1. Inleiding 1.1 Algemeen De nota Algemene regels voor het watersysteem en de wegen van waterschap Hollandse Delta geeft algemene regels voor grondwater en het gebruik van waterkeringen, oppervlaktewa
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het leggen, beheren en onderhouden van de kabels; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente) op grond van kadastrale vermelding of GBKN; de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; één overzichtstekening op gangbare, goed leesbare schaal waarin de ligging van de kabels, de kabelgegevens en bijkomende werken duidelijk valt af te lezen; één detailtekening van kruisingen met andere waterstaatswerken (wegen en oppervlaktewaterlichamen) inclusief kabelgegevens; het aantal m2 op te breken wegverharding in het geval van het opbreken van een weg; het type wegverharding. Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 Na het gereedkomen van de werken moeten binnen 2 maanden de revisietekeningen conform het Rijksdriehoeksstelsel bij voorkeur digitaal of anders in drievoud aan WSHD worden toegezonden. 5 De werkzaamheden als bedoeld in artikel 2 dienen binnen één werkdag te worden uitgevoerd en afgerond. Voorschriften ten aanzien van waterkeringen Artikel
- Voorschriften ten aanzien van de kabels
- De kabels moeten in open ontgraving worden aangelegd.
- Kabels in waterkeringen moeten haaks of parallel aan de hartlijn van de waterkering worden aangelegd.
- De kabels moeten binnen de begrenzing van de waterkering een gronddekking hebben van 1,00 m ten opzichte van het maaiveld. In de beschermingszones kan worden volstaan met een dekking van 0,60 m tot 0,80 m.
- Bij vervanging van huisaansluitingen dienen de niet meer in gebruik zijnde kabels te worden verwijderd uit de begrenzing van de waterkering en beschermingszones.
- Bij vervanging en/of verwijdering van huisaansluitingen dienen de vrijkomende doorvoeren door de fundering met een visco¬elastische corrosiewerende dichtingmassa blijvend waterdicht te worden afgedicht.
- Mantelbuizen van glasvezelkabels moeten van buiten de beschermingszone tot in het aan te sluiten object uit een geheel bestaan zonder lassen. Artikel
- Voorschriften voor grondroeringen 1 Al het uit ontgravingen komend puin of andere voorwerpen moet worden afgevoerd. 2 De sleuven moeten laagsgewijs in lagen van 20 cm goed worden verdicht, waarbij eventueel ontstane lagen tot het oorspronkelijke maaiveld moeten worden aangevuld. 3 Direct na de voltooiing van de werkzaamheden dient het oppervlak geheel in overeenstemming met de omgeving worden afgewerkt en bekleed en moet direct worden voorzien van de oorspronkelijke steenbekleding/verharding of worden bezood of ingezaaid met een rassenlijstmengsel wat afgestemd is op het type waterkering. 4 Voor primaire waterkeringen geldt dat wanneer op 1 oktober geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van WSHD in slechte staat bevindt, op het werkterrein een weefseldoek Geolon Nicolon PP 40 of gelijkwaardig moet worden aangebracht. Het weefseldoek moet met torstaal krammen worden aangebracht met een doorsnede van 15 mm en een lengte van 800 mm. De krammen moeten worden aangebracht in vakken van 2 x 1 m en kruislings worden afgelijnd met staaldraad. Tussen de aangebrachte krammen moet per vak een zandzak worden aangebracht die ook met twee krammen wordt vastgezet. Artikel
- Voorschriften voor open ontgravingen 1 Voordat met het graven van de sleuf wordt begonnen moet het grasgewas kort worden afgemaaid en de bezoding worden afgenomen. 2 De sleuf voor het aanleggen van de kabels moet tenminste 1,00 m uit de teen van de waterkering worden gegraven. 3 De sleuf voor het aanleggen van de kabels bij lintbebouwing moet tenminste 1,00 m uit de rand van de weg worden gegraven. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van las,¬of aansluitgaten of handholes 1 Las,¬of aansluitgaten of handholes mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk met een maximum van 1,00 m bij 2,00 m. 2 Daar waar las¬of aansluitgaten of handholes vanwege plaatselijke omstandigheden, minder dan 1,00 m uit de wegverharding worden gelegd, kan hier met toestemming van WSHD vanaf worden geweken. Hierbij moet de afstand tot de wegverharding zo groot mogelijk worden gehouden. In dit geval moet de sleuf worden gevuld met laagsgewijs goed verdicht zand, afgedekt met 0,10 m grond, doch mag de afstand tot de wegkant niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. Voorschriften ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen Indien in het kader van de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden zoals vermeld in artikel 1 van deze algemene regel, huisaansluitingen van kabels worden gelegd in en langs oppervlaktewaterlichamen dan gelden de volgende voorschriften: Artikel
- Voorschriften voor kabels bij oppervlaktewaterlichamen in de waterkeringzone 1 Las¬of aansluitgaten of handholes voor het aansluiten van de kabels moeten tenminste 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven. 2 De kabel moet door middel van een open ontgraving of in het geval er sprake is van een hoofdwatergang door middel van persing (boogzinker), haaks onder het oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht. 3 Kruising van het oppervlaktewaterlichaam via een dam met duiker moet zodanig worden uitgevoerd, dat de afstand tussen de kabel en de bovenkant van de duiker circa 0,30 m bedraagt. 4 In de beschermingszone zijn geen boringen toegestaan met uitzondering van het in of uittreden van de boring ten behoeve van de kruising van de waterkering. 5 Bij het uitvoeren van de activiteiten en werkzaamheden moet van de maten van de betreffende oppervlaktewaterlichamen volgens de legger worden uitgegaan, met dien verstande dat wanneer het oppervlaktewaterlichaam ruimere afmetingen heeft, van deze ruimere afmetingen moet worden uitgegaan. 6 Kabels moeten onder de taluds en de slootbodem een dekking hebben van minimaal 1,50 m bij hoofdwatergangen en minimaal 1,00 m bij alle andere oppervlaktewater¬lichamen, ten opzichte van het profiel overeenkomstig artikel 9, vijfde lid. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van zinkers / boogzinkers in oppervlaktewaterlichamen 1 De waterhuishouding mag tijdens de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden niet worden gestremd. Hiertoe moeten afdoende maatregelen getroffen worden. 2 Geen grond, bagger of vuil mag in het water geraken of achterblijven. Direct na gereedkomen van de werkzaamheden moet ter plaatse het oppervlaktewaterlichaam worden opgeschoond tot het vereiste profiel volgens de legger. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van persingen
- Tijdens de werkzaamheden mag geen bentoniet of mud in de oppervlaktewaterlichamen terecht komen. De houder van de vrijstelling dient in overleg met en op aanwijzing van Hollandse Delta alle mogelijke maatregelen te nemen om verspreiding van bentoniet in het oppervlaktewater als gevolg van calamiteiten en/of blow¬outs te voorkomen. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van duikerkruisingen
- Kruising van het oppervlaktewaterlichaam via een dam met duiker moet zodanig worden uitgevoerd, dat de afstand tussen de kabels en de bovenkant van de duiker 0,30 m bedraagt.
- Indien de gronddekking niet voldoende is om de kabels boven de duiker te leggen moeten deze onder de duiker worden gelegd.
- De kabels moeten onder de duiker een dekking hebben van minimaal 1,50 m bij hoofdwatergangen minimaal 1,00 m bij alle overige oppervlaktewaterlichamen, ten opzichte van het profiel overeenkomstig artikel 9, vijfde lid. Voorschriften ten aanzien van wegen Indien in het kader van de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden zoals vermeld in artikel 1 van deze algemene regel, huisaansluitingen van kabels worden gelegd in en langs wegen in beheer bij WSHD, dan gelden de volgende voorschriften: Artikel
- Voorschriften ten aanzien van kabels in wegen 1 In het geval er sprake is van kabelkruisingen met wegen gelegen in de kernzone van de waterkering, moeten de kabels in de weg worden gelegd met behulp van een open ontgraving. 2 In het geval er sprake is van kabelkruisingen met wegen gelegen in de beschermingszones van de waterkering, moeten de kabels en mantelbuizen (ten behoeve van de doorvoering van de kabels) in de weg worden gelegd door middel van een persing of boring op een diepte van tenminste 1,25 m onder de bovenzijde van de wegverharding, zodat de verharding onaangeroerd blijft. 3 De kabels moeten wegverhardingen haaks kruisen. 4 Het start¬en ontvangstgat ten behoeve van het maken van de persing of boring moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven. 5 Pers¬of boorgaten mogen geen grotere doorsnede verkrijgen dan de uitwendige doorsnede van de door te persen buizen. 6 Het definitieve herstel van de wegopbreking als gevolg van graafwerkzaamheden in de wegverharding, geschiedt door WSHD op kosten van de houder van de vrijstelling, met toepassing van de beleidsregel Opbreken wegverhardingen. Artikel
- Voorschriften voor het graven van sleuven of gaten langs wegen 1 De sleuf voor het aanleggen van de kabels moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven. 2 Langs wegen mag de uit te graven grond niet op de wegverharding of de bermen binnen 1,00 m uit de kant van de wegverharding worden opgeslagen. 3 Voordat met het graven van de sleuf wordt begonnen, bepaalt de aannemer de indringingsweerstand van de te ontgraven grond door middel van sonderen. 4 De indringingsweerstand moet worden gemeten met behulp van een continu registrerend sondeerapparaat. Het meetbereik moet tenminste 5 MPa bedragen en het dieptebereik tenminste 1,00 m. 5 De sonderingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat een redelijk beeld van de indringingsweerstand over de diepte van de te ontgraven sleuf wordt verkregen. 6 De meetgegevens moeten worden gedateerd en voorzien van een eenduidige plaatsaanduiding. Deze gegevens moeten desgevraagd aan WSHD worden verstrekt. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van werkzaamheden langs wegen 1 Het werkterrein moet duidelijk zichtbaar zijn aangegeven zodat deze geen gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid. 2 De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD dient, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn te plaatsen. Gelijktijdig met de indiening van het meldingformulier dient de uitvoerder een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, omleidingroutes, verlichting en dergelijke) ter goedkeuring in te dienen bij WSHD. Aandachtspunten A. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de aannemer of diens uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. C. Het informeren over de aard en uitvoering van de werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling. D. Het intrekken of wijzigen van een vrijstelling voor de toepassing van de 'Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen waterschap Hollandse Delta' wordt beschouwd als ware het betreft het intrekken of wijzigen van een vergunning. 2.
- Huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen Algemeen De algemene regel huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen heeft betrekking op de aanleg, het hebben en onderhouden van huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen. WSHD wil met deze algemene regel de aanleg van huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen eenvoudig reguleren. Huisaansluitingen zijn werken die een geringe inbreuk maken op de veiligheid van waterkeringen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het aanleggen, hebben en onderhouden van huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen in het geval van het leggen, hebben en onderhouden van huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen, gelet op het uniforme karakter van de werken en de geringe risico's die deze werken vormen voor de veiligheid van waterkeringen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het leggen, hebben en onderhouden van huisaansluitingen van leidingen in waterkeringen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 In artikel 5.4, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van wegen in beheer bij WSHD. 3 Artikel 4.4.3, van de Keur en artikel 5.9, van de Keur geven het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen geldt voor alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Algemene regels voor huisaansluitingen van leidingen in en nabij waterkeringen Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het leggen, hebben, herstellen, vernieuwen, wijzigen of opruimen van huisaansluitingen van leidingen binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in het beheersgebied van WSHD waarbij: de leidingen in overeenstemming met de in de bijlage opgenomen tekeningen een maximale tracélengte hebben van 50 m binnen de begrenzing en (buiten¬) beschermingszones van de waterkering; gasleidingen een maximale ontwerpdruk hebben van 1 bar; waterleidingen en leidingen ten behoeve van het transport van vloeistoffen, een maximale ontwerpdruk hebben van 5 bar; de leidingen zijn gefabriceerd van staal of PE 100 SDR11; de leidingen en mantelbuizen een maximale diameter hebben van ø 125 mm.
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten.
- het uitvoeren van de in het eerste en tweede lid genoemde activiteiten ten behoeve van de aanleg buiten het gesloten seizoen voor primaire waterkeringen.
- het uitvoeren van de in het eerste en tweede lid genoemde activiteiten, in de binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen gelegen oppervlaktewaterlichamen en/of wegen in beheer bij WSHD.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het leggen, beheren en onderhouden van de leidingen; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente) op grond van kadastrale vermelding of GBKN; de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; één overzichtstekening op gangbare, goed leesbare schaal waarin de ligging van de leidingen, de leidinggegevens en bijkomende werken duidelijk valt af te lezen; één detailtekening van kruisingen met andere waterstaatswerken (wegen en oppervlaktewaterlichamen) inclusief leidinggegevens; het aantal m2 op te breken wegverharding in het geval van het opbreken van een weg; het type wegverharding. Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 Na het gereedkomen van de werken moeten binnen 2 maanden de revisietekeningen conform het Rijksdriehoeksstelsel bij voorkeur digitaal of anders in drievoud aan WSHD worden toegezonden. 5 De werkzaamheden als bedoeld in artikel 2 dienen binnen één werkdag te worden uitgevoerd en afgerond. Voorschriften ten aanzien van waterkeringen Artikel
- Voorschriften ten aanzien van de leidingen
- De leidingen moeten in open ontgraving worden aangelegd.
- Leidingen in waterkeringen moeten haaks of parallel aan de hartlijn van de waterkering worden aangelegd.
- De leidingen moeten een gronddekking krijgen van 1,00 m ten opzichte van het maaiveld. In de (buiten)beschermingszones kan worden volstaan met een dekking van 0,60 m tot 0,80 m.
- Leidingkruisingen dienen geheel te bestaan uit aaneengesloten leidingdelen zonder overgangslassen.
- Ter plaatse van huisaansluitingen moeten de leidingen door middel van een waterdichte afdichting door de aanwezige fundering worden doorgevoerd, indien deze fundering een waterkerende functie heeft.
- Bij vervanging van huisaansluitingen dienen de niet meer in gebruik zijnde leidingen te worden verwijderd uit de begrenzing van de waterkering en (buiten) beschermingszones.
- Bij vervanging en/of verwijdering van huisaansluitingen dienen de doorvoeren door de fundering met een visco¬elastische corrosiewerende dichtingmassa blijvend waterdicht te worden afgedicht.
- Afsluiters in leidingen moeten geplaatst worden buiten de bij de leiding behorende veiligheidszone van de waterkering. Artikel
- Voorschriften voor grondroeringen 1 Al het uit ontgravingen komend puin of andere voorwerpen moet worden afgevoerd. 2 De sleuven moeten laagsgewijs in lagen van 20 cm goed worden verdicht, waarbij eventueel ontstane lagen tot het oorspronkelijke maaiveld moeten worden aangevuld. 3 Direct na de voltooiing van de werkzaamheden dient het oppervlak geheel in overeenstemming met de omgeving worden afgewerkt en bekleed en moet direct worden voorzien van de oorspronkelijke steenbekleding/verharding of worden bezood of ingezaaid met een rassenlijstmengsel wat afgestemd is op het type waterkering. 4 Voor primaire waterkeringen geldt dat wanneer op 1 oktober geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van WSHD in slechte staat bevindt, op het werkterrein een weefseldoek Geolon Nicolon PP 40 of gelijkwaardig moet worden aangebracht. Het weefseldoek moet met torstaal krammen worden aangebracht met een doorsnede van 15 mm en een lengte van 800 mm. De krammen moeten worden aangebracht in vakken van 2 x 1 meter en kruislings worden afgelijnd met staaldraad. Tussen de aangebrachte krammen moet per vak een zandzak worden aangebracht die ook met twee krammen wordt vastgezet. Artikel
- Voorschriften voor open ontgravingen 1 Voordat met het graven van de sleuf wordt begonnen moet het grasgewas kort worden afgemaaid en de bezoding worden afgenomen. 2 De sleuf voor het aanleggen van de leidingen moet tenminste 1,00 m uit de teen van de waterkering worden gegraven. 3 De sleuf voor de leidingen moet evenwijdig aan de waterkering worden gelegd, buiten de veiligheidszone indien de distributieleiding ook buiten de veiligheidszone ligt. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van las¬, aansluitgaten of handholes 1 Las¬of aansluitgaten of handholes mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk met een maximum van 1,00 m bij 2,00 m. 2 Daar waar las¬of aansluitgaten of handholes vanwege plaatselijke omstandigheden, minder dan 1, 00 m uit de wegverharding worden gelegd, kan hier met toestemming van WSHD vanaf worden geweken. Hierbij moet de afstand tot de wegverharding zo groot mogelijk worden gehouden. In dit geval moet de sleuf worden gevuld met laagsgewijs goed verdicht zand, afgedekt met 0,10 m grond, doch mag de afstand tot de wegkant niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. Voorschriften ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen Indien in het kader van de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden zoals vermeld in artikel 1 van deze algemene regel, huisaansluitingen van leidingen worden gelegd in en langs oppervlaktewaterlichamen, dan gelden de volgende voorschriften: Artikel
- Voorschriften voor leidingen bij oppervlaktewaterlichamen in de waterkeringzone 1 Las¬of aansluitgaten of handholes voor het aansluiten van de leidingen moeten tenminste 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven. 2 De leiding moet door middel van een open ontgraving of in het geval er sprake is van een hoofdwatergang door middel van een persing (boogzinker) haaks onder het oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht. 3 Kruising van het oppervlaktewaterlichaam via een dam met duiker moet zodanig worden uitgevoerd, dat de afstand tussen de leiding en de bovenkant van de duiker circa 0,30 m bedraagt. 4 In de (buiten)beschermingszone zijn geen boringen toegestaan met uitzondering van het in of uittreden van de boring ten behoeve van de kruising van de waterkering. 5 Bij het uitvoeren van de activiteiten en werkzaamheden moet van de maten van de betreffende oppervlaktewaterlichamen volgens de legger worden uitgegaan, met dien verstande dat wanneer het oppervlaktewaterlichaam ruimere afmetingen heeft, van deze ruimere afmetingen moet worden uitgegaan. 6 Leidingen moeten onder de taluds en de slootbodem een dekking hebben van minimaal 1,50 m bij hoofdwatergangen en minimaal 1,00 m bij alle andere oppervlaktewaterlichamen, ten opzichte van het profiel overeenkomstig artikel 9, vijfde lid. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van zinkers / boogzinkers in oppervlaktewaterlichamen 1 De waterhuishouding mag tijdens de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden niet ontoelaatbaar worden gestremd. Hiertoe moeten afdoende maatregelen getroffen worden. 2 Geen grond, bagger of vuil mag in het water geraken of achterblijven. Direct na gereedkomen van de werkzaamheden moet ter plaatse het oppervlaktewaterlichaam worden opgeschoond tot het vereiste profiel volgens de legger. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van persingen
- Tijdens de werkzaamheden mag geen bentoniet of mud in de oppervlaktewaterlichamen terecht komen. De houder van de vrijstelling dient in overleg met en op aanwijzing van WSHD alle mogelijke maatregelen te nemen om verspreiding van bentoniet in het oppervlaktewater als gevolg van calamiteiten en/of blow¬outs te voorkomen. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van duikerkruisingen
- Kruising van het oppervlaktewaterlichaam via een dam met duiker moet zodanig worden uitgevoerd, dat de afstand tussen de leidingen en de bovenkant van de duiker 0,30 m bedraagt.
