Beleidsregels B-wateren en C-wateren 1 Inleiding De Keur oppervlaktewateren van Waterschap Veluwe (de keur) en de wijziging van de keur d.d. 6 december 2004 is sinds 26 februari 2005 in zijn geheel van kracht. Deze keur bevat gebods- en verbodsbepalingen ter bescherming van de waterhuishoudkundige functie van wateren in het beheersgebied van Waterschap Veluwe. Artikel 8 van de keur verplicht een ieder die door zijn of door in zijn opdracht verrichte of nog te verrichten gedragingen afbreuk doet aan de doelstellingen behorend bij de functie die aan het water is toegekend alle maatregelen te nemen, die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die afbreuk te voorkomen, dan wel indien daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Een ieder kan hierop door het waterschap worden aangesproken. Artikel 14 van de keur geeft aan dat het bestuur van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen ontheffing kan verlenen. Aan deze ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden ter bescherming van de belangen verbonden aan het voldoen aan de doelstellingen behorend bij de waterhuishoudkundige functie van die wateren. Het laatste kan mede strekken ter bescherming van de aan de waterhuishoudkundige functie verbonden andere belangen, indien en voorzover daarin niet is voorzien door een andere wettelijke regeling. Waarom beleidsregels? Artikel 8 en 14 van de keur (en de Wet op de waterhuishouding) laat beslissingsruimte open voor het bestuur. Door het recht [1] wordt aan het gebruik van deze beslissingsruimte de eis gesteld dat gehandeld wordt volgens een vaste lijn (consistent beleid). Door het schriftelijk vastleggen van de criteria, die worden gehanteerd bij de toepassing van de bevoegdheid om beslissingsruimte in te vullen wordt: de consistentie van beleid vergroot. voor het bestuur het risico verkleind dat inconsistenties ontstaan en blijken; de kans gereduceerd dat een door het bestuur gewenst besluit in rechte niet overeind kan blijven vanwege een gebrek aan consistentie; het voor het bestuur eenvoudiger om voor belanghebbenden zichtbaar te maken dat een voorgenomen besluit steunt op een weloverwogen beleid. De kans op conflicten over dit besluit zal daardoor afnemen; voor de burger van tevoren duidelijk welke beslissing in een bepaalde situatie mag worden verwacht. Wat is een beleidsregel? In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een titel(4.3) opgenomen inzake beleidsregels. In artikel 1:3 Awb is de volgende definitie van een beleidsregel opgenomen: “Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift [2], omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.” Een beleidsregel wordt vastgesteld bij schriftelijk besluit, van een bestuursorgaan. Een beleidsregel kan geen nieuwe bevoegdheden ten opzichte van derden scheppen, maar heeft betrekking op de wijze waarop een bestaande bevoegdheid zal worden uitgeoefend. Beleidsregels dienen als toetsingskader voor het nemen van besluiten tot het verlenen van ontheffingen/vergunningen en de daaraan te verbinden voorschriften en de handhaving. Voor de motivering van een besluit kan volstaan worden met een verwijzing naar een bekend gemaakte beleidsregel. Afwijking van een beleidsregel is alleen mogelijk in bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn die situaties waarbij handelen conform de beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zouden zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregel. Aan deze beleidsregels zullen alle besluiten tot het verlenen van ontheffing/vergunning en besluiten in het kader van de handhaving moeten worden getoetst. Ontheffing Om de stappen van toetsing inzichtelijk te maken is voor elk behandelde activiteit een beslisboom bijgevoegd als bijlage. Voorafgaande aan deze toetsing zal altijd moeten worden bekeken of er andere belanghebbenden zijn. De belangen van de eventuele derdebelanghebbende(n) zullen moeten worden meegewogen. Afhandeling van aanvragen zullen sneller kunnen geschieden indien de aanvrager reeds schriftelijk instemming heeft van de derde belanghebbende. Op de diverse werkzaamheden/activiteiten kan ook andere wetgeving van toepassing zijn, bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en r.oregelgeving. De navolgende onderwerpen zullen bij de toetsing van ontheffingaanvragen en/of bij handhaving worden betrokken. Reeds vastgestelde plannen Wanneer voor/tijdens de ontheffingaanvraag plannen door het waterschap of derden bijvoorbeeld een Landinrichtingcommissie zijn vastgesteld op basis waarvan het profiel van het water wordt gewijzigd dient hierop te worden geanticipeerd. Dit om inefficiënt werken te voorkomen. Indien geen rekening wordt gehouden met de vastgestelde plannen verleent het waterschap geen ontheffing. Functie water Indien de activiteit plaatsvindt in of in de nabijheid van een water waaraan bijzondere waarden zijn toegekend of van water gelegen in een gebied waaraan bijzondere waarden zijn toegekend door het Rijk c.q. Provincie c.q. het waterschap, verleent het waterschap ontheffing indien voldaan wordt aan de aanvullende eisen zoals gesteld in de uitwerkingsplannen/besluiten van het waterbeheersplan. Is er geen uitwerkingsplan voor het desbetreffende water vastgesteld dan toetst het waterschap of niet in strijd wordt gehandeld met de doelstellingen zoals opgenomen bij de functie toekenning in het Waterhuishoudingsplan Gelderland. 