← Nederland

Beleidsnota Oppervlaktewaterlichamen (Waterschap Hollandse Delta)

Beleidsnota Oppervlaktewaterlichamen1. Inleiding 1.1 Algemeen De beleidsnota oppervlaktewaterlichamen geeft regels voor het gebruik en de inrichting van alle oppervlaktewaterlichamen in beheer en gele

Artikel 4

.1.1, lid 1, onder a, Keur Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk en beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Toepassinggebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Overige regelgeving Het Besluit bodemkwaliteit. Dit besluit regelt het toepassen van bouwstoffen en grond in oppervlakte- en grondwater en de vaste bodem met als doel het voorkomen van verontreiniging van water en bodem Voorafgaande aan een demping dient er een melding te worden gedaan van het te gebruiken materiaal. De Wro/Woningwet i.v.m. een evt, bouw- of sloopvergunning van de gemeente. De Natuurbeschermingswet en provinciale verordeningen ter bescherming van landschap, natuur en recreatie (gebiedsbescherming) in verband met een eventuele vergunning van de provincie ZH. Flora- en Faunawet. Deze wet verbiedt het verstoren van de bij wet aangewezen planten en dieren (soortenbescherming). Voor zogenaamde ruimtelijke ingrepen, zoals dempingen, kan ontheffing nodig zijn. Deze dient te worden aangevraagd bij bureau LASER (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit). De Wet milieubeheer. Deze wet verbiedt o.a. het storten van afvalstoffen, bijvoorbeeld houtachtige materialen. Van dit verbod dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Zuid-Holland. Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP). Watersysteemanalyse Hollandse Delta. Toetsingscriteria Algemene criteria 1 Het dempen van oppervlaktewaterlichamen wordt niet toegestaan, tenzij een gelijkwaardig vervangend water wordt aangelegd (compensatieplicht). 2 Het waterbergend vermogen van het te dempen oppervlaktewaterlichaam moet volledig worden gecompenseerd door het graven van nieuw oppervlaktewater in hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij het te dempen water. 3 De compensatie dient voorafgaande aan of gelijktijdig met de demping te worden gerealiseerd. 4 Afkoop van de compensatieplicht is niet mogelijk. 5 De demping wordt niet toegestaan tenzij de aan- en afvoer van water van of naar het achterliggend gebied gelijkwaardig blijft. 6 Vaarwegen mogen niet worden gedempt, tenzij de vaarweg zal worden verlegd. 7 Oppervlaktewaterlichamen met een hoge ecologische of natuurwaarde mogen niet worden gedempt, tenzij deze waarden worden gecompenseerd. Locatie-eisen - Constructie-eisen

  1. Nieuw oppervlaktewater dient rechtstreeks in verbinding te worden gebracht met het watersysteem en mag niet doodlopend zijn.
  2. Aanwezige aan- en afvoerleidingen van (regen)water en (riool)overstorten van en naar de omringende percelen moeten zodanig worden aangepast dat zij blijven functioneren.
  3. Er mogen als gevolg van de demping geen doodlopende en geen afgesloten oppervlaktewaterlichaam ontstaan. Normeisen - Onderhoudseisen
  4. Nieuw oppervlaktewater dient op een doelmatige wijze te kunnen worden onderhouden. Toelichting toetsingscriteria Toelichting algemene criteria Ad
  5. Compenserend water dient de functie van het te dempen water volledig over te nemen, zodanig dat het functioneren van het watersysteem ter plaatse niet verslechtert. Als gevolg hiervan kunnen er, naast de genoemde toetsingscriteria, eisen worden gesteld aan de locatie, het profiel en de wijze van compenseren. Dit geldt voornamelijk voor hoofdwatergangen en boezemwateren, omdat zij een belangrijke functie vervullen voor het peilbeheer In een (peil)gebied. Zij dienen vooral voor het afvoeren van overtollig water naar de polder- en boezemgemalen en voor het aanvoeren van water naar de achterliggende oppervlaktewaterlichamen in droge perioden. Zij vormen daarmee de "ruggengraat" van een watersysteem. Vanwege deze specifieke functie zullen vergunningen voor het dempen van deze oppervlaktewaterlichamen slechts kunnen worden verleend Indien een vervangend oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd met een zelfde waterhuishoudkundige functie als de te dempen hoofdwatergang of boezem. Per aanvraag zal dan moeten worden bekeken aan welke specifieke voorwaarden een dergelijk vervangend oppervlaktewaterlichaam moet voldoen. Richtlijn hierbij zijn de leggerprofielen van de te dempen oppervlaktewaterlichamen. In sommige gevallen is deze eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft WSHD grenzen gesteld voor de compensatieplicht bij de aanleg van een dam met duiker. Deze vrijstelling van compensatieplicht wordt beoordeeld aan de hand van deze tabel: Tabel compensatieplichtBreedte watergang op hoogst vigerend peil < 2 m waterbreedte Breedte watergang op hoogst vigerend peil > 2 m waterbreedte Nieuwe dam 10 m op maailveld met 1:1,5 taluds I Geen compensatie Compensatie Verbreden bestaande dam tot genoemde maat I Geen compensatie Compensatie Onderbouwd verbreden boven de genoemde maat II Compensatie Compensatie I het betreft hier de dam die de eerste toegang tot het perceel mogelijk maakt (hoofdontsluiting). II het betreft hier een aangetoonde noodzaak met een wezenlijk belang ten opzichte van het waterstaatkundig belang. Ad
  6. Het waterbergend vermogen van het te dempen oppervlaktewaterlichaam wordt uitgedrukt in m
