door scheuren of perforaties in de bovenste grondlaag, of te wel deklaag. Wanneer deze deklaag wordt aangetast door scheuren of perforaties, sluit deze de onderliggende waterhoudende laag minder goed af neemt de kans op het ontstaan van wellen toe. Enkele wellen in de beschermingszone van de waterkering zullen de stabiliteit van de waterkering niet of nauwelijks beïnvloeden. Dit heeft voornamelijk een nadelig effect op de oppervlaktewaterkwaliteit in de polder (een te hoog chloride gehalte). Als er steeds meer wellen ontstaan kan, door verweking, de stabiliteit van de waterkering wel nadelig worden beïnvloed. (
bijlage figuren.pdf voor Figuur 4 Grondwateroverspanning in diepe polders) Opbarsting In andere gevallen kan er sprake zijn van opbarsting. Indien de deklaag dunner wordt, bijvoorbeeld door het afgraven van grond(geen tegendruk), kan opbarsting van de deklaag ontstaan. De deklaag bepaalt de weerstand tegen opbarsten. In de beschermingszones maar ook daarbuiten, kan dit zeer grote negatieve effecten hebben op de stabiliteit van de waterkering. Deze situaties kunnen ontstaan bij: afgraven, bijvoorbeeld bij het graven van sloten of tunnels; vervorming van de ondergrond door ophoging of bemaling in diepere grondlagen; grondonderzoek; het aanbrengen van verticale drainage onder ophogingen; het verwijderen van bemalingen; het trekken van heipalen en damwanden; grondzetting in z’n algemeenheid. De meeste wellen komen voor in het oppervlaktewater, vooral op plaatsen met zandbanen en aan de rand van de polder met de grootste stijghoogtedruk. Op deze locaties is het opbarstinggevaar van de deklaag het grootst en kunnen gemakkelijk wellen ontstaan. Om de hiervoor omschreven redenen zijn werkzaamheden zoals dieper graven dan 0,75 meter of 2 meter in respectievelijk beschermings- en buitenbeschermingszones, en het plaatsen van verticale drainage, enz. in diepe polders in het beheergebied niet altijd toelaatbaar. 5.4 Voorwaarden ontheffingverlening ontgravingen Bij een tijdelijke ontgraving zijn vaak aanvullende maatregelen nodig om de standzekerheid van de grond naast de ontgraving (waaronder mogelijk de waterkering) te waarborgen tot het moment, dat de ontgraving weer wordt aan- of opgevuld. Aan de aan- of opvulling van de ontgraving worden eisen gesteld om ervoor te zorgen, dat de inklinking van de grond na aanvulling zo gering mogelijk is en de grond na aanvulling weer in voldoende mate kan bijdragen aan de stabiliteit van de naastgelegen grond en de waterkering. Een tijdelijke ontgraving wordt beoordeeld op basis van het keurprofiel. Een tijdelijke ontgraving hangt echter vaak samen met het bouwen of aanleggen van werken inclusief kabels en leidingen of het verwijderen daarvan(hoofdstuk 10), of het verwijderen van bomen (hoofdstuk 11). Het aanleggen, vervangen of verwijderen van werken, inclusief kabels en leidingen, en permanente ontgravingen, wordt beoordeeld op basis van het (ruimere) profiel van vrije ruimte (B). Algemene voorwaarden ontheffingverlening: Ontgravingen (B): Bij ontgravingen binnen het keurprofiel of ontgravingen dieper dan 2 meter dient middels grondonderzoek en stabiliteitsberekeningen te worden beoordeeld of tijdens en na uitvoering van de ontgraving wordt voldaan aan de minimaal benodigde stabiliteits- of schadefactor (inclusief toetsing op weerstand tegen zandmeevoerende wellen). Indien hieraan niet wordt voldaan, dient: • ofwel de ontgraving te worden verplaatst naar een zodanige afstand van de waterkering dat hieraan wel wordt voldaan; • danwel zodanige (tijdelijke) maatregelen te worden genomen, dat de standzekerheid is gegarandeerd. Daartoe noodzakelijke in de grond verankerde hulpconstructies, keer- of damwanden, mogen niet meer worden verwijderd wanneer verwijdering tot problemen kan leiden voor de stabiliteit van de waterkering [1]. Bij permanente ontgravingen en het aanbrengen, vervangen of verwijderen van werken vindt de beoordeling plaats op basis van het profiel van vrije ruimte; bij (andere) tijdelijke ontgravingen op basis van het keurprofiel. Zonder voorafgaande toestemming van de vergunningverlener of handhaver geen gebruik van machines op onverharde delen van het talud of de kruin, en geen machines parkeren op onverharde waterkeringen tijdens en in de nabijheid van de ontgraving. Uitkomende grond (tijdelijk) op het horizontale maaiveld naast de waterkering zetten en niet, ook niet tijdelijk, zonder toestemming van de vergunningverlener of handhaver op de kruin of het talud van de waterkering deponeren. Voor een ontgraving die alleen plaats kan vinden met behulp van een constructie - zoals een keer- of damwand - die constructief onderdeel van de waterkering worden, wordt uit het oogpunt van beheer, onderhoud, vervanging, inspectie alleen ontheffing verleend wanneer (B): sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang; mogelijke alternatieven leiden tot aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten (
Voorwaarden ontheffingverlening: Ontgravingen met steunconstructies (B): Steunconstructies dienen een ontwerplevensduur te hebben die minimaal gelijk is aan de waterkering waarvan ze onderdeel uitmaken. De steunconstructies moeten voldoen aan de TAW-eisen voor waterkerende constructies. De kosten van onderhoud, vervanging en verwijdering zijn voor rekening van de vergunninghouder. Steunconstructies dienen aan of na het einde van de in de ontheffing vastgestelde ontwerplevensduur op verzoek en aanzegging van AGV, op kosten van de vergunninghouder te worden vervangen. Beoordeling standzekerheid tijdens en na ontgraving en van het ontwerp van de steunconstructies dient plaats te vinden door een deskundige. Bij de beoordeling mag gebruik worden gemaakt van de positieve invloed van driedimensionale effecten op de stabiliteit. De minimaal benodigde stabiliteitsfactor wordt op verzoek van de aanvrager door AGV verstrekt. 5.5 (Sleuf)Ontgraving loodrecht op lengterichting dijklichamen Bij ontgraving loodrecht op de lengterichting van een dijklichaam, binnen de waterkering zelf en/of de beschermingszone, gaat het meestal om ontgravingen ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen, inlaten, of uitstroomconstructies van gemalen. Soms gaat het om aanleg van horizontale drainage of graven (of verlengen) van een sloot of watergang loodrecht op de lengterichting van een waterkering. Voorwaarden ontheffingverlening: Ontgravingen loodrecht op lengterichting waterkerende dijklichamen (B): Aanbrengen van kabels en leidingen wordt alleen toegestaan wanneer ontheffing kan worden gegeven voor de aanleg van de kabels of leidingen en onder de daarvoor geldende voorwaarden (
hoofdstuk 10). Bij sleufdieptes van minder dan 1 meter en een sleufbreedte van minder dan 0,50 meter is geen nader stabiliteitsonderzoek nodig. Sleufontgravingen in de kruin van waterkeringen dienen gefaseerd te worden uitgevoerd, zodat nooit de gehele kruin is doorgraven. De sleuf dient over de gehele lengte aan het eind van elke werkdag te worden aangevuld en verdicht. Voorwaarden ontheffingverlening: Graven (kopse) sloten (B): Het graven van een sloot binnen het profiel van vrije ruimte is niet toegestaan; daarbuiten dient voor sloten breder dan 5 meter (waterlijn) door een deskundige aangetoond te worden dat de weerstand tegen het ontstaan van zandmeevoerende wellen na aanleg voldoende is en de stabiliteit van de waterkering niet wordt aangetast. 5.6 (Sleuf)Ontgraving parallel aan lengterichting dijklichamen Bij een ontgraving parallel aan de lengterichting van de waterkering gaat het meestal om tijdelijke sleufontgraving ten behoeve van de aanleg van kabels, leidingen of horizontale drainage of een permanente ontgraving voor de aanleg van een nieuwe watergang. Sleufontgravingen in de lengterichting in de kruin van de waterkering moeten zoveel mogelijk worden vermeden. Soms zijn ze echter niet te voorkomen, bijvoorbeeld voor nutsvoorzieningen voor aanwonenden of voor straatverlichting. Voor straatverlichting bestaan overigens alternatieven, waarbij geen kabels in de waterkering nodig zijn. Voor een parallelle sleufontgraving ter plaatse van buitenkruin, of buiten- of binnentalud van directe waterkeringen wordt geen ontheffing verleend (B). Grondroering of graafwerkzaamheden zijn hier vanwege eisen met betrekking tot erosiebestendigheid en waterdichtheid zeer ongewenst. Graven in het talud geeft daarnaast een te groot risico op deformatie en instabiliteit van het gedeelte van het talud boven de ontgraving. Voorwaarden ontheffingverlening: (Tijdelijke) Sleufontgraving binnenkruin (B): Materiaal dat voor aanvulling wordt gebruikt goed verdichten. Materiaal gebruiken dat zo min mogelijk water doorlaat (klei). De afwatering van hemelwater op de waterkering mag niet worden belemmerd. De aangevulde sleuf moet direct na aanvulling worden ingezaaid, zodat een erosiebestendige en aaneengesloten grasmat ontstaat. Bij dergelijke sleufontgravingen bestaat het gevaar voor verzadiging van de sleuf na aanvulling, zeker in het geval van een kleidijk. De sleuf bevat na aanvulling geroerde grond, waarin zich gemakkelijk hemelwater vanaf de kruin van de dijk kan verzamelen. Indien de sleuf met water verzadigd raakt, kan dit leiden tot een hoge grondwaterstand in het gedeelte van de dijk, waar de grondwaterstand gewoonlijk relatief laag is. Een hoge grondwaterstand in het binnendijkse deel van de waterkering kan (zeker in het geval van een betrekkelijk steil binnentalud) aanleiding zijn voor afschuiving van het binnentalud. Hiervan zijn diverse praktijkvoorbeelden bekend. Dit geldt ook voor waterkering met een overbreedte ten opzichte van het keurprofiel. Voorwaarden ontheffingverlening: Sleufontgravingen naast teen dijklichaam (B): Deskundig advies is vereist om aan te tonen dat de stabiliteit tijdens de ontgraving voldoende is gewaarborgd. (De minimaal benodigde stabiliteitsfactor wordt op verzoek van de aanvrager door AGV verstrekt). Stabiliteitsberekeningen uitvoeren conform het TAW-Rapport Waterkerende Grondconstructies. Bij tijdelijke sleufontgraving mag: gebruik worden gemaakt van voorzieningen of hulpconstructies om de stabiliteit van de dijk tijdens ontgraving te garanderen. Deze constructies mogen niet in de grond worden verankerd. gefaseerd ontgraven ten behoeve van de standzekerheid: de lengte waarover de sleuf maximaal open mag liggen moet middels een berekening nader worden bepaald. de sleuf moet aan het einde van iedere werkdag volledig zijn aangevuld en verdicht [2]. schade door ontgraving en nazetting over een termijn van twee jaar, dient volledig door en ten laste van de vergunninghouder te worden hersteld. uitkomende grond (tijdelijk) naast de sleuf op het horizontale maaiveld naast de waterkering zetten en