- Indien de gronddekking niet voldoende is om de leidingen boven de duiker te leggen moeten deze onder de duiker worden gelegd.
- De leidingen moeten onder de duiker een dekking hebben van minimaal 1,50 m bij hoofdwatergangen en minimaal 1,00 m bij alle overige oppervlaktewaterlichamen, ten opzichte van het profiel overeenkomstig artikel 9, vijfde lid. Voorschriften ten aanzien van wegen Indien in het kader van de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden zoals vermeld in artikel 1 van deze algemene regel, huisaansluitingen van leidingen worden gelegd in en langs wegen in beheer bij WSHD, dan gelden de volgende voorschriften: Artikel
- Voorschriften ten aanzien van leidingen in wegen 1 In het geval er sprake is van leidingkruisingen met wegen gelegen binnen de kernzone van de waterkering, moeten de leidingen in de weg worden gelegd met behulp van een open ontgraving. 2 In het geval er sprake is van leidingkruisingen met wegen gelegen in de beschermingszones van waterkeringen, moeten de leidingen en mantelbuizen (ten behoeve van de doorvoering van de leidingen) in de weg worden gelegd door middel van een persing of boring op een diepte van tenminste 1,25 m onder de bovenzijde van de wegverharding, zodat de verharding onaangeroerd blijft. 3 De leidingen moeten wegverhardingen haaks kruisen. 4 Het start¬en ontvangstgat ten behoeve van het maken van de persing of boring moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven. 5 Pers¬of boorgaten mogen geen grotere doorsnede verkrijgen dan de uitwendige doorsnede van de door te persen buizen. 6 Het definitieve herstel van de wegopbreking als gevolg van graafwerkzaamheden in de wegverharding, geschiedt door WSHD op kosten van de houder van de vrijstelling, met toepassing van de beleidsregel Opbreken wegverhardingen. Artikel
- Voorschriften voor het graven van sleuven of gaten langs wegen 1 De sleuf voor het aanleggen van de leidingen moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven. 2 Langs wegen mag de uit te graven grond niet op de wegverharding of de bermen binnen 1,00 m uit de kant van de wegverharding worden opgeslagen. 3 Voordat met het graven van de sleuf wordt begonnen, bepaalt de aannemer de indringingsweerstand van de te ontgraven grond door middel van sonderen. 4 De sonderingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat een redelijk beeld van de indringingsweerstand over de diepte van de te ontgraven sleuf wordt verkregen. 5 De indringingsweerstand moet worden gemeten met behulp van een continu registrerend sondeerapparaat. Het meetbereik moet tenminste 5 MPa bedragen en het dieptebereik tenminste 1,00 m. 6 De meetgegevens moeten worden gedateerd en voorzien van een eenduidige plaatsaanduiding. Deze gegevens moeten desgevraagd aan WSHD worden verstrekt. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van werkzaamheden langs wegen 1 Het werkterrein moet duidelijk zichtbaar zijn aangegeven zodat deze geen gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid. 2 De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD dient, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn te plaatsen. Gelijktijdig met de indiening van het meldingformulier dient de uitvoerder een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, omleidingroutes, verlichting en dergelijke) ter goedkeuring in te dienen bij WSHD. Aandachtspunten A. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de aannemer of diens uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. C. Het informeren over de aard en uitvoering van de werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling. D. Het intrekken of wijzigen van een vrijstelling voor de toepassing van de 'Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen waterschap Hollandse Delta' wordt beschouwd als ware het betreft het intrekken of wijzigen van een vergunning. 2.
- Grondboringen, sonderingen en peilbuizen Algemeen De algemene regel grondboringen, sonderingen en peilbuizen heeft betrekking op het uitvoeren van grondboringen, sonderingen en het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen in en nabij waterkeringen. WSHD wil met deze algemene regel het uitvoeren van grondboringen, sonderingen en het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen in en nabij waterkeringen eenvoudiger reguleren. Grondboringen, sonderingen en peilbuizen zijn werken die een geringe inbreuk maken op de veiligheid van waterkeringen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het uitvoeren van grondboringen, sonderingen en het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen in en nabij waterkeringen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen, in het geval van het uitvoeren van grondboringen, sonderingen en het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen in en nabij waterkeringen, gelet op het uniforme karakter van de werken en de geringe risico's die deze werken vormen voor de veiligheid van waterkeringen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het uitvoeren van grondboringen, sonderingen en het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen in en nabij waterkeringen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 Artikel 4.4.3, van de Keur geeft het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel grondboringen, sonderingen en peilbuizen geldt voor alle waterkeringen en de daarbij behorende (buiten)beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Algemene regels voor grondboringen, sonderingen en peilbuizen Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het uitvoeren van grondboringen ten behoeve van het aanbrengen of verwijderen van peilbuizen binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in het beheersgebied van WSHD waarbij: grondboringen een maximale diameter hebben van Ø 15 cm. grondboringen niet plaatsvinden in wegen.
- het uitvoeren van grondboringen en sonderingen ten behoeve van grondonderzoek binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in het beheersgebied van WSHD waarbij: sonderingen niet seismisch worden uitgevoerd; grondboringen en sonderingen niet plaatsvinden in wegen. mechanische grondboringen en sonderingen niet plaatsvinden in het gesloten seizoen.
- het aanbrengen en verwijderen van peilbuizen binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in het beheersgebied van WSHD waarbij: de peilbuizen niet in het dijklichaam worden aangebracht. de peilbuizen niet in wegen worden aangebracht.
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de kernzone en (buiten)beschermingszones van waterkeringen in verband met de in dit artikel genoemde activiteiten.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de werkzaamheden; de naam van de aannemer die de werkzaamheden namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor het werk; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente) op grond van kadastrale vermelding of GBKN; de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; één overzichtstekening op gangbare, goed leesbare schaal waarop de ligging van de werken en bijkomende werken duidelijk valt af te lezen. Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Voorschriften Bij de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden dient te worden voldaan aan de voorschriften zoals opgenomen in deze algemene regel. Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van grondboringen ten behoeve van het aanbrengen of verwijderen van peilbuizen 1 De grondboring voor de peilbuizen moet tenminste 0,50 m uit de insteek van de watergang worden geplaatst. 2 De grondboring mag niet groter zijn dan strikt noodzakelijk voor het plaatsen van de peilbuis. 3 Niet meer in gebruik zijnde peilbuizen moeten worden verwijderd uit de (buiten)beschermingszones van waterkeringen. 4 De boorgaten die zijn ontstaan door het verwijderen van peilbuizen moeten aan het einde van de werkdag volledig worden gevuld met zwelklei ten behoeve van een blijvend waterdichte afdichting. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van grondboringen en sonderingen ten behoeve van grondonderzoek 1 De grondboringen en sonderingen moeten tenminste 0,50 m uit de insteek van de watergang worden uitgevoerd. 2 Bij verwijdering van de grondboring en de sondering dient het boorgat/sondeergat volledig te worden gevuld met zwelklei, ten behoeve van een blijvend waterdichte afdichting. Artikel
- Voorschriften voor grondroeringen 1 Direct na de voltooiing van het werk moet het werkterrein in een nette staat en in gelijke gesteldheid worden teruggebracht. 2 Wanneer op 1 oktober geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van WSHD in slechte staat bevindt, moet op het werkterrein een weefseldoek Geolon Nicolon PP 40 of gelijkwaardig worden aangebracht. Het weefseldoek moet met torstaal krammen worden aangebracht met een doorsnede van 15 mm en een lengte van 800 mm. De krammen moeten worden aangebracht in vakken van 2 x 1 meter en kruislings worden afgelijnd met staaldraad. Tussen de aangebrachte krammen moet per vak een zandzak worden aangebracht die ook met twee krammen wordt vastgezet. 3 Al het uit grondboringen komend puin of andere voorwerpen moet worden afgevoerd. Aandachtspunten A. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. C. De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD dient, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn te plaatsen. Gelijktijdig met de indiening van het meldingformulier dient de uitvoerder een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, verlichting en dergelijke) ter goedkeuring in te dienen bij WSHD. D. Het informeren over de aard en uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling.