  7. Om te berekenen hoeveel oppervlaktewater moet worden gecompenseerd, volstaat het overwegend om het te dempen wateroppervlak te berekenen. Dat is de lengte van de demping vermenigvuldigd met de breedte van de watergang op het hoogst vigerende peil, in overeenstemming met het leggerprofiel van het oppervlaktewaterlichaam*. Indien het werkelijke profiel van het oppervlaktewaterlichaam groter is dan in de legger is vermeld, wordt van het eerste uitgegaan. Indien het werkelijke profiel kleiner is dan het leggerprofiel, wordt van het laatste uitgegaan. De compensatie moet in dat geval een even groot oppervlak hebben als de demping. --------------------------- *Zie Bijlage 1 en 3; De criteria voor het graven van nieuw oppervlaktewater (compensatie) zijn opgenomen in Bijlage
  8. Bij dempingen kunnen taluds betrokken zijn welke een helling hebben van 1:3 of flauwer. Als de vergraving steilere taluds krijgt dan het te dempen oppervlaktewaterlichaam, gaat daarmee bergend vermogen verloren. Als in dat geval de taluds van de vergravingen steiler zijn dan 1:2, wordt dit bergingsverlies als voldoende significant gezien, om te eisen dat ook het bergend vermogen van de taluds worden berekend. Dit betekent dat in dat geval een berekening van het betrokken oppervlak niet volstaat. In dat geval moet het te dempen bergend vermogen worden berekend door de lengte van de demping te vermenigvuldigen met de afstand tussen het hoogst vigerend peil en de optredende waterstand bij de maatgevende neerslaggebeurtenis en het leggerprofiel van het oppervlaktewaterlichaam Bij gebieden met een bergingstekort moet de lengte van de demping worden vermenigvuldigd met de afstand van het hoogst vigerend peil tot het hoogste maaiveldniveau binnen de laagst gelegen 10% van het peilgebied en het leggerprofiel van het oppervlaktewaterlichaam De compensatie moet bij deze berekeningsmethode een even groot bergend volume hebben als de demping. Een voorbeeld van deze berekeningen is weergegeven in Bijlage
  9. Elk peilgebied is te beschouwen als een apart watersysteem (inclusief de daarbij behorende gemalen en andere peilregulerende kunstwerken) en is afgestemd op oppervlakte, grondgebruik, eventueel aanwezig kwelwater en dergelijke. Compenserend water dient daarom in hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij de demping plaats te vinden om het evenwicht in de waterhuishouding niet te verstoren. Compensatie in een naastgelegen peilgebied kan alleen worden overwogen indien de aanvrager kan aantonen dat de benodigde compensatie niet in hetzelfde peilgebied kan worden gerealiseerd of dit een onevenredige inspanning zou vereisen. Hierbij gelden wel de voorwaarden dat het naastgelegen peilgebied in hetzelfde stroomgebied moet zijn gelegen en er geen tekort aan waterberging is in het peilgebied waar de demping plaatsvindt. Ad
  10. Vanaf het moment dat de demping aanvangt, wordt het oppervlaktewaterlichaam onttrokken aan het watersysteem Indien tijdens de werkzaamheden langdurige of hevige neerslag plaatsvindt, kan er wateroverlast optreden omdat het evenwicht in het watersysteem is verstoord. Om dit te voorkomen dienen de benodigde compenserende maatregelen voor of uiterlijk gelijktijdig met de demping te worden gerealiseerd. Ad
  11. Met betrekking tot de compensatieplicht hanteert WSHD het principe dat de veroorzaker zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn voornemens en daarom zelf mogelijkheden ter compensatie dient aan te dragen. Daarnaast is het vanuit waterhuishoudkundig oogpunt gewenst dat compensatie zo dicht mogelijk bij de demping wordt gerealiseerd. Het moet daarbij aannemelijk zijn dat de compenserende berging ook daadwerkelijk ten goede komt van het gebied waar de demping plaatsvindt. Ad
  12. Dempingen hebben een ongunstige invloed op de aan- en afvoer van bovenstrooms gelegen oppervlaktewaterlichamen. Hierdoor treden grotere peilstijgingen op in de bovenstrooms gelegen oppervlaktewaterlichamen tijdens aan en afvoer van water. Dit verhoogt de kans dat het peil hoger stijgt dan de maximaal toelaatbare peiloverschrijding. Bij vergunningaanvragen moet daarom worden getoetst of een gebied afwatert of water krijgt via het te dempen oppervlaktewaterlichaam Als dit het geval is moet ter compensatie een gelijkwaardige aan- of afvoerroute worden gerealiseerd. Ad
  13. De Provincie Zuid-Holland heeft een aantal oppervlaktewaterlichamen aangewezen als vaarweg voor beroepsvaart en/of pleziervaart. Dit zijn tevens boezem- of hoofdwatergangen. Door dempingen van deze oppervlaktewaterlichamen kan de vaarweg worden gestremd of kunnen de afmetingen van de vaarweg zodanig worden ingeperkt dat het vaarverkeer wordt belemmerd. Vergunningen voor het dempen van deze oppervlaktewaterlichamen kunnen slechts worden verleend indien een vervangend water wordt aangelegd dat gelijkwaardig functioneert als de te dempen vaarweg en het vaarverkeer niet wordt belemmerd. Daarnaast gelden nog de criteria zoals genoemd onder Ad
  14. Ad
  15. Feitelijk valt het beschermen van natuurwaarden buiten de hoofdtaken van WSHD, maar in het kader van een zorgvuldige afweging van belangen en integraal watersysteembeheer dient nagegaan te worden of het te dempen oppervlaktewaterlichaam specifieke ecologische waarden of functies heeft. Te denken valt hierbij aan oppervlaktewaterlichamen die deel uitmaken van een natuurgebied of een natte ecologische verbindingszone. Toelichting constructie-eisen Ad
  16. Compenserend water dient bij voorkeur rechtstreeks (dus niet via duikers of andere kunstwerken) in verbinding te worden gesteld met het watersysteem Hierdoor komt de bergingscapaciteit en de aan- en afvoercapaciteit van het compenserend water direct ten goede van het gehele watersysteem. Indien de situatie daar aanleiding toe geeft, kan worden toegestaan om de verbinding tot stand te brengen door middel van duikers. Aan deze duikers worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de minimale diametereter, het te gebruiken materiaal e.d. Ad
