kaart 1). De in deze beleidsnota gebruikte begrippen zijn grotendeels omschreven en verklaard in artikel 1 van de Keur. Begrippen die niet voorkomen in de Keur zijn verklaard in hoofdstuk
kaart 1). Op de overige wateren in het beheergebied van AGV geldt een algemeen vaarverbod voor het varen met motorvaartuigen (Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 2). Voor de vaarwegen en plassen die openbaar toegankelijk zijn voor motorvaartuigen en waar AGV vaarwegbeheerder is, en voor de Amstel, zijn zogenaamde Oeverzoneringskaarten Vaarwegen opgesteld. Voor ieder van deze vaarwegen zijn de belangrijkste kenmerkende gegevens, plus het type schepen (maximale afmetingen) waarvoor de vaarweg bevaarbaar dient te zijn, en het daarbij behorende gewenste profiel voor bevaarbaarheid, opgenomen in de notitie Karakteristieken Vaarwegen. De karakteristieken zijn samengevat in tabel 1 en 2 (pagina 38 en 40). De vaarwegen en vaarwateren (plassen), inclusief die waar andere overheden vaarwegbeheerder zijn, zijn tevens aangegeven op kaart
kaart 1). 2.3 Integraal water- en vaarwegbeheer AGV is niet alleen vaarwegbeheerder maar ook integraal waterbeheerder van alle wateren, inclusief alle vaarwegen en vaarwateren, in haar beheergebied. Integraal waterbeheer omvat in grote lijnen de zorg voor de aan- en afvoer van water, voor de bescherming tegen water (veiligheid: overstromingen en wateroverlast) onder meer door het beheer van waterkeringen, en voor een goede fysisch-chemische kwaliteit en ecologische toestand van water, oevers en waterbodem. Een goede ecologische toestand, ofwel kwaliteit, betekent dat water, oevers en waterbodem voldoende leef-, broed-, paai-, rust- en trekmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren. Het water dient ook zoveel mogelijk geschikt te zijn voor gebruik door mensen en als drinkplaats voor vee. Dit betekent niet alleen een zo goed mogelijke water- en waterbodemkwaliteit maar ook een passende inrichting en zo natuurvriendelijk mogelijke wijze van onderhoud van water, oevers en waterbodem. Samen bepalend voor de ecologische toestand of kwaliteit. 2.4 Beheer van water als openbare ruimte De provincies en gemeenten hebben een belangrijke taak in het beheer van alle wateren, inclusief de vaarwegen, als (openbare) ruimte in het kader van de ruimtelijke ordening inclusief de bescherming van het milieu en natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De gemeenten zijn daarnaast verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde (beperken overlast etc.). Provincies en gemeenten kunnen de bestemming van oeverzones en water, ofwel de gewenste wijze van inrichting en gebruik daarvan, vastleggen in respectievelijk Streek- en Bestemmingsplannen. In een Algemene Plaatselijke Verordening en in milieu-, bouw- en andere verordeningen kunnen gemeenten ook aanvullende regels vaststellen voor gebruik en inrichting van water en oevers. Sommige gemeenten hebben het gewenste gebruik van water en oevers nauwkeurig vastgelegd, terwijl andere gemeenten hier in hun bestemmingsplannen weinig aandacht aan hebben besteed [37]. Provincies kunnen beperkende voorwaarden stellen in verordeningen ter bescherming van het milieu en van natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden (
ook hoofdstuk 1). De Provincie Utrecht heeft dit in 2002 gedaan via een grondige aanpassing van de Landschapsverordening waarin integraal ook het woonschepen-, steiger- en vaartuigenbeleid is opgenomen. De provincie Noord-Holland beperkt zich tot regels voor woonschepen die niet bestemd zijn door gemeenten. De provincie Zuid-Holland stelt alleen voor de Kromme Mijdrecht verdere beperkingen in de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland (VBLN) en de Verordening Watergebieden en Pleziervaart Zuid-Holland (VWP). In bestemmingsplannen kunnen bepaalde locaties worden bestemd als ligplaats voor woonschepen of als (openbare) afmeervoorziening (aanlegplaats) voor vaartuigen, met als randvoorwaarden dat dit geen bezwaren oplevert van/voor: de eigenaar van de vaarweg en/of de oever (privaatrechtelijk); de bevaarbaarheid (vaarwegbeheerder: AGV of andere overheid); de waterhuishouding inclusief het ecologisch functioneren van water en oevers (waterbeheerder: AGV); het functioneren van de waterkering (water(kering)beheerder: meestal AGV); natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden (provincies). Voor de laatste vier punten dienen vaak publiekrechtelijke ontheffingen of vergunningen te worden verleend door de betreffende beheerder (overheid). Gemeenten hanteren in het kader van bestemmingsplannen een stelsel van aanleg- en/of bouwvergunningen. AGV is (economisch) eigenaar van Vecht, Gaasp, Smalweesp, en delen van Kromme Mijdrecht, Angstel en andere vaarwegen; en ook van een deel van de oeverzones en waterkeringen (dijken). Als eigenaar kan AGV ook privaatrechtelijke eisen en voorwaarden stellen aan het gebruik van water en oevers door en voor afmeervoor
ningen, vaartuigen, woonschepen en andere objecten. Het privaatrecht mag door AGV en door andere overheden echter niet gebruikt worden om publiekrechtelijk (eigen) beleid of hogere regelgeving te doorkruisen. 2.5 Overige functies van vaarwegen Boezemwater De meeste vaarwegen voor motorvaartuigen zijn tevens boezemwater. Dit betekent dat ze een essentiële functie hebben in de regionale wateraan- en afvoer. Boezemwateren hebben een hoger waterpeil dan dat van hun omgeving, doorgaans polders en droogmakerijen (drooggelegde plassen en meren). Het overtollige water uit de polders en droogmakerijen wordt uitgemalen (weggepompt) naar de boezemwateren en vervolgens afgevoerd richting Amsterdam-Rijnkanaal en vervolgens via het Noordzeekanaal naar de Noordzee en in bijzondere omstandigheden naar het IJmeer (Markermeer). In droge tijden wordt via de boezem water aangevoerd voor de watervoorziening van polders en droogmakerijen. De droge oeverzones van de meeste boezemwateren functioneren tevens als waterkering (dijk) ter bescherming van de achterliggende gebieden tegen overstroming van de boezemwateren. Groene oeverzones Groene oeverzones zijn gedefinieerd als min of meer natte en 'natuurlijke' dan wel natuurvriendelijk ingerichte oeverzones. Het gaat daarbij om rietkragen en andere dicht met oever- en moerasplanten begroeide oeverzones (zoals bies, gele lis, lisdodde, kattestaart) met een oppervlak van één vierkante meter of meer. Deze oeverzones hebben een hoge natuurwaarde en spelen een belangrijke rol in het ecologisch functioneren van zowel de oeverzone als het water. Zij vormen een schuil-, leef- en voortplantingsgebied voor zowel dieren die in het water als langs de oevers en op het land leven (vissen, watervogels, zoogdieren, kikkers, salamanders, vlinders, libellen en andere insecten). Een groot deel van de oevers van de door AGV beheerde vaarwegen heeft tevens een belangrijke rol als ecologische verbindingszone, ofwel voor de trek (migratie) van water- en oevergebonden dieren tussen natuur- en andere leefgebieden. Recreatieve, landschappelijke en belevingswaarden De wijze van inrichting en gebruik van vaarwegen bepaalt ook deels de landschappelijke kwaliteit en belevingswaarde voor bewoners en recreanten van de vaarwegen zelf en van het omliggende gebied. De meeste vaarwegen en vooral ook de daarlangs gelegen oeverzones worden namelijk niet alleen gebruikt door beroeps- en/of (gemotoriseerde) recreatievaart maar ook door sport- en beroepsvissers, roeiers, kanoërs, fietsers en wandelaars. 3 Relatie met regelgeving andere overheden Beleidsregels waarbij is aangegeven dat ze alleen van toepassing zijn op wateren waar AGV vaarwegbeheerder is, zijn niet van toepassing op wateren waar andere overheden vaarwegbeheerder zijn. Ofwel niet op de meeste wateren in Amsterdam en niet op de Amstel, het Hilversums Kanaal en de Loosdrechtse en Vinkeveense Plassen Voor wateren waar andere overheden vaarwegbeheerder zijn gelden wel de regelgeving van de Keur en de Wvo en de daaraan gerelateerde beleidsregels, maar niet de vaarwegverkeersregelgeving van AGV. Op deze wateren geldt naast de Keur en de Wvo de regelgeving van:
ook §2.2): in Amsterdam, met uitzondering van stadsdeel Zuid-Oost (onder meer Gaasp en Gaasperplas), en de Weespertrekvaart, de regels zoals die door de gemeente zijn gesteld in de Verordening op de Haven en het Binnenwater (vergunningen Dienst Binnenwaterbeheer of de Havendienst); in en rond de Loosdrechtse Plassen de regels die door het Plassenschap Loosdrecht e.o. (namens B&W gemeente Wijdemeren) zijn vastgelegd in een verordening en informatiebladen [11][12][13]; in en rond de Vinkeveense Plassen de regels die door het Recreatieschap Vinkeveense Plassen (namens B&W gemeente De Ronde Venen) zijn vastgelegd in een verordening [21]. in de Amstel dient voor werken die meer dan 2 meter uit de kant het water in reiken en voor ligplaats nemen een ontheffing bij de provincie Noord-Holland te worden aangevraagd (op grond van de Scheepvaartwegenverordening (SV) Noord-Holland. in het Hilversums Kanaal dient voor werken die meer dan 2 meter uit de kant het water in reiken en voor ligplaats nemen op plaatsen waar dit de scheepvaart kan hinderen een ontheffing bij de gemeente Hilversum te worden aangevraagd (eveneens op grond van de SV Noord-Holland). in de delen van de Kromme Mijdrecht die in de provincie Zuid-Holland zijn gelegen is AGV weliswaar bevoegd gezag vaarwegbeheer, maar dient voor werken in het water en langs de oevers op grond van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland ontheffing door de provincie te worden verleend. Op de meeste vaarwegen waar AGV vaarwegbeheerder is zijn de Scheepvaartwegenverordeningen van de betreffende provincie(s) deels of geheel van toepassing. Voor bepaalde ingrepen die hiervoor niet genoemd zijn kan op grond van de verordening (ook) een ontheffing van de provincie (afdeling vaarwegbeheer) noodzakelijk zijn. Verder geldt op alle wateren de regelgeving van:
[19][28]). Voor woonschepen gelden deze regels ook binnen de bebouwde kom van de gemeenten, maar niet in de bebouwde kom van Utrecht en De Ronde Venen. De regels van de provincie zijn grotendeels strenger dan de regels uit de Keur en het vaarwegbeheer. Het aanvragen van een ontheffing bij de provincie (serviceloket Groene Regelgeving: 030 2582382) is in het genoemde gebied altijd noodzakelijk. In het korte (oostelijke) stuk van de Nieuwe Wetering tussen Vecht en Amsterdam-Rijnkanaal is de provincie Utrecht bevoegd gezag vaarwegbeheer. Hier is ook een vergunning van de afdeling vaarwegbeheer van de provincie noodzakelijk. Voor ingrepen langs het Zuid-Hollandse deel van de Kromme Mijdrecht (zuidelijk deel en deel westoever) is zowel een ontheffing op basis van de Scheepvaartwegenverordening als op basis van de landschapsverordeningen van de provincie Zuid-Holland noodzakelijk. Wanneer de betreffende vaarwegbeheerder, provincie of een gemeente strengere regels heeft gesteld dan AGV aan inrichting en gebruik van afmeervoorzieningen en ligplaatsen voor woonschepen en vaartuigen, in bestemmingsplannen, verordeningen, of besluiten, dan zijn deze strengere regels bepalend voor wat uiteindelijk mogelijk is. Van een ontheffing van AGV kan pas gebruik worden gemaakt nadat alle noodzakelijke ontheffingen van andere overheden eveneens verkregen zijn. Soms stellen gemeenten minder strenge regels dan AGV. In dat geval gelden de regels voor afmeervoorzieningen zoals die door de gemeente zijn vastgelegd. Randvoorwaarde blijft dat dit nooit mag leiden tot onoverkomelijke nautische of waterstaatkundige bezwaren. In dat geval is ook een ontheffing van AGV noodzakelijk. 4 Regels voor ligplaats nemen 4.1 Algemeen Voor ligplaats nemen, inclusief ankeren en meren, met een schip, een woonschip een drijvende inrichting of een drijvend voorwerp op vaarwegen kan, daar waar AGV geen vaarwegbeheerder is, een ontheffing of vergunning van de vaarwegbeheerder noodzakelijk zijn. Daarnaast dient men in bepaalde gevallen ook in het bezit te zijn van een ontheffing op de Keur van AGV. Op wateren waar AGV zowel water- als nautisch (bevoegd gezag) vaarwegbeheerder is moet voldaan zijn aan zowel de regels die AGV heeft gesteld in de Keur (als waterbeheerder); als aan de regels de AGV heeft gesteld als vaarwegbeheerder in de Keur en in Verkeersbesluiten Vaarwegen. In veel gevallen is dan geen ontheffing van AGV meer noodzakelijk. Wanneer een ontheffing van AGV noodzakelijk is gaat het om een gecombineerde ontheffing op de Keur en nautische ontheffing. Voor het tijdelijk ligplaats nemen op plaatsen die middels bebording zijn aangegeven, de zogenaamde openbare aanlegplaatsen gelden andere regels. Op deze plaatsen is het iedereen geoorloofd om voor een korte periode, doorgaans 3 x 24 uur, ligplaats te nemen. Er zijn ook oevers en plaatsen in wateren waar ligplaats nemen (ankeren of meren) altijd verboden is, ofwel waar geen ontheffing wordt verleend voor ligplaats nemen of voor het aanbrengen van afmeer- en andere voorzieningen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vaarstrook, ofwel de benodigde vaarwaterbreedte voor een veilig en vlot verloop van het scheepvaartverkeer; en voor engtes en bochten en andere delen van vaarwegen die smal of onoverzichtelijk zijn. De oeverzones waar dit het geval is zijn aangegeven als rode oeverzones op de aan deze beleidsnota gekoppelde Oeverzoneringskaarten Vaarwegen. Voor ligplaats nemen worden hier geen ontheffingen verleend (
Daarnaast worden geen ontheffingen verleend voor ligplaats nemen en voor het aanbrengen van afmeervoorzieningen voor particulier gebruik in en langs zogenaamde groene en lichtgroene oeverzones. Deze zijn voor de vaarwegen waar AGV vaarwegbeheerder is eveneens aangegeven op voornoemde kaarten. De (kleur)typen rode, groene en lichtgroene zones zijn, als oevers waarlangs het verboden is om af te meren en afmeervoorzieningen in het water aan te brengen, in één kleur aangegeven op de Keurkaarten Vaarwegen (
verder eveneens §4.2). Op de Oeverzoneringskaarten Vaarwegen is naast de rode, groene en lichtgroene oeverzones, die bepalend zijn voor de verboden en voor ontheffingverlening op basis van de Keur en vaarwegverkeersregelgeving door AGV, ook een karakterisering gegeven van de overige oever(zone)s. Op de kaarten is in het kader van de beleidsnota Verbeteren Recreatief Gebruik eveneens aangegeven waar onder meer jachthavens en recreatieve (oever)voorzieningen aanwezig of gewenst zijn, inclusief openbare aanlegplaatsen voor het tijdelijk afmeren van recreatievaartuigen. 4.2 Rode, groene en lichtgroene oeverzones: verbod op werken en afmeren Rode en donker- en lichtgroene oeverzones op de Oeverzoneringskaarten Vaarwegen zijn op de Keurkaarten Vaarwegen tezamen aangegeven als zones waar een Keur-verbod geldt voor het aanbrengen van werken in het. Op grond van het in 2006 aangepaste Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 1 (VV-1:
bijlage 6) mogen in deze zones ook geen drijvende voorwerpen, vaartuigen en woonschepen worden afgemeerd of verankerd. Afmeren of ankeren is ook niet toegestaan op een afstand van meer dan 6 meter uit de kant van vaarwegen en ook niet in de vaarstrook van vaarwegen (
bijlage 6). De op de Oeverzoneringskaarten Vaarwegen aangegeven groene oeverzones zijn eveneens groene oeverzones conform de definitie van de Keur. Groene oeverzones zijn oeverzones waaraan AGV een 'natte' natuurfunctie heeft toegekend. Dit zijn zones met een (potentieel) hoge natuur- en doorgaans ook een hoge landschappelijke waarde. Het gaat om rietkragen en/of met oever- en moerasplanten begroeide oeverzones met een oppervlak van meer dan 1 vierkante meter, inclusief natuurvriendelijk ingerichte of in te richten (donkergroen-lichtgroen gearceerde) zones. Zij spelen een belangrijke rol in het bereiken van een goede ecologische toestand voor wateren. Niet alleen vanwege hun rol als leef- paai-, schuil- en broedgebied; maar ook als trekroute voor planten en dieren langs de oevers (ecologische verbindingszones). De donkergroen-lichtgroen gearceerde oeverzones hebben een potentieel hoge natuurwaarde. Dit betekent dat er hier en daar oeverplanten en riet groeien en dat in de toekomst natuurvriendelijke inrichting gewenst of gepland is, wat de natuurwaarde sterk zal verhogen. Langs beide type groene oevers wordt geen ontheffing verleend Lichtgroene oeverzones:zijn oeverzones met een hoge landschappelijke waarde. Daarnaast spelen zij doorgaans een belangrijke rol als verblijf en trekroute voor planten en dieren om van het ene naar het andere leefgebied te komen (ecologische verbindingszones). Binnen deze zones is aan (delen van) percelen met woonbebouwing of woonschepen de status "bruine" zone gegeven zodat het langs deze percelen (voor aanwonenden) toegestaan is om een afmeervoorziening aan te brengen en/of af te meren. Rode oeverzones: zijn oeverzones waar geen ontheffing wordt verleend voor aanbrengen van oevervoorzieningen in het water en voor ligplaats nemen vanwege mogelijke hinder of gevaar voor de scheepvaart (te smal, te bochtig, te onoverzichtelijk etc.). Randvoorwaarde blijft, ook in niet-rode zones, dat het aanleggen van het betreffende vaartuig geen nautische bezwaren oplevert. Dit betekent onder meer dat de vaarstrook of vaarwaterbreedte, het deel van de vaarweg dat vrijgehouden moet worden voor veilig en ongehinderd scheepvaartverkeer (
tabel 1 op pagina 38), niet gedeeltelijk of geheel mag worden geblokkeerd. In geval van twijfel dient men het ligplaats nemen te melden bij de afdeling Vergunningverlening van Waternet zodat een medewerker van deze afdeling na kan gaan of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk is. Gemeenten kunnen desgewenst strengere eisen stellen aan ligplaats nemen en afmeervoorzieningen via een bestemmingsplan of APV. In dat geval is het tevens aan de gemeente om in dat kader handhavend op te treden. AGV zal de aanleg van natuurvriendelijke oevers en het herstel van groene oeverzones stimuleren, met name in ecologische verbindingszones. Samen met de gemeenten en de provincies zal worden nagegaan waar aanleg of herstel van dergelijke zones gewenst is. Langs de Vecht zijn al op veel plaatsen dergelijke natuurvriendelijke vooroeverzones aangelegd. Waar nodig zullen groene oeverzones door extra voorzieningen worden beschermd. Bijvoorbeeld door het aanbrengen van technische voorzieningen zoals drijfbalken, boeien of palenrijen (vooroevers). Hiermee wordt de oevervegetatie beschermd tegen golfslag en invaren. 4.3 Ligplaats nemen in wateren waar AGV alleen waterbeheerder is In wateren waar AGV géén bevoegd gezag vaarwegbeheer is hoeft alleen ontheffing voor ligplaats nemen (meren, ankeren) van schepen, woonschepen, en andere drijvende voorwerpen en inrichtingen te worden aangevraagd wanneer de verboden van Keur-artikel 14 lid 2 en lid 5 van toepassing zijn. Ligplaats nemen mag niet leiden tot belemmering van de waterbeheersing, de doorstroming, of het onderhoud, of tot andere vormen van schade aan waterkeringen, de waterhuishouding of de oevers, inclusief de ecologische toestand en daarmee de (natte) natuurwaarden van water en oevers. Het gaat om de volgende regels uit de Keur: Keur-art. 9 lid 2-a: Het is verboden om binnen de kernzone en de beschermingzones van waterkerende dijklichamen: (
verder §5.3). Het vrijhouden van de middenstrook van het water over een breedte van minimaal 5 meter is noodzakelijk om het water toegankelijk te houden voor onderhoud met behulp van vaartuigen. Hiermee is ook de toegankelijkheid over het water gegarandeerd voor de bestrijding van calamiteiten, onder meer voor het opruimen van stoffen die het water kunnen verontreinigen, bijvoorbeeld bij illegale lozingen, ongelukken waarbij vervuilende stoffen vrijkomen of de instroom van vervuild bluswater. Keur artikel 14 lid 5-b-c: Het is verboden om ligplaats te nemen met een schip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp of werken te maken, te hebben of te wijzigen; b. in het oostelijk deel van de Nieuwe Vaart, het Lozingskanaal, de Nieuwe Keizers-, Heren- en Achtergracht, de Plantage Muidergracht, de doorgang tussen Entrepotdok en Nieuwe Vaart, de Onbekende Gracht en de Singelgracht voorzover gelegen tussen Amstel en Lozingskanaal in Amsterdam. c. verder dan 2 meter uit de waterkant van het Entrepotdok, de Nieuwe Prinsengracht en het westelijk deel van de Nieuwe Vaart in Amsterdam. d. Sub b en c zijn niet van toepassing op recreatievaartuigen met een lengte van minder dan 6 meter. Keur artikel 29 lid 2:Voor werken, woonschepen en drijvende inrichtingen in, boven of onder wateren en/of de vrijwaringszones daarvan die aantoonbaar vóór 1 januari 2002 zijn aangebracht of afgemeerd op de betreffende locatie, in strijd met het bepaalde in deze Keur, wordt geacht ontheffing te zijn verleend. Beleidsregel 4‑2 In de in Keur-artikel 14 lid 5 sub b genoemde wateren en de in sub c genoemde zones worden geen ontheffingen gegeven voor nieuwe werken en woonschepen en ook niet voor vervanging of verbouwing van bestaande werken en woonschepen die tot een grotere waterverplaatsing of een grotere weerstand tegen doorstroming leiden. De situatie op 1 januari 2002 wordt conform Keur-art. 29 lid 2 als uitgangspunt genomen. Het is wel toegestaan om kleine recreatievaartuigen (korter dan 6 meter) af te meren. De genoemde wateren hebben namelijk een zeer belangrijke afvoerfunctie in tijden van veel waterbezwaar (hevige en/of langdurige neerslag). Op dat moment moet er via Amsterdam en gemaal Zeeburg zoveel mogelijk water in zo kort mogelijke tijd uit de achterliggende Amstelland-boezem richting het IJmeer kunnen worden weggemalen. Het is wel mogelijk om binnen het gebied woonboten en werken te verplaatsen. Uitgangspunt daarbij is dat het eindresultaat van verplaatsing en het opheffen van oude en realiseren van nieuwe ligplaatsen en werken moet leiden tot méér doorstromingscapaciteit voor het gebied als geheel. 4.4 Ligplaats nemen in wateren waar AGV ook vaarwegbeheerder is AGV is naast waterbeheerder ook vaarwegbeheerder van de meeste vaarwegen buiten Amsterdam, de Amstel en het Hilversums Kanaal, en buiten de Loosdrechtse en Vinkeveense Plassen (
