Nota handhaving Wet verontreiniging oppervlaktewateren 2004Nota handhaving Wet verontreiniging oppervlaktewateren 2004 Hoofdstuk 1: Inleiding 1.
(3)en de VROM-Inspectie. Het beleid van Rijnland is er op gericht actief samenwerking aan te gaan met de verschillende handhavingspartners, waarbij het criterium is dat er sprake moet zijn van een zekere meerwaarde voor de handhavingswerkzaamheden van Rijnland. 7.
- Afstemming met politie Met name bij het uitoefenen van toezicht in het buitengebied heeft de politie een taak. Aangezien ook Rijnland actief is in het buitengebied, middels het uitvoeren van veldcontroles, zal de politietaak zich daardoor hoofdzakelijk nog richten op het handhaven van stortverboden, commune delicten30 en dergelijke zaken. Voor inrichting gebonden overtredingen ligt de toezichthoudende taak primair bij de waterkwaliteitsbeheerder. De politie wordt daarbij alleen ingezet op speciaal verzoek (bijvoorbeeld assistentie bij tegen de wens binnentreden). Rijnland heeft binnen het beheersgebied te maken met de politiekorpsen Hollands Midden, Kennemerland, en Haaglanden. Het korps Hollands Midden bezit speciale milieuteams, waar Rijnland afspraken mee heeft gemaakt in het kader van de samenwerking.31 Dit zal in de nabije toekomst ook nog moeten gebeuren met de overige politiekorpsen. 26 TK 1997-1998, 22343, nr. 29 27 Zie noot 4 voor de bestuursovereenkomsten die Rijnland heeft ondertekend. 28 Zie wetsvoorstel Handhavingsstructuur (TK 2001-2002, 22343, nr. 66) 29 Zie noot 5 30 Delicten die zijn terug te vinden in hoofdstuk 2 (misdrijven) en hoofdstuk 3 (overtredingen) van het Wetboek van Strafrecht. Deze staan tegenover de strafbepalingen in bijzondere wetten als de Wet economische delicten. 7.
- Afstemming met Openbaar Ministerie Handhaving van de Wvo is een taak van waterkwaliteitsbeheerder (bestuur) en van het OM. Het bestuur geeft invulling aan het milieubeleid door onder meer vergunningverlening en handhaving. Het OM vult zijn aandeel in de milieuwethandhaving in vanuit strafrechtelijke motieven als vergelding, normbevestiging en preventie, maar het strafrecht is in deze ook gericht op herstel en compensatie van aan het milieu toegebrachte schade
- Waterkwaliteitsbeheerders en OM hebben elk een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid. Door samen gestalte te geven aan de handhaving van de Wvo kunnen zij elkaar aanvullen en versterken. Het OM heeft in het Strategiedocument aangegeven welk soort overtredingen in zijn ogen strafrechtelijk vervolgd dient te worden. Het gaat om de kernbepalingen binnen de milieuregelgeving. Na overleg tussen OM en waterkwaliteitsbeheerders is op Unieniveau een voorlopige lijst Wvo kernbepalingen vastgesteld. Deze lijst vormt het uitgangspunt voor de strafrechtelijke handhaving van overtredingen. Rijnland heeft deze lijst, vooruitlopend op de daadwerkelijke vaststelling, naast de te handhaven vergunningen en algemene regels gelegd. Hieruit is het document kernbepalingen ontstaan. Dit document is terug te vinden in het werkdocument behorende bij de Nota handhaving. 31 Zie hiervoor het werkdocument behorende bij de Nota Handhaving 32 Zie hiervoor de Leidraad Milieu en het Strategiedocument milieu Hoofdstuk 8: Uitvoering In blok 4 van het adequate handhavingsproces worden strategie en werkwijze in de praktijk gebracht. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de communicatie tussen de handhaver en de lozer, de wijzen waarop toezicht plaatsvindt, de mogelijkheden die wet- en regelgeving bieden om bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk op te treden, en de benodigde kwaliteit en kwantiteit van middelen en diensten. 8.
- Communicatie Communicatie is een kritische succesfactor voor het bereiken van een optimale naleving van milieuvoorschriften, het realiseren van een transparante handhaving en een open zakelijke relatie tussen lozer, vergunningverlener en handhaver. 8.1.
- Communicatie met de doelgroep Door middel van AMvB’s zoals het Bouwstoffenbesluit, het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering worden grote groepen van bedrijven en/of activiteiten aan regels gebonden. Het is als handhavende instantie niet mogelijk om kort na het van kracht worden van algemene regels de bedrijven en/of activiteiten individueel te controleren. In dat licht zal een goede communicatie met de doelgroep een preventief effect hebben op het naleefgedrag. Het Rijk heefteen bepaalde verantwoordelijkheid in het voorlichtingentraject (o.a. het opstellen van brochures voor de branche). Ook de branche zelf informeert haar doelgroep over bepaalde ontwikkelingen op het gebied van regelgeving. Ten slotte maakt Rijnland ook zelf gebruik van het communicatiemiddel om de doelgroep te bereiken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de internetsite, mailings, nieuwsbrieven en brochures die opgesteld worden door het Rijk. Voorts zullen ook aankondigingen en resultaten van controleacties meer en meer via het internet worden gepresenteerd. 8.1.
- Communicatie met de lozer/vergunninghouder Belangrijk is dat lozers tijdig alle mogelijke relevante gegevens overleggen aan vergunningverleners om te komen tot een uitvoerbare en handhaafbare vergunning. In dit traject is het van belang dat lozer, vergunningverlener en handhaver vanaf de start van het vooroverleg ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid alle relevante zaken inbrengen. Gemaakte afspraken worden door de betrokken partijen schriftelijk vastgelegd. Hierdoor ontstaat een open en transparant communicatietraject en dossiervorming. Het is van belang dat de handhavingsstrategie en de grote lijnen van de werkwijze van de handhaver aan de lozer wordt meegedeeld. De handhaving van de Wvo, voordat de repressieve fase (sanctietoepassing) intreedt, de preventieve fase. Deze fase van het toezicht omvat voorlichting (bijvoorbeeld actuele ontwikkelingen, het gevoerde handhavingsbeleid), advisering (bijvoorbeeld het verwijzen naar ingenieursbureaus voor het oplossen van specifieke problemen) en het controleren van de gestelde regels, zonder dat er concreet sprake is van het vermoeden van een strafbaar feit. Van groot belang in deze fase is dat bevindingen in het kader van toezicht eenduidig en uniform worden vastgelegd. Vanuit een oogpunt van klantvriendelijkheid wordt er in toezichtsrapporten tevens in gegaan op datgene wat op basis van de controle goed is bevonden. Daarmee kan een genuanceerdere beeldvorming van feitelijke bedrijfssituatie in het rapport ontstaan. De correspondentie heeft een zakelijk en formeel juridisch karakter vanwege enerzijds de rechtsbescherming voor de lozer en anderzijds de juridische eisen die gesteld worden aan correspondentie die op enig moment deel kan uitmaken van een juridische procedure. Elementen als juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en juridische zorgvuldigheid zijn hierbij belangrijke aspecten. 8.