- Algemene regels voor oppervlaktewaterlichamen 3.
- Algemeen In hoofdstuk 4 van de Keur zijn verschillende verbodsbepalingen met een vergunningplicht opgenomen met betrekking tot het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. De bepalingen over oppervlaktewaterlichamen zoals opgenomen in de Keur zijn gefundeerd op de Waterwet, het Waterbesluit en de provinciale Waterverordening. Waarom verboden? Het gebruik van oppervlaktewaterlichamen - het realiseren van werken of het verrichten van werkzaamheden in of nabij oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones¬is in de keur verboden omdat dit een negatieve invloed kan hebben op de functies die aan de oppervlaktewaterlichamen of de onderdelen daarvan zijn toegekend en daarmee op het functioneren van het watersysteem. Doel van de regelgeving voor het gebruik van oppervlaktewaterlichamen is om de functie, het aanzicht, de (natte) natuurwaarden, de openbare toegankelijkheid en het algemeen gebruik van oppervlaktewaterlichamen (de watersysteembelangen) zoveel mogelijk te garanderen. Vrijstelling Aangezien het gebruik van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones op grond van maatschappelijke en/of economische belangen noodzakelijk kan zijn, geeft de Keur aan dat door het dagelijks bestuur vrijstelling kan worden verleend van de vergunningplicht, waarbij het gebruik van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones wordt toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Afweging De reikwijdte zoals geformuleerd in de Algemene regels voor oppervlaktewaterlichamen, waarborgt de functie, het aanzicht, de (natte) natuurwaarden, de openbare toegankelijkheid en het algemeen gebruik van oppervlaktewaterlichamen (de watersysteembelangen) en daarmee het functioneren van het watersysteem. Indien een activiteit past binnen de reikwijdte van een algemene regel, dan is de activiteit toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Past de activiteit niet binnen de reikwijdte van de algemene regel, dan is het volgen van een vergunningsprocedure noodzakelijk. Inhoud hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3 bevat algemene regels voor het gebruik van oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende (buiten)beschermingszones in beheer en gelegen in het beheersgebied van WSHD. Deze algemene regels hebben betrekking op de volgende soorten van gebruik van oppervlaktewaterlichamen: Kabels en/of leidingen in oppervlaktewaterlichamen en wegen; Steigers en vlonders; Grondkerende constructies; Bruggen. 3.
- Kabels en/of leidingen in oppervlaktewaterlichamen en wegen Algemeen De algemene regel kabels en/of leidingen in oppervlaktewaterlichamen en wegen heeft betrekking op de aanleg en aanwezigheid van kabels en/of leidingen in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen. WSHD wil met deze algemene regel de aanleg van kabels en/of leidingen in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen eenvoudig reguleren. Kabels en leidingen in of nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen zijn werken die een geringe inbreuk maken op de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen en de veiligheid van wegen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen en de wegenbelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het leggen, hebben en onderhouden van kabels en/of leidingen in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen en de wegenbelangen kunnen in het geval van het leggen, hebben en onderhouden van kabels en/of leidingen in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen, gelet op het uniforme karakter van de werken en de geringe risico's die deze werken vormen voor de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen en de functie en het beheer van wegen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het leggen kabels en/of leidingen in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in wegen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 In artikel 5.4, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van wegen in beheer bij WSHD. 3 Artikel 4.4.3, van de Keur en artikel 5.9, van de Keur geven het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel kabels en /of leidingen in oppervlaktewaterlichamen en wegen geldt voor: ¬alle oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD ¬alle wegen in beheer van WSHD. Algemene regels voor kabels en/of leidingen in oppervlaktewaterlichamen en wegen Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het leggen, hebben, vernieuwen, wijzigen of opruimen van kabels en leidingen binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones in het beheersgebied van WSHD en/of in wegen in beheer bij WSHD waarbij: - de kabels en leidingen niet worden aangebracht binnen enige begrenzing, of (buiten)beschermingszone van een waterkering; - leidingen ten behoeve van het transport van gassen, vloeistoffen of vaste stoffen in suspensie een maximale bedrijfsdruk hebben van 1 N/mm² (10 bar); - de kabels en leidingen in een weg niet in open ontgraving worden aangelegd.
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones in het beheersgebied van WSHD en/of in wegen in beheer bij WSHD in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het leggen, beheren en onderhouden van de kabels en leidingen; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente) op grond van kadastrale vermelding of GBKN; de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; één overzichtstekening op gangbare, goed leesbare schaal waarin de ligging van de kabels en/of leidingen, de kabelgegevens en bijkomende werken duidelijk valt af te lezen; één detailtekening van kruisingen met andere oppervlaktewaterlichamen en wegen inclusief kabel¬en of leidinggegevens; een muddrukberekening indien het werk een boring betreft. Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 Na het gereedkomen van de werken moeten binnen 2 maanden de revisietekeningen conform het Rijksdriehoeksstelsel bij voorkeur digitaal of anders in drievoud aan WSHD worden toegezonden. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van kabels en leidingen 1 Kabels en/of leidingen mogen geen nadelige interferentie voor kabels of leidingen in hun directe omgeving veroorzaken. 2 Bij vervanging van kabels en/of leidingen dienen de niet meer in gebruik zijnde kabels en/ of leidingen te worden verwijderd uit het oppervlaktewaterlichaam en beschermingszones en/of wegen. Artikel
- Voorschriften voor grondroeringen 1 Al het uit ontgravingen komend puin of andere voorwerpen moet worden afgevoerd. 2 De kabels en/ of leidingen moeten een gronddekking krijgen van tenminste 0,70 m voor kabels, leidingen en handholes, ten opzichte van het maaiveld. 3 Ingravingen mogen in geen geval dieper plaatsvinden dan tot 0,10 m beneden de onderkant van de kabels en of leidingen. 4 Direct na de voltooiing van de werkzaamheden dient het oppervlak geheel in overeenstemming met de omgeving worden afgewerkt en bekleed waarbij eventueel ontstane lagen aangevuld moeten worden. De lagen moeten goed worden verdicht en maximaal 20 cm. dik zijn. 5 De conusweerstand van goed verdichte grond moet tenminste gelijk zijn aan 0,20 MPa per 10 mm of tenminste 4 MPa. 6 Grondroeringen behoren tot het strikt noodzakelijke te worden beperkt. Eventuele nazakkingen, voor zover die het gevolg zijn van de werkzaamheden, moeten door en op kosten van de houder van de vrijstelling worden hersteld. Voorschriften ten aanzien van wegen Artikel
- Voorschriften ten aanzien van werkzaamheden langs wegen 1 Het graven van sleuven in de nabijheid van bomen moet buiten de kroonprojectie gebeuren doch tenminste 2,00 m uit de stam. 2 De sleuf voor het aanleggen van de kabels en of leidingen moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven doch mag de afstand tot de wegkant niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. 3 Indien vanwege de plaatselijke omstandigheden niet aan artikel 7, tweede lid, kan worden voldaan, dan kan hier, met goedkeuring van WSHD vanaf worden geweken. Waar de kabels en of leidingen minder dan 1,00 m uit de wegverharding worden gelegd moet de sleuf worden gevuld met laagsgewijs goed verdicht zand, afgedekt met 0,10 m grond, doch mag de afstand tot de kant van de wegverharding niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. 4 De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD dient, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn te plaatsen. Gelijktijdig met de indiening van het meldingformulier dient de uitvoerder een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, verlichting en dergelijke) ter goedkeuring in te dienen bij WSHD. 5 Langs wegen mag de uit te graven grond niet op de wegverharding of in de bermen binnen 1,00 m uit de kant van de wegverharding worden opgeslagen. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van kabels en leidingen in wegverhardingen 1 De kabels en leidingen moeten wegverhardingen haaks kruisen. 2 Kabel¬en/of leidingkruisingen met wegen moeten worden uitgevoerd door middel van een persing of boring. 3 Mantelbuizen ten behoeve van de doorvoering van kabels en of leidingen moeten onder wegen en uitpaden worden geperst of geboord, zodat de verharding onaangeroerd blijft. 4 De kabels en of leidingen moeten op kruisingen van waterschapswegen en/of ¬uitritten ¬uitkomende op een bij WSHD in beheer en/of onderhoud zijnde weg ¬middels een persing of boring worden aangelegd op een diepte van ten minste 1,00 m onder de bovenzijde van de wegverharding en moeten wegverhardingen haaks kruisen. 5 Het start¬en ontvangstgat ten behoeve van het maken van de persing of boring moet tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven. 6 Pers¬of boorgaten mogen geen grotere doorsnede verkrijgen dan de uitwendige doorsnede van de door te persen buizen. Voorschriften ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen Artikel