  17. De vergunningaanvrager dient te onderzoeken en bij de aanvraag aan te geven of er in het te dempen water lozingspunten van (regen)waterafvoeren, (riool)overstorten, drainage e.d. uitkomen. Deze lozingspunten dienen dan zodanig aangepast of omgelegd te worden dat zij als zodanig blijven functioneren. Ad
  18. Door het ontstaan van doodlopende einden bij demping, dan wel door het graven van een doodlopende compensatie, kan de kwaliteit van het oppervlaktewater sterk verslechteren. Dit wordt veroorzaakt door ophopingen van dode waterplanten en ander vuil. Door rottingsprocessen kan er zuurstofloos water ontstaan. Ook de aanvoer van vers (lees zuurstofrijk) water stagneert. Het gevolg hiervan is dat de aanwezige flora en fauna in het oppervlaktewaterlichaam sterk afneemt en de aanwas van baggerspecie versnelt. Ook kan de kwaliteit van het oppervlaktewater zo slecht worden dat veedrenking in gevaar komt. Toelichting onderhoudseisen Ad
  19. Om oppervlaktewaterlichamen c.q. watersystemen goed te laten functioneren is structureel onderhoud en bescherming van oppervlaktewaterlichamen van essentieel belang. Alle oppervlaktewaterlichamen die als gevolg van de compensatieplicht zijn gegraven of verbreed dienen daarom te voldoen aan de regels voor werken in en nabij oppervlaktewaterlichamen (hoofdstuk 4). 3.3 Duikers Algemeen Duikers worden aangelegd bij kruisingen van wegen en oppervlaktewaterlichamen en dienen voor de ontsluiting van erven en percelen. Een duiker kan tevens noodzakelijk zijn om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. De aanwezigheid van duikers in oppervlaktewaterlichamen kan echter negatieve invloeden hebben op het functioneren van het watersysteem Duikers kunnen leiden tot peilstijgingen, te hoge stroomsnelheden in oppervlaktewaterlichamen en opstuwing van water bovenstrooms waardoor percelen kunnen inunderen. Daarnaast kunnen duikers een belemmering vormen bij het uitvoeren van het onderhoud aan een oppervlaktewaterlichaam. Tenslotte gaat met het aanbrengen van een duiker over het algemeen een demping gepaard waardoor het bergend vermogen van het oppervlaktewatersysteem nadelig wordt beïnvloed, in een dergelijke situatie moet u ook rekening houden met het beleid zoals dit in hoofdstuk 3 is weergegeven. Afweging De Keur verbiedt het aanbrengen van duikers in oppervlaktewaterlichamen. Op grond van diverse (maatschappelijke of economische) redenen kan het echter noodzakelijk zijn duikers aan te brengen in oppervlaktewaterlichamen. Verduikeren mag echter geen belemmering zijn voor het functioneren van het watersysteem In relatie tot de kwaliteit van het water mag de ecologische en chemische toestand van water niet verslechteren als gevolg van het belemmeren van de doorstroming of het aanbrengen van (verontreinigd) materiaal in een oppervlaktewaterlichaam In het kader van de vergunningverlening is het daarom noodzakelijk dat duikers voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria zodat het functioneren van het watersysteem en daarmee de watersysteembelangen gewaarborgd blijven.

Artikel 4

.1.1, lid 1, onder b, Keur Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk en beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-) beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen. Toepassinggebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Overige regelgeving Het Besluit bodemkwaliteit. De Wro/Woningwet i.v.m. een evt. bouw- of sloopvergunning van de gemeente. De Natuurbeschermingswet en provinciale verordeningen ter bescherming van het landschap, natuur en recreatie (gebiedsbescherming) in verband met een eventuele vergunning van de provincie ZH. Het Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP). Watersysteemanalyse Hollandse Delta. Beleidsregels voor dempen van oppervlaktewaterlichamen. Toetsingscriteria Een aanvraag voor liet aanbrengen van een duiker in een oppervlaktewaterlichaam wordt aan de volgende criteria/eisen getoetst: Algemene criteria - Locatie-eisen - Constructie-eisen 1 Een duiker wordt alleen toegestaan indien het verval hierover kleiner is dan 4 mm. 2 Een duiker mag niet kleiner zijn dan rond 1000 mm in hoofdwatergangen en rond 500 mm in niet-hoofdwatergangen. 3 De lengte van de duiker mag niet langer zijn dan voor het doel hiervan strikt noodzakelijk is. 4 In oppervlaktewaterlichamen die varend worden onderhouden moeten de afmetingen van een duiker zodanig zijn dat hierdoor een maai- veegboot kan varen. 5 Een duiker moet van een duurzaam materiaal zijn vervaardigd. 6 Een duiker met een diametereter groter dan of gelijk aan 1000 mm heeft minimaal om de 50 m een inspectieput. Indien de lengte van de duiker korter is dan 100 m wordt de put in het midden van de duiker geplaatst. 7 Een duiker met een diametereter kleiner dan 1000 mm heeft minimaal om de 20 m een inspectieput. Indien de lengte van de duiker korter is dan 60 m is een put in het midden voldoende. 8 Om extra weerstanden in het watersysteem te voorkomen moet in een put een stroomprofiel worden toegepast. 9 Een duiker moet voldoende worden gefundeerd zodat verzakken van de duiker wordt voorkomen. Normeisen

  1. Een duiker wordt gelegd met 1/3 lucht bij het hoogst vigerende peil. Vaarduikers zijn hierop een uitzondering.
  2. De minimale afstand tussen 2 kunstwerken moet tenminste 10 m bedragen.
  3. Boven duikers mag geen struweel of bouwwerk worden aangebracht. Met uitzondering van wegverhardingen.
  4. Indien stroomsnelheden in de duiker hoger worden dan 0,6 m.s-1 moet aan de uitstroomzijde bodembescherming worden toegepast. Onderhoudseisen
  5. Het schoonhouden van het duikerprofiel behoort tot de verantwoordelijkheid van de onderhoudsplichtige conform de legger.