slechts na toestemming van AGV (tijdelijk) op de kruin of het talud van de waterkering deponeren. indien voldoende ruimte aanwezig is tussen teen (of steunberm) en sleuf, kan de uitkomende grond hier tijdelijk worden neergelegd. Voorwaarden ontheffingverlening: Permanente ontgraving parallel aan lengterichting waterkerend dijklichaam (sloot of watergang)(B): Alleen toegestaan buiten het profiel van vrije ruimte. Grondonderzoek en grondmechanische berekeningen en advies moeten aantonen op welke afstand uit de waterkering de stabiliteit tijdens ontgraving in de toekomst voldoende is gegarandeerd [3]. Onderzoek, berekeningen en advies laten uitvoeren door een deskundige. Bij (deels) gelijktijdig graven van een nieuwe en dempen van een bestaande watergang kan de stabiliteit van het talud van de nieuwe watergang en de waterkering in gevaar komen. In dat geval kan AGV een grondkerende constructie langs de nieuwe watergang voorschrijven (ontheffingsvoorwaarden
hoofdstuk 14). 5.7 Aanvulling na tijdelijke ontgraving Bij tijdelijke ontgravingen in of nabij een waterkerend dijklichaam is goede verdichting bij aanvulling van groot belang, zodat de grond weer (nagenoeg) dezelfde grondmechanische kwaliteiten krijgt als voor de ontgraving. Afhankelijk van de locatie wordt vaak zand of klei gebruikt. Bij tijdelijke ontgravingen kan vrijwel altijd “in den droge” worden aangevuld. Voorwaarden ontheffingverlening: Aanvulling na tijdelijke ontgraving (B): met zand: laagdikte per keer afhankelijk van een nader te maken berekening; per aangebrachte laag met trilplaat of trilwals verdichten tot verdichtingsgraad voorgeschreven in Standaard RAW-bepalingen (CROW, 2005). met klei: laagsgewijs aanbrengen en verdichten met voertuig met rupsbanden (luchtbanden of bak hydraulische graafmachine geven te weinig verdichting). laagdikte per keer niet meer dan 0,40 meter, bij sleufaanvulling niet meer dan 0,2 meter. juiste vochtgehalte: eisen verwerking en verdichting
: TAW- Rapport Eisen Klei voor Dijken en TAW-Leidraad Ontwerpen Rivierdijken. na aanvulling maaiveld zo spoedig mogelijk frezen en inzaaien (voor erosiebestendige grasmat). Klei is moeilijker te verdichten dan zand. Voor optimale verdichting is het vochtgehalte van groot belang. Te droge klei blijft na aanvulling bestaan uit harde brokken met veel holle ruimten en een slechte waterdichtheid. Te natte klei verdicht niet goed, omdat de klei makkelijk vervormt en zich zijdelings verplaatst. Na opdroging ontstaan veel krimpscheuren en daarmee een slechte waterdichtheid. 5.8 Ontgravingen dieper dan 2 meter Keur-art. 9 lid 1-a: Het is verboden om binnen de kernzone en beschermingszones van waterkeringen en de kernzone van beschermende gronden: te graven of grond te verwijderen. Keur-art. 9 lid 7-c: Het is verboden om binnen de buitenbeschermingszone van waterkeringen: Ontgravingen te verrichten of de grondwaterstand te verlagen tot op een diepte van meer dan 2 meter onder maaiveld. Diepe ontgravingen kunnen ook buiten de beschermingszone de veiligheid en standzekerheid van de waterkering in gevaar brengen. Bijvoorbeeld bij bouwputten of de winning van delfstoffen zoals klei en zand. Daarom zijn ontgravingen die dieper gaan dan 2 meter ook tot op een bepaalde afstand buiten de beschermingszone, ofwel in de buitenbeschermingszone, verboden. De breedte van de buitenbeschermingszone is afhankelijk van het waterkeringtype. Standaardbreedtes zijn vastgelegd in de tabel die behoort bij artikel 2 lid 9 van de Keur (
). In de legger kan echter een locatie-specifieke afwijkende breedte zijn vastgelegd. Omvangrijke ontgravingen zijn met name risicovol in pakketten met zeer slappe grondlagen (b.v. dikke veenlagen) en/of zettingsvloeiing-gevoelige gebieden. Een gebied is zettingsvloeiing-gevoelig als zich in het grondpakket losgepakte zandlagen bevinden die onder invloed van de ontgraving over een relatief groot gebied in beweging kunnen komen en tot instabiliteit van de waterkering kunnen leiden. Voorwaarden ontheffingverlening: Ontgravingen dieper dan 2 meter (B): De aanvrager dient met berekeningen aan te tonen dat het ontgravingtalud stabiel is. Indien geen keurprofiel aanwezig is waarmee de ontgraving getoetst kan worden, dient met berekeningen te worden aangetoond dat de stabiliteit van de waterkering gewaarborgd blijft. berekeningen moeten volgens de vigerende leidraden voor macrostabiliteit en piping en heave (zandmeevoerende wellen) worden uitgevoerd. Alle berekeningen moeten worden uitgevoerd door een deskundige. Bij de ontheffingsaanvraag dienen dwarsprofielen te worden opgenomen, waarin ook het dijkprofiel is weergegeven. Bij de aanvraag dient ook aandacht te worden besteed aan de wijze van uitvoering. De wijze van uitvoering is van belang omdat de werkzaamheden door trillingen verzakkingen van de dijk kunnen veroorzaken. 5.9 Grondwerkzaamheden in gesloten seizoen Keur-art. 9: Alle bepalingen waarbij gegraven moet worden in waterkerende dijklichamen. Voor grondwerkzaamheden aan waterkerende dijklichamen in het zogenaamde "gesloten seizoen" van 1 oktober tot 1 april wordt alleen ontheffing verleend wanneer deze niet direct van invloed zijn op de stabiliteit van de waterkering of wanneer de kwaliteit van de werkzaamheden niet negatief kan worden beïnvloed door de weersomstandigheden (meer informatie