- Voorschriften ten aanzien van werkzaamheden bij oppervlaktewater¬lichamen 1 De kabels en leidingen moeten oppervlaktewaterlichamen haaks kruisen. 2 Bij het uitvoeren van de activiteiten en werkzaamheden moet van de maten van het betreffende oppervlaktewaterlichaam volgens de legger worden uitgegaan, met dien verstande dat wanneer het oppervlaktewaterlichaam ruimere afmetingen heeft, van deze ruimere afmetingen moet worden uitgegaan. 3 De kabels en/of leidingen moeten onder de taluds en de slootbodem een dekking hebben van minimaal 1,50 meter bij hoofdwatergangen en minimaal 1,00 m bij alle andere oppervlaktewaterlichamen, ten opzichte van het profiel overeenkomstig artikel 9, tweede lid. 4 De kabels en/of leidingen moeten onder de taluds en de bodem van boezemwateren een dekking hebben zoals beschreven in de NEN 3650¬serie. 5 De sleuf voor het aanleggen van de kabels en/of leidingen moet tenminste 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven. 6 Indien vanwege de plaatselijke omstandigheden artikelen een conflicterende situatie opleveren met artikel 7, tweede lid, prevaleert het wegbelang boven het belang van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, waarmee artikel 7, tweede lid, dus maatgevend is. In dit geval kan, na overleg met WSHD, afgeweken worden van de conflicterende artikelen en kan de kabel of leiding op minder dan 0,50 meter vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gelegd. 7 Ingravingen moeten op een zodanige wijze worden gemaakt dat de taluds van de gemaakte sleuf niet mogen afschuiven. 8 De uitvoering en constructie van de in dit besluit bedoelde werken moeten van een zodanige aard zijn, dat de beschermingszone langs watergangen berijdbaar is en blijft voor onderhoudsmaterieel. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van zinkers / boogzinkers in oppervlaktewaterlichamen 1 De waterhuishouding mag tijdens de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden niet ontoelaatbaar worden gestremd. Hiertoe moeten afdoende maatregelen getroffen worden. 2 Geen grond, bagger of vuil mag in het water geraken of achterblijven. Direct na gereedkomen van de werkzaamheden moet ter plaatse het oppervlaktewaterlichaam worden opgeschoond tot het vereiste profiel zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van persingen of (gestuurde) boringen
- Tijdens de werkzaamheden mag geen bentoniet of mud in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen. De houder van de vrijstelling dient in overleg met en op aanwijzing van WSHD alle mogelijke maatregelen te nemen om verspreiding van bentoniet in het oppervlaktewater als gevolg van calamiteiten en/of blow¬outs te voorkomen. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van duikerkruisingen 1 Kruising van het oppervlaktewaterlichaam via een dam met duiker moet zodanig worden uitgevoerd, dat de afstand tussen de kabels en/of leidingen en de bovenkant van de duiker 0,30 m bedraagt. 2 Indien de gronddekking niet voldoende is om de kabels en/of leidingen boven de duiker te leggen moeten deze onder de duiker worden gelegd. 3 De kabels en/of leidingen moeten onder de duiker een dekking van minimaal 1,50 m bij hoofdwatergangen en minimaal 1,00 m bij alle overige oppervlaktewaterlichamen, ten opzichte van de leggermaat van het betreffende oppervlaktewaterlichaam hebben. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van las¬, aansluitgaten of handholes 1 Las¬of aansluitgaten of handholes mogen niet groter zijn dan strikt noodzakelijk met een maximum van 1,00 m bij 2,00 m. 2 Las¬of aansluitgaten of handholes voor het aansluiten van de kabels en of leidingen moeten tenminste 1,00 m uit de aanliggende kant van de wegverharding worden gegraven doch mag de afstand tot de wegkant niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. 3 Las¬of aansluitgaten of handholes voor het aansluiten van de kabels en of leidingen moeten tenminste 0,50 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven. 4 Daar waar las¬of aansluitgaten of handholes vanwege plaatselijke omstandigheden, minder dan 1,00 m uit de wegverharding worden gelegd, kan hier na overleg met en toestemming van WSHD vanaf worden geweken. Hierbij moet de afstand tot de wegverharding zo groot mogelijk worden gehouden. In dit geval moet de sleuf worden gevuld met laagsgewijs goed verdicht zand, afgedekt met 0,10 m grond, doch mag de afstand tot de wegkant niet kleiner worden dan de diepte waarop deze wordt gelegd. Overgangsbepalingen Artikel
- Overgangsbepaling
- Voor alle activiteiten en werkzaamheden die ten tijde van inwerkingtreding van deze algemene regel rechtmatig ingevolge de AGV 'Kabels en leidingen in wegen en oppervlaktewaterlichamen' tot stand zijn gebracht, wordt geacht vrijstelling te zijn verleend ingevolge deze algemene regel. Aandachtspunten A. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de aannemer of diens uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. C. Het informeren over de aard en uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling. D. Het intrekken of wijzigen van een vrijstelling voor de toepassing van de 'Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen waterschap Hollandse Delta' wordt beschouwd als ware het betreft het intrekken of wijzigen van een vergunning. 3.
- Steigers en vlonders Algemeen De algemene regel steigers en vlonders heeft betrekking op het plaatsen, vernieuwen en wijzigen van steigers en vlonders binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones gelegen in het beheersgebied van WSHD. WSHD wil met deze algemene regel het plaatsen van steigers en vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen eenvoudig reguleren. Steigers en vlonders zijn werken die een geringe inbreuk maken op de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het plaatsen, vernieuwen en wijzigen van steigers en vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen in het geval van het plaatsen, vernieuwen en wijzigen van steigers of vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen, gelet op de geringe risico's die deze werken vormen voor de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het plaatsen, vernieuwen en wijzigen van steigers en vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 Artikel 4.4.3, van de Keur geeft het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel steigers en vlonders geldt voor alle oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Algemene regels voor steigers en vlonders Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het plaatsen, vernieuwen, of wijzigen van steigers en vlonders binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones gelegen in het beheersgebied van WSHD met uitzondering van: steigers en vlonders die worden aangebracht binnen enige kernzone en beschermingszone van een waterkering; steigers en vlonders die worden aangebracht binnen: - een natuurvriendelijke oever; - een watergang in een ecologische verbindingszone; - ter plaatse van een rietkraag; - de Waal (gelegen tussen Hendrik¬Ido¬Ambacht en Heerjansdam); steigers en vlonders die worden aangebracht binnen hoofdwatergangen; steigers in oppervlaktewaterlichamen met een waterbreedte van minder dan 3 m gemeten ten opzichte van het hoogst vigerende peil.
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het plaatsen, vernieuwen, wijzigen of verwijderen van de grondkerende constructies; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente); de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; een overzichtstekening van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden met straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en gemeente). Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Bij de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden dient te worden voldaan aan de voorschriften zoals opgenomen in deze algemene regel. Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 De werkzaamheden als bedoeld in artikel 1 dienen binnen één jaar te worden uitgevoerd en afgerond. Voorschriften steigers en vlonders Artikel
- Algemene voorschriften voor steigers en vlonders 1 Voor percelen met een oeverlengte < 25 m geldt dat per aaneengesloten perceel maximaal één steiger of vlonder mag worden aangebracht. 2 Voor aaneengesloten percelen met een oeverlengte van > 25 m kunnen meerdere steigers en/of vlonders worden toegestaan. Hierbij geldt dat maximaal 1 extra steiger en/of vlonder mag worden geplaatst voor de volgende 25 m oeverlengte. 3 De onderkant van de steiger of vlonder (onderkant gording) moet minimaal 0,30 m boven het hoogst vigerende peil worden aangebracht en gehouden. 4 Steigers en vlonders mogen niet binnen een afstand van 10 m vanaf een peilregulerend kunstwerk of duiker worden geplaatst. Artikel
- Bijzondere voorschriften voor steigers
- Per steiger gelden onderstaande afmetingen, gemeten ten opzichte van het hoogst vigerende peil.