- Toezicht Onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Bij het toezicht hebben we te maken met het routinematige toezicht en het zogenaamde ad hoc-toezicht en projectmatig toezicht. Toezicht vindt plaats op basis van het bedrijfsplan, in het kader van projecten en naar aanleiding van meldingen, klachten en calamiteiten. Routinematig toezicht wil in dit verband zeggen uitvoering van een jaarlijks opgesteld programma, gericht op inzet van personeel en materieel dat als basis dient van de uit te voeren controlebezoeken bij de diverse lozers. Ad hoc-toezicht zijn de zaken die niet in te plannen zijn maar waar meestal als gevolg van bijzondere omstandigheden toch de nodige aandacht aan geschonken moet worden bijvoorbeeld als gevolg van weersomstandigheden, calamiteiten, klachten e.d. Projectmatig toezicht is het toezicht dat gehouden wordt in het kader van een project. Dit kan betrekking hebben op een categorie lozers, bepaalde wetgeving of in het kader van afspraken binnen de regionale samenwerkingsverbanden. In het werkdocument behorende bij de Nota handhaving worden de diverse vormen van toezicht nog nader besproken. 8.
- Toezichtsplannen In een toezichtsplan wordt de link gelegd tussen de milieurelevantie en milieuprestatie van bepaalde te controleren doelgroepen (of eventueel een individuele lozer) en de wijze waarop de controles worden ingericht. Het toezichtsplan is voor de handhaving, maar ook voor vergunningverlening een hulpmiddel om gestructureerd te werken en bevat onder meer afspraken over de vorm en intensiteit van het toezicht. Het toezicht zal er immers verschillend uitzien naar gelang we te maken hebben met een lozer of een doelgroep waar al dan niet gestructureerd aandacht is voor (bedrijfsinterne) milieuzorg. Deze toezichtsplannen behoren momenteel slechts in individuele gevallen tot de werkwijze van Rijnland. In de nabije toekomst zal voor de diverse doelgroepen een toezichtsplan worden opgesteld. Het toezichtsplan heeft tot doel: De vergunning of meldingsgegevens over te dragen van de vergunningverlener naar de toezichthouder; De handhavingshistorie van een lozer of een bepaalde groep lozers vast te leggen en genereert een overzicht van contactmomenten met een bedrijf/lozer; Vast te leggen op welke wijze tegen geconstateerde overtredingen wordt opgetreden; Vast te leggen op welke wijze en in welke mate toezicht (controle) wordt uitgeoefend. Bij complexe bedrijven maar ook bijvoorbeeld bij nieuwe algemene regels voor een sector, is het ondoenlijk alle lozingsaspecten te controleren. In een toezichtsplan wordt expliciet gemaakt welke aspecten aandacht krijgen. Vergunningverlening en handhaving kunnen de toezichtsplannen gebruiken in actieve voorlichting naar bedrijven. Het toezichtsplan kan binnen de beperkingen van de Wet openbaarheid van bestuur gebruikt worden voor communicatie naar derden. Dit draagt mogelijk bij aan het voorkomen van overtredingen en zodoende aan het bereiken van gestelde nalevingsdoelen. 8.
- Overzicht bestuursrechtelijke middelen Artikel 25 van de Wvo verklaart bepalingen omtrent de handhaving, zoals neergelegd in de artikelen 18.3 tot en met 18.16 van de Wm, van overeenkomstige toepassing op de handhaving van voorschriften die bij of krachtens de Wvo zijn gesteld. Met betrekking tot de handhaving van de Wvo bestaat een drietal bestuursrechtelijke sancties: bestuursdwang, het opleggen van een last onder dwangsom en het intrekken of wijzigen van de Wvovergunning. De bepalingen over de voorbereiding, toepassing en uitvoering van deze sancties en de rechtsbescherming tegen besluiten tot toepassing van een bestuursrechtelijke sanctie zijn sedert de Wet milieubeheer en vooral de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht geüniformeerd. 8.4.
- Bestuursdwang (art. 5:22 Awb j° art. 61 Waterschapswet) Bestuursdwang is de bevoegdheid van een overheidsorgaan om op kosten van de overtreder daadwerkelijk een door overtreding van voorschriften ontstane illegale situatie op te heffen. Al naar gelang de aard van de overtreding kan dit feitelijk optreden bestaan in het ongedaan maken (van de gevolgen) van de overtreding of het beletten van verdere overtreding. Bestuursdwang kan ook sluiting of het stilleggen van een bedrijf inhouden om zo de overtredingen te beëindigen. 8.4.
- Dwangsom (art. 5:32 Awb j° art. 61 Waterschapswet) Het bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bepalen dat de overtreder een door het orgaan vastgestelde dwangsom verbeurt bij een nieuwe overtreding dan wel het voortduren van de overtreding. Een dwangsom is een indirecte, financiële sanctie: een geldbedrag moet worden betaald wanneer de in een beschikking gegeven last om na een bepaalde datum aan een zekere verplichting te voldoen, niet is uitgevoerd. Het werkdocument bevat een overzicht van op te leggen termijnen en bedragen bij bepaalde soorten van overtredingen. 8.4.
- Intrekking van de vergunning of ontheffing als sanctie (art. 18.12 Wet milieubeheer) Indien tot deze sanctie wordt overgegaan mag de voorheen vergunde activiteit niet meer uitgeoefend worden omdat de juridische basis daarvan is weggevallen. De activiteit dient dan wel daadwerkelijk te worden gestaakt, anders is er sprake van een nieuwe overtreding: handelen zonder vergunning. 8.4.
- Bestuurlijke boete De bestuurlijke boete zal terug te vinden zijn in de vierde tranche van de Awb. Door middel van de bestuurlijke boete wordt de mogelijkheid gecreëerd dat het bestuur bij een overtreding ook een repressieve actie kan geven, zonder afhankelijk te zijn van het Openbaar Ministerie. De verwachting is dat medio 2005 dit instrument beschikbaar is. Onzeker op dit moment is echter of de waterschappen ook gebruik kunnen maken van dit middel. 8.4.