Achtergrondnota). Bijvoorbeeld het plaatsen en verwijderen van een directieverblijf , het inrichten van een werk- of opslagterrein, het plaatsen of verwijderen van hekwerken, verwijderen van bomen en struiken (uitgezonderd het uitgraven van stronken) e.d. Ook het plaatsen/aanbrengen van beschoeiing is in het gesloten seizoen acceptabel, mits dit niet gepaard gaat met ontgravingen die een gevaar voor de standzekerheid van de waterkering kunnen opleveren. De voorwaarden voor werkzaamheden in het gesloten seizoen hebben voornamelijk betrekking op grondwerk aan waterkeringen zelf en in de beschermingszone van directe waterkeringen. Deze mogen principe niet in het gesloten seizoen mogen worden uitgevoerd. Voorwaarden ontheffingverlening: Grondwerkzaamheden aan waterkerende dijklichamen in gesloten seizoen (B): Voor grondwerkzaamheden in het gesloten seizoen kan ontheffing worden verleend, mits wordt aangetoond, dat (B): De stabiliteit van de waterkering te alle tijden - in het bijzonder tijdens de uitvoering van de werkzaamheden - volledig is gegarandeerd en dat hiervoor eventueel (extra) maatregelen voor worden genomen. Het werkzaamheden betreft, waarvan de kwaliteit niet direct wordt bepaald door of samenhangt met het gesloten seizoen (slechte weersomstandigheden, grote kans op onwerkbare perioden en hoge waterstanden). Geen extra of buitengewone schade of overlast te verwachten is als gevolg van het werken in het gesloten seizoen. [1] trillingen, grondontspanning, het mogelijk ontstaan van zandmeevoerende wellen) of andersoortige problemen kan veroorzaken (kwelstroom, wateroverlast, schade aan opstallen in de omgeving e.d.). [2] Deze lengte is in het algemeen kleiner naarmate de afstand van de sleuf uit de teen van de waterkering kleiner is. Is deze afstand beperkt, dan mag bijvoorbeeld de sleuf over een lengte van maximaal 5 meter worden ontgraven. Is de afstand groter, dan kan dit 10 of 15 meter zijn. [3] macro- en microstabiliteit weerstand tegen ontstaan zandmeevoerende wellen (piping). Indien relevant ook erosiebestendigheid van voor- of boezemland en weerstand tegen zettingsvloeiing. De minimaal benodigde stabiliteitsfactor (macrostabiliteit) kan per waterkering en waterkeringtype verschillen en wordt op verzoek door de AGV verstrekt 6 Grondwateronttrekking, ophoging en demping 6.1 Onttrekking van grondwater Keur-art. 9 lid 2-i: Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden binnen de kernzone en de beschermingszones van waterkerende dijklichamen: (
Hiervoor is een voedselarme bodem nodig. Bemesting van de bodem zorgt voor voedselrijke grond en is daarom op grond van het bepaalde in de Keur niet toegestaan. Omdat een goede erosiebestendigheid van de kruin en de taluds belangrijk is, wordt geen ontheffing gegeven voor bemesting (B). Een belangrijke rol speelt ook dat in voedselrijke grond - zeker boven het grondwaterniveau - veel wormen en als gevolg daarvan veel mollen voorkomen. Mollen brengen door hun mollengangen schade toe aan de waterkering. Door de mollengangen kan bij hoge waterstanden een waterstroom door de waterkering ontstaan, die gronddeeltjes meespoelt en tot ernstige schade kan leiden, zeker als in de kering ook andere dierlijke graverij voorkomt (bijvoorbeeld door muskusratten). Mollen tasten door hun molshopen ook de grasmat aan, hetgeen de erosiebestendigheid vermindert. Om waterkeringen zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor mollen, is het dus eveneens van belang om dijklichamen zo min mogelijk te bemesten. 8 Ontheffingen voor bodemonderzoek Er vindt regelmatig bodemonderzoek in en/of nabij waterkeringen plaats. Het gaat om grondonderzoek in de vorm van sonderingen, (verticale) boringen en proefheiingen of seismisch onderzoek, waarbij springladingen of andere trillingsbronnen worden gebruikt. Voor meer informatie over bodemonderzoek en de mogelijke gevolgen daarvan voor waterkeringen wordt verwezen naar de Achtergrondnota. Algemene voorwaarden: Bodemonderzoek (B): Voor uitvoering eerst aan de hand van grondwaterkaarten (waarop vermeld te verwachten stijghoogten in watervoerende lagen) nagaan of er problemen kunnen worden verwacht als gevolg van potentiaalverschillen. Wanneer er een mogelijke verbinding kan ontstaan tussen het buitenwater en het watervoerend pakket onder de afsluitende laag, is het uitvoeren van grondonderzoek verboden bij een hogere buitenwaterstand dan normaal. Boorgaten in slechtdoorlatende grondlagen moeten direct na het onderzoek waterdicht worden opgevuld en afgesloten. Bij aanvulling is goed toezicht op de uitvoering noodzakelijk. Voor het dichten van boor- en sondeergaten wordt verwezen naar de TAW-leidraad bij bodemonderzoek in en nabij waterkeringen. Spuitboringen zijn niet toegestaan. 