  6. Het constructieve onderhoud van de duiker is de verantwoordelijkheid van degene die het genot van het kunstwerk heeft. Toelichting toetsingscriteria In een gebied is een robuust watersysteem nodig, een duiker vermindert de robuustheid van het systeem en is daarom onwenselijk. Over het algemeen wordt aangenomen dat In een systeem een bepaalde peiloverschrijding moet kunnen plaatsvinden. Deze peiloverschrijding Is vastgelegd In de verschillende peilbesluiten. In een streng van een watersysteem kan het voorkomen dat een tiental duikers wordt geplaatst. Hierdoor wordt In het bovenstrooms gelegen gebied een hoger peil teweeg gebracht. Als gevolg hiervan wordt een deel van de toegestane peiloverschrijding al verbruikt. Toelichting constructie-eisen Ad
  7. Een duiker wordt toegestaan indien het verval hierover kleiner is dan 4 mm Om hieraan een objectieve standaard als grondslag te leggen is een kleine achtergrond noodzakelijk. Het verbang in een watersysteem blijft beperkt: Dit verhang is als volgt opgebouwd. Veelal is in een peilbesluit een beheersmarge opgenomen van + en - 0,1 m Bij een afvoer gelijk aan een bemalingscapaciteit zou het verval over een polder dan maximaal 0,2 m mogen bedragen. De meeste polders zijn niet langer dan zo'n 5 km Hiermee komt het toelaatbare verhang 0,04 m.km(-1). Kunstwerken vormen nagenoeg geen belemmering: Een kunstwerk zorgt lokaal voor enige opstuwing. Op een zekere afstand bovenstrooms zal de invloed echter niet meer merkbaar zijn. Zie onderstaande figuur. zie bijlage 1, figuur
  8. De afstand L wordt bepaald door de opstuwing in het kunstwerk en het verhang in de watergang. In het hoofdafvoersysteem wordt gestreefd naar een beperking van het aantal kunstwerken. Desondanks zijn er in de meeste gebieden kunstwerken aanwezig. Het aantal kunstwerken is bepalend voor de toelaatbare lengte L. Afmetingen warden op een eenduidige manier bepaald: Voor een ideaal ontwerp zou rekening gehouden moeten worden met een veelheld aan gegevens, zoals: - de afmetingen van de polder; - het aantal aanwezige kunstwerken; - het werkelijke verhang in de watergangen; - de relaties met de aangrenzende peilgebleden. Rekening houden met bovenstaande gegevens maakt een eenduidige en praktische vergunningverlening onmogelijk. Er zal dan ook gewerkt moeten worden met een gemiddelde. De enige param die functiespecifiek wordt gekozen is het maatgevende debiet. Dit wordt bepaald aan de hand een uniform afvoerdebiet en de oppervlakte van het afwaterend gebied. Het uniforme afvoerdebiet is 2 l.s-1.ha-1 voor afvoergebieden, 0,5 l.s-1.ha-1 voor aanvoergebieden. Uit een analyse van de hoofdwatergangen en duikers blijkt dat er gemiddeld ruim 2 duikers per kilometer aanwezig zijn. Uiteraard zijn er aanzienlijke verschillen tussen de verschillende gebieden. In de meer verstedelijkte gebieden zijn er meer en in de grootschalige landbouw gebieden zijn minder dan gemiddeld. Aangezien de beleidsregel in alle gebieden tot een goed functionerend systeem moet leiden en er in de toekomst ruimte moet zijn voor de aanleg van nieuwe duikers is gekozen voor een groter aantal duikers dan het gemiddelde. Indien uitgegaan wordt van 5 duikers per kilometer, is het toelaatbaar verval over een duiker 4 mm zonder dat duikers elkaar beïnvloeden. De afmetingen van de duikers staan bovendien in verhouding tot de afmetingen van watergangen die voldoen aan het criterium van maximaal 0,04 m verval per km De uiteindelijke diametereter van de duiker zal rekenkundig worden bepaald via de berekeningsmethodiek van Chezy. Voor duikers langer dan 20 m geldt per extra m lengte een extra verval van 0,04 mm bovenop het 4 millimetercriterium. Voor meebergende gebieden geldt de afwijkende vervalnorm van 10 mm. Ad
  9. De minimale diameter van 1000 mm is een maat die noodzakelijk is voor de debieten die normaalgesproken door een hoofdwatergang worden afgevoerd. De minimale diameter van 500 mm in niet hoofdwatergangen is onder andere geent op de gegarandeerde werking van de duiker. Kleinere diameters zijn dusdanig veel sneller verstopt met drijfvuil dat de werking hiervan in veel mindere mate gegarandeerd is. Ook is deze diameter de kleinste waardoor redelijkerwijs aquatische faunamigratie mogelijk is. Ad
  10. Een duiker veroorzaakt een opstuwing in het watersysteem en wordt dus gezien als een onwenselijk object. Een duiker wordt slechts toegestaan als nut en noodzaak hiervan wordt aangetoond. Het is bijvoorbeeld niet noodzakelijk om een voetgangersdam aan te leggen met een breedte van 25 m. Ad
  11. Om het onderhoud te kunnen garanderen hebben duikers die worden geplaatst in watergangen die varend worden onderhouden een rechthoekig profiel nodig met een breedte van tenminste 2000 mm, een gegarandeerde waterdiepte van ten minste 1000 mm en een vrije doorvaart van tenminste 1100 mm. Deze minimale maten gelden bij het ter plaatse hoogst vastgestelde peil. Ad
  12. Om een gegarandeerde werking van een kunstwerk te hebben en te behouden is de materiaalkeuze van groot belang, een verkeerde keuze in materiaal kan resulteren in een verstoring van het watersysteem en hoge kosten om de schade weer te herstellen. Vooral weersinvloeden, de chemische watersamenstelling en de invloed van zonlicht kunnen de levensduur van de duiker verkorten. Zo zal bijvoorbeeld het einde van een pvc-buis onder invloed van zonlicht verglazen en daardoor snel beschadigen en een gecoate of ongecoate stalen duiker zal over de jaren vanwege corrosie lek raken. WSHD geeft voor duikers dan ook de voorkeur aan beton als meest bedrijfszeker materiaal, indien geen beton kan worden toegepast of dit onwenselijk is, kan gekozen worden voor een duurzaam alternatief zoals PE. Voor tijdelijke situaties, maximaal 12 maanden, kan worden gekozen voor minder duurzame materialen. Hiervoor is toestemming van WSHD vereist. Ad 6/
  13. Om inspectie en onderhoud aan duikers gemakkelijk te houden moet een duiker met een diameter kleiner dan 1000 mm en langer dan 30 m tenminste om de 20 m lengte voorzien worden van een inspectieput waarin zich een stroomprofiel bevind. Voor duikerdiameters groter dan 1000 mm met een lengte groter dan 60 m geldt tenminste om de 50 m lengte een inspectieput, ook hierin moeten stroomprofielen worden aangebracht. Indien de lengte groter zou zijn wordt het inspecteren en onderhouden van de duikers bemoeilijkt en moet bijvoorbeeld specialistisch onderhoudsmaterieel worden Ingezet om het bodemvuil uit de duiker te verwijderen. Ad