- Gedogen Gedogen is het bewust niet optreden tegen overtredingen. Er kunnen zich situaties voordoen die hoewel zij milieubezwaarlijk zijn, er om één of meerdere redenen (nog) geen vergunning is afgegeven of waarbij voorschriften van een afgegeven vergunning niet redelijkerwijs meer zijn te handhaven. Binnen welke grenzen en voorwaarden gedogen is toegestaan, is vastgelegd in het landelijk beleidskader gedogen.33 Rijnland heeft zich hieraan geconformeerd . Kort gezegd komt dit beleid neer op het onderscheiden van een aantal overmachts- en overgangssituaties. Belangrijke voorwaarden om te gedogen zijn: Er is sprake van een overgangs- of overmachtssituatie; Gedogen dient uitdrukkelijk en schriftelijk te gebeuren; Afstemming tussen bestuur, openbaar ministerie en politie; Indien vooruitlopend op vergunningverlening wordt gedoogd dient een ontvankelijke aanvraag te zijn ingediend; indien geen aanvraag is ingediend, dient hiervoor in de gedoogbeschikking een termijn te zijn opgesteld; De gedoogbeschikking wordt voor bepaalde tijd verleend (bij voorkeur een zo kort mogelijke termijn). Een gedoogbeschikking wordt verleend voor een zo kort mogelijke termijn van maximaal 6 maanden en kan door het bevoegde gezag worden ingetrokken, bijvoorbeeld als blijkt dat de gedoogvoorwaarden niet worden nageleefd. In elke gedoogbeschikking wordt vermeld dat de beschikking de bevoegdheid van het OM om strafvervolging in te stellen en de handhavingsbevoegdheden van ander bestuursorganen onverlet laat en dat het gebruik maken van de gedoogbeschikking geheel voor risico van de houder van de beschikking is. 8.
- Overzicht strafrechtelijke middelen Handhaving met behulp van het strafrecht is met name repressief van aard. Lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in strijd met voorschriften bij of krachtens de Wvo is strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de Economische delicten (Wed). Het strafrechtelijke traject wordt ingezet door een opsporingsambtenaar, die proces-verbaal opmaakt naar aanleiding van aangifte door een toezichthouder, eigen constateringen, of op verzoek van het Openbaar Ministerie te Den Haag, Haarlem dan wel Amsterdam. Het Openbaar Ministerie beslist vervolgens over de strafrechtelijke afdoening van de zaak. Op grond van het opportuniteitsbeginsel heeft zij daarbij de beleidsvrijheid om op grond van het algemeen belang te beslissen een zaak al dan niet aan de strafrechter ter beoordeling voor te leggen (artikel 167 lid 2 Wetboek van Strafvordering). Indien het bewijs rond is en er geen strafuitsluitingsgronden zijn kan het Openbaar Ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen toch af te zien van vervolging. De Officier van Justitie kan in dat geval besluiten niets te doen, of de zaak buitengerechtelijk af te doen door: te seponeren om beleidsredenen, eventueel onder voorwaarden, of het aanbieden van een transactie, onder voorwaarde van betaling van een geldbedrag en eventueel onder voorwaarden van preventieve/reparatoire aard. Wanneer de verdachte niet aan de voorwaarden voldoet kan deze alsnog vervolgd worden. Indien het Openbaar Ministerie besluit over te gaan tot vervolging wordt de zaak ter beoordeling voorgelegd aan de strafrechter. Voor milieudelicten kan de strafrechter op grond van de Wet economische delicten gevangenisstraffen of geldboeten opleggen. Daarnaast kent de Wed bijkomende straffen en maatregelen die mede zijn gericht op preventie en/of de herstel van de rechtmatige toestand. De belangrijkste bijkomende straffen zijn geheel of gedeeltelijke stillegging van de onderneming en openbaarmaking van de uitspraak. De belangrijkste maatregelen zijn (tijdelijke) onderbewindstelling van de onderneming en het opleggen van de verplichting tot herstel in de oude toestand. In de nabije toekomst zal (na diverse pilots) het instrument bestuurlijke transactie landelijk worden ingevoerd. Dit geeft de handhaver de mogelijkheid om voor relatief veelvoorkomende en eenvoudige overtredingen, die specifiek zijn omschreven, een transactie (boete) op te leggen. Het is een strafrechtelijke actie, wat inhoudt dat de handhaver BOA moet zijn en dat, indien de verdachte niet wenst te betalen, toch volledig proces-verbaal moet worden opgemaakt. Bijkomend voordeel is dat het innen van de transactie geschiedt via het Justitieel Incassobureau zodat Rijnland geen investeringen hoeft te doen. Rijnland zal gebruik gaan maken van dit instrument. Dit instrument komt per 1 januari 2006 landelijk ter beschikking. 33 TK 1991-1992, 22343, nr. 2 en Nota Grenzen aan gedogen TK 1996-1997, 25085, nrs. 1-
- 8.
- Organisatorische condities Om de doelen te bereiken moet een aantal organisatorische condities aanwezig zijn. Hieronder wordt kort ingegaan op organisatorische aspecten zoals kengetallen en capaciteitsberekening, functiescheiding vergunningverlening en handhaving, mandaat en opleiding en middelen. 8.6.
- Betrouwbare kengetallen Het beschikbaar hebben van betrouwbare kengetallen is een belangrijk hulpmiddel voor de capaciteitsberekening van de uit te voeren taken. Mede op basis van de kengetallen en de beschikbare menskracht kan de beschikbare capaciteit in de vorm van controles worden berekend. Het ontwikkelen van landelijke kengetallen leidt tot een meer vergelijkbare werkwijze en prestatieniveau tussen waterkwaliteitsbeheerders. Een voorbeeld van landelijke kengetallen is reeds gepresenteerd in het landelijke handhavingsplan voor het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Het ontwikkelen van landelijke uniforme kengetallen is niet voor alle handhavingstaken mogelijk. De reden hiervoor is dat de kengetallen onder andere beïnvloed worden door de controlefrequentie van (een groep) lozers, het vastgestelde handhavingsbeleid, aard en inhoud van de controle, de mate van consequent uitvoeren van dit beleid en de voorlichting daarover naar de lozers. Een kengetal voor een bepaald type controle bij een specifieke doelgroep is een gemiddeld kengetal dat beïnvloed wordt door bijvoorbeeld de reisafstand tussen kantoor en de te controleren bedrijven en het nalevingsgedrag van de lozer. Ondanks de hiervoor opgesomde invloedsfactoren op een kengetal kunnen per individuele organisatie landelijke gemiddelde kengetallen worden ontwikkeld. Op dit moment zijn niet voor alle doelgroepen landelijke kengetallen beschikbaar. Daar waar bekend, maakt Rijnland gebruik van de landelijke kengetallen. Voor de overige doelgroepen worden binnen Rijnland kengetallen gehanteerd die zijn gedestilleerd uit de handhavingspraktijk van de afgelopen jaren. Ze zijn te vinden in het werkdocument behorende bij de Nota handhaving. 8.6.