Voor deze vaarwegen zijn deels ook regels en verboden vastgelegd in Provinciale Scheepvaartwegenverordeningen, echter niet voor ligplaats nemen. In het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) zijn de volgende regels opgenomen met betrekking tot ligplaats nemen, ankeren en meren in vaarwegen: BPR art 7 lid 2, 3 en 4: Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen (lid 2)/ankeren (lid 3)/meren (lid 4): a: op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling (bijvoorbeeld een vaarwegverkeersbesluit of de Keur van AGV) dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken ligplaats nemen/ankeren/meren is verboden. In wateren waar AGV vaarwegbeheerder is, was door AGV in het kader van deze artikelen uit het BPR een algemeen ligplaatsverbod afgekondigd middels het Verkeersbesluit Vaarwegen AGV – 1 (
bijlage 6). Dit verkeersbesluit is in 2006 aangepast en het verbod is daarbij beperkt tot ligplaats nemen in de vrij te houden vaarstrook van vaarwegen, verder dan 6 meter uit de waterkant, en langs de zones die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaarten Vaarwegen (
Voor openbare aanlegplaatsen gelden specifieke regels die door bebording zijn aangegeven. Vaarwegverkeersbesluit Vaarwegen AGV – 1: artikel 3: Het is verboden zonder ontheffing van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting: a. binnen de in de tabel in artikel 2 (
tabel 1 op p. 38) aangegeven vaarstrook of een gedeelte daarvan; b. meer dan 6 meter uit de waterkant van vaarwegen en vaarwateren; c. langs de op de bij het verkeersbesluit behorende kaart aangegeven rode zones (
Beleidsregel 4-3 Ontheffing op de verboden van Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 1 wordt niet verleend, wanneer sprake is van ligplaats nemen, meren of ankeren: binnen de in het Verkeersbesluit per vaarweg vastgestelde vaarstrook (
tabel 1: p. 38); binnen de op de bij het Verkeersbesluit behorende kaart aangegeven oeverzones waar het verboden is om af te meren; langs openbare aanlegplaatsen (afmeervoorziening), bestemd voor het tijdelijk afmeren van recreatievaartuigen. wanneer er al een vaartuig is afgemeerd langs het betreffende oeverperceel of woonschip. Daarnaast geldt het volgende aanvullende Keur-verbod voor het afmeren van drijvende voorwerpen en inrichtingen, bijvoorbeeld steigers en vlonders, langs de zones waar afmeren volgens het Verkeersbesluit niet verboden is: Keur-Artikel 14 lid 6:Onverminderd het bepaalde in artikel 14, lid 2, sub c, is het verboden om in vaarwegen en vaarwateren, waar het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer, ligplaats te nemen, af te meren of te ankeren: a. Met een drijvend voorwerp of drijvende inrichting, niet zijnde een woonschip, met afmetingen groter dan 6 meter bij 1,2 meter. b. Met meer dan één vaartuig, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, niet zijnde een woonschip, voor of langs een oeverperceel of voor of langs woonschip. Beleidsregel 4-4 Ontheffing op de Keur-verboden van artikel 14 lid 6 wordt niet verleend voor drijvende voorwerpen en inrichtingen voor particulier gebruik, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Particulieren kunnen dus maximaal één vlonder, drijvende steiger of ander drijvend voorwerp of inrichting afmeren langs een woonschip of per oeverperceel. Als er meerdere woonschepen langs één oeverperceel gelegen zijn is het toegestaan om per woonschip maximaal één vaartuig plus één drijvend voorwerp, bijvoorbeeld een onderhoudsvlonder of terras, af te meren. Het voorwerp of de inrichting mag niet groter zijn dan 6 bij 1,2 meter. Uiteraard moet daarbij ook voldaan worden aan de overige regels van de Keur en het Verkeersbesluit Vaarwegen AGV – 1. Deze beperkingen zijn gesteld om het aantal permanente ligplaatsen en objecten zoals steigers en vlonders, langs vaarwegen en met name langs oeverzones die openbaar toegankelijk zijn, zo beperkt mogelijk te houden. De beperkingen zijn, met name in landelijk gebied, ook van belang voor het beperken van schade aan de ecologische toestand inclusief natte natuurwaarden (groene oevers). De beperkingen resulteren ook in minder grote barrières in de langs veel vaarwegen lopende ecologische verbindingszones. Voor woonschepen is alleen een maximale diepgang vastgesteld (
De andere afmetingen zijn namelijk al uitputtend geregeld in regelgeving en beleid van provincies en gemeenten. Ook voor woonschepen geldt dat deze niet binnen de vaarstrook en langs rode oeverzones mogen liggen (
verder hoofdstuk 5). Beleidsregel 4-5 Openbare aanlegplaatsen (afmeervoorzieningen) voor het tijdelijk ligplaats nemen met recreatieschepen zijn door bebording aangegeven. Tenzij anders aangegeven (bijvoorbeeld 1 x 24 uur) is het niet toegestaan om langer dan 3 dagen (3 x 24 uur) langs deze aanlegplaatsen af te meren. Het is niet toegestaan om na het verlaten van de ligplaats binnen 3 x 24 uur weer terug te keren op dezelfde aanlegplaats. Alle vaarwegen zijn tevens primaire wateren. 5 Aanvullende regels voor woonschepen Op alle wateren gelden voor woonschepen de algemene regels voor ligplaats nemen van §4.3. Tussen de onderkant van het woonschip en de onderhoudsdiepte van de ligplaats moet in ieder geval een ruimte overblijven van minimaal 0,60 meter. Verder dient de middenstrook van het water over een breedte van minimaal 5 meter vrij gehouden te worden. In vaarwegen waar AGV bevoegd gezag vaarwegbeheer is mag het woonschip zich conform het aangepaste Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 1 ook niet geheel of gedeeltelijk binnen de vaarstrook bevinden en ook niet binnen de op de bij het Verkeersbesluit behorende kaarten aangegeven verbodszones voor afmeren (
ook §4.2 en §4.4). Wanneer aan deze voorwaarden voldaan is hoeft geen ontheffing voor ligplaats nemen met een woonschip te worden aangevraagd, tenzij sprake is van een groene oeverzone of een naastgelegen waterkering (
.1), of van een van de wateren in Amsterdam waarvan het gehele of een deel van het profiel vrijgehouden moet worden van obstakels voor afvoer van water in extreme situaties (
Randvoorwaarde blijft dat de locatie, en de lengte en breedte van het woonschip niet mogen leiden tot waterstaatkundige en nautische bezwaren of tot schade aan het oeverprofiel. Dit kan betekenen dat de maximaal toegestane lengte, breedte en diepgang minder kunnen zijn dan de door een provincie en/of gemeente toegestane maximale afmetingen. 5.1 Woonschepen langs groene oeverzones en waterkeringen Keur-art. 9 lid 2-a:Het is verboden om binnen de kernzone en de beschermingzones van waterkerende dijklichamen: (