  14. Een duiker moet voldoende worden gefundeerd om gedurende zijn levensduur niet sneller te verzakken dan de natuurlijke bodemdaling, indien een duiker zodanig is gefundeerd dat deze niet met de natuurlijke bodemdaling kan meezakken moet in het ontwerp rekeningen worden gehouden met de te verwachten bodemdaling over een periode van 100 jaar. Toelichting normeisen Ad
  15. Om een gegarandeerde werking van een duiker te bewerkstelligen mag aan de instroom zijde geen vuilophoping plaatsvinden, dit kan worden voorkomen door de duiker met Vz lucht te leggen waarbij meer als 250 mm lucht niet noodzakelijk is. Bijkomend voordeel is dat de duiker nog een hoeveelheid "onbenut" doorstroomprofiel bevat waardoor deze duiker tijdens hevige regenval nog een extra debiet kan verwerken. Ad
  16. Om machinaal onderhoud mogelijk te houden moet de onderlinge afstand tussen twee kunstwerken tenminste 10 m bedragen, gemeten op de kortst gemeten afstand. Dit garandeert een ongehinderde werking van de kunstwerken en een vrije werkomgeving voor degene die de watergang met bijbehorende kunstwerken moet onderhouden. Ad
  17. Om de inspectie en het onderhoud van duikers te garanderen mogen op duikers geen obstakels worden aangebracht zoals struweel of bebouwing. Dit kan de bereikbaarheid van de duiker verslechteren en is om deze reden dan ook niet toegestaan. Een verzakte duiker kan bijvoorbeeld niet worden opgegraven en terug op de juiste hoogte worden gelegd als hierover een woning gebouwd is. En de wortels van bomen kunnen bijvoorbeeld gemakkelijk een betonnen duiker uit elkaar drukken. Ad
  18. Bij hoge stroomsnelheden (>0,6 m.s-1) moet worden voorkomen dat bodemerosie optreedt en zal een uitstroomconstructie moeten worden toegepast die hiertegen bescherming biedt. 3.4 Peilregulerende kunstwerken In oppervlaktewaterlichamen kunnen peilregulerende kunstwerken worden aangebracht om water te kunnen sturen. Peilregulerende kunstwerken (niet zijnde gemalen) zoals stuwen en pompen hebben als doel de waterstand in oppervlaktewaterlichamen zo te regelen dat een gewenste drooglegging wordt bereikt. De gebiedsfunctie zoals is neergelegd In het Waterbeheersplan 2010-2015 bepaald de wensen ten aanzien van de drooglegging. Door het plaatsen van peilregulerende kunstwerken In oppervlaktewaterlichamen wordt het peil ter plaatse (voortdurend) verhoogd. De aanwezigheid van peilregulerende kunstwerken kan echter negatieve invloeden hebben op het functioneren van het watersysteem, zoals problemen bij hoge waterafvoeren. Afweging De Keur verbiedt het aanbrengen van peilregulerende kunstwerken In oppervlaktewaterlichamen. Op grond van maatschappelijk en/of economische belangen kan het echter noodzakelijk zijn peilregulerende kunstwerken aan te brengen In oppervlaktewaterlichamen. Peilregulerende kunstwerken mogen echter geen belemmering zijn voor het functioneren van het watersysteem In het kader van de vergunningverlening is het daarom noodzakelijk dat deze kunstwerken voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria zodat het functioneren van het watersysteem en daarmee de watersysteembelangen gewaarborgd blijven. Deze beleidsregel is van toepassing op de constructie van stuwen, pompen en andere peilregulerende kunstwerken (geen gemalen) die voor (delen van) een peilgebied een afwijkende waterstand regelen. De afweging die gemaakt moet worden (peilafweging) bij de beslissing of het aanvaardbaar is om in (een deel van) het peilgebied een afwijkende waterstand te hebben, valt bulten de reikwijdte van deze beleidsregel.

Artikel 4

.1.1, lid 1, onder b, Keur Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk en beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-) beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen. Toepassinggebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen en bijbehorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Overige regelgeving Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP). GGOR-programma Hollandse Delta Watersysteemanalyse Hollandse Delta: normen en criteria uit deze analyse worden gebruikt voor de toetsing van nieuwe peilregulerende kunstwerken. Het gaat hier vooral om de vaststelling van het kritisch maaiveld. In de ter plaatse geldende peilbesluiten staan de beheersmarges van het watersysteem en zijn de marges opgenomen waarbinnen van het ter plaatse geldende peil mag worden afgeweken. Toetsingscriteria Een aanvraag voor het aanbrengen van een peilregulerend kunstwerk in een oppervlaktewaterlichaam wordt aan de volgende criteria/elsen getoetst: Algemene criteria 1 Een peilregulerend kunstwerk wordt slechts toegestaan indien de noodzaak hiervoor is aangetoond met een peilafweging. 2 Bij het plaatsen van een nieuw peilregulerend werk wordt bezien of een faunapassage noodzakelijk of mogelijk is. Locatie-eisen

  1. De locatie van een peilregulerend kunstwerk mag geen nadelige gevolgen veroorzaken voor derden. Constructie-eisen
  2. Peilregulerende werken van peilgebieden met een oppervlak > 100 ha in landelijk gebied of > 0 ha in stedelijk gebied zijn geautomatiseerd en worden geplaatst door WSHD of volgens de specificaties van WSHD.
  3. Peilregulerende werken van peilgebieden met een oppervlak > 25 ha in landelijk gebied kunnen worden geautomatiseerd en worden geplaatst volgens de specificaties van WSHD.
  4. Peilregulerende werken voor peilgebieden en/of peilafwijkingen (< 25 ha in landelijk gebied) die niet in beheer en onderhoud van WSHD zijn, worden volgens de specificaties van WSHD geplaatst.
  5. Peilregulerende kunstwerken zijn vervaardigd uit duurzame materialen.
  6. Een peilregulerend kunstwerk en de toegang hiertoe moet voldoende veilig zijn.
  7. De constructie van een peilregulerend kunstwerk mag geen nadelige gevolgen veroorzaken voor derden.
  8. Een beweegbare stuw kan hoog genoeg worden ingesteld om de bergingscapaciteit voor water optimaal te kunnen benutten.
  9. Een beweegbare stuw kan laag genoeg worden ingesteld om beheer en onderhoud in het achterliggende gebied mogelijk te maken.