8.1 Exploratieboringen Keur-art. 9 lid 6: Het is verboden om exploratieboringen (ten behoeve van het opsporen van delfstoffen) uit te voeren of gebruik te maken van explosieven of andere trillingsbronnen t.b.v. seismisch onderzoek binnen een afstand van: • 500 meter vanuit de teen van primaire en directe secundaire waterkerende dijklichamen; • 300 meter vanuit de teen van indirect secundaire waterkerende dijklichamen. Bij exploratieboringen worden één of meerdere gaten diep in de grond gemaakt om grondmonsters te nemen. Het grootste gevaar is vloeistof of gas vanuit een diepere grondlaag met kracht via het boorgat omhoog komt. Dit wordt een “blow-out” genoemd. Dit kan ook gebeuren in afgewerkte putten. Als gevolg van een “blow-out” kunnen evenwichtsverstoringen in de grond ontstaan, waardoor schade aan waterkeringen kan optreden en slecht doorlatende grondlagen in de nabijheid van waterkeringen kunnen worden verstoord of vernield. Daarnaast kunnen verontreinigingen optreden waardoor de grasmat op de waterkering kan worden aangetast Infiltratie van olie in de grond kan ook een sterke afname van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering. Om voornoemde redenen wordt géén ontheffing verleend voor exploratieboringen binnen een afstand van (B): 500 m uit de teen van primaire en directe secundaire waterkerende dijklichamen 300 meter uit de teen van indirecte secundaire waterkerende dijklichamen (inclusief zomerkaden). Indien een exploratieboring binnen de genoemde afstanden van een waterkering toch noodzakelijk wordt geacht, zal nader onderzoek, uitgevoerd door een deskundige, moeten aantonen dat dit geen gevaar voor de waterkering oplevert (B). Schade aan waterkeringen als gevolg van exploratieboringen dient door de houder van de ontheffing zo spoedig mogelijk te worden hersteld (B). 8.2 Seismisch onderzoek Seismisch bodemonderzoek wordt voornamelijk toegepast voor de opsporing van de delfstoffen aardolie en aardgas. Meestal wordt hiertoe een spring- of puntlading op tientallen meters diepte tot ontploffing gebracht. Behalve explosieven worden voor het opwekken van trillingen ook andere trillingsbronnen gebruikt. De bekendste zijn de “airgun” en vibratoren. Trillingen, schokgolven en eventueel kratervorming kunnen nadelige gevolgen hebben voor de stabiliteit van waterkeringen. Kratervorming gaat gepaard met het ontstaan van een grote zone waarin de grond een plastische vervorming ondergaat. Er kunnen tevens waterafsluitende grondlagen worden verstoord of doorbroken, met als mogelijk gevolg instabiliteit en het ontstaan van zandmeevoerende wellen. Daarnaast kan bij het gebruik van explosieven, maar ook bij niet explosief opgewekte trillingen, de draagkracht van de grond verminderen. Hierdoor neemt de sterkte (schuifweerstand) van de grond af, waardoor instabiliteit kan optreden. Bovendien kunnen trillingen zettingen veroorzaken door verdichting van de grond. Vanwege de mogelijke gevolgen van het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen voor de stabiliteit van waterkeringen, wordt geen ontheffing verleend voor het gebruik hiervan binnen een afstand van (B): 100 meter uit de teen van primaire en directe secundaire waterkerende dijklichamen; 50 meter uit de teen van indirecte secundaire en van tertiaire waterkerende dijklichamen (polderkaden). In de zone van 100 tot 300 meter uit de teen van primaire en directe secundaire waterkeringen. en van 50 tot 150 meter uit de teen van indirecte secundaire waterkeringen en polderkaden kan in gebieden met een "sterke" ondergrond, buiten het gesloten seizoen en buiten perioden van hoger water dan normaal, ontheffing worden verleend voor het gebruik van de volgende onderzoeksmethoden (B): springstoffen: tot maximaal 1 kg TNT equivalent; airgun: tot een totale inhoud van de cilinders van 15 liter en een druk van 150 bar; vibratoren: tot een 10 s “sweep” met een massa van 1000 kg. In zettingsvloeiing-gevoelige gebieden (waar losgepakte zandlagen voorkomen) en in gebieden met dikke pakketten zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) is nader onderzoek vereist door geotechnisch specialisten met aantoonbare kennis op dit gebied (B). In de periode van 1 oktober tot 1 april, en bij waterstanden van meer dan 20 cm boven het streefpeil, is geen seismisch onderzoek in de nabijheid van directe waterkeringen toegestaan (B). Schade aan waterkeringen ten gevolge van seismisch onderzoek dient door de houder van de ontheffing zo spoedig mogelijk te worden hersteld (B). 8.3 Boringen en sonderingen - algemene voorwaarden Keur-art. 9 lid 1-e: Het is verboden om binnen de kernzone en beschermingszones van waterkeringen en de kernzone van beschermende gronden: Boringen en sonderingen uit te voeren zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap. Het is verplicht om boringen en sonderingen minimaal 6 weken van te voren te melden bij het hoogheemraadschap middels een (via Internet) op te vragen formulier. Voor het uitvoeren van boringen en sonderingen, en het plaatsen van waterspanningsmeters gelden de volgende voorwaarden (B): voertuigen op een waterkering met een kruinbreedte van meer dan 4,0 m mogen niet zwaarder zijn dan 20 ton; voertuigen op een onverharde waterkering met een kruinbreedte van meer dan 3,0 m mogen niet zwaarder zijn dan 12 ton, is de kruinbreedte minder dan 3,0 m dan mogen deze voertuigen niet zwaarder zijn dan 2 ton; verankering van de sondeer- en boorstelling is niet toegestaan; wanneer moet worden voorgegraven dient de terug te brengen grond goed verdicht te worden; de boor- en sondeergaten dienen met zwelklei te worden afgedicht; waterspanningsmeters en peilbuizen moeten goed afgewerkt (b.v. onder maaiveld) en gemarkeerd worden zodat geen schade aan maaimachines en dergelijk kan ontstaan; schade (b.v. aan grasland) is voor rekening van de uitvoerder van het grondonderzoek; de peilbuizen en waterspanningsmeters dienen na de meetperiode te worden verwijderd evenals uitzetpiketten e.d.; ten tijde van een verhoogde (tussen)boezemwaterstand van streefpeil + 0,20 m mogen alleen handboringen en handsonderingen worden uitgevoerd; een belangrijk criterium is als de grondwaterdruk in een watervoerende laag in de ondergrond hoger is (> 0.50