- De steiger moet worden gefundeerd op palen. Deze palen moeten minimaal aan de volgende eisen voldoen: verhouding lengte: 1/3 boven en 2/3 onder de vaste bodem van de watergang; onderlinge afstand tussen de palen 1,00 m (hart op hart); dikte minimaal 60 mm x 60 mm of een diameter van minimaal 80 mm. Tabel bijzondere voorschriften voor steigersBreedte oppervlaktewater Maximale breedte steiger (haaks op de watergang) Maximale lengte steiger (parallel aan de watergang) < 3 m niet toegestaan niet toegestaan > = 3 m en < 10 m 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater maximaal de helft van de lengte van het perceel met een maximum van 5 m > = 10 m < 20 m 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater met een maximum van 1,50 m 5 m > = 20 m 1,50 m 5 m Artikel
- Voorschriften voor vlonders
- De vlonder moet worden gefundeerd op palen. Deze palen moeten minimaal aan de volgende eisen voldoen: verhouding lengte: 1/3 boven de grond en 2/3 onder de grond, gerekend vanaf laagst vigerende peil; onderlinge afstand tussen de palen: 0,60 meter (hart op hart); dikte minimaal 60 mm. x 60 mm. of een diameter van minimaal 80 mm. Artikel
- Voorschriften voor nazorg en afwerking 1 Bij het uitvoeren van de werken moet van de maten van het oppervlaktewaterlichaam volgens de legger worden uitgegaan met dien verstande dat wanneer het oppervlaktewaterlichaam ruimere afmetingen heeft, van deze ruimere afmetingen moet worden uitgegaan. 2 De waterhuishouding mag tijdens de uitvoering van de werkzaamheden niet worden verstoord. Hiertoe moeten afdoende maatregelen getroffen worden. 3 Geen grond, bagger of vuil mag, als gevolg van de werkzaamheden, in het water geraken of achterblijven. Direct na gereedkomen van de werkzaamheden, moet ter plaatse het oppervlaktewaterlichaam worden opgeschoond. Overgangsbepalingen Artikel
- Overgangsbepaling
- Voor alle activiteiten en werkzaamheden die ten tijde van inwerkingtreding van deze algemene regel rechtmatig ingevolge de AGV 'Steigers en Vlonders' tot stand zijn gebracht, wordt geacht vrijstelling te zijn verleend ingevolge deze algemene regel. Aandachtspunten A. Voordat de werkzaamheden worden gestart, moet de houder van de vrijstelling er zich van op de hoogte stellen of er kabels, leidingen, zinkers, duikers, (peilregulerende) kunstwerken of andere werken aanwezig zijn. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. C. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. D. Gelet op de Waterwet en de op dit gebied geldende jurisprudentie wordt het toepassen van verduurzaamde materialen, zoals gecreosoteerd of gewolmaniseerd hout, in of nabij oppervlaktewaterlichamen niet toegestaan. E. Bij het toepassen van bouwstoffen en grond in oppervlaktewaterlichamen kan op grond van het Besluit bodemkwaliteit toestemming nodig zijn van WSHD. Voordat de werkzaamheden worden gestart moet de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen worden gemeld. Steenachtige materialen zoals puin, glas en hout zijn geen bouwstoffen. F. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de Flora¬en Faunawet. Deze wet verbiedt het verstoren van bij de wet aangewezen planten en dieren. Voor zogenaamde ruimtelijke ingrepen kan ontheffing nodig zijn. Deze dient te worden aangevraagd bij bureau LASER (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit). G. De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD moet, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn plaatsen. Tenminste vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden moet de uitvoerder bij WSHD een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, verlichting en dergelijke) indienen. H. Het informeren over de aard en uitvoering van de werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling. 3.
- Grondkerende constructies Algemeen De algemene regel grondkerende constructies heeft betrekking op het plaatsen, vernieuwen, wijzigen en hebben van grondkerende constructies binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones gelegen in het beheersgebied van WSHD. WSHD wil met deze algemene regel het plaatsen van grondkerende constructies in en nabij oppervlaktewaterlichamen eenvoudig reguleren. Grondkerende constructies zijn werken die een geringe inbreuk maken op de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het plaatsen, vernieuwen, wijzigen en hebben van grondkerende constructies in en nabij oppervlaktewaterlichamen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen in het geval van het plaatsen, vernieuwen, wijzigen en hebben van grondkerende constructies in en nabij oppervlaktewaterlichamen, gelet op de geringe risico's die deze werken vormen voor de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het plaatsen, vernieuwen, wijzigen en hebben van grondkerende constructies in en nabij oppervlaktewaterlichamen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 Artikel 4.4.3, van de Keur geeft het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel grondkerende constructies geldt voor alle oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Algemene regels voor grondkerende constructies Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het plaatsen, vernieuwen, wijzigen en hebben van grondkerende constructies binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones gelegen in het beheersgebied van WSHD met uitzondering van: - grondkerende constructies die worden aangebracht: - binnen een hoofdwatergang; - binnen een natuurvriendelijke oever; - ter plaatse van een rietkraag; - binnen het Binnenwater De Waal; - binnen enige begrenzing of (buiten)beschermingszone van een primaire waterkering; - grondkerende constructies met een totale lengte van meer dan 200 m.
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en beschermingszones in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten. 3 het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen binnen de begrenzing van regionale waterkeringen en (buiten)beschermingszones in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het plaatsen, vernieuwen, wijzigen of verwijderen van de grondkerende constructies; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente); de aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard en omschrijving van de werkzaamheden; een overzichtstekening van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden met straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en gemeente). Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Bij de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden dient te worden voldaan aan de voorschriften zoals opgenomen in deze algemene regel. Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 De werkzaamheden als bedoeld in artikel 1 dienen binnen één jaar te worden uitgevoerd en afgerond. Artikel
- Voorschriften grondkerende constructies 1 De grondkerende constructie moet zodanig worden geplaatst dat het natte profiel van het oppervlakewaterlichaam niet wordt verkleind (zie bijlage). 2 De grondkerende constructie moet vloeiend aansluiten op eventuele al bestaande grondkerende constructies. 3 De bovenkant van de grondkerende constructie mag niet hoger liggen dan 0,30 m boven het hoogst vigerende peil (zie bijlage 3). 4 De uitvoering en constructie van de in deze regeling genoemde werken moet van een zodanige aard zijn, dat de beschermingszone langs watergangen en/of wegen berijdbaar is en blijft voor onderhoudsmaterieel. 5 De constructie en uitvoering van de in deze regeling genoemde werken moet van een zodanige aard zijn, dat zij de waterhuishouding of wegbeheer op geen enkele wijze belemmeren. 6 De constructie moet door de houder van de vrijstelling in goede staat worden onderhouden en mag niet door¬of overgroeid raken. Dit betekent in ieder geval dat verzakkingen, vervormingen of andere schade aan de constructie direct moet worden hersteld. 7 De grondkerende constructie mag geen onder¬en achterloopsheid aan de waterkering veroorzaken of gaan veroorzaken. Artikel
- Voorschriften voor grondroeringen 1 Voordat bestaande werken worden vernieuwd, moeten zij geheel uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd. Als de nieuwe werken niet geheel of gedeeltelijk op dezelfde plaats worden gezet als de bestaande werken, moet het talud weer worden aangevuld en afgewerkt zoals het naastliggende profiel. 2 Losse materialen, grond, planken e.d. welke geen deel uitmaken van de werken, moeten worden verwijderd. 3 Direct na de voltooiing van de werkzaamheden in of nabij regionale waterkeringen dient het oppervlak geheel in overeenstemming met de omgeving worden afgewerkt en bekleed en moet direct worden voorzien van de oorspronkelijke steenbekleding/verharding of worden bezood of ingezaaid met een rassenlijstmengsel wat afgestemd is op het type waterkering. Dit moet laagsgewijs in lagen van 0,20 m en moet goed worden verdicht, waarbij eventueel ontstane lagen moeten worden aangevuld. Artikel
- Voorschriften voor nazorg en afwerking 1 Bij het uitvoeren van de werken moet van de maten van de oppervlaktewaterlichamen volgens de legger worden uitgegaan met dien verstande dat wanneer het oppervlaktewaterlichaam ruimere afmetingen heeft, van deze ruimere afmetingen moet worden uitgegaan. 2 De waterhuishouding mag tijdens de uitvoering van de werkzaamheden niet worden verstoord. Hiertoe moeten afdoende maatregelen getroffen worden. 3 Geen grond, bagger of vuil mag, als gevolg van de werkzaamheden, in het water geraken of achterblijven. Direct na gereedkomen van de werkzaamheden, moet ter plaatse de watergang worden opgeschoond. Overgangsbepalingen Artikel
- Overgangsbepaling
- Voor alle activiteiten en werkzaamheden die ten tijde van inwerkingtreding van deze algemene regel rechtmatig ingevolge de algemene regel 'Beschoeiingen en betuiningen' tot stand zijn gebracht, wordt geacht vrijstelling te zijn verleend ingevolge deze algemene regel. Aandachtspunten A. Voordat de werkzaamheden worden gestart, moet de houder van de vrijstelling er zich van op de hoogte stellen of er kabels, leidingen, zinkers, duikers, (peilregulerende) kunstwerken of andere werken aanwezig zijn. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. C. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. D. Gelet op de Waterwet en de op dit gebied geldende jurisprudentie wordt het toepassen van verduurzaamde materialen, zoals gecreosoteerd of gewolmaniseerd hout, in of nabij oppervlaktewaterlichamen niet toegestaan. E. Bij het toepassen van bouwstoffen en grond in oppervlaktewaterlichamen kan op grond van het Besluit bodemkwaliteit toestemming nodig zijn van WSHD. Voordat de werkzaamheden worden gestart moet de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen worden gemeld. Steenachtige materialen zoals puin, glas en hout zijn geen bouwstoffen. F. Bij grondkerende constructies wordt het toepassen van zogenaamde FUP's (Fauna Uittreed Plaats) aanbevolen. FUP's hebben als doel om watervogels en andere waterdieren toegang te verlenen tot de oever en weer terug naar de watergang. WSHD kan hierover meer informatie verstrekken. G. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de Flora¬en Faunawet. Deze wet verbiedt het verstoren van bij de wet aangewezen planten en dieren. Voor zogenaamde ruimtelijke ingrepen kan ontheffing nodig zijn. Deze dient te worden aangevraagd bij bureau LASER (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit). H. De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD moet, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn plaatsen. Tenminste vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden moet de uitvoerder bij WSHD een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, verlichting en dergelijke) indienen. I. Het informeren over de aard en uitvoering van de werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling. 3.