  10. De overstortbreedte van een beweegbare stuw moet voldoende zijn om het maatgevende debiet naar redelijkheid af te voeren.
  11. Op een beweegbare stuw zit een mogelijkheid tot handbediening.
  12. De overstortbreedte van een vaste stuw is voldoende om het maatgevende debiet naar redelijkheid af te voeren. Normeisen
  13. Een peilregulerend werk heeft in principe een afvoercapaciteit van ten hoogste 2 l.s-1.ha-
  14. Onderhoudseisen - Toelichting toetsingscriteria Toelichting algemene criteria Ad
  15. Een peilregulerend kunstwerk is in principe een financieel en beheersmatig onwenselijk object. Om deze reden wil WSHD er liever zo weinig mogelijk van hebben. De noodzaak tot het aanbrengen van peilregulerende kunstwerken moet worden aangetoond door middel van een peilafweging. Dit kan bijvoorbeeld als herziening van een peilbesluit. Ad
  16. Om vis toegang te geven tot onze wateren worden vispassages aangelegd. Vissen willen stroomopwaarts zwemmen om in de bovenloop te paaien. Peilregulerende werken hinderen daarbij, omdat vissen ze vaak niet kunnen passeren. Een vispassage of vistrap helpt ze daarbij. Ook kunnen er vispassages worden aangelegd om de migratiemogelijkheden van vissen binnen het beheersgebied te verbeteren. Meestal zijn het voorzieningen waarin vissen stapsgewijs omhoog kunnen zwemmen, om het peilregulerend werk heen. Per werk zal worden beoordeeld of een vispassage noodzakelijk is. Toelichting locatie-eisen Ad
  17. Peilregulerende werken mogen geen geluids- of andere overlast veroorzaken, voor zover dit al niet in andere wetgeving is geregeld. Toelichting constructie-eisen Ad 4/5/
  18. De eisen die worden gesteld aan beweegbare stuwen zijn uniform waardoor WSHD efficiënter kan werken. Ad
  19. WSHD wil een bijdrage leveren aan een duurzame, leefbare en veilige maatschappij en vindt het daarom belangrijk om de taken maatschappelijk verantwoord en duurzaam uit te voeren. Peilregulerende kunstwerken moeten dan ook op een duurzame wijze worden geconstrueerd. De technische levensduur van peilregulerende kunstwerken voor peilgebieden is tenminste 25 jaar, die voor peilafwijkingen tenminste 20 jaar. Ad
  20. Voor de veiligheid van de medewerkers moet het toegangspad en het kunstwerk zelf voldoende veilig zijn geconstrueerd, hiervoor gelden de Arbo-eisen. Ad
  21. Peilregulerende werken mogen geen geluids- of andere overlast veroorzaken, voor zover dit al niet in andere wetgeving is geregeld. Ad
  22. De maximale instelling is het laagste kritisch maaiveld minus de overstortende straal, waarbij het kritisch maaiveld al door middel van de watersysteemanalyse is vastgelegd. Ad
  23. Om te kunnen doorspoelen of tijdelijk het peil te verlagen, moet een stuw tenminste 20 cm onder het laagst vigerende peil kunnen worden ingesteld. In het geval dat de overstortende straal op de stuw groter is als deze 20 cm kan de stuw niet voldoende laag worden ingesteld om het peil te handhaven. In dat geval wordt de 20 centimetereis vervangen voor de totale hoogte van de overstortende straal plus 10 cm (deze 10 cm is de gemiddelde beheermarge in een peilbesluit). Ad
  24. Om de breedte van een beweegbare stuw te berekenen wordt de volgende formule gebruikt: b= Q : Cvk * h5 3/2 Cvk = de afvoercoëfficiënt (1,78 + 0.24 * hs / d) m0,5.s-1 Q = het debiet in m 3.s-1 b;min;max = de minimale en maximale stuwbreedte in m b; aanvoer;afvoer= de breedte in aan of afvoersituatie in m hs = de overstortende straal in m d = de diepte van de achterliggende watergang in m Deze wiskundige benadering is noodzakelijk om gelijkheid te creëren in een gebied met een grote diversiteit aan watergangen. De overstortende straal moet bij het maatgevende debiet minimaal tien centimeter zijn en maximaal een kwart van de diepte van de bovenstrooms gelegen watergang. Het maatgevende debiet Q is de bemalingscapaciteit in m³·s-1·ha, vermenigvuldigd met het oppervlak van het gebied dat over de stuw afwatert. zie bijlage: afbeelding 1: Voorbeeldweergave breedtebepaling stuw De te vergunnen breedte van de stuw ligt op lijn van b;min tot b:max . Deze lijn is de overlap van de minimale en maximale breedten in een aan- en afvoersituatie. De aanvoer- en afvoergebieden binnen waterschap Hollandse Delta zijn zeer divers, waardoor het bijvoorbeeld mogelijk is dat een stuw in de aanvoersituatie breder moet zijn als in de afvoersituatie. Daarnaast geldt een vanzelfsprekende beperking in de vorm van de bruikbare waterbreedte. De absolute minima voor stuwbreedten zijn 0,75 m voor een beweegbare stuw en 0,5 m voor een vaste stuw, dit in verband met vuilgevoeligheid. Ad
  25. Een beweegbare stuw moet een handbediening hebben, zodat in geval van calamiteiten, zoals stroomuitval of een haperend mechanisme, deze nog steeds gebruikt kan worden waarvoor hij bedoeld is. Ad
  26. Hiervoor geldt een zelfde formule als in ad 12, waarbij de overstortende straal een andere waarde heeft. b.min = Q : 1,7 * 0.05 2/3 en b.max = Q : 1,7 * 0.15 2/3 Q = het debiet in m3.s-1 b;min;max = de minimale en maximale stuwbreedte in m b;aanvoer;afvoer = de breedte in aan of afvoersituatie in m De benaderingsmethodiek van de te vergunnen breedte is hier gelijk aan de methodiek genoemd in Ad
  27. Toelichting normeisen Ad
  28. De afvoernorm voor kunstwerken in het beheer van WSHD is 2 hs'^-ha"^ voor afvoergebieden en 0,5 l-s"^-ha''voor aanvoergebieden. Deze norm is tegelijkertijd het maximum dat een peilregulerend werk mag afvoeren op een peilgebied. Indien de bemalingscapaciteit voor afvoer ter plaatse groter is dan de genoemde 2 hs"^-ha"' mag het peilregulerend werk ook zoveel meer afvoeren. 3.5 Objecten nabij oppervlaktewaterlichamen Algemeen De aanwezigheid van objecten in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam kan negatieve invloeden hebben op tiet functioneren van liet watersysteem Elk object dat wordt aangebracht binnen een beschermingszone belemmert de functionaliteit ervan. Tevens kunnen objecten de inzet van speciaal onderhoudsmaterieel nodig maken, wat tot hogere onderhoudskosten voor WSHD leidt. Afweging De Keur verbiedt het aanbrengen van objecten, zoals bouwwerken, nabij oppervlaktewaterlichamen (in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam). Op grond van maatschappelijk en economische belangen kan het echter noodzakelijk zijn objecten nabij oppervlaktewaterlichamen toe te staan. Objecten in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam mogen echter geen belemmering zijn voor het functioneren van het watersysteem In het kader van de vergunningverlening is het daarom noodzakelijk dat objecten voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria zodat het functioneren van het watersysteem en daarmee de watersysteembelangen gewaarborgd blijven.