5.3 Maximale diepgang woonschepen Keur-artikel 14 lid 2-c:Het is verboden in primaire, secundaire en tertiaire wateren: (c) ligplaats te nemen te meren of te ankeren, met een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting: op een plaats in de watergang waar de afstand tussen onderkant van het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting en de aanleg- of onderhoudsdiepte van de ligplaats, minder dan 0,6 meter bedraagt. Uitgangspunt is dat een woonschip te allen tijde in drijvende staat verkeert. Dit impliceert dat in verband met fluctuatie van de waterstand er een speling van minimaal 60 centimeter ten opzichte van het onderhoudsprofiel van de ligplaats moet zijn bij het streefpeil. In situaties waar de onderhoudsdiepte van de ligplaats dit toelaat is een grotere diepgang bij vervanging van een woonschip toegestaan. Dit voorzover de vrijblijvende ruimte tussen de onderhoudsdiepte en de onderkant van het woonschip minimaal 60cm blijft en het bestaande oevertalud een grotere diepgang mogelijk maakt. Het is niet toegestaan, ook niet bij vervanging van een woonschip, om het oevertalud verder af te graven dan wel de ligplaats verder uit te diepen zonder ontheffing van AGV. De gerechtigde van een woonschip kan wel een ontheffing aanvragen om de ligplaats verder uit te diepen. Dit zal hij dan moeten doen op eigen kosten. Voorwaarde voor ontheffingverlening is onder meer dat de stabiliteit van de oever of een eventueel daarnaast gelegen waterkering niet in gevaar komt en dat de samenstelling van de ondergrond een verdere uitdieping mogelijk maakt. Wanneer de ondergrond bijvoorbeeld uit veen- of loopzand bestaat is verdere uitdieping vaak niet mogelijk dan wel ongewenst. Als ontheffing mogelijk is kan de aanvrager tevens in de ontheffing worden verplicht om op eigen kosten afdoende oeverbeschoeiing aan te brengen of de aanwezige oeverbeschoeiing te versterken of te vervangen wanneer dit noodzakelijk is om de stabiliteit van oever en/of waterkering te garanderen. Beleidsregel 5-2 Een woonschip mag in ieder geval nooit een grotere diepgang hebben dan de minimale diepte van de vaargeul omdat in geval van calamiteiten de mogelijkheid van verplaatsing moet blijven bestaan. Verder dient het onderwatertalud (helling) bij voorkeur niet steiler te zijn dan 1 : 2, zowel voor de stabiliteit van de oever, het voorkomen van snel dichtslibben van de vaargeul als om de groei van water-, oever- en moerasplanten te stimuleren. Dit alles betekent dat de diepgang van woonschepen zo gering mogelijk moet zijn om een geleidelijke overgang van oever naar vaargeul mogelijk te maken. De gebruiker van de ligplaats is verplicht om de ligplaats te onderhouden. Tenzij de eigenaar van de oever of de ondergrond van het water deze taak op zich genomen heeft. Het gaat bij het onderhoud onder meer om het verwijderen van vuil van de ligplaats en het op de oorspronkelijke (aanleg)diepte of de vastgestelde onderhoudsdiepte houden daarvan. De eigenaar of bewoner van een woonschip is verplicht om zijn vaartuig te verplaatsen wanneer dit noodzakelijk is om onderhoudswerkzaamheden door AGV, zoals het herstel van een oever of oeverbeschoeiing, of de waterkering, mogelijk te maken. Voor meer details over onderhoudsverplichtingen wordt verwezen naar de Keur van AGV artikel 10, 11 en 12. 5.4 Milieuregels voor (woon)schepen Overige regels voor woonschepen en voor gebruik van materialen in werken op, boven, in en langs het water: Er dient een voorziening voor de opvang van huishoudelijk afvalwater aanwezig te zijn en voorzieningen om het vuile water af te voeren (weg te pompen) naar de riolering of een opvang- en of verwerkingsvoorziening op de oever (Wvo: Lozingenbesluit Huishoudelijk afvalwater). Dakbedekkingsmaterialen van steenkoolteer of zink dienen wanneer zij aan vervanging toe zijn, te worden vervangen door bitumen (aardolieteer), EPDM-folie, kunststof, leisteen of andere niet uitlogende materialen (Wvo). In de oeverzone voorzover die langs of op waterkeringen (dijken) is gelegen mogen geen gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen en ook geen gastanks zijn aangebracht ook mogen in of op waterkeringen geen andere constructies worden aangebracht of vergravingen worden gepleegd die de waterkerende functie kunnen schaden (Keur: art. 9). Bij werkzaamheden en onderhoud aan, en verbouwing van, woonschepen of daaraan gerelateerde oeverwerken zoals steigers en beschoeiing is het gebruik van materialen en middelen die schade kunnen veroorzaken aan de water(bodem)kwaliteit en de ecologische toestand, niet toegestaan. Het gaat daarbij onder meer om: het gebruik van materialen waarin uitloogbare giftige (lijst-I- of -II-)stoffen zijn verwerkt, zoals (steenkool)teerhoudende dakmaterialen en coatings, gewolmaniseerd en gecreosoteerd hout, zink of verzinkt materiaal, koper, tin- en koperhoudende antifoulings (Wvo). Verder is het verboden om: materiaal dat vrijkomt bij afbranden en schuren van verflagen niet op te vangen; chemische bestrijdings- of schoonmaakmiddelen te gebruiken (ook niet in de oever zone en bij voorkeur niet in de tuin); afval- verf of olieresten over boord te zetten. Deze regels vinden hun grond in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), inclusief Algemene Maatregelen van Bestuur (Lozingenbesluiten, Bouwstoffenbesluit) en zijn deels ook vastgelegd in een beleidsnota van AGV en bijbehorende brochure [23]. Wanneer er tegenspraak is tussen de voorgaande regels en een wettekst dan prevaleert de wettekst. inclusief omloopranden, aangebouwde terrassen en afgemeerde vaar- en drijftuigen etc. Alle vaarwegen zijn tevens primaire wateren. 6 Regels voor werken in wateren Onder werken worden alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte objecten, constructies of inrichtingen verstaan, inclusief palen, hekken, bouwwerken, en restanten daarvan, die verbonden zijn met, of verankerd zijn in, de ondergrond. Voor vaarwegen gaat het daarbij onder meer om bruggen, sluizen en steigers, maar ook om andere afmeervoor
ningen zoals meerpalen en om oeverbeschoeiing. Voor het aanbrengen van werken in wateren en langs de oevers daarvan is in veel gevallen het aanvragen van meerdere vergunningen en ontheffingen verplicht. In veel gevallen zowel bij de provincie, de gemeente, als bij de vaarweg- en de waterbeheerder. 6.1 Werken in wateren waar AGV alleen waterbeheerder is In de Keur van AGV zijn in artikel 9 en artikel 14 verbodsbepalingen opgenomen voor werken, waaronder afmeervoorzieningen, in en langs het water en langs waterkeringen.De Keur geldt voor alle wateren waar AGV waterbeheerder is. Wanneer aan de in de Keur gestelde voorwaarden is voldaan hoeft geen ontheffing op de Keur te worden aangevraagd. In het werk mogen echter geen materialen worden gebruikt die water- of waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Voor het gebruik van dergelijke materialen wordt geen vergunning verleend op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Voor bouwstoffen die in het water of langs de oevers daarvan worden gebruikt gelden de regels van het Bouwstoffenbesluit voor gebruik van stoffen in wateren. Voor het aanbrengen van oevervoorzieningen is meestal ook een ontheffing van de vaarwegbeheerder noodzakelijk en vaak ook een van de gemeente of het stadsdeel. In het landelijk gebied van de provincie Utrecht (met uitzondering van de Loosdrechtse en Vinkeveense plassengebieden) en van de provincie Zuid-Holland is ook een ontheffing van de provincie noodzakelijk (