- Functiescheiding vergunningverlening en handhaving Conform het uitgangspunt in de CIW-nota Handhaving Wvo is binnen Rijnland de vergunningverlening en handhaving verdeeld over twee organisatorisch gescheiden afdelingen. Alleen ten aanzien van beoordelingen van meldingen in het kader van diverse AMvB’s en de Keur zijn de bevoegdheden nog niet strikt gescheiden. Op 1 januari 2005 zal het Hoogheemraadschap van Rijnland gefuseerd zijn met drie inliggende waterschappen, te weten het waterschap Oude Rijnstromen, Wilck &Wiericke en Groot Haarlemmermeer. Bij het inrichten van de nieuwe organisatiestructuur wordt de handhaving van de Keur ondergebracht bij de nieuw te vormen afdeling Handhaving, zodat ook op dit gebied de taken vergunningverlening en handhaving gescheiden zijn. Scheiding tussen vergunningverlening en handhaving voor de beoordelingen van meldingen in het kader van diverse AMvB’s is een actiepunt voor de periode na de fusie. 8.6.
- Mandaat Mandaat is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Mandaat is een belangrijk instrument om wet- en regelgeving slagvaardig uit te kunnen voeren. Immers, niet alle uitvoeringshandelingen kunnen feitelijk door het betreffende bestuursorgaan worden afgehandeld. Vanuit een oogpunt van -Nota handhaving Wvo 2004 Hoogheemraadschap van Rijnland - 27 slagvaardigheid en effectiviteit van de handhaving is het gewenst dat het mandaat op een zo laag mogelijk niveau wordt verleend. Binnen Rijnland is een mandaatbesluit 34 opgesteld specifiek voor de sector Water, waar de afdelingen Toezicht en Controle en Vergunningen en Emissies onderdeel van uit maken. Hierin wordt het nemen van sanctiebeschikkingen door Dijkgraaf en Hoogheemraden gemandateerd aan de Sectordirecteur Water. Hier wordt conform naar gehandeld. 8.6.
- Eisen aan de organisatie Binnen de afdeling Toezicht en Controle is een differentiatie aangebracht in toezichthouders. De grote groep gelijksoortige industriële lozers wordt gecontroleerd door toezichthouders met het opleidingsniveau mbo + aangevuld met een Boa-opleiding en vakgerichte cursussen. De meer gecompliceerde gevallen worden door senior toezichthouders uitgevoerd met een opleidingsniveau hbo. Het functieniveau van de (senior) agrarische toezichthouders is hbo. Hiermee is tegemoet gekomen aan de behoefte om de handhaving creatiever in te richten en kan op inhoudelijk vlak het juiste tegenwicht worden geboden aan de agrarische sector. Op de afdeling Toezicht en Controle is een juridische medewerker met universitaire opleiding aan de formatie toegevoegd. Juridische producten op handhavingsgebied dienen, gelet op de grote belangen van de betrokkenen, van voldoende kwalitatief niveau te zijn. Direct contact van deze juridische specialist met de toezichthouders maakt een bundeling van technische en juridische kennis mogelijk. 8.6.
- Opleiding Vanuit de landelijke politiek is er duidelijk aandacht voor de kwaliteit van de organisatie (zie ook hoofdstuk Ontwikkelingen). Al deze ontwikkelingen vereisen dat Rijnland voldoende aandacht heeft, onder meer door middel van opleiding, voor het kennisniveau van de handhavers. Met regelmaat komen er op toezichthouders en opsporingsambtenaren nieuwe ontwikkelingen af. Dit kunnen beleidsmatige ontwikkelingen zijn, maar ook ontwikkelingen op het gebied van regelgeving, zoals algemene regels voor lozingen uit de agrarische sector die vereisen dat de toezichthouder en opsporingsambtenaar kennis opdoen van bijvoorbeeld gewasbeschermingstechnieken. Ook worden er wettelijke kwaliteitseisen gesteld aan bijvoorbeeld de opsporingsambtenaar (verplicht vijfjaarlijks examen). Binnen Rijnland wordt gewerkt met een jaarlijks opleidingsprogramma, om op deze manier het kennisniveau en de vaardigheden en middelen van de handhavers actueel te houden. Jaarlijks wordt er per toezichthouder, bepaald wat de opleidingsbehoefte is. Voor de totale afdeling wordt deze, inclusief de cursussen om de vakkennis op peil te houden en de eens per vier jaar te volgen cursus Arbo en veiligheid, opgenomen in het opleidingsplan van de sector Water. 8.6.
- Arbo Arbeidsomstandigheden is een regelmatig terugkerend onderwerp tijdens de werkoverleggen op de afdeling. Eens per vier jaar wordt de Arbo kennis geactualiseerd middels het volgen van een opleiding. De toezichthouders worden regelmatig gecontroleerd op het gebruik van de door Rijnland verstrekte beschermings- en beschuttingsmiddelen. De verstrekte middelen zijn bij één persoon gearchiveerd en worden op basis van een vaste gebruiksduur vervangen. Procedures voor maatregelen bij ongevallen en bijna ongevallen zijn Rijnland breed vastgelegd. 8.6.
- Middelen De financiële middelen worden jaarlijks vastgesteld, aan de hand van het bedrijfsplan, en in de begroting opgenomen. Specifiek voor de handhaving wordt, naast personeelskosten, geld gereserveerd voor laboratoriumcapaciteit, communicatie, bemonsteringsapparatuur, foto apparatuur (conventioneel en digitaal), landmeetapparatuur en andere technische hulpmiddelen als een persoonlijke zuurstofmeter. Voor het uitvoeren van de toezichthoudende taak zijn er dienstauto’s beschikbaar. Deze zijn zodanig ingericht dat de toezichthoudende taak naar behoren kan worden verricht. Tevens zijn in de auto’s voorzieningen aanwezig om de veiligheid tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden te optimaliseren. Aan de hand van een uitrustingslijst vindt een regelmatige controle plaats op de inrichting van de dienstauto´s. Ten slotte zijn er binnen de organisatie vaartuigen beschikbaar voor surveillance te water. Plaatsen die vanaf het land niet of moeilijk bereikbaar zijn kunnen zo worden bezocht. 34 Op 13 maart 2001 vastgesteld 8.6.
