Beleidsregel 9 OppervlaktewaterenBeleidsregel 9 Oppervlaktewateren 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebods- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Deze notitie betreft de beleidsregel voor de aanleg van nieuwe oppervlaktewateren en de inrichting van watersystemen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt in deze notitie een overzicht van de formele artikelen uit de beleidsregel in kwestie (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/. 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone werkzaamheden te verrichten en werken of opgaande (hout)beplanting aan te brengen of te hebben, dan wel aanwezige (hout)beplanting te verwijderen. Op grond van artikel 3.1.4 lid 1 en 3 is het zonder vergunning van het bestuur verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater zal ontstaan en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen van nieuwe oppervlaktewateren cq. inrichten van watersystemen. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is het gehele beheersgebied van Rijnland. 2.3 Raakvlakken met ander beleid De legger voor de oppervlaktewateren geeft de vereiste afmetingen van de bestaande oppervlaktewateren weer. Nieuw aangelegde oppervlaktewateren worden bij een herziening van de legger in de legger opgenomen. Algemene regel ‘Natuurvriendelijke Oevers’. 3 Toelichting van de activiteit Het doel van deze beleidsregel is de functie van het oppervlaktewater als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem te beschermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn het instandhouden van de doorstroming en bergingscapaciteit, het garanderen van een goede ecologische toestand en het waarborgen van normale onderhoudsmogelijkheden. De inrichtingscriteria voor de oppervlaktewateren zijn gebaseerd op de vier volgende uitgangspunten: Waterkwantiteit: aan- en afvoer moeten gegarandeerd zijn. Waterkwaliteit: de waterkwaliteit en de ecologie mogen niet ontoelaatbaar negatief worden beïnvloed. Beheer en onderhoud: kunstwerken mogen onderhoud aan oppervlaktewater en oever niet belemmeren. Scheepvaartbelang: de doorvaart mag niet worden belemmerd (betreft alleen het beperkt aantal polderwateren waarvoor Rijnland vaarwegbeheerder is). Waterkwantiteit De afmetingen van een oppervlaktewater bepalen hoeveel water, binnen bepaalde randvoorwaarden, dit oppervlaktewater kan transporteren. Deze randvoorwaarden zijn onder andere de stroomsnelheid en het verval dat in een watersysteem beschikbaar is. De stroomsnelheid en het verval zijn aan elkaar gerelateerd: hoe hoger de stroomsnelheid, hoe groter het verval. Te hoge stroomsnelheden kunnen tot uitschuring van het onderwaterprofiel leiden, met mogelijke instabiliteit van het onderwatertalud tot gevolg. Voor de waterstroming in een oppervlaktewater is doorgaans een beperkt verval beschikbaar. Dit verval moet worden verdeeld over het oppervlaktewater en de daarin voorkomende kunstwerken. Voor een goede wateraanvoer en waterafvoer is het dus van belang dat een oppervlaktewater ruim voldoende is gedimensioneerd. Waterkwaliteit Voor een goede (ecologische) waterkwaliteit is een goede – natuurvriendelijke – inrichting in combinatie met natuurvriendelijk beheer en onderhoud van het watersysteem noodzakelijk. De beleidsregels voor de inrichting van het watersysteem stellen dan ook nadrukkelijke eisen op het gebied van de ecologie en de waterkwaliteit, opdat planten en dieren voldoende kansen krijgen om zich te handhaven en te ontwikkelen. Beheer en onderhoud Randvoorwaarde bij de (her)inrichting van oppervlaktewateren is dat adequaat beheer en onderhoud mogelijk blijft. Daarnaast mogen geen materialen worden gebruikt die een negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of het ecosysteem kunnen hebben. Scheepvaartbelang Rijnland is voor een groot aantal oppervlaktewateren nautisch beheerder, en vaarwegbeheerder voor een beperkt aantal oppervlaktewateren in polders. Daarnaast geeft Rijnland vaarvergunningen uit en int vaargelden. Alleen voor die (polder)wateren waarvoor Rijnland op basis van het Reglement als scheepvaartbeheerder is aangewezen, houdt Rijnland rekening met de eisen van de scheepvaart. Voor de oppervlaktewateren waarvoor Rijnland geen vaarwegbeheerder is en waarvoor ook geen andere instantie door de provincie als vaarwegbeheerder is aangewezen geldt dat de recreatieve scheepvaart kan meeliften op de leggerafmetingen van Rijnland. Nautisch beheer Het nautisch beheer omvat de regeling van het verkeer op het water. De wettelijke basis daarvoor is de Scheepvaartverkeerswet. Het gaat hier bijvoorbeeld om verkeersbesluiten zoals vaarverboden en snelheidsbeperkingen op basis van het BinnenvaartPolitieReglement (BPR). De taak nautisch beheer houdt voornamelijk in het ‘spelen van politieagent’ op het water. Vanuit de Scheepvaartverkeerswet worden alle oppervlaktewateren aangemerkt als vaarweg. Vaarwegbeheer Het vaarwegbeheer is erop gericht het doorvaartprofiel ten behoeve van de scheepvaart te onderhouden. Daarbij moet worden gedacht aan het op diepte houden van de vaarweg en het via vergunningverlening reguleren van bouwwerken die de bevaarbaarheid beïnvloeden. Een vaarwegbeheerder is automatisch ook nautisch beheerder. Het aantal oppervlaktewateren met een officiële