hoofdstuk 3). Op grond van Keur-artikel 9 lid 1-b en lid 6 is het aanbrengen van werken langs waterkeringen in ieder geval verboden wanneer deze dieper worden verankerd dan 0,5 meter in de bodem: Art. 9 lid 1-b: Het is verboden om binnen de kernzone en beschermingszones van waterkeringen: werken aan te brengen, te hebben, of te verwijderen die op een diepte van meer dan 0,5 meter in de ondergrond verankerd of gelegen zijn. Keur-artikel 14 omvatten diverse verboden die relevant zijn voor werken in wateren: Artikel 14 lid 1-b: Het is verboden primaire, secundaire en tertiaire wateren: geheel of gedeeltelijk te dempen. Artikel 14 lid 2-d-e: Het is verboden in primaire, secundaire en tertiaire wateren: d. Loopplanken aan te brengen met een aaneengesloten breedte van meer dan twee meter en die steunen op meer dan twee palen. e. Een werk te maken, te hebben of te wijzigen, tenzij: - het werk voldoet aan de afmeting en constructie van de in bijlage 1 genoemde typen en buiten de middenstrook, die zich uitstrekt tot 2,5 meter aan weerszijden van de as van de watergang, ligt, of - het werk minder dan 1,2 meter uit de oever steekt en op maximaal 2 palen rust en buiten de middenstrook, die zich uitstrekt tot 2,5 meter aan weerszijden van de as van de watergang, ligt. f. beschoeiing aan te brengen, te vervangen, of te hebben zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap. Keur artikel 14 lid 5: Onverminderd het bepaalde in lid 2 is het tevens verboden om ligplaats te nemen met een schip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp of werken te maken, te hebben of te wijzigen: a.in of langs groene oeverzones; b.in het oostelijk deel van de Nieuwe Vaart, het Lozingskanaal, de Nieuwe Keizers-, Heren- en Achtergracht, de Plantage Muidergracht, de doorgang tussen Entrepotdok en Nieuwe Vaart, de Onbekende Gracht, en de Singelgracht voorzover gelegen tussen Amstel en Lozingskanaal in Amsterdam. c.verder dan 2 meter uit de waterkant van het Entrepotdok, de Nieuwe Keizersgracht, de Nieuwe Prinsengracht en het westelijk deel van de Nieuwe Vaart in Amsterdam. Beleidsregel 6‑1 Er wordt geen ontheffing verleend voor werken voor particulier gebruik in groene oeverzones (art. 14 lid 5-1) en ook niet voor werken die niet voldoen aan de beperkingen van art. 14 lid 2. Voor werken in de wateren van Amsterdam waar aanvullende restricties gelden conform art. 14 lid 5 sub b en c, mag het aanbrengen of vervangen van werken niet leiden tot minder doorstromingscapaciteit van het betreffende gebied (
verder §4.3). Tevens dient er voldoende afstand tussen afzonderlijke steigers (minimaal 10 meter) en tussen steiger en oever te worden aangehouden voor de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel. De breedte van een werk mag niet meer zijn dan 1,2 meter omdat de ruimte onder de werken bereikbaar moet zijn en blijven voor maai-, bagger en ander onderhoud. Daarnaast moet de ruimte onder de werken en de oever(beschoeiing) ook vrij blijven voor inspectie en onderhoud. Er is een uitzondering gemaakt voor werken van maximaal 1,2 meter breed die uit de waterkant het water in reiken, voorzover deze rondom bereikbaar zijn voor onderhoud. Een uitzondering op de maximale breedte is gemaakt voor maximaal 2 loopplanken om bijvoorbeeld woonboten te bereiken. Deze moeten wel direct verwijderd kunnen worden om onderhoud van de waterbodem of de oever mogelijk te maken. Dergelijke loopplanken mogen maximaal 2 meter breed zijn en op niet meer dan 2 palen in het water rusten. Overige werken mogen ook niet op meer dan 2 palen in het water rusten omdat dit anders wordt beschouwd als demping en omdat de onderkant van de werken en de oever dan moeilijker bereikbaar worden voor (bagger)onderhoud. De steigers van type A, B en C uit bijlage 1 voldoen aan de criteria van Keur-artikel 14. Dit betekent dat voor het aanbrengen van deze steigertypen geen ontheffing noodzakelijk is voorzover tenminste geen sprake is van het overtreden van andere verboden uit de Keur, zoals het blokkeren van de middenstrook van het water en het verbod op demping. Bij het aanbrengen van werken is ook het gebruik van materialen en middelen die schade kunnen veroorzaken aan de water- en oeverkwaliteit en de ecologische toestand, niet toegestaan. Dit betekent onder meer dat: materialen geen uitloogbare gevaarlijke en prioritaire stoffen mogen bevatten (bijvoorbeeld gewolmaniseeerd hout, gecreosoteerd hout, steenkoolteer of verzinkte steigerdelen (
ook §5.4)(Wvo: ook Nota inzake beleid verduurzaamde oevervoorzieningen: AB 98/04) bouwstoffen (bijvoorbeeld grond, puin of granulaat e.d.) dienen te voldoen aan de eisen van het bouwstoffenbesluit. Dit betekent dat de toegepaste bouwstof gecertificeerd moet zijn en dat de toepassing minimaal 2 werkdagen voorafgaand aan het gebruik wordt gemeld aan het bevoegd gezag (Bouwstoffenbesluit). 6.2 Werken in wateren waar AGV ook bevoegd gezag vaarwegbeheer is Voor wateren waar AGV ook bevoegd gezag vaarwegbeheer is dient niet alleen aan de voorwaarden uit de Keur, de Wv0 en de daaraan gekoppelde beleidsregels van §6.1 te worden voldaan, maar daarnaast ook aan de eisen van de vaarwegverkeersregelgeving en daaraan gekoppelde beleidsregels die in de onderhavige paragraaf behandeld zijn. AGV verleend voor de wateren waar zij ook vaarwegbeheerder is een gecombineerde Keur & nautische ontheffing. Het is niet toegestaan om afmeervoorzieningen en andere werken in vaarwegen aan te brengen op plaatsen waar de gehele breedte van de vaarweg in beginsel nodig is voor een veilig en doelmatig (ongehinderd) gebruik door de scheepvaart (conform de Scheepvaartverkeerswet) Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995: * Artikel 7-b: Het is verboden (in vaarwegen waarop de verordening van toepassing is): b: enig oeverwerk langs een scheepvaartweg te maken. Artikel 8-b: De verboden uit artikel 7 zijn (onder meer) niet van toepassing op: b: het maken van werken op en langs de oever van een scheepvaartweg welke niet meer dan twee meter buiten die oever in de scheepvaartweg reiken en ten aanzien waarvan door de beheerder van de scheepvaartweg, de oever en het oeverwerk schriftelijk is verklaard dat: · de instandhouding van de scheepvaartweg, de oever en het oeverwerk niet in gevaar komt; · de scheepvaart niet wordt gehinderd, en: · de ter plaatse aanwezige landschappelijke, ecologische en andere natuurwetenschappelijke waarden niet geschaad worden. *) Deze verordening geldt voor Amstel, Bullewijk, Gaasp, Holendrecht (deels), (Oude) Waver (deels), Muider-, Naarder- en Weespertrekvaart, ’s-Gravelandse Vaart, Hilversums Kanaal, Smalweesp en Vecht (noordhollands deel). Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht, 1992: Artikel 14-c, d: Het is verboden (om in het oostelijk deel van de Nieuwe Wetering, de Danne (Kerkvaart) in Breukelen, en het Utrechtse deel van de Vecht): c. werken boven, op, in of onder een scheepvaartweg of binnen drie meter, horizontaal gemeten vanuit de lijn van de waterkant te maken, aan te brengen, te hebben, te veranderen of te verwijderen; d. een ligplaats of enige andere voorziening, bestemd voor het meren van schepen te maken, te hebben of te veranderen. Vaarwegenverordening Zuid-Holland, 1987: * Artikel 3.2.2 lid 1 a-b: Het is een ieder verboden: a. een oevervoorziening te plaatsen aan de waterzijde van de bestaande oever; b in, over of onder een vaarweg …etc. werken te maken, aan te brengen, te hebben, te herstellen of te vernieuwen. *) Deze verordening geldt alleen voor het deel van de Kromme Mijdrecht dat gelegen is in de provincie Zuid-Holland. Ontheffing op dit verbod dient aangevraagd te worden bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland. Aanvullend op de regels uit de wet en de provinciale verordeningen heeft AGV de volgende regel in de Keur opgenomen: Keur-artikel 14 lid 7: Het is verboden om in vaarwegen en vaarwateren, waar het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer: a. In afwijking van artikel 14, lid 2, sub e, werken te hebben, te maken of te wijzigen in de op de Keurkaarten Vaarwegen aangegeven rode zones. b. In afwijking van artikel 14, lid 2, sub e, in niet-rode zones werken te hebben, te maken of te wijzigen die meer dan 2 meter uit de waterkant steken en van andere afmetingen en constructie zijn dan de in bijlage 1 genoemde typen. c. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 lid 2 sub e, meer dan één werk te maken, te hebben, of te wijzigen, per oeverperceel of per woonschip in niet-rode zones. Dit betekent dat het zonder ontheffing is toegestaan om tot 2 meter uit de kant langs zogenaamde ‘bruine oeverzones’ (