2 De beleidsregels In dit hoofdstuk worden de diverse werkzaamheden/activiteiten van derden in en nabij B-wateren en C-wateren beschreven en wordt aangegeven hoe omgegaan wordt met de in de keur aangegeven beslissingsvrijheid. Begonnen wordt met de in de keur opgenomen zorgplicht 2.1 Zorgplicht De zorgplicht strekt zich uit tot en met de aan de waterhuishoudkundige doelstellingen voor wateren verbonden belangen van milieu, ruimtelijke ordening, natuur, cultuurhistorie en landschap. In het Waterhuishoudingsplan is opgenomen dat in het Gelderse waterbeleid een basisniveau geldt om tenminste de algemeen voorkomende planten en dieren voldoende levenskansen te bieden en te voorzien in water dat geschikt is voor de meeste functies. Met het basisniveau worden bijvoorbeeld bijzondere natuurwaarden niet bereikt. Daarom kent het Waterhuishoudingsplan ook beleid voor functies, dat afhankelijk is van het grondgebruik op een bepaalde plek. De volgende functies zijn opgenomen in het provinciaal Waterhuishoudingsplan met de bijbehorende doelstellingen. I Hoofdfunctie Landbouw Grond- en oppervlaktewaterpeilen afgestemd op de functie, beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater voor beregeningen, inrichting en beheer gericht op slootvegetatie en in veenweidegebieden wordt het grondwaterpeil niet verlaagd ten opzichte van het maaiveld. II Natte landnatuur (incl. natte EVZ en weidevogelgebied) Grondwaterstand voldoende hoog voor natte parels, weidevogelgebieden en de natte EVZ. Hier geldt minimaal het stand-still beginsel voor grondwater. III Waternatuur (incl. Hen- en SED-wateren) Hogere eisen voor kwaliteit, stroming (variatie) en morfologie (structuur). Dit houdt in het minimaliseren van de nadelige invloed van de mens. IV Hydrologische beschermingszones Bescherming van Hen-wateren (vooral natte parels) en de daar naar toestromende wateren. Het gaat hierbij om peilbeheer (grond- en oppervlaktewater), waterkwaliteit en grondwateronttrekkingen. V Stedelijk gebied Geen grond- en oppervlaktewateroverlast,geen overige wateroverlast veroorzaken (waterneutraal), ontwikkeling van natuur, geen zettingen en geen instroming van oppervlaktewater naar riolering. VI Waterbergingsgebieden Behoud van het overwegende grondgebruik, inunderen bij extreme omstandigheden en het voorkomen van schade in deze van nature onderlopende gebieden. VII Waterbergingszoekgebieden Behoud van de mogelijkheid om het gebied te inunderen en het behoud van overwegende grondgebruik in deze van nature onderlopende gebieden. VII. Oppervlaktewaterbeschermingsgebieden Grondwater op eenvoudige wijze (zonder ingrijpende en kostbare zuivering) gebruiken voor de bereiding van drinkwater IX Zwemwater Een goede waterkwaliteit. X Beroepsscheepvaart Niet van toepassing bij Waterschap Veluwe Er kan ook sprake zijn van een dubbelfunctie. De abstracte doelstellingen worden concreet vertaald in Stroomgebieds Uitwerkings Plannen (SUP’en), gemeentelijke Waterplannen en Beheers- en OnderhoudsPlannen. Wat betekent de zorgplicht voor handelingen en werken bij B-wateren en C-wateren? Gedragingen mogen geen verslechtering ten aanzien van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewater en/of de ecologie tot gevolg hebben. (standstill beginsel zoals vastgelegd in de Kaderrichtlijn water). B-wateren en C-wateren dienen voortdurend in een geschikte toestand te verkeren voor de waterhuishouding (indien van toepassing, overeenkomstig de legger). Een toestand is geschikt als er geen opstuwing plaatsvindt en het peil niet onaanvaardbaar wijzigt. Met de toestand wordt vooral bedoeld de begroeiing in het water zelf en op de taluds, de hoeveelheid slib en de staat van de taluds (taluds mogen niet inzakken of ingetrapt zijn). Gedragingen mogen niet het bereiken van, dan wel het blijven voldoen aan de doelstellingen behorende bij de functie die aan het water of het gebied is toegekend, frustreren. De informatie inzake de functietoekenning door de provincie in het Waterhuishoudingsplan danwel de concrete vertaling daarvan in bovengenoemde plannen kan worden opgevraagd bij het waterschap danwel worden geraadpleegd op onze website. Een eventuele schade, die ontstaat als gevolg van gedragingen, is voor de veroorzaker. Bij twijfel of een handeling of gedraging in strijdt is met de doelstellingen raad het waterschap aan contact op te nemen met het waterschap. 2.2 Leidingen met een overdruk van 10 bar of meer Betreft ontheffing van keurartikel 9.1k.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.