Artikel 4

.1.1, lid 1, onder b, Keur Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk en beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-) beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen. Toepassinggebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen en bijbehorende beschermingszones die zijn opgenomen in de legger van WSHD. Overige regelgeving De Wro/Woningwet i.v.m. een evt. bouw- of sloopvergunning van de gemeente. De Natuurbeschermingswet en provinciale verordeningen ter bescherming van natuur, landschap en recreatie in verband met een eventuele vergunning van de provincie ZH. Watersysteemanalyse Hollandse Delta. Het Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP). Toetsingscriteria Een aanvraag voor het aanbrengen van een object nabij een oppervlaktewaterlichaam (binnen de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam) wordt aan de volgende criteria/ eisen getoetst: Algemene criteria

  1. Het verlenen van een vergunning mag niet tot gevolg hebben dat inspectie, bescherming en onderhoud van oppervlaktewaterlichamen niet mogelijk is. Locatie-eisen - Constructie-eisen - Normeisen
  2. Het toetsingskader voor het oprichten van objecten binnen de beschermingszone omvat de volgende elementen: Bovenbreedte van de watergang op maaiveldhoogte Hoogte boven onderhoudsstrook of schouwstrook Onderhoudstechniek Onderhoudsplichtige OnderhoudseisenBovenbreedte Onderhoud Onderhoudsstrook eenzijdig 5 m Onderhoudsstrook tweezijdig 5 m Schouwstrook tweezijdig 1 m Minimale vrije hoogte < 20 m WSHD X 6 m 20 - 40 m WSHD X 6 m > 40 m WSHD X 3 m < 6 m Derde X 3 m 6 - 12 m Derde X 3 m > 12 m Derde X 3 m Onderhoudseisen
  3. Het verlenen van een vergunning mag niet tot gevolg hebben dat niet of niet langer aan de onderhouds- en ontvangstverplichting kan worden voldaan. Toelichting toetsingscriteria Toelichting algemene criteria Ad. 1 - Toelichting normeisen Ad. 2 Voor gebieden waar afwijkende beschermingszones gelden (kleiner dan 5 m) moet toch de 5 m onderhoudsstrook worden aangehouden wanneer objecten binnen de beschermingszone worden geplaatst. Dit moet in verband met de draaicirkel van onderhoudsvoertuigen. Voor deze stroken geldt dat ze toegankelijk en aaneengesloten bruikbaar moeten zijn voor ofwel het onderhoudsmaterieel ofwel de schouwmeester. De bruikbaarheid geldt voor de gehele lengte van het oppervlaktewaterlichaam. Voor oppervlaktewaterlichamen in stedelijk gebied kan vanwege het vaak aanwezige ruimtegebrek en de aanwezige bebouwing overwogen worden om aan geen van beide zijden een obstakelvrije zone op te leveren indien: het oppervlaktewaterlichaam varend kan worden onderhouden; er een inlaat- en overslagplaats wordt aangelegd of al aanwezig is die een doelmatige wijze van onderhoud en afvoer van maaisel en baggerspecie mogelijk maken. Toelichting onderhoudseisen Ad. 3 WSHD is verantwoordelijk voor het behouden van een beheersbare situatie. Het Meerjaren¬onderhoudsplan Waterbeheer gaat uit van onderhoud van oppervlaktewaterlichamen met rijdend materieel vanaf de oever en berging van maaisel en baggerspecie op de oever als meest efficiënte en doelmatige onderhoudstechniek. Deze techniek is minder belastend voor de waterkwaliteit en de ecologie dan onderhoud met varend materieel. Het creëren van nieuwe situaties waarbij de inzet van varend onderhoudsmaterieel nodig is, moet daarom zoveel mogelijk worden voorkomen. In situaties waarin het onderhoud al varend wordt uitgevoerd, moet worden beoordeeld of overschakeling op onderhoud met rijdend materieel mogelijk is, bijvoorbeeld door het toepassen van een "uitsterfbeleid" voor objecten in beschermingszones. In een aantal gevallen zal varend onderhoud nodig blijven, voornamelijk in stedelijk gebied en bij oppervlaktewaterlichamen met een grote breedte. Begrippenlijst Begrippenlijstbegrip uitleg Bergingsgebied Een krachtens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen. Bergingscapaciteit of waterbergend vermogen Het volume aan water dat geborgen kan worden tussen het vigerend peil en het kritisch maaiveld. Beschermingszone Aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens de Keur zijn opgenomen. Bestuur Het dagelijks bestuur: het college van dijkgraaf en heemraden van WSHD (D&H). Boezemwateren Oppervlaktewaterlichamen waarop het oppervlaktewater uit lager gelegen polders wordt gemalen en geborgen voordat het op een ander oppervlaktewaterlichaam wordt afgelaten of uitgemalen en die als zodanig zijn aangegeven in de legger. Debiet De hoeveelheid doorstromend water per tijdseenheid. Dwarsprofiel Dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam met de daarbij behorende afmetingen. Gemaal Installatie voor het bemalen van een watersysteem namelijk het bemalen van water uit een (peil)gebied of het inlaten van water in een (peil)gebied. Grondslag Opbouw van de bodem, bodemsoort bijvoorbeeld klei, zand, of veen. Hoofdwatergangen Oppervlaktewaterlichamen die vooral een belangrijke functie hebben voor de aan- en afvoer van water en die als zodanig zijn aangegeven in de legger. Hoogst vigerend peil Het hoogste vastgestelde waterpeil in een gebied. Insteek Het punt waar het talud van een oppervlaktewaterlichaam en het maaiveld elkaar snijden. keur Verordening van waterschap Hollandse Delta waarin geboden en verboden zijn opgenomen voor waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en