AN). Kabels en leidingen mogen met de onderkant niet dieper liggen dan 1 meter. Bij (periodieke) ophoging of reconstructie van de waterkering is de vergunninghouder verplicht op zijn kosten de leiding op te halen, te vervangen of te verwijderen, ook wanneer de levensduur van de kabel of leiding nog niet is overschreden. 10.3 Richtlijnen kabels en leidingen Algemeen Geen leidingen in de kernzone van een waterkering, tenzij het om een haakse kruising gaat. De kruising van de leiding met de waterkering dient te voldoen aan de voorschriften en richtlijnen van de geldende NEN-normen. Kruisingen van leidingen met waterkerende dijlichamen moeten zoveel mogelijk worden geconcentreerd met inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse terreinen één plaats wordt aangewezen waar deze de waterkering kruisen. Kruisen van waterkerende dijklichamen geschiedt éénmalig. Alle leidingen moeten worden voorzien van afsluiters of een drukmeetsysteem dat in geval van leiding breuk de pomp onmiddellijk stilzet. Geen leidingen in de langsrichting van waterkerende dijklichamen, tenzij voldoende ver van de kernzone. Voor een drukleiding dient een erosiekraterberekening te worden gemaakt volgens NEN 3651. De optredende erosiekrater dient buiten de beschermingszone te vallen. Na het beëindigen van het gebruik van een leiding dient deze uit de waterkering te worden verwijderd of te worden volgezet volgens het procédé van de firma Dijkhoff met het vullingproduct “Dammer”. Dammer wordt niet zo hard als beton en is daarom voor leidingen in slappe klei of veen een prima product. Kruisende drukloze rioolbuizen moeten te allen tijde van een afsluiter worden voorzien. Kruisingen met onverharde waterkerende dijklichamen dienen in open ontgraving te geschieden, in geen geval mag de mantelbuis door persing of boring de waterkering kruisen. Tenzij aangetoond wordt dat er geen puin of andere boring- of persings-belemmerende factoren aanwezig zijn in de grond. Richtlijnen voor Boring/persing onder waterkerende dijklichamen De kabel / leiding dient tenminste 10 meter onder de kruin te liggen. De bovenkant van de leiding dient ter plaatse van de waterkering tenminste 2 meter beneden de bovenkant van het vaste (pleistocene zand te liggen). Wanneer dit niet het geval is dan moet er in de vergunning worden opgenomen dat het risico, als gevolg van ophoging van de waterkering, voor rekening komt van de houder van de keurontheffing. Onder de waterkering en binnen de stabiliteitszone van de waterkering moet de leiding horizontaal liggen. Het in- en uittredepunt van de boring moet tenminste buiten de veiligheidszone van de waterkering liggen. Er mag geen boorspoeling in het oppervlaktewater terechtkomen. Binnen vier weken na voltooiing van de boring dienen in drievoud revisietekeningen te worden overlegd waarop diepteligging en bochtstralen zijn aangegeven. De mantelbuis dient na het invoeren van de kabel aan de uiteinden te worden voorzien van een waterdichte afsluiting. Indien nodig kan de leiding worden vol gevloeid met een daartoe geëigend middel. Richtlijnen voor sleufontgraving (open ontgraving) in waterkerende dijklichamen De sleuf in de waterkering mag geen grotere afmetingen hebben dan voor het leggen van de kabel / leiding strikt noodzakelijk is. Sleuf ontgravingen in de langsrichting van de waterkering dienen in segmenten te worden uitgevoerd. De lengte van deze segmenten is maximaal 10 meter tenzij de lengte van de te leggen leidingdelen een grotere sleuflengte noodzakelijke maken. De sleuf of open ontgraving dient aan het eind van de dag te worden verdicht. Te leggen leidingen die een primaire waterkering kruisen moeten boven de maatgevende waterstand worden gelegd. Bij binnendijken wordt de leiding indien mogelijk boven het normpeil gelegd. Aan de boezemzijde van de kering dient een kleikist te worden geplaatst met een afmeting van tenminste 1 x 1 x 1m voorzien van een kwelscherm. 10.4 Vervangen en verwijderen kabels en leidingen Kabels en leidingen dienen op eerste aanzegging van AGV te worden verwijderd wanneer dit voor onderhouds- of verbeteringswerken aan een waterkerend dijklichaam door AGV noodzakelijk wordt geacht (B). Voor een mogelijke financiële tegemoetkoming wordt verwezen naar de Regeling Nadeelcompensatie van AGV (B). Bij vervanging van een bestaande leiding is de vergunninghouder verplicht de bestaande leiding op zijn kosten te verwijderen, en de oorspronkelijke toestand van de waterkering te herstellen. Ook wanneer de nieuwe leiding niet wordt gelegd op de plaats of in de directe nabijheid van de bestaande leiding (B). De mogelijke ligging van de vervangende kabel of leiding wordt getoetst aan de op dat moment geldende bepalingen en beleidsregels voor het leggen van kabels en leidingen (B). Leidingbeheerders willen vaak een bestaande leiding die zijn functie verliest laten liggen. Uitgangspunt van AGV is dat elk waterkeringvreemd object, en zeker objecten die niet meer worden beheerd, bijdragen aan de faalkans van de waterkering. Het aantal waterkeringvreemde objecten in waterkeringen moet daarom zoveel mogelijk worden beperkt. Wanneer het om een diep liggende kabel of leiding van beperkte afmetingen gaat met een geringe bijdrage aan de faalkans van de waterkering, kan AGV toestaan dat de kabel of leiding blijft liggen. De leiding dient in dat geval opgevuld te worden met volumevast en duurzaam vulmateriaal en waterdicht af te worden afgesloten (B). Soms doen zich namelijk situaties voor, dat door jarenlange zakking een leiding in de dijk zo diep is komen te liggen, dat voor het verwijderen ervan een grote ontgraving nodig is. Soms moet daarvoor zelfs een groot deel van de waterkering worden ontgraven, wat grote risico’s kan opleveren. 