- Geautomatiseerde systemen Voor de handhaving binnen Rijnland wordt gebruik gemaakt van de reguliere PC-pakketten en van applicaties op een IBM AS400 systeem. Deze applicaties bestaan uit een registratie van bedrijfs-, vergunning- en lozingsgegevens (EMIS) en een systeem dat de planning en bewaking van de voortgang van bedrijfsbezoeken inzichtelijk maakt (CSBB). Rapportage uit dit systeem wordt uitgevoerd met een aparte op Windows gebaseerde rapportagetool te weten Business Objects. 8.6.
- Certificering De monstername ten behoeve van de handhaving is evenals het laboratorium van Rijnland, gecertificeerd en geaccrediteerd. De werkwijze en organisatie zijn vastgelegd in regels die moeten worden opgevolgd zodat een garantie op de kwaliteit van de monstername kan worden verkregen. Periodiek vindt een interne audit plaats op de wijze waarop monstername plaatsvindt. Een onafhankelijke externe instantie controleert op de naleving van de regels die gelden voor monstername. Hoofdstuk 9: Monitoring en Evaluatie 9.
- Algemeen Om inzicht te verschaffen in de effecten van handhaving, worden de effecten van handhaving gemeten en vastgelegd. Dit betekent dat verantwoording wordt afgelegd over: De gepleegde inzet en het bereikte resultaat in termen van naleving; De effecten van de repressieve handhaving; De trend en het resultaat in de naleving; De laatste stap betreft het terugkoppelen van gemeten resultaten naar beleidsmakers, vergunningverleners en andere handhavingspartners. Hiermee houdt de handhaving een plek in de reguleringsketen. Deze terugkoppeling kan leiden tot wijziging van de eerder geformuleerde doelen, condities, strategie en werkwijze. 9.
- Landelijke monitoring Op diverse wijzen worden de handhavingsresultaten van Rijnland landelijk in kaart gebracht. 9.2.
- Benchmarking waterschappen Elk jaar wordt er onder de waterschappen in Nederland een begrotingsvergelijking gehouden. “De begrotingsvergelijking is een voorbeeld van de essentiële informatievoorziening die voor het (be)sturen van waterschappen noodzakelijk is. De begrotingsvergelijking zou moeten worden gebruikt door (besturen van) de waterschappen zelf, andere (besturen van) waterschappen en bestuurders van hogere waterstaatsgezagen”.35 Een onderdeel van deze begrotingsvergelijking is de handhaving van de Wvo. 9.2.
- Rapportage van de handhaving Op grond van artikel 21.
- van de Wm is een handhavend orgaan verplicht jaarlijks verslag te doen aan het bestuur over de verrichte inspanningen bij de milieuhandhaving. Door Rijnland wordt jaarlijks voor de Wvo aan deze verplichting voldaan. Rijnland rapporteert 4 keer per jaar aan het management en het bestuur middels de zogenaamde managementrapportages (Marap) en bestuursrapportages (Burap). Een keer per jaar wordt een publiek verslag gemaakt om op deze manier ook extern inzicht te geven in de werkzaamheden. 9.2.
- Rapportage VROM en Tweede Kamer Terugkoppeling van de handhavingsresultaten vindt binnen de organisatie plaats via de hierboven genoemde bestuurlijke en management rapportages. De Unie van Waterschappen wordt jaarlijks over de voortgang van de vergunningverlenging en handhaving van de Wvo geïnformeerd. De UvW aggregeert de gegevens van alle waterschappen, waarna de minister van VROM en de Tweede Kamer ten aanzien van de stand van zaken bij de milieuhandhaving geïnformeerd worden. 9.2.
- Monitoring in het kader van de regionale samenwerking Op provinciaal en regionaal niveau worden jaarverslagen opgesteld waarbij de handhavingspartners gegevens uit de eigen organisatie overhandigen via de provinciale en regionale Servicepunten handhaving. Rijnland levert jaarlijks haar gegevens ten behoeve van deze rapportages aan. 9.
- Interne monitoring en evaluatie Niet alleen worden er jaarlijks gegevens gegenereerd ten behoeve van landelijke rapportages, ook ten behoeve van ons eigen inzicht en eventuele aanpassingen van risico’s,doelstellingen en nalevingspercentages is het noodzakelijk om inzicht in de eigen resultaten te hebben. Op dit moment worden het aantal controles, het aantal hoorbrieven en dwangsommen gemonitored. Via een op te stellen projectplan zal dit onderdeel nog nader uitgewerkt worden. Daarbij zal onderzocht worden welke parameters ten behoeve van de monitoring van de handhaving gewenst is om zo goed mogelijk inzicht te hebben in de activiteiten, waarna bijstelling van beleid eventueel kan volgen. 35 Aldus het Kabinet in haar schrijven van 16 februari 2004, bij de aanbieding van het rapport “I.B.O. bekostiging waterbeheer” aan de Tweede Kamer. Hoofdstuk 10: Beleidskeuzes en acties 10.
- Beleidskeuzes Ter verbetering van de uitvoering van de handhavingstaak op het gebied van de Wvo wordt het volgende voorgesteld: De Nota handhaving Wvo 2004, met daarin de beleidsuitgangspunten ten behoeve van de handhaving van de Wvo inclusief het werkdocument, vast te stellen. Beslispunten zijn: Een duidelijke strategie voor het optreden tegen overtredingen van de eigen organisatie Opnemen van landelijke sanctiestrategie in de Nota handhaving Bestaande doelstellingen uit de Nota handhaving Wvo 2001 met betrekking tot de handhaving, ongewijzigd laten tot aan het moment van operationeel worden van de landelijke risicoanalyse. Op dat moment nieuwe prioriteiten en doelstellingen formuleren. Het uitgangspunt dat Rijnland volledig gaat gedogen conform het Nederlands gedoogbeleid (inclusief publicatie) Het werkdocument bevat, wanneer alle hoofdstukken gevuld zijn, de volgende onderdelen: Risicoanalyse Naleving in de periode van 2001-2004 Verschillende vormen van toezicht binnen Rijnland Uitvoering van toezicht Protocollen Kernbepalingen vastgesteld per vergunningsvoorschrift of voorschrift uit een Algemene Maatregel van Bestuur. De kernbepalingen geven een richtlijn aan hoe op te treden tegen geconstateerde overtredingen. Afwijkingen in optreden is, gelet op bijzondere omstandigheden (zie paragraaf 6.3.