- Bruggen Algemeen De algemene regel bruggen heeft betrekking op het aanleggen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen gelegen in het beheersgebied van WSHD. WSHD wil met deze algemene regel het aanleggen van bruggen over oppervlaktewateren eenvoudig reguleren. Bruggen zijn werken die een geringe invloed hebben op de functie en het beheer van oppervlaktewaterlichamen en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het aanleggen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen in het geval van het aanleggen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen, gelet op de geringe risico's die deze werken vormen voor de waterhuishouding van oppervlaktewaterlichamen, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het aanleggen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen zijn de volgende keurbepalingen van belang: 1 In artikel 4.1.1, van de Keur zijn verboden opgenomen ten aanzien van het gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones. 2 Artikel 4.4.3, van de Keur geeft het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Toepassingsgebied De algemene regel bruggen geldt voor alle oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Algemene regels voor bruggen Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op:
- het aanleggen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen in het beheersgebied van WSHD, met uitzondering van bruggen: die het oppervlaktewaterlichaam niet geheel vrij overspannen; die op het hoogst vigerende peil het oppervlaktewaterlichaam versmallen; die worden aangebracht binnen een afstand van 10 meter ten opzichte van andere kunstwerken; over de hier genoemde oppervlaktewaterlichamen: - het Brielse Meer; - het Voedingskanaal; - het Kanaal door Voorne (voor zover dat in open verbinding staat met het Voedingskanaal); - de Bernisse; - de Binnenbedijkte Maas; - de Strijense haven; - de Koedoodseplas; - de Gaatkensplas; - de Waal op het eiland IJsselmonde; die boven het oppervlaktewaterlichaam breder zijn of lager liggen dan de hieronder per categorie aangegeven breedtes: Tabel toepassingsbereikCategorie Hoogte boven hoogst vigerend peil breedte boven het oppervlaktewaterlichaam
- Primaire watergangen breder dan of gelijk aan 3,5 m op de waterlijn en met tenminste 1,0 m waterdiepte op hoogst vigerend peil 1,1 m over tenminste 2,5 m breedte 4 m
- Oppervlaktewaterlichamen breder dan 14 m op de waterlijn en met tenminste 1,0 m waterdiepte op hoogst vigerend peil 1,1 m over tenminste 2,5 m breedte 10 m
- Primaire watergangen smaller dan 3,5 m op de waterlijn en met minder dan 1,0 m waterdiepte op hoogst vigerend peil 0,6 m 4 m
- Alle buiten de categorieën 1, 2 en 3 vallende oppervlaktewaterlichamen 0,6 m 4 m
- het spitten, graven en het verrichten van grondroeringen in en nabij wateren in verband met de in het eerste lid genoemde activiteiten.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de werken en de werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD.
- De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier (te downloaden via internet of via post verkrijgbaar) en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het plaatsen, hebben en onderhouden van de brug; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; een overzichtstekening met de locatie en de breedte van de brug, voorzien van de naam van de weg, de plaatsnaam en de naam van de gemeente; een dwarsprofiel van de watergang met daarin de brug opgenomen, voorzien van maatvoering. Artikel
- Meldingsprocedure
- Een schriftelijke melding voor het verrichten van de werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend.
- Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens.
- WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Artikel
- Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. Artikel
- Voorschriften ten aanzien van bruggen 1 De oevers, onder en over een lengte van twee meter ter weerszijden van de brug, moeten, door het plaatsen van een beschoeiing en taludbekleding, tegen uitspoeling en uitzakken worden beschermd. 2 De brug moet van een deugdelijke constructie zijn en zodanig zijn gefundeerd dat wordt voorkomen dat deze meer zakt dan de natuurlijke maaivelddaling. 3 Na het aanbrengen van de brug moeten de beschermingszone en de naast de brug gelegen delen van de watergang worden hersteld en worden afgewerkt zoals het naastliggende profiel. Aandachtspunten A. Een vrijstelling voor de uitvoering van activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, ontslaat de aannemer of diens uitvoerder van de werkzaamheden niet van de verplichting tot het vragen van toestemming voor het gebruik van de grond aan de perceeleigenaar. B. Een vrijstelling voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel, maakt het hebben van andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig. C. De aannemer of uitvoerder die werkzaamheden uitvoert in of langs een weg in beheer en onderhoud bij WSHD dient, indien dit voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, gedurende de werkzaamheden tijdelijk verwijsborden en markeringen conform de CROW 96b richtlijn te plaatsen. Tenminste vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden dient de uitvoerder bij WSHD een plan over de te nemen verkeersmaatregelen (plaats en soort van de borden, verlichting en dergelijke) in te dienen. D. Het informeren omtrent de aard en uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden richting derde belanghebbenden berust bij de houder van de vrijstelling.
- Algemene regels voor grondwater 4.1 Algemeen In hoofdstuk 4 van de Keur zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het grondwaterbeheer - het onttrekken van grondwater en/of het infiltreren van water in de bodem - dat op grond van de Waterwet onder de bevoegdheid van WSHD valt. De bepalingen over grondwater zoals opgenomen in de Keur zijn gefundeerd op de Waterwet, het Waterbesluit en de provinciale waterverordening. Waarom verboden? Het onttrekken van grondwater en/of infiltreren van water in de bodem is in de keur verboden omdat dit een negatieve invloed kan hebben op de functies die aan de watersystemen of de onderdelen daarvan zijn toegekend en daarmee op het functioneren van het watersysteem. Doel van de regelgeving voor het grondwaterbeheer is om de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater, de duurzaamheid van het grondwater en het evenwicht van het grondwatersysteem (de watersysteembelangen) zoveel mogelijk te garanderen. Vrijstelling Aangezien het onttrekken van grondwater en/of het infiltreren van water in de bodem op grond van maatschappelijke en/of economische belangen noodzakelijk kan zijn, geeft de Keur aan dat door het dagelijks bestuur vrijstelling kan worden verleend van de vergunningplicht, waarbij het onttrekken van grondwater en/of infiltreren van water in de bodem wordt toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Afweging De reikwijdte zoals geformuleerd in de Algemene regels voor grondwater waarborgt de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater, de duurzaamheid van het grondwater en het evenwicht van het grondwatersysteem (de watersysteembelangen) en daarmee het functioneren van het watersysteem. Indien een activiteit past binnen de reikwijdte van de algemene regel, dan is de activiteit toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Past de activiteit niet binnen de reikwijdte van de algemene regel, dan is het volgen van een vergunningsprocedure noodzakelijk. Inhoud hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4 bevat algemene regels voor het grondwaterbeheer dat op grond van de Waterwet onder de bevoegdheid van WSHD valt. Ten aanzien van het grondwaterbeheer zijn algemene regels opgesteld voor de volgende activiteiten: - het onttrekken van grondwater. 4.2 Het onttrekken van grondwater Algemeen WSHD wil met de algemene regel voor het onttrekken van grondwater kleine grondwater¬onttrekkingen die plaatsvinden in zijn beheersgebied en die op grond van de Waterwet onder zijn bevoegdheid vallen, eenvoudig reguleren. Kleine grondwateronttrekkingen hebben een geringe invloed op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater, de duurzaamheid van het grondwater en het evenwicht van het grondwatersysteem en vormen in die zin een laag/gering risico voor de watersysteembelangen. De algemene regel beoogt duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het onttrekken van grondwater is toegestaan zonder dat daarvoor een vergunningsprocedure dient te worden gevolgd, maar kan worden volstaan met een melding. Belangenafweging De watersysteembelangen kunnen in het geval van kleine grondwateronttrekkingen, gelet op de geringe risico's die deze handelingen vormen voor het grondwatersysteem, voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Betrokken keurartikelen Voor het onttrekken van grondwater de volgende keurbepalingen van belang: 1 Op grond van artikel 4.3.2, van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur grondwater te onttrekken en water in de bodem te infiltreren. 2 In artikel 4.3.4, van de Keur zijn meld,¬meet¬en registratieplichten opgenomen voor degene die grondwater ontrekt aan of infiltreert in een grondwaterlichaam of water infiltreert in de bodem. 3 Artikel 4.4.3, van de Keur geeft het bestuur van WSHD de mogelijkheid om algemene regels te geven welke een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden. Algemene regels voor het onttrekken van grondwater Reikwijdte Artikel
- Toepassingsbereik Deze algemene regel is van toepassing op grondwateronttrekkingen waarbij de onttrokken hoeveelheid minder dan
- 000 m3 per jaar bedraagt en waarbij sprake is van:
- Grondwateronttrekkingen buiten een milieubeschermingsgebied voor grondwater waarbij sprake is van een inrichting waarmee: a. ongeacht het doel van de onttrekking, niet meer dan 1 m3 grondwater per uur wordt onttrokken; b. voor een ander doel dan gietwatervoorzieningen in de glastuinbouw en ten behoeve van het polderprincipe méér dan 1 m3 grondwater per uur wordt onttrokken echter: - niet meer dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken en - niet meer dan 12.000 m3 grondwater per jaar wordt onttrokken.
- Grondwateronttrekkingen waarbij sprake is van een inrichting voor noodvoorzieningen.
