(2)werken, handelingen en gedragingen met betrekking tot bestaande ondergrondse waterberging worden getoetst aan de criteria zoals opgenomen in het van toepassing zijnde waterstructuur- of waterhuishoudingsplan. Deze criteria zijn o.a. de maximale afvoer uit het plangebied, de stroomsnelheid en de maximale peilstijging. Of en welke voorschriften aan de vergunning worden verbonden is afhankelijk van de wijze waarop de gemeente het waterbergingsobject al dan niet juridisch heeft vastgelegd, bijvoorbeeld in het bestemmingsplan. Of een aan te leggen nieuwe ondergrondse waterberging waarvoor vergunning verleend wordt, ook op de legger wordt geplaatst (waardoor ook de vervanging van en wijzigingen met betrekking tot die ondergrondse waterberging vergunningplichtig worden), is afhankelijk van het belang van de instandhouding daarvan voor een goede waterhuishouding in het betreffende gebied; het al dan niet anderszins juridisch vastgelegd zijn, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Wadi’s en overloopgebieden als vormen van alternatieve waterberging ter vervanging van open water worden hetzelfde “behandeld” als ondergrondse waterberging. 2.2.2 Artikel 14.1 b Artikel 14, eerste lid, sub b Het is verboden in watergangen de waterstand te brengen en te houden op een ander peil dan
- het peil zoals voor de desbetreffende watergang dan wel het betreffende gebied door het waterschap is vastgesteld;
- indien geen peil voor de desbetreffende watergang dan wel het betreffende gebied is vastgesteld, het streefpeil dan wel het gangbare peil zoals deze ter plaatse kennelijk blijkt. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor de onder dit verbod vallende activiteiten of handelingen wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend geldt het volgende (specifieke) toetsingscriterium: In poldergebieden worden in principe geen onderbemalingen toegestaan. 2.2.3 Artikel 14.1 c Artikel 14, eerste lid, sub c: Het is verboden in, op, onder en boven watergangen werken of opgaande houtbeplantingen aan te brengen of te hebben In deze paragraaf komen de volgende activiteiten aan de orde:
- kabels en leidingen (niet zijnde kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk waarvoor ingevolge de Telecommunicatiewet een gedoogplicht geldt).
- Duikers
- Bruggen
- Bouwwerken
- Beschoeiing
- Stuwen
- Opgaande houtbeplantingen ad 1 Kabels en leidingen Toelichting Kabels en leidingen kunnen zowel parallel aan als kruisend ten opzichte van een watergang worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van de watergang plaatsvinden aan of over kunstwerken of onder de watergang door. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor kabels en leidingen waarvoor geen vrijstelling geldt, wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend gelden het volgende (specifieke) toetsingscriteria: Vrij verval riolering. Vergunning wordt verleend in geval van vrij verval rioleringen tussen 0,5 meter en 1 meter onder de bodem van een watergang mits met speciale voorzieningen (stelconplaten, gobimatten etc.) Bovengrondse leidingen. Geen vergunning wordt verleend voor bovengrondse leidingen tot een hoogte van 5 meter, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. In dat geval zullen er in aan de vergunning voorschriften worden verbonden teneinde de kans op gevaar/schade zo veel mogelijk uit te sluiten. Voor bovengrondse kabels door een kunstwerk wordt alleen vergunning verleend als daardoor de watergang niet beschadigd wordt /de doorstroming niet wordt belemmerd. Leidingen in watergangen met een natuurfunctie. Kabels en leidingen langs of door watergangen met een natuurfunctie mogen geen belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Dit betekent dat ligging, diepte e.d. van de kabels en leidingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd daarop moet worden afgestemd. Indien e.e.a. niet verenigbaar is met de natuurfunctie, kan de vergunning zelfs mogelijk worden geweigerd. ad 2 Duikers Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor duikers wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend gelden de volgende (specifieke) toetsingscriteria: Aantal. Alleen voor duikers ten behoeve van een verkeersfunctie (overgangen) wordt vergunning verleend waarbij wordt uitgegaan van maximaal 1 duiker per perceelszijde. In bijzondere gevallen kunnen 2 duikers worden toegestaan (bijv. bij percelen die over een lengte van meer dan 250 meter grenzen aan een watergang) Duiker met bocht. Indien in de duiker een bocht moet worden aangebracht, dient in de bocht een inspectieput met mangat en stroomprofiel worden aangebracht. De put dient te worden afgesloten met een afneembaar deksel, met een mangat rond 0,6 meter, op maaiveldhoogte. Diameter. De minimaal vereiste diameter van een duiker is afhankelijk van de locatie, breedte en maatgevende afvoer van de watergang. Uitgangspunt is dat de duiker een minimale diameter dient te bezitten van 0,40 meter. Algemeen. Afhankelijk van de inrichting en vorm van de watergang en duiker moet er een bodem- en oeververdediging worden aangebracht ter voorkoming van uitspoeling. Duikers in watergangen met een natuurfunctie. Duikers in watergangen met een natuurfunctie mogen geen belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Dit betekent dat ligging, diepte e.d. van de duiker waarvoor vergunning wordt aangevraagd daarop moeten worden afgestemd. Indien e.e.a. niet verenigbaar is met de natuurfunctie, kan de vergunning zelfs mogelijk worden geweigerd. In het geval van doorvaarbare duikers gelden ook nog de volgende (specifieke) toetsingscriteria Minimale doorvaarthoogte. Indien de betreffende watergang wordt onderhouden met een maaiboot dient de doorvaarthoogte (afstand bovenkant binnezijde duiker tot normaal waterpeil, of – wanneer zomer- en winterpeil wordt gehanteerd – het zomerpeil) minimaal 1 meter te zijn. Minimale doorvaartbreedte. Indien de betreffende watergang wordt onderhouden met een maaiboot dient de doorvaartbreedte minimaal 2,5 meter te zijn. ad 3 Bruggen Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor bruggen wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend gelden de volgende (specifieke) toetsingscriteria: Functie: vergunning wordt in beginsel alleen verleend als aangetoond wordt dat de brug nodig is om op een efficiënte manier van het ene perceel op het andere te komen, dus dienst doet als overgang. Minimale aanleghoogte. Om te voorkomen dat de brug bij de hoogste waterstand in het watergang komt te liggen, dient de onderzijde van de brug minimaal even hoog te liggen als de insteek van de watergang. Minimale doorvaarthoogte. Indien de betreffende watergang wordt onderhouden met een maaiboot dient de doorvaarthoogte (afstand onderkant brug tot normaal waterpeil, of – wanneer zomer- en winterpeil wordt gehanteerd – het zomerpeil) minimaal 1 meter te zijn. Minimale doorvaartbreedte. Indien de betreffende watergang wordt onderhouden met een maaiboot dient de doorvaartbreedte (afstand tussen landhoofden of steunpunten) minimaal 2,5 meter te zijn. Bruggen in of over watergangen met een natuurfunctie. Bruggen in of over watergangen met een natuurfunctie mogen geen belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Dit betekent dat ligging, afmetingen e.d. van de brug waarvoor vergunning wordt aangevraagd daarop moeten worden afgestemd. Indien e.e.a. niet verenigbaar is met de natuurfunctie, kan de vergunning zelfs mogelijk worden geweigerd. ad 4 Bouwwerken Toelichting Tot bouwwerken worden onder andere gerekend: steigers, vlonders, keerwanden, zitkuilen en terrassen, schuttingen, schuren en tuinhuisjes e.d. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor bouwwerken waarvoor geen vrijstelling geldt, wordt vergunning verleend – eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). De algemene toetsingscriteria voor het wel of niet verlenen van een vergunning hebben enkel betrekking op afmetingen, plaats en materiaalgebruik. Het spreekt voor zich dat de vergunninghouder verantwoordelijk blijft voor de constructie die wordt aangelegd. De constructie moet berekend zijn op het beoogd gebruik en mag de uitvoering van normaal onderhoud aan de watergang inclusief beschoeiing niet hinderen. Ad 5 Beschoeiingen Toelichting In verband met de oeverbescherming streeft het waterschap ernaar waar mogelijk natuurvriendelijke oevers aan te leggen, dan wel aan te laten leggen door een eigenaar van een aangrenzend perceel. Langs particuliere erven grenzend aan een ‘stedelijke watergang’ is een harde beschoeiing in principe toegestaan. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor beschoeiingen wordt vergunning verleend – eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend geldt het volgende (specifieke) toetsingscriterium: Deugdelijke verankering. De beschoeiing dient te worden voorzien van een deugdelijke verankering en constructie, waarbij rekening wordt gehouden met de belasting. Gronddichte beschoeiing. De beschoeiing dient zodanig te worden afgewerkt dat er geen grond naar de watergang kan uitspoelen. ad 6 Stuwen Toelichting Doel van de bepalingen in de Keur ten aanzien van stuwen is een zo optimaal mogelijk peilbeheer. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor stuwen wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Ad 7 Opgaande houtbeplantingen Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor opgaande houtbeplantingen wordt, indien geen vrijstelling geldt, vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend geldt voor hoogopgaande beplanting de volgende (specifieke) toetsingscriteria: Het profiel van de watergang moet geschikt zijn voor de aanwezigheid van opgaande beplanting. Het mag geen nadelige invloed hebben op de waterhuishouding. Dit kan o.a. veroorzaakt worden door beplanting die in de loop der jaren zo groot wordt dat deze kan omwaaien of de beschoeiing kan beschadigen en op deze wijze de waterhuishouding frustreren; De aanwezigheid van wortels en van opgaande beplanting mogen de doorstroming of het onderhoud niet belemmeren en de beschoeiing niet beschadigen. 2.2.4 Artikel 14.1 d Artikel 14, eerste lid, sub d: het is verboden in, op, onder of boven watergangen stoffen, materialen, voorwerpen of huisdieren te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor deze activiteiten of handelingen wordt, indien geen vrijstelling geldt, vergunning verleend – eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). 2.2.