14 lid 2 gesteld (
.1 en beleidsregel 6-1) en die tezamen per oeverperceel of woonschip niet meer dan 7,2 vierkante meter wateroppervlak afdekken. Kortweg gezegd, één bescheiden drijvende of niet-drijvende steiger op maximaal 2 palen van maximaal 1,2 meter breed (en 6 meter lang) of een steiger conform de bouwtekeningen van bijlage 1, of 2 losliggende plankieren van ieder maximaal 2 meter breed om een woonschip te bereiken. Daarnaast of in plaats daarvan zijn ook maximaal 2 afmeerpalen toegestaan tot maximaal 2 meter uit de kant. Beleidsregel 6-2 Er wordt geen ontheffing verleend voor afmeervoorzieningen voor particulier gebruik die niet voldoen aan de regels van artikel 14 lid 2 en 6 van de Keur (
hiervoor en beleidsregel 6-1), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijkende afmetingen of een afwijkende constructie noodzakelijk maken. Er wordt ook geen ontheffing verleend voor het aanbrengen van afmeervoorzieningen in ‘verboden’ oeverzones zoals die zijn aangegeven op de Keurkaarten Vaarwegen. Dit zijn de rode, (donker)groene en lichtgroene zones van de Oeverzoneringskaarten Vaarwegen. Beleidsregel 6‑3 Extra regels voor ontheffingverlening voor particulieren in bijzondere situaties: Bij vervanging van een bestaande steiger in een groene oeverzone wordt alleen ontheffing verleend voor de aanleg van een 'open' steiger van type C. Daar waar sprake is van meerdere woningen op één perceel is het in principe mogelijk dat grotere afmetingen en een afwijkende vorm worden toegestaan. Bij aanleg van een natuurvriendelijke vooroever kan, onder voorwaarde van schriftelijke toestemming van de betreffende gemeente en de organisatie of overheid onder wiens verantwoordelijkheid de vooroever wordt aangelegd, ontheffing voor de aanleg van een steiger van type C worden verleend (tot aan de rand van de vooroever). Er mag bij de aanleg van werken geen blijvende schade worden toegebracht aan ter plekke aanwezige rietkragen of andere met oever- en moerasplanten begroeide oeverzones. Overgangsregeling:
tabel 1). In dit hoofdstuk is aangegeven wat de redenen waren om maximale vaartuig-afmetingen vast te stellen. Op basis van de maximale vaartuigafmetingen zijn in dit hoofdstuk maximale vaargeulbreedtes en -dieptes berekend die uitgangpunt zijn voor het vaststellen van integrale profielen voor de vaarwegen in leggers bij de Keur. De recreatieve scheepvaart is de laatste decennia sterk toegenomen. Ook het aantal grotere recreatieschepen neemt toe. Veel vaarwegen in Amstelland en de Vechtstreek zijn echter smal en relatief ondiep. In die gevallen kunnen grotere schepen, met name wanneer deze (te) hard varen grote schade aanbrengen aan de oevers, veel opwerveling van slib veroorzaken en in de ergste gevallen zichzelf vastzuigen in de bagger. Overigens kunnen ook kleinere schepen die hard varen veel schade aan oevers en overlast voor gebruikers en bewoners op en langs het water veroorzaken door grote hekgolven. Een beroeps- of partyschip dat secuur en langzaam vaart zal minder schade veroorzaken dan een kleiner schip dat zich met een ongeoorloofde snelheid over het wateren beweegt. Helaas is snel varen moeilijk te handhaven omdat de dader op heterdaad moet worden betrapt. 7.1 Maximale afmetingen vaartuigen Gezien de potentieel grotere schade die grotere schepen kunnen veroorzaken aan de oevers, de bodem en het ecologisch functioneren zijn, voor de vaarwegen waar AGV bevoegd gezag is, zijn in Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 1 maximaal toegestane afmetingen voor motorvaartuigen vastgelegd (
tabel 1 en bijlage 6).Daar waar de huidige karakteristieken en afmetingen van de vaarweg dit toelaten zijn daarbij de richtlijnen van de Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland 2000 gevolgd. Voor de beroepsvaart zijn de maximale afmetingen gerelateerd aan de betreffende beroepsvaartklasse die aan een aantal vaarwegen is toegekend. Een verdere verklaring van maximaal toegestane vaartuigafmetingen per vaarweg en van andere gegevens, inclusief de door AGV voorgestelde vaargeuldiepte en -breedte, is te vinden in bijlage 4. In de notitie Karakteristieken Vaarwegen zijn per vaarweg in meer detail deze en overige karakteristieken van de vaarwegen beschreven. Binnenvaartpolitiereglement (BPR) Artikel 1.06 Een schip, of een samenstel, mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid van dit schip of dit samenstel niet verenigbaar zijn met de karakteristiek en met de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken. Op basis van artikel 11 van de van Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 kan AGV voor de vaarwegen uit de verordening waarvoor het nautisch beheer is opgedragen aan AGV: nadere regels vaststellen met betrekking tot soort en type van de schepen, alsmede de afmetingen en de bestuurbaarheid. De Scheepvaartwegenverordeningen van de provincie Utrecht en Zuid-Holland geven geen nadere regels. De verordening van Utrecht geeft wel procedurele regels voor een besluit tot vermindering van de capaciteit van een scheepvaartweg (artikel 9: lid 1 en 4). Tabel 1 Maximale vaartuigafmetingen en minimale vaarstrookbreedte (vaarwater¬breedte) voor vaarwegen die openbaar toegankelijk zijn voor motorvaartuigen en waar AGV bevoegd gezag is (vastgesteld in Verkeersbesluit Vaarwegen AGV – 1:
bijlage 6)Naam vaarweg Minimaal vrij te houden vaarstrook (
bijlage 6). De drempel in de toegang tot de Kromme Mijdrecht vanuit de Amstel en de huidige karakteristieken en afmetingen van de Kromme Mijdrecht staan geen grotere diepgang toe dan 2,10 meter. Om die reden is de maximaal toegestane diepgang van schepen op deze vaarweg teruggebracht tot 2,10 meter. Voor de meeste vaarwegen voldoet de maximaal toegestane diepgang aan de door de SRN in de Beleidsvisie Recreatietoervaart 2000 aangegeven gewenste diepgang per vaarweg. Dit is echter niet het geval voor de Winkel, de ’s-Gravelandse Vaart, de Muider- en Naardertrekvaart en het traject van de Vecht tussen het Hilversums Kanaal en de Drecht (Mijndense Sluis). Het vaststellen van een grotere maximale diepgang is vanwege de huidige karakteristieken en afmetingen van deze vaarwegen echter niet mogelijk. Voor al deze vaarwegen geldt dat een ruimer vaarwegprofiel niet mogelijk is zonder daarbij hoge kosten te maken voor extra uitdiepen, constructie van harde of versterken van bestaande beschoeiing (waterkering en oeververdediging). Daarnaast kan verruiming van het profiel en het aanbrengen van afdoende oeverbeschoeiing de natuur- en landschappelijke waarden van met name de Winkel aantasten. Aangezien de Winkel de enige toegangsweg vanuit het noorden tot de Vinkeveense Plassen vormt is hier een grotere diepgang toegestaan dan waterhuishoudkundig gewenst. Voor het gedeelte van de Vecht tussen 't-Hemeltje (Hilversums Kanaal) en de Mijndense Sluis (Drecht: Loosdrechtse Plassen) is door AGV in Verkeersbesluit Vaarwegen AGV – 1 (bijlage 6) een maximale diepgang van 1,90 meter vastgelegd. Deze diepgang is bedoeld voor zeilvaartuigen met een diepere kiel, zodat deze de Loosdrechtse Plassen kunnen bereiken. De diepgang van het traject van de Vecht van de Mijndense Sluis tot de Weerdsluis in Utrecht is