wegen. Kritische maaiveld Hoogte (in meters t.o.v. NAP) van het laagste maaiveld behorend bij een functie waarbij inundatie optreedt die niet toelaatbaar is volgens de bijbehorende NBW norm. Kunstwerk Waterstaatkundig werk dat van belang is voor de taakuitoefening van WSHD. Kwel Het uittreden van (grond)water onder invloed van verschillen in stijghoogten. Kwel kan optreden aan het grondoppervlak, in oppervlaktewaterlichamen en in uitgravingen. Laagst vigerend peil Het laagste vastgestelde waterpeil in een gebied. Legger Legger als bedoeld in artikel 5.1 Waterwet of artikel 78, tweede lid, Waterschapswet waarin de functie, de onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen betreffende waterstaatswerken zijn vermeld en waarin is aangegeven waaraan deze waterstaatswerken moeten voldoen. Leggerprofiel Theoretisch profiel (afmetingen) van liet waterstaatswerk (in dit geval een oppervlaktewaterlichaam) zoals die in de legger aangegeven. Tenzij het profiel feitelijk groter is. Maaiveld Grondoppervlak, bovenkant of de hoogte van een terrein. Meebergend gebied Oppervlaktewaterlichamen die niet direct deel uitmaken van het afwateringssysteem maar wel een duidelijke waterbergende functie hebben. Object Werk, voorwerp, bouwwerk, constructie, beplanting of obstakel van welke aard dan ook, dat of die al dan niet door menselijk toedoen is ontstaan of wordt gemaakt. Ontvangstplicht De plicht om baggerspecie en maaisel die of dat uit de watergang komt, op het perceel langs het oppervlaktewaterlichaam te ontvangen. Onderhoudsstrook Een vlakke strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam waarover het gewoon en bultengewoon onderhoud kan worden uitgevoerd. Oppervlaktewaterlichaam Een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna. Overige watergangen Overige water, oppervlaktewaterlichamen die vooral een functie hebben als opvang en berging van hemel-, grond- of kwelwater en die als zodanig zijn aangegeven in de legger. Overstortende straal Hoogte van de kolom water die over een stuw valt. Peil De waterstand die in een watersysteem wordt nagestreefd. Er kan onderscheid gemaakt worden in een zomer- en een winterpeil. De hoogte van de peilen wordt uitgedrukt ten opzichte van N.A.P. en is vastgelegd in een peilbesluit. Peilafwijking Een gebied binnen een peilgebied waar een lager of hoger afwijkend oppervlaktewaterpeil wordt gehanteerd. Deze afwijking van het peil is vergunningplichtig. Peilafweging Besluit van het dagelijks bestuur waarin een wijziging van de grenzen, de omvang of een peil van een peilgebied of een deel hiervan wordt onderbouwd. Peilbesluit Besluit van het dagelijks bestuur waarin voor een bepaald gebied de na te streven oppervlaktewaterpeilen zijn vastgelegd Peilgebied Een gebied waarbinnen een en hetzelfde peil wordt gehanteerd. Peilregulerend kunstwerk Kunstwerk voor het reguleren van het waterpeil (bijv. een stuw, onderbemaling of opmaling). Schouw Jaarlijkse controle van WSHD van het onderhoud van oppervlaktewaterlichamen. Talud De hellende kant van een oppervlaktewaterlichaam tussen het maaiveld en de bodem van het waterlichaam Technische levensduur De periode dat een installatie technisch gesproken in staat is zijn taak te vervullen. Vaarweg Oppervlaktewaterlichamen die dienen als vaarweg voor de scheepvaart en/of pleziervaart en als zodanig zijn aangewezen. Verduikeren Het aanbrengen van een buisleiding ongeacht plaats, vorm of afmeting die tenminste twee oppervlaktewaterlichamen direct of indirect met elkaar verbindt of gaat verbinden. Verhang Het verhang is het relatieve hoogteverschil van een Oppervlaktewaterlichaam, uitgedrukt in m/km (meters per kilometer) gemeten op de waterlijn. Verval Het absolute hoogteverschil tussen twee willekeurige punten van een oppervlaktewaterlichaam. Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP) Strategisch beleid van WSHD. Waterlijn Een denkbeeldige lijn op het wateroppervlak die de kortste afstand weergeeft tussen de beide oevers bij een bepaald peil. Waterstaatswerken Werken die een waterstaatkundige functie hebben, zoals oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen, ondersteunende kunstwerken, die als zodanig in de legger zijn aangegeven, tenzij die werken zijn vrijgesteld van de opneming in de legger (als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet). Watersysteem Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen. Watervergunning Vergunning als bedoeld in de Wet. Wegen Openbare wegen in de zin van artikel 1 van de Wegenwet en in beheer bij WSHD, alsmede in aanleg zijnde openbare wegen waarvan het beheer bij WSHD zal berusten. Werken Alle door menselijk toedoen ontstande of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren. Wet De Waterwet. WSHD waterschap Hollandse Delta. Bijlage 1: Criteria voor het graven van nieuw oppervlaktewater Zie bijgevoegde bijlage 1 Criteria voor het graven van nieuw oppervlaktewater Bijlage 2: Principetekeningen Zie bijgevoegde bijlage 2 Principetekeningen Bijlage 3: Rekenvoorbeeld compensatie Zie bijgevoegde bijlage 3 Rekenvoorbeeld compensatie notaoppervlaktewaterlichamen_bijlage_1_criteria_voor_het_graven_van_nieuw_oppervlaktewater.pdf (59 Kb) notaoppervlaktewaterlichamen_bijlage_2_principetekeningen.pdf (71 Kb) notaoppervlaktewaterlichamen_bijlage_3_rekenvoorbeeld_compensatie.pdf (51 Kb)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.