- Artikel 14.1 e Artikel 14, eerste lid, sub e: Het is verboden in, op onder en boven watergangen activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Toelichting: Onder activiteiten worden verstaan: het organiseren van recreatieve activiteiten (in groepsverband), het houden van wedstrijden, tentoonstellingen, feesten, markten en kermissen etc. Toetsingscriteria vergunningaanvraag: Voor recreatieve activiteiten welke niet onder de vrijstelling vallen, wordt vergunning verleend – eventueel met voorschriften – mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Er geldt een vergunningplicht voor grootschalige en structurele activiteiten en voor activiteiten waarvoor blijvende voorzieningen moeten worden aangelegd. Bij grootschalige en/of structurele activiteiten moet men denken aan activiteiten die minimaal een keer maand worden georganiseerd en/of naar verwachting door meer dan 100 mensen worden bezocht. 2.2.6 Artikel 14.1 f Artikel 14, eerste lid, sub f: Het is verboden om in, op, onder of boven watergangen zich anders dan als rechthebbende, wandelaar, roeier, kanoër, schaatser of visser te bevinden Toelichting Op grond van deze bepaling kan onwenselijk gebruik van met name de schouw- en onderhoudspaden worden tegengegaan. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor het zich bevinden op een wijze/ onder de omstandigheden waarop geen vrijstelling van toepassing is, wordt vergunning verleend – eventueel met voorschriften – mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1) 2.2.7 Artikel 14.1 g Artikel 14, eerste lid sub g: Het is verboden in, op, onder en boven watergangen buiten verharde wegen met rij- of voertuigen dan wel met lastdier te rijden of vee te drijven. Toelichting: Op grond van deze bepaling kan onwenselijk gebruik van met name de schouw- en onderhoudspaden worden tegengegaan. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor het zich verplaatsen langs een watergang met een rij- of voertuig of lastdier voor het drijven van vee wordt, indien geen vrijstelling geldt, vergunning verleend – eventueel met voorschriften – mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). 2.2.8 Artikel 15 Artikel 15: Het is verboden in waterbergingsgebieden watergangen te dempen; gronden op te hogen; overige werken aan te brengen of werkzaamheden uit te voeren die tot doel of als uitwerking hebben deze waterbergingsgebieden geheel/gedeeltelijk van overstroming te vrijwaren, dan wel het bergend vermogen te doen afnemen, met uitzondering van die gedeelten die in het bestemmingsplan zijn aangeduid als bebouwingsvlak. Toetsingscriteria vergunningaanvraag Voor deze werkzaamheden wordt vergunning verleend – eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1).Aanvullend geldt het volgende (specifieke) toetsingscriterium: In de waterbergingsgebieden zoals deze zijn aangegeven op de kaart met de keurzones watergangen wordt voor ophogingen en slootdempingen alleen vergunning verleend als de verloren gegane bergingscapaciteit volledig wordt gecompenseerd. 2.2.9 Artikel 16 Artikel 16: Het is verboden in de beschermingszone: afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten; werken met een overdruk van 10 bar te brengen en te hebben; explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben. Absoluut verbod Geen vergunning wordt verleend voor het bovengronds plaatsen van tanks en drukvaten binnen de insteek van de watergang. Toetsingscriteria vergunningen Voor de overige onder dit verbod vallende activiteiten of handelingen wordt vergunning verleend - eventueel met voorschriften - mits deze voldoen aan de algemene toetsingscriteria (zie paragraaf 2.1). Aanvullend gelden de volgende (specifieke) toetsingscriteria: Voor het bovengronds plaatsen van tanks en drukvaten binnen de beschermingszone verleent het waterschap geen ontheffing. Voor ondergrondse tanks en drukvaten binnen de beschermingszone, wordt wel ontheffing verleend, mits deze 1 meter onder het maaiveld worden geplaatst en de mogelijke bovenbelasting ten gevolge van het onderhoudsmaterieel van het waterschap of van derden kan worden opgevangen.