teruggebracht naar maximaal 1,5 meter. Inmiddels is door voortschrijdend inzicht duidelijk geworden dat op een aantal vaarwegen de maximale breedte van vaartuigen beter kan worden teruggebracht van 4 of 3,6 naar 3,2 meter. Dit omdat het gaat om relatief smalle vaarwegen waar een smallere breedte van vaartuigen, zeker in relatie tot de al beperkte toegestane lengte van 12 meter, beter in overeenstemming is met de karakteristieken van deze vaarwegen. Dit betekent tevens dat de breedte van de vrij te houden vaarstrook op deze vaarwegen kan worden teruggebracht van 15 naar 12 meter. De richtlijnen van de SRN van 1997 zijn opgesteld op basis van studies van de Commissie Vaarwegbeheerders (CVB). De CVB heeft recreatievaartklassen gedefinieerd, die grotendeels vergelijkbaar zijn met die van de SRN. De CVB heeft daarbij tevens adviezen gegeven over zowel de maatgevende scheepsafmetingen als de bijbehorende gewenste afmetingen van de vaargeul en vaarstrook. Tabel 2 Minimale diepte en maximale breedte van de vaargeul in vaarwegen die openbaar toegankelijk zijn voor motorvaartuigen (te verwerken in integraal keurprofiel in de legger bij de Keur)Vaarwater Maximale vaargeul breedte (
tabel 1 en 2 en bijlage 5). 7.2 Onderhoudsprofielen vaarwegen Op basis van de gewenste breedte en diepte van de vaargeul en de benodigde afvoercapaciteit van de betreffende vaarwegen zijn in tabel 2 uitgangspunten geformuleerd op basis waarvan integrale onderhoudsprofielen voor vaarwegen zullen worden uitgewerkt en opgenomen in de legger bij de Keur van AGV. Een deel van de vaarwegen is op dit moment nog niet op de vereiste diepte. Dit veroorzaakt veel opwerveling van slib en daarmee ernstige schade aan het ecologisch functioneren van de betreffende wateren. Het is daarom zaak dat deze wateren zo spoedig mogelijk op de vereiste diepte gebracht worden. Dit zowel om voldoende waterafvoer en voldoende diepte voor de scheepvaart te kunnen garanderen als om verdere schade aan het ecologisch functioneren te voorkomen. 7.3 Ontheffingen op vaarverboden Beleidsregel 7-2 Ontheffing op Verkeersbesluit Vaarwegen AGV - 2 (VV-2)(DB 98/28-2)) AGV kan ontheffing verlenen voor het varen met motorvaartuigen op wateren waar het gebruik van motorvaartuigen niet is toegestaan, om de volgende redenen:
bijlage 6). De maximale lengte en breedte voor schepen met een diepgang van 1,3 tot 1,5 meter zijn teruggebracht tot respectievelijk 25 en 5,5 meter. De maximale lengte en breedte van schepen die geladen met passagiers of vracht een diepgang hebben van minder dan 1,3 meter zijn teruggebracht tot respectievelijk 39 en 6,6 meter. De maximale diepgang voor het traject van het Hilversums Kanaal tot de Mijndense sluis is gehandhaafd op 1,9 meter en voor het traject van de Mijndense Sluis tot de Weerdsluis op 1,5 meter. 7.7 Ontheffingen maximale afmetingen Vecht Beleidsregel 7-5 Ontheffingen Scheepvaartafmetingen op de Vecht Reeds op grond van het beleid van de nota Vaarwater op Orde verleende ontheffingen voor het varen met specifieke schepen met een grotere lengte en/of breedte dan op de Vecht is toegestaan zijn tot uiterlijk 1 januari 2020 geldig. Bij vervanging van een schip met ontheffing dient het nieuwe schip te voldoen aan de hiervoor genoemde maximale afmetingen. Er worden geen nieuwe ontheffingen meer verleend aan vaartuigen die niet voldoen aan de maximale afmetingen. Het draaien/zwaaien van vaartuigen is alleen toegestaan op plaatsen waar dit mogelijk is zonder schade toe te brengen aan de oevers. De maximaal toegestane lengte en breedte van schepen is iets ruimer gesteld dan de aanbevelingen uit het onderzoek dat AGV heeft laten uitvoeren. Ze zijn gebaseerd op de richtlijnen van het CVB voor schepen van de kleine Bruine Vloot (BV1). Hiermee wordt voorkomen dat teveel beroepsvaartuigen die nu regelmatig met passagiers op de Vecht varen de toegang tot het zuidelijk deel van de Vecht op termijn ontzegd moet worden. De ontheffing is zowel gebonden aan de betreffende reder als aan het betreffende vaartuig. Bij verkoop van het bedrijf inclusief vaartuig aan een nieuwe eigenaar kan de ontheffing één maal worden overgedragen. Bij vervanging van alleen het vaartuig kan de ontheffing niet worden overgedragen op de nieuwe eigenaar van het oude vaartuig. Het oude vaartuig mag dan niet meer op het zuidelijk deel van de Vecht varen. De reder die in het bezit is van een ontheffing mag, in het geval zijn eigen schip niet beschikbaar is door bijvoorbeeld verhuur aan derden, een ander schip inzetten dat in ieder geval niet langer en breder mag zijn en niet meer diepgang mag hebben dan het schip waarvoor ontheffing is verleend. Incidentele ontheffingen op de toegestane maximale afmetingen per vaarweg kunnen te allen tijde worden aangevraagd. Hierbij wordt nagegaan of er zwaarwegende redenen zijn om ontheffing te verlenen. Met ontheffing op de maximaal toegestane diepgang zal zeer terughoudend worden omgegaan. 8 Begrippen Aanlegplaats of Afmeervoorziening: Een plaats gelegen in een vaarweg, bedoeld voor het ligplaats nemen met schepen c.q. recreatievaartuigen, niet zijnde woonschepen, voor een bepaalde periode. Bestemmingsplan Gemeentelijk plan voor de ruimtelijke ordening, waarin de bestemming, ofwel de toegestane wijze van gebruik (en inrichting), van land (en water) wettelijk bindend zijn of kunnen worden vastgelegd. BPR Binnenvaart Politie Reglement, met bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op vaarwegen. BRTN Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland uitgebracht door de SRN, Stichting Recreatietoervaart Nederland in 1997 en in
bijlage Bouwtekeningen van steigers.pdf voor Bijlage 1 Bouwtekeningen van steigers) Bijlage 2 Begrenzing bevoegdheden en regelgeving In de consultatierondes die vooraf zijn gegaan aan het opstellen van de oorspronkelijke beleidsnota Vaarwater op Orde is naar voren gekomen dat er veel onduidelijkheden bestaan over de begrenzing van de bevoegdheden van verschillende overheden en organisaties. Dit betreft met name de bevoegdheden van provincies, gemeenten, en water(kering)- en vaarwegbeheerders. Deze onduidelijkheden worden deels veroorzaakt door de huidige sectorale wetgeving en de sectorale verdeling van verantwoordelijkheden tussen verschillende overheden en binnen die overheden weer over verschillende sectoren, diensten, en afdelingen. De afstemming van regelgeving, handhaving, werkzaamheden en de onderlinge communicatie tussen verschillende overheden en diensten is niet altijd optimaal. Overlap van bevoegdheden Wat de inrichting en het gebruik van water en oevers betreft hebben gemeenten en water- en vaarwegbeheerders bevoegdheden die niet geheel van elkaar te scheiden zijn. Zij kunnen ieder vanuit hun eigen taak regels vaststellen voor dezelfde vormen van gebruik en inrichting. De provincies kunnen via provinciale verordeningen randvoorwaarden en regels stellen waarbinnen de regelgeving van water- en vaarwegbeheerders en gemeenten zich kan en mag bewegen. Verder kunnen provincies hun goedkeuring onthouden aan bestemmingsplannen en bepaalde beleidsplannen van water- en vaarwegbeheerders. Er is sprake van overlap van bevoegdheden. Dit maakt een goede afstemming noodzakelijk, zodat het beleid van 'de overheid' voor de burger eenduidig is en deze weet waar hij aan toe is. Afstemming wordt ook steeds belangrijker door de toenemende claims die op elk stukje (openbare)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.