- van de Nota handhaving Wvo) mogelijk. Werkafspraken Aansturing BOA’s Transparantie termijnen en bedragen bij sancties Kengetallen Tafel van 11 Interne monitoring 10.
- Acties In voorliggend document zijn diverse actiepunten geformuleerd, die hieronder zijn opgesomd. Deze punten worden in de komende periode opgepakt ter optimalisering van het handhavingsinstrument: In de komende periode zal de nadruk niet worden gelegd op de instrumentkeuze, maar op prioriteren en verantwoording. Dit betekent dat ten aanzien van het prioriteren wordt ingezet op de risicoanalyse die ontwikkeld wordt voor de waterschappen. Om de monitoring te verbeteren (o.a. het naleefgedrag), zal het instrument automatisering nadrukkelijk worden ingezet. Voorts zullen de ontbrekende hoofdstukken uit het werkdocument worden ingevuld. De vorming van een integrale nota handhaving (Wvo en Keur) zal worden opgepakt. Scheiding tussen vergunningverlening en handhaving voor de beoordelingen van meldingen in het kader van diverse AMvB’s zal worden onderzocht. Zo gauw het instrument “bestuurlijke transactie” beschikbaar is (per 1-1-2006), zal het instrument worden ingezet binnen de organisatie ten behoeve van de handhaving. Bijlagen Nota handhaving wet oppervlaktewateren 2004 Bijlage 1: Afkortingenlijst AMvB Algemene Maatregel van Bestuur Awb Algemene wet bestuursrecht CIW Commissie Integraal Waterbeheer IPP Integrale Plannen en Projecten LOM Landelijk Overleg Milieuhandhaving OM Openbaar Ministerie UvW Unie van Waterschappen VRG Vergunningen VROM Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu Was Watersystemen Wed Wet economische delicten Wvo Wet verontreiniging oppervlaktewateren Wm Wet milieubeheer Bijlage 2: Beschrijving van de Wvo Doel en reikwijdte van de Wvo De Wet verontreiniging oppervlaktewateren
(1970)heeft tot doel de verontreiniging van het oppervlaktewater (en blijkens jurisprudentie de daarmee in contact staande onderwaterbodem) te voorkomen en te bestrijden. De wetgeving voorziet daartoe in een bestuurlijk-organisatorisch kader en een juridisch instrumentarium Het instrumentarium omvat onder meer reguleringsinstrumenten, een heffingsstelsel en handhavingsinstrumenten. Reguleringsinstrumenten De reguleringsinstrumenten kunnen worden onderverdeeld in: Het absoluut lozingsverbod; Het relatief lozingsverbod (het vergunningstelsel); Algemene regelgeving naast of in plaats van een vergunningstelsel. Het vergunningstelsel vormt van oudsher het belangrijkste reguleringsinstrument. Op grond van artikel 1 van de Wvo is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, in oppervlaktewater te brengen. Binnen het Wvo-vergunningstelsel wordt onderscheid gemaakt tussen: Rechtstreekse (directe) en indirecte lozingen; en Lozingen met behulp van een werk en lozingen op andere wijze dan met behulp van een werk. Rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater kunnen plaatsvinden met behulp van een werk of op andere wijze dan met behulp van een werk. Indirecte lozingen zijn lozingen met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten (met name lozingen op een gemeentelijke riolering). Rechtstreekse lozingen vallen per definitie onder de werkingssfeer van de Wvo (zie artikel 1, eerste en vierde lid Wvo en artikel 1, derde lid, Wvo juncto artikel 4 van het “Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid Wvo”). Indirecte lozingen op de gemeentelijke riolering worden voor het overgrote deel gereguleerd op grond van de Wet milieubeheer. Alleen lozingen op het gemeentelijke riool vanuit bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën van inrichtingen zijn vergunningplichtig ingevolge de Wvo (zie artikel 1, tweede lid, Wvo). Dit betreft een negentiental categorieën, die zijn aangewezen in de zogenaamde “inrichtingen- AMvB” (Staatsblad 1983, nr. 577). Voorts kent de Wvo nog een vergunningplicht voor indirecte lozingen die plaatsvinden vanuit een vaste aansluiting op een transportleiding (of op een awzi) die in beheer is bij een waterkwaliteitsbeheerder (zie de laatste volzin van artikel 1, tweede lid, Wvo). Algemene regelgeving Sinds 1 maart 1993 kent de Wvo de mogelijkheid om bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) algemene regels te stellen ter regulering van bepaalde, aangewezen lozingen. Binnen de algemene regels kunnen drie soorten worden onderscheiden: Regels die de vergunningplicht opheffen of vervangen; Regels, die naast een vergunningplicht gelden; en Regels die (als instructie) zijn gericht tot het vergunningverlenend gezag. Het stelsel van algemene regelgeving is geregeld in de artikelen 2a t/m 2e van de Wvo. Artikel 2a Wvo verschaft de basis voor het bij AMvB vaststellen van algemene regels met of zonder vergunningplicht. Artikel 2d voorziet in de mogelijkheid tot het stellen van instructienormen. Bij algemene regels zonder vergunningplicht is de(potentiële) lozer verplicht om de lozing te melden (zie artikel 2b Wvo). Artikel 2c en 2d Wvo regelen ten slotte hoe de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd kan worden verklaard om in een concrete situatie nadere eisen te stellen of af te wijken van de gestelde algemene regels. Op grond van artikel 2e Wvo kunnen voorts algemene regels in een provinciale milieuverordening worden gesteld die de waterkwaliteitsbeheerder bij de Wvovergunningverlening in acht zal moeten nemen. De volgende AMvB’s (ook wel lozingsbesluiten genoemd) zijn momenteel in werking: Besluit Glastuinbouw Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming Lozingenbesluit Wvo stedelijk afvalwater Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering Lozingenbesluit Wvo vaste objecten Lozingenbesluit Wvo huishoudelijke afvalwater Lozingenbesluit open teelt en veehouderij Mogelijke overtredingen Wvo Onderscheid kan worden gemaakt tussen de volgende soorten van overtredingen: Overtreding wegens het lozen /storten zonder vergunning op grond van artikel 1, Wvo (juncto het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo); Overtreding van vergunningsvoorschriften (artikel 30a Wvo); Overtreding van artikel 1b Wvo (overschrijding emissiegrenswaarden); Overtreding van artikel 1d van Wvo (invoer afvalstoffen); Overtreding van algemene regels, gesteld krachtens artikel 2a e.v. Wvo; Niet of onvoldoende nakoming van meldingsplicht ingevolge artikel 2b Wvo; Overtreding van nadere eisen, gesteld krachtens artikel 2a juncto 2c Wvo; Overtreding van artikel 9a, eerste t/m derde lid, Wvo (melding afgifte gevaarlijke afvalstoffen/ ontvangstneming gevaarlijke afvalstoffen zonder omschrijving/ begeleidingsformulier); Overtreding van artikel 9, vierde lid, Wvo (melding ontvangst bedrijfsafvalstoffen). Bijlage 3: Overzicht bevoegdheden toezichthouders Hoofdstuk 5 (Handhaving) van de Algemene wet bestuursrecht Afdeling 5.