10.5 Overgangsbeleid kabels en leidingen zonder ontheffing Keur-artikel 29 lid 3: De ligging en de aard van kabels en leidingen die vóór 1 november 2005 zonder ontheffing in of onder waterkeringen en/of de beschermingszones daarvan zijn gelegd dient vóór 1 januari 2007 bij het hoogheemraadschap te worden gemeld. De ligging van kabels en leidingen die zonder ontheffing in een waterkering of de beschermingszone daarvan zijn gelegd dienen vóór 1 januari 2007 alsnog door de rechthebbende te worden gemeld bij AGV. Wanneer AGV constateert dat een kabel of leiding die zonder ontheffing is gelegd een gevaar oplevert of kan opleveren voor het functioneren van de waterkering dan dient deze door de eigenaar direct na aanzegging door het Dagelijks Bestuur van AGV te worden verwijderd (B). Voor alle overige kabels of leidingen geldt dat deze mogen blijven liggen totdat bijzonder onderhoud (ophoging, versterking, herstel) noodzakelijk is. Als het onderhoud het verwijderen van de kabel of leiding noodzakelijk maakt dient deze op kosten van de eigenaar na aanzegging van het hoogheemraadschap binnen 3 maanden te zijn verwijderd (B). Nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd dient de eigenaar van de kabel of leiding desgewenst ontheffing aan te vragen voor het (opnieuw) leggen van de betreffende of andere kabels of leidingen. Of ontheffing kan worden gegeven wordt beoordeeld op grond van het dan geldende beleid (B). 10.6 Kabels en leidingen onder wateren Keur-artikel 14 lid 3: Het is verboden in, boven of onder primaire, secundaire en tertiaire wateren en de vrijwaringszones daarvan: e. Kabels, buizen en leidingen aan te brengen, te hebben of gedeeltelijk of geheel te vernieuwen f. sub e is niet van toepassing op het aanbrengen van kabels en leidingen door gestuurde boring op een diepte van meer dan 3 meter onder de onderhoudsdiepte van het water. g. Onverminderd het bepaalde in sub f is sub e niet van toepassing op het aanbrengen anders dan door gestuurde boring en op het hebben, of geheel en gedeeltelijk vernieuwen van kabels, buizen en leidingen op: • hetzij een diepte van 1,5 meter onder de onderhoudsdiepte van primaire wateren; • hetzij een diepte 1 meter onder de onderhoudsdiepte van de middenstrook van secundaire en tertiaire wateren. Lid 4-j: Onverminderd het bepaalde in lid 3-f en 3-g is het verboden om kabels, buizen en leidingen aan te brengen onder primaire wateren zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap. Deze regels zijn ook van toepassing op beschermende gronden langs boezemwateren (landinwaarts tot 3 meter uit de kademuur) en worden tevens gehanteerd voor beschermende gronden langs secundaire en tertiaire wateren (landinwaarts tot 3 meter uit de beschoeiing). Daar waar een kabel of leiding tevens een waterkering kruist of binnen de beschermingszone daarvan gelegen is gelden aanvullende strengere regels. Beleidsregels voor kabels en leidingen onder en langs waterkeringen zijn opgenomen in de beleidsnota Keurontheffingen Waterkeringen. Gerechtigden van kabels en leidingen zijn verplicht om zeker te stellen dat deze zich op een diepte van minimaal 1,5 respectievelijk 1 meter onder de onderhoudsdiepte van primaire en secundaire wateren blijven bevinden. Wanneer bij reguliere onderhoudswerkzaamheden zoals maaien, baggeren en schonen, schade ontstaat aan een kabel of leiding die zich niet op de toegestane diepte bevindt is de gerechtigde hiervoor zelf aansprakelijk (B). Het komt regelmatig voor dat schade aan kabels en leidingen ontstaat omdat deze zich niet op de minimale diepte bevinden. Soms liggen de kabels zelfs aan of dichtbij het waterbodemoppervlak. Het is onmogelijk dat bij regulier onderhoud waarbij nooit verder gebaggerd wordt dan de onderhoudsdiepte schade ontstaat aan een kabel of leiding wanneer deze zich op de minimaal verplichte aanlegdiepte bevindt. AGV legt de verantwoordelijkheid voor eventuele schade bij regulier onderhoud dan ook bij de gerechtigde van de betreffende kabel of leiding. Een kabel of leiding kan zich wanneer deze op de minimaal voorgeschreven diepte onder de vaste bodem is gelegd namelijk onder normale omstandigheden niet in het onderhoudsprofiel bevinden. 11 Bomen en struiken Keur-art. 9 lid 5: Het is verboden om binnen de kernzone van waterkeringen en binnen een afstand van 5 meter uit de teen van waterkerende dijklichamen opgaande houtbeplanting te planten, te hebben of te rooien. Keur-art. 9 lid 2-l: Het is verboden om binnen de kernzone en de beschermingszones van waterkerende dijklichamen op een hoogte lager dan 4 meter boven de bovenzijde van het dijklichaam takken te laten hangen. Beplanting van bomen en struiken op waterkeringen kan een nadelige invloed hebben op het waterkerende vermogen van de waterkering. Een aantal factoren is hierbij van belang: het ontstaan van gaten in het kadelichaam door het omwaaien van bomen; het ontstaan van holle ruimtes door het afsterven van wortels; het verweken van de bodem door beweging van de stam. Ook kan aantasting van de waterkering plaats vinden doordat dieren onder de begroeiing beschutting zoeken. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd voor beoordeling van de stabiliteit. Een uitzondering hierop vormt een kade met een zeer ruim profiel, omdat het hierbij minder waarschijnlijk is dat bovengenoemde effecten kunnen voorkomen. Voor het beoordelen van bomen op een waterkering zijn de volgende aspecten van belang: Boomsoort, vitaliteit en oorsprong De belangrijkste aspecten zijn hierbij het wortelpatroon en de gevoeligheid van het aanpassingsvermogen van de boomsoort voor veranderingen in het leefmilieu zoals strooizout, grondwaterstand, bodemtype. Zo zal een diepworteldende boom bij hoge windbelasting eerder afbreken terwijl een ondiep wortelende boom om kunnen waaien. Voor de stabiliteit van de boom is het van belang dat er geen wortelrot optreedt. Daarnaast is het uiteraard van belang dat de boom een goede vitaliteit heeft, een vitale boom is immers beter bestand tegen invloeden van buitenaf. De oorsprong van een boom is een belangrijke factor voor de groei en de vitaliteit hiervan. Een boom die ter plaatse is opgegroeid heeft zich aangepast aan het milieu (wind, grondwaterstand, bodemtype) en zal hierdoor beter kunnen aarden. Een boom afkomstig van een kwekerij zal direct na aanplant minder vitaal worden. Locatie op of nabij de waterkering De omvang van de waterkering is van belang om vast te stellen of de boom een risico oplevert. Indien de kruin breder is dan 4 meter, dan hoeft begroeiing op de binnenkruin buiten het keurprofiel geen probleem te zijn. Op het talud en de zone direct naast de teen van de waterkering zal de schade bij windworp een risico op verminderde stabiliteit en verminderde kwelweglengte veroorzaken. Daarom zijn bomen hier, in ieder geval op het buitentalud en op steile binnentaluds, niet gewenst. Bij flauwe binnentaluds, flauwer dan 1 : 8 bij veendijken of flauwer dan 1 : 4 bij overige dijklichamen kan ontheffing worden verleend voor de plaatsing van knotwilgen en struiken, voorzover deze tenminste meer dan 1 meter buiten het profiel van vrije ruimte worden geplaatst en geen problemen opleveren voor kabels en leidingen en het onderhoud (B). Ook op de binnenkruin kan voor het plaatsen van knotwilgen en bepaalde soorten bomen ontheffing worden verleend wanneer deze op een afstand van minimaal 1 meter landinwaarts uit het profiel van vrije ruimte geplaatst worden en geen problemen opleveren voor kabels en leidingen en het onderhoud (B). Gevolgen voor beheer en onderhoud De aanwezigheid van opgaande begroeiing op de waterkering hindert het beheer en onderhoud. Bij het uitvoeren van ontgravingswerkzaamheden kan het wortelstelsel van bomen en struiken worden aangetast. Daarnaast kan opgaande begroeiing leiden tot intensiever onderhoud. In extreme situaties dient een grotere waakzaamheid te worden betracht, beide effecten leiden tot hogere kosten. Bomen of struiken Struiken hebben een geringere bewortelingsdiepte dan bomen en veroorzaken hierdoor geringere schade aan de waterkering. Voor de beoordeling van lagere begroeiing dient wel te worden gekeken naar de gevolgen voor beheer en onderhoud. Een voordeel van lage begroeiing is dat deze eenvoudiger kan worden verwijderd en vervangen. 11.1 Bestaande struiken en bomen Ook voor bestaande struiken en bomen waarvan de indruk bestaat dat deze een onaanvaardbaar risico voor de stabiliteit kunnen opleveren dient dit te worden getoetst. Bij de toetsing worden tevens de gevolgen voor beheer en onderhoud in ogenschouw genomen. Uit de toetsing op veiligheid kan blijken dat bomen verwijderd zouden moeten worden. Bomen kunnen echter van landschappelijke, natuur- en/of cultuurhistorische waarde zijn. In dat geval dient een afweging gemaakt te worden tussen “boom laten staan” en extra inspanningen en extra kosten beheer en onderhoud, of “boom verwijderen”. Bestaande beplanting wordt in principe gehandhaafd tenzij de veiligheid in geding is of de waterkering versterkt moet worden (B). Voor de toetsing van de stabiliteit, beheer en onderhoud, beleid, en afwegingsmethodiek wordt verwezen naar de volgende rapporten van STOWA/Geodelft
bijlage figuren.pdf voor tabel11.1 In de toetsing moet worden nagegaan of de boom kan omwaaien en of de ontgrondingskuil het keurprofiel van de waterkering doorsnijdt. Is dit het geval dan heeft de boom een onaanvaardbare negatieve invloed op macrostabiliteit en piping. Indien een bestaande boom als minder stabiel wordt beoordeeld kan deze met enkele maatregelen worden gehandhaafd: door het beperken van de kroonomvang en de kroonhoogte wordt de windgevoeligheid verminderd; door een verbetering van de standplaatsomstandigheden kan een betere doorworteling worden bereikt en hiermee een verbeterde verankering in het profiel; een boom kan worden ontgraven en op een beter geschikte plaats worden herplaatst; met constructieve maatregelen kan de stabiliteit van de boom worden verbeterd. Bomen die onaanvaardbare risico's voor de stabiliteit van de waterkering veroorzaken omdat ze bij omvallen een deel van het keurprofi
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.