vaarwegbeheer is vrij beperkt. Voor het vaarwegbeheer bestaat nog geen wettelijke basis. Rijk, provincies en enkele gemeenten hebben die taak vanuit hun eigen taakopvatting tot zich genomen. Vaarvergunningen In de verordening over vaarverboden en vaargelden heeft Rijnland voor een aantal oppervlaktewateren vaarverboden, vrijstellingen en ontheffingen middels een vaarvergunning vastgelegd. De verordening maakt onderscheid tussen algemene vaarvergunningen (A- en B-wateren), die door iedereen aangevraagd kunnen worden, en bijzonder vaarvergunningen (C-wateren), die alleen worden verleend aan personen/instanties wier de woning of economische bestemming alleen via dat water is te bereiken. Voor het bevaren van de verschillende wateren wordt vaargeld geheven. De opbrengsten van de vaargelden gaan in het ‘fonds oeverherstel’. Uit dit fonds verleent Rijnland vervolgens subsidies aan eigenaren van land dat door motorvaart beschadigde oevers heeft opgelopen. 4 Voorwaarden aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersysteem Op grond van de Keur (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b en artikel 3.1.4, lid 1 en 3) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor nieuw aan te leggen oppervlaktewateren en of (her) inrichten van watersystemen. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden. Nat oppervlak: onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater. Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd. Drooglegging: het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een oppervlaktewater en het maaiveld. Oeverlijn: De scheidingslijn tussen water en land. Overige-oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of oppervlaktewateren die een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven. Primaire-oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering. Talud: glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enzovoort. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10). Verhang: verval per lengte-eenheid. Verval: verschil in peil tussen twee punten van een oppervlaktewater op een bepaald tijdstip. Waterlijn: het grensvlak tussen water en lucht. Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september – 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd. Artikel 2: afmetingen Nieuw aan te leggen oppervlaktewateren, behalve te verleggen oppervlaktewateren, voldoen minimaal aan de onderstaande afmetingen. Op basis van het vereiste nat oppervlak (zie artikel 5) kunnen grotere afmetingen vereist zijn. Bij te verleggen oppervlaktewateren moeten minimaal de bestaande afmetingen worden gehanteerd. Minimale afmetingen aan te leggen oppervlaktewaterenParameter Overige oppervlaktewateren primaire oppervlaktewateren Ingreepmaat 0,50 m 1,00 m Aanlegdiepte 0,60 m 1,10 m minimaal onder- en bovenwatertalud 1:3 1:3 minimale bodembreedte 0,50 m 0,50 m minimale breedte op de waterlijn bij geldend winterpeil 4,10 m 7,10 m Artikel 3: inrichtingseisen voor varend onderhoud De inrichtingseisen voor varend onderhoud zijn als volgt: minimale breedte oppervlaktewater: 6,0 meter (op de waterlijn). minimale waterdiepte 0,75 meter. minimale vrije lengte (vrij van kunstwerken) oppervlaktewater: 250 meter. bij hindernissen (kunstwerken) zijn er voldoende plaatsen waar een onderhoudsboot in en uit het water kan worden gehaald. Artikel 4: voorzichtig Met de aanleg en/of het graven van nieuwe oppervlaktewateren moeten we extra voorzichtig zijn met de gebieden/oppervlaktewateren die zijn weergegeven op de kaart ‘Zoute kwel polders; kaartenbijlage 2’. Dat is nodig om ongewenste effecten, zoals loopzand, sterke toename (zilte) kwel en/of wegzijging te voorkomen. Artikel 5: vereist nat oppervlak Het vereiste nat oppervlak van oppervlaktewateren voldoet aan de volgende voorwaarden; maatgevende afvoercapaciteit: agrarische gebied: 10 m3/min/100 ha. stedelijk gebied 15 m3/min/100 ha. glastuinbouw, boomkwekerijen, bollengebied: 15 m3/min/100 ha. plassengebieden: 8 m3/min/100 ha. maximale stroomsnelheid: 0,20 m/s, (uitgaande van het winterpeil). maximale stroomsnelheid in gebieden met fijn zand en slap veen: 0,10 m/s (uitgaande van het winterpeil). maximaal verhang: 1 centimeter per kilometer. totale verval in de overige-oppervlaktewateren: niet meer dan 5 centimeter. toegestane verval in primaire-oppervlaktewateren: wordt per geval beoordeeld. Artikel 6: beplanting De onderhoudsplichtige mag in oppervlaktewateren langs de oeverlijn over een beperkte breedte (zie onderstaande tabel) planten laten staan. toegestane beplanting in oeverlijnBreedte oppervlaktewater Primaire oppervlaktewateren* Overige oppervlaktewateren* < 3 m niet toegestaan niet toegestaan >= 3 m en < 10 m niet toegestaan Aan elke zijde 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater >= 10 m Aan elke zijde 1/20 van de breedte met een maximum van 2 meter Idem * Lokaal kunnen door Rijnland vanwege gebiedsspecifieke omstandigheden andere maatvoeringen worden gehanteerd. Artikel 7: geen versnippering Het versnipperen van watersystemen is niet toegestaan. Artikel 8: materiaal Bij de aanleg van oppervlaktewateren mag geen materiaal gebruikt worden met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de ecologie, zie bijlage
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.