- Toezicht op de naleving Artikel 5:11 Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Artikel 5:12
- Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.
- Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
- Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Justitie. Artikel 5:13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Artikel 5:14 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt. Artikel 5:15
- Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
- Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
- Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. Artikel 5:16 Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen. Artikel 5:17
- Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
- Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
- Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. Artikel 5:18
- Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
- Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
- De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
- Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
- De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven. De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming. Artikel 5:19
- Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
- Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.
- Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
- Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
- Bij regeling van Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan. Artikel 5:20
- Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
- Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Bijlage 4: Inspraak-, correctie- en (her)overwegingsmomenten voor lozer en bevoegd gezag Met regelmaat wordt de suggestie geopperd dat door lozers weinig is in te brengen tegen het optreden van het bevoegd gezag. Vaak ontbreken de inzichten over de (juridische) mogelijkheden tijdens de onderscheiden processtappen. In onderstaand overzicht wordt dit inzicht verschaft in het aantal inspraak-, correctie- en (her)overwegingsmomenten. overzicht van inspraak-, correctie- en (her)overwegingsmomenten.in vergunningverlening en handhaving Processtap Lozer Bevoegd gezag Omschrijving Vergunningentraject X X Vooroverleg tot aanvraag voor een vergunning X Bedenkingen tegen ontwerpbesluit (vergunning) X Besluit bevoegd gezag tot verlenen van vergunning (beschikking) X Beroep tegen beschikking (vergunning) bij Raad van State Toezichtstraject X Controle op naleving voorschriften X Reactie op controle op naleving voorschriften X Hercontrole op ongedaan maken van overtredingen Bestuursrechtelijk traject X Schriftelijk of mondeling horen zienswijze van overtreder na aankondiging optreden X Besluit bevoegd gezag tot bestuursrechtelijke maatregel (beschikking) X X Bezwaarschrift tegen beschikking (bijvoorbeeld last onder dwangsom) bij Awb-commissie bevoegd gezag X X Beroepschrift tegen beschikking (bijvoorbeeld last onder dwangsom) bij Raad van State X Verzetschrift tegen dwangbevel tot innen dwangsom bij Rechtbank Strafrechtelijk traject X X Horen van verdachte X Proces-verbaal X Verzoek aan Openbaar Ministerie om sepot X X Behandeling bij de Arrondissementsrechtbank X X Hoger beroep bij het Gerechtshof X X Cassatie bij de Hoge Raad In het communicatie- en voorlichtingentraject met de lozers wordt altijd aandacht besteed aan bovenstaande inspraak-, correctie- en (her)overwegingsmomenten. Daarnaast wordt in de briefwisseling met de lozers expliciet aangegeven wat zij kunnen doen indien zij niet akkoord gaan met de inhoud van de correspondentie. Op grond van bovenstaand schema kan worden geconcludeerd dat lozers in ruime mate in de gelegenheid zijn te ageren tegen beslissingen van het bevoegd gezag. Bijlage 5: Lijst met besluiten door Rijnland gehandhaafd Besluit Glastuinbouw Op 1 april 2002 is het Besluit glastuinbouw van kracht geworden. Dit besluit vindt zijn oorsprong in onder meer het Convenant Glastuinbouw en Milieu 1997-2010 dat in 1997 is gesloten tussen de overheid en de glastuinbouwsector. Belangrijke uitgangspunten van het convenant waren:
- de milieuproblematiek en -regels in samenhang bezien;
- meer coördinatie van het toezicht op milieuregelgeving en
- verbruiksdoelstellingen ter bescherming van het milieu. Een groot deel van de voor de sector geldende wet- en regelgeving is samengevoegd. Met de inwerkingtreding van het besluit zijn namelijk het "Besluit Tuinbouwbedrijven met bedekte teelt Wm", het "Lozingenbesluit Wvo Glastuinbouw" en de aan de sector voor 1 november 1994 verleende Wvovergunningen ingetrokken. De meeste glastuinbouwbedrijven vallen nu onder het Besluit. Voor een beperkt aantal glastuinbouwbedrijven geldt aanvullend een vergunningplicht op grond van de Wvo. Tevens legt het Besluit de in het Convenant opgenomen verbruiksdoelstellingen vast. Lozingenbesluit open teelt en veehouderij Het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij stelt maatregelen verplicht om de emissie naar het oppervlaktewater door landbouwactiviteiten te verminderen. De maatregelen zijn met name gericht op het voorkomen van hoge concentratiepieken van bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Deze worden veroorzaakt door lozingen vanaf erfverhardingen of uit bedrijfsgebouwen, afspoelen van meststoffen, meemesten en meespuiten van sloten en het verwaaien van bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater. De beleidsuitgangspunten zijn terug te vinden in het waterkwaliteitsbeleid, bestrijdingsmiddelenbeleid en mesten ammoniakbeleid. Lozingenbesluit Wvo vaste objecten In dit besluit worden regels gesteld voor het direct lozen op oppervlaktewateren van stoffen die vrijkomen bij reinigings- en conserveringswerkzaamheden aan vaste objecten. Het gaat daarbij om regels die ten aanzien van deze lozingen de vergunningplicht opheffen. Jaarlijks worden aan enkele duizenden vaste objecten in, boven of nabij oppervlaktewater, vergunningplichtige werkzaamheden verricht, variërend van groot onderhoud tot beperkt onderhoud. Deze werkzaamheden worden regelmatig (afhankelijk van de onderhoudsstrategie) verricht en betreffen in het algemeen kortdurende activiteiten. In de praktijk is de vergunningverlening niet gerealiseerd en werd er gedoogd. Om hieraan een einde te maken is besloten de vergunningplicht te vervangen door het opstellen van algemene regels. Omdat de meeste vergunningenprocedures zeer omvangrijk zijn, worden door het opheffen van de vergunningplicht bij dit besluit de bestuurslasten door het niet volgen van de vergunningenprocedure aanzienlijk verminderd. Bovendien zal de tijdwinst voor het bedrijfsleven aanzienlijk zijn. In dit Lozingenbesluit is het algemene waterkwaliteitsbeleid nader uitgewerkt voor reinigings- en conserveringswerkzaamheden aan vaste objecten. Uitgangspunt van dit beleid is dat bij een lozing – ongeacht de verontreiniging – gekeken moet worden naar mogelijkheden om de lozing te beperken. De lozing zelf wordt beoordeeld aan de hand van een tweesporen toets: de emissieaanpak en de waterkwaliteitsaanpak. Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering In dit besluit worden regels gesteld voor het lozen op de riolering van verontreinigd grondwater dat vrijkomt in het kader van bepaalde categorieën bodemsaneringen en proefbronneringen. De riolering moet daarbij zijn aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Het opgepompte verontreinigde grondwater kan voorafgaand aan het lozen een behandeling (voorzuivering) ondergaan. Het gaat daarbij om algemene regels die ten aanzien van bovengenoemde lozingen de vergunningplicht opheffen. Aanleiding tot het opstellen van algemene regels is de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 januari 1996 als vervolg op de gezamenlijke brief van de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 oktober 1991 (Kamerstukken II, 1991/1992, 22 343, nr. 2, blz. 4-7), aan de Tweede Kamer, waarin werd toegezegd dat het gedogen zal worden gereduceerd tot uitzonderingssituaties. In deze brief werd onder meer geconstateerd dat de procedure voor vergunningverlening, die maximaal 6 maanden kan duren, ten aanzien van kortdurende activiteiten als te lang wordt ervaren. Voor deze gevallen dient, aldus de brief, een structurele oplossing gezocht te worden door het inzetten van andere instrumenten, zoals algemene regels. Aan de in het besluit genoemde categorieën van inrichtingen voor bodemsaneringen en proefbronneringen, worden eisen gesteld die zijn afgeleid uit het algemene waterkwaliteitsbeleid, zoals vastgelegd in de Derde Nota waterhuishouding (Kamerstukken II, 1988/89, 21 250, 1-2, blz. 97-103) en de Evaluatienota Water (Kamerstukken II, 1993/1994, 21 250, 27-28). Uitgangspunt van het beleid is dat bij een lozing – ongeacht de verontreiniging – gekeken dient te worden naar mogelijkheden om de lozing te beperken. De lozing zelf wordt beoordeeld aan de hand van een tweesporen toets: de emissieaanpak en de waterkwaliteitstoets. De emissieaanpak houdt in dat voor de terughouding van de lozing van (potentieel) zwarte-lijst stoffen toepassing van best bestaande techniek (bbt) vereist is, en voor de overige stoffen best uitvoerbare technieken (but). De waterkwaliteitstoets wordt gevolgd voor relatief onschadelijke verbindingen zoals chloride en sulfaat. De inhoud van de algemene regels is afgestemd op de tot nu toe geldende vergunningenpraktijk. Met deze regels is aangesloten bij het bovengenoemde beleid ten aanzien van de verontreiniging van oppervlaktewateren met zware metalen, minerale olie, organische microverontreinigingen, zuurstofbindende en eutrofiërende stoffen. Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna aangeduid als Bouwstoffenbesluit) heeft tot doel de milieuhygiënische randvoorwaarden vanuit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming te geven voor het gebruik van secundaire en primaire bouwstoffen op of in de landbodem of in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater. Onder primaire bouwstoffen worden bouwstoffen verstaan die direct uit het milieu worden gewonnen met het doel ze in te zetten als bouwstof. Het betreft vooral oppervlaktedelfstoffen zoals grond, grind en kalksteen en daarvan afgeleide producten. Secundaire bouwstoffen zijn materialen die niet als zodanig in de natuur worden gewonnen, maar die ontstaan als bijproduct bij productieprocessen bij zuiveringsprocessen of bij be- of verwerking van afvalstoffen etc. en die aan de eisen voldoen zodat ze kunnen worden hergebruikt als bouwstof. Aanleiding voor het stellen van de hierboven genoemde randvoorwaarden is de constatering in het begin van de jaren tachtig geweest dat één van de belemmeringen voor het (her)gebruik van afvalstoffen is het ontbreken van duidelijkheid over de milieuhygiënische randvoorwaarden waaronder (her)gebruik kan plaatsvinden. Vanaf dat moment is een aantal onderzoeksprogramma's gestart, gericht op ontwikkeling van beoordelingsmethodieken en kennisverwerving. Eind jaren tachtig is, op basis van de inmiddels verkregen (globale) kennis en ontwikkelde (voorlopige) beoordelingsmethodieken, een begin gemaakt met het opstellen van bedoelde milieuhygiënische randvoorwaarden en het vastleggen hiervan in regelgeving terzake. Bij het vaststellen van deze randvoorwaarden is een afweging gemaakt tussen verschillende milieuhygiënische doelstellingen: de bescherming van de kwaliteit van milieucompartimenten, de vermindering van het gebruik van (eindige) primaire grondstoffen en de vermindering van de hoeveelheid te storten afvalstoffen. Met het formuleren van milieuhygiënische normen voor verantwoord (her)gebruik van afvalstromen wordt tevens in belangrijke mate uitvoering gegeven aan actiepunt 68a van het Nationaal Milieubeleidsplan-plus De werkingssfeer van het Bouwstoffenbesluit is beperkt tot granulaire (steenachtige) bouwstoffen die buiten worden toegepast. Lozingenbesluit Wvo stedelijk afvalwater Deze Algemene Maatregel van Bestuur vormt de implementatie van de artikelen 4, eerste, derde en vierde lid, 5, eerste, tweede, derde, vierde en achtste lid, 7, 10, 12, tweede en derde lid, 14, derde lid, en 15, eerste, tweede en vierde lid, van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135), hierna te noemen: de richtlijn. De richtlijn heeft tot doel het oppervlaktewater te beschermen tegen de nadelige invloed van lozingen van stedelijk afvalwater. Daartoe worden onder meer voorschriften gegeven voor het brengen van stedelijk afvalwater in de riolering en het oppervlaktewater. In verband daarmee worden eisen gesteld aan de zuivering van stedelijk afvalwater door rioolwaterzuiveringsinrichtingen.