- Grondwateronttrekkingen waarbij sprake is van: A. Inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en waarvan de onttrekking plaatsvindt binnen een periode van zes maanden: a. in kwetsbare gebieden en milieubeschermingsgebieden voor grondwater waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 60 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 20.000 m3 per maand wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 in totaal wordt onttrokken; b. in andere dan de onder A, lid a, genoemde gebieden waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 150 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 per maand wordt onttrokken, en
- niet meer dan 200.000 m3 in totaal wordt onttrokken; B. Inrichtingen die uitsluitend bij wijze van proef grondwater onttrekken en waarvan de onttrekking plaatsvindt binnen een periode van een maand: a. in kwetsbare gebieden en milieubeschermingsgebieden voor grondwater waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 60 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 20.000 m3 in totaal wordt onttrokken; b. in andere dan de onder B, lid a, genoemde gebieden waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 150 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 in totaal wordt onttrokken; C. Inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor een bodemsanering, die kan bestaan uit grondsanering, grondwatersanering of een combinatie daarvan: a. waarbij voor (de) grondsanering in kwetsbare gebieden en milieubeschermingsgebieden voor grondwater geldt dat deze plaatsvindt binnen een periode van zes maanden, waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 60 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 20.000 m3 per maand wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 in totaal wordt onttrokken; b. waarbij voor (de) grondsanering in de onder C, lid a, genoemde gebieden geldt dat deze plaatsvindt binnen een periode van zes maanden, waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 150 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 per maand wordt onttrokken, en
- niet meer dan 200.000 m in totaal wordt onttrokken; c. waarbij voor grondwatersanering geldt dat deze plaatsvindt binnen een periode van maximaal vier jaar, en waarbij gedurende die periode:
- niet meer dan 15m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 4.200 m3 per maand wordt onttrokken; Voor inrichtingen als bedoeld in C geldt dat deze onafhankelijk van elkaar dienen te worden beoordeeld aan de hand van de in C gestelde debieten en tijdsgrenzen; Indien hetzij de grondsanering, hetzij de grondwatersanering daaraan niet voldoet met als gevolg dat daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 4.3.2 van de Keur is vereist, dan is voor de gehele bodemsanering een vergunning vereist. D. Inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor beregening en niet langer dan een aaneengesloten periode van vijf maanden per jaar in gebruik zijn, waarmee gedurende die periode:
- niet meer dan 60 m3 per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 in wordt onttrokken.
- Een inrichting, niet genoemd in de voorgaande leden en niet zijnde een inrichting in een milieubeschermingsgebied voor grondwater en voor zover voor een ander doel dan koeling en het droog houden van kelders en ondergrondse ruimten en het polderprincipe wordt ontrokken, waarmee:
- niet meer dan 10m3 grondwater per uur wordt onttrokken, en
- niet meer dan 50.000 m3 per jaar wordt onttrokken.
Artikel 2. Eisen 1.
Voor de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1 van deze algemene regel moet een schriftelijke melding worden ingediend bij WSHD. 2. De schriftelijke melding zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden gedaan door het insturen van een volledig ingevuld en ondertekend meldingformulier en bevat tenminste: de naam, adres en woonplaats van degene die verantwoordelijk is voor het onttrekken van het grondwater; de naam van de aannemer die het werk namens de opdrachtgever uitvoert; de naam van een contactpersoon die tijdens de werkzaamheden verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden; de locatie van de inrichting en de werkzaamheden (straatnaam, huisnummer, plaatsnaam, gemeente); de aanvang en duur van de werkzaamheden; het doel, de aard en omschrijving van de werkzaamheden; een kadastraal uitreksel inclusief kadastrale kaarten van de locatie waar de inrichting is gelegen en de werkzaamheden plaatsvinden; een opgave van de pompcapaciteit en een raming van de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater in kubieke meters per uur, per etmaal, per maand en per jaar: ingeval van een tijdelijke onttrekking wordt bovendien de totale hoeveelheid aangegeven; de diepte waarop de onttrekking plaatsvindt ten opzichte van het maaiveld en het NAP; plattegrond(
- en)op zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de situatie van de bestaande en/of geprojecteerde inrichting waarop de melding betrekking heeft, met daarop tenminste aangegeven de plaats van de onttrekkings¬en retourneringsputten, drains, peilbuizen, eventuele damwanden alsmede het te ontgraven gebied. Artikel 3. Meldingsprocedure 1. Een schriftelijke melding voor het verrichten van de activiteiten en werkzaamheden die vallen onder artikel 1, dient minimaal vier weken vóór aanvang van de werkzaamheden bij WSHD te worden ingediend. 2. Op een schriftelijke melding wordt door WSHD gereageerd binnen drie weken na ontvangst van de melding en alle voor de beoordeling relevante gegevens. 3. WSHD laat de melding buiten behandeling indien: de melding niet valt binnen de reikwijdte van de algemene regel; de melder niet heeft voldaan aan één of meerdere eisen zoals vermeld in artikel 2, tweede lid, voor het in behandeling nemen van de melding; de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de melding. Algemene voorschriften Bij de uitvoering van de activiteiten en werkzaamheden dient te worden voldaan aan de voorschriften zoals opgenomen in deze algemene regel. Artikel 4. Voorschriften voor uitvoering en revisie 1 Het verrichten van de vrijgestelde activiteiten en werkzaamheden dient 48 uur voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch of digitaal te worden gemeld bij WSHD. 2 Aanwijzingen die door of namens WSHD bij de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven ter bescherming van de watersysteembelangen, dienen onmiddellijk te worden opgevolgd. 3 Tijdens de uitvoering van het werk moet een exemplaar van het meldingformulier en de akkoordverklaring van WSHD op het werk aanwezig zijn. 4 De onttrekker dient binnen zes weken na de beëindiging van de onttrekking de definitieve einddatum van de onttrekking schriftelijk aan WSHD te melden. 5 De werkzaamheden als bedoeld in artikel 1 dienen binnen één jaar te worden aangevangen. Artikel 5. Voorschriften ten aanzien van metingen en registratie 1 De in artikel 4.3.4, eerste lid, van de Keur genoemde verplichtingen gelden niet voor inrichtingen, zoals genoemd in artikel 2, onder a. 2 De in artikel 4.3.4, eerste lid, onder b en c van de Keur genoemde verplichtingen gelden niet voor inrichtingen, zoals genoemd in artikel 2, onder b en artikel 3. 3 Bij twijfel of de grenzen genoemd in artikel 1, tweede lid worden overschreden, kan WSHD aan de opdrachtgever van de onttrekking de verplichting opleggen om blijvend of gedurende een door hen te bepalen periode, de hoeveelheid water die wordt onttrokken regelmatig te meten. Indien deze verplichting wordt opgelegd, dient de opdrachtgever van deze metingen op een vanwege WSHD aangegeven wijze aantekening te houden en draagt hij er zorg voor dat deze gegevens maandelijks aan WSHD worden toegezonden. 4 De opgepompte hoeveelheden grondwater dienen met een goed en betrouwbaar werkende watermeter te worden gemeten en geregistreerd. De meterstanden dienen tenminste te worden geregistreerd voor de aanvang van de onttrekking, aan het eind van ieder kwartaal en na beëindiging van de onttrekking. De bedoelde gegevens dienen telkenmale in de maand januari, of bij beëindiging van de onttrekking uiterlijk binnen vier weken na de onttrekking, aan Dijkgraaf en Heemraden te worden gezonden onder vermelding van het type, het nominaal meetvermogen en het registratienummer van de watermeter. 5 Een niet of niet goed of niet betrouwbaar werkende watermeter dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 48 uur, te worden vervangen. Bij vervanging van een watermeter dient zowel de meterstand als het type, het nominaal meetvermogen en registratienummer van de oude en nieuwe watermeter genoteerd te worden en dient dit schriftelijk of telefonisch, binnen een dag na plaatsing van de vervangende watermeter aan WSHD te worden gemeld. 6 De grondwaterstand en de stijghoogte van het grondwater in het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken, dienen te worden gemeten en geregistreerd en de desbetreffende gegevens dienen binnen zes weken na beëindiging van de onttrekking schriftelijk aan WSHD te worden gemeld. Artikel 6. Voorschriften ten aanzien van grondwateronttrekkingen 1. Indien ten gevolge van het onttrekken schade voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen dreigt te ontstaan of is ontstaan, dient dit door of vanwege de opdrachtgever van de betreffende onttrekking onmiddellijk schriftelijk of telefonisch aan WSHD te worden gemeld. 2. De putten dienen na beëindiging van de inrichting te worden verwijderd en afgedicht. Afdichting van de tot de inrichting behorende put(ten) wordt, tenminste één maand van tevoren aan WSHD gemeld: de tot die inrichting behorende put(ten) met een diameter van vijf centimeter of meer, moet(
- en)¬zoveel mogelijk in overeenstemming met de oorspronkelijke bodemopbouw ¬worden gedicht met schoon opvulmateriaal, welke afdichting binnen drie maanden na beëindiging van de inrichting geschiedt, tenzij anders wordt overeengekomen. 3. Indien een wijziging optreedt in de in artikel 2 genoemde gegevens, dient dit, tenminste twee weken voordat deze wijziging wordt doorgevoerd, schriftelijk ter goedkeuring aan WSHD te worden meegedeeld. Artikel 7. Voorschriften ten aanzien van infiltraties in de bodem 1. Indien water wordt geretourneerd, dient het te worden teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het is onttrokken en dient het tenminste dezelfde kwaliteit te hebben als het grondwater waarnaar het wordt teruggevoerd: bij twijfel daaraan, dient daarnaar door of vanweg