← Nederland

Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (Waterschap Amstel, Gooi en Vecht)

Obsah (6)Artikel 9Artikel 14Artikel 15Artikel 17Artikel 18Artikel 22

Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en VechtVOORWOORD De 'Keur' is de traditionele naam die waterschappen doorgaans geven aan een verordening met betrekking tot hun waterstaat- en wa

Artikel 9Ingrepen en activiteiten 1.

Het is verboden om binnen de kernzone en beschermingszones van waterkeringen en de kernzone van beschermende gronden: Te graven of grond te verwijderen. Werken aan te brengen, te hebben, of te verwijderen, die op een diepte van meer dan 0,5 meter in de ondergrond verankerd of gelegen zijn. Sub a en b zijn niet van toepassing op werken in wateren, het slaan van palen tot een diepte van 0,75 meter; en het vervangen van bestaande werken op dezelfde plaats en diepte. Kabels, mantelbuizen, draden of leidingen aan te leggen, te hebben, te vernieuwen of op te ruimen. Boringen en sonderingen uit te voeren zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap.

  1. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden binnen de kernzone en de beschermingzones van waterkerende dijklichamen: Schepen en drijvende voorwerpen of inrichtingen langs niet-beschoeide oevers van waterkeringen af te meren. Voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren of op te slaan. Open vuur te maken. Zich van afval te ontdoen. Tenten, caravans, woonwagens en dergelijke te plaatsen. Evenementen te organiseren. Zich op te houden indien door het hoogheemraadschap is aangegeven dat dit is verboden; met uitzondering van gerechtigden. Delfstoffen, specie en dergelijke te winnen. Grondwater te onttrekken. Explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben. Heiwerk en dergelijke te verrichten. Op een hoogte lager dan 4 meter boven de bovenzijde van het dijklichaam takken te laten hangen. De bodem op te hogen met meer dan 0,2 meter grond.
  2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en 2 is het verboden om op onverharde delen van de kruin, op onverharde steile taluds van waterkerende dijklichamen, en op onverharde flauwe taluds wanneer de kruinbreedte minder dan 4 meter is: Te spitten, te ploegen of te graven of op andere wijze de grond te roeren. Met paarden, rijtuigen of voertuigen te rijden, of vee te drijven. Voorwerpen te slepen. Tanks en drukvaten of andere vergelijkbare werken met een druk van meer dan 10 bar aan te leggen, op te richten, of te hebben, wanneer deze niet van onderen beschermd zijn door een betonplaat met een dikte van minimaal 5 centimeter.
  3. Onverminderd het bepaalde in lid 1, 2 en 3 is het verboden om op primaire en secundaire waterkerende dijklichamen: Dieren te weiden, te houden, of te laten lopen, in de periode van 15 oktober tot 15 april. De ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige (oever)bescherming te beschadigen. Meststoffen te brengen of te gebruiken op de kruin, op het buitentalud en, voorzover de kruin smaller is dan 4 meter, op steile binnentaluds.
  4. Onverminderd het bepaalde in lid 1, 2, 3 en 4 is het verboden om binnen de kernzone van waterkeringen en binnen een afstand van 5 meter vanuit de teen van waterkerende dijklichamen, opgaande houtbeplanting te planten, te hebben, of te rooien.
  5. Het is verboden om binnen de buitenbeschermingszone van waterkeringen: Drukleidingen te leggen, te hebben, te wijzigen en te vernieuwen, indien de verstoringszone van deze drukleidingen (volgens NEN 3651) of een deel hiervan reikt tot binnen de beschermingszone. lid a is tevens van toepassing op drukvaten in de bodem, en op explosiegevaarlijk materiaal en explosiegevaarlijke inrichtingen. Ontgravingen te verrichten of de grondwaterstand te verlagen tot op een diepte van meer dan 2 meter onder maaiveld. Heiwerk te verrichten.
  6. Het is verboden om exploratieboringen (ten behoeve van het opsporen van delfstoffen) uit te voeren en gebruik te maken van explosieven en andere trillingsbronnen ten behoeve van seismisch onderzoek, binnen een afstand van: 500 meter vanuit de teen van primaire en directe secundaire waterkerende dijklichamen; 300 meter vanuit de teen van indirecte secundaire waterkerende dijklichamen.
  7. Het is anderen dan het hoogheemraadschap verboden om in de periode van 1 oktober tot 1 april buitengewoon onderhoud te plegen aan direct kerende waterkeringen.
  8. De in lid 1 sub a, b en d, in lid 3 sub a, b en c, en lid 4 sub b, genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van de uitvoering van onderhoud en herstel zoals bedoeld in artikel
  9. Wateren GEBODSBEPALINGEN Artikel 10 Onderhoudsverplichtingen
  10. De onderhoudsplichtigen dienen het onderhoud zodanig uit te voeren dat de ecologische toestand van het water en de oevers zo min mogelijk wordt geschaad.
  11. De onderhoudsplichtigen voor het vrijhouden van planten­groei, dienen het in de onderhoudplicht vastgelegde deel van het profiel van wateren of oevers vrij te houden van overmatige plantengroei en van ongeremd groeiende planten.
  12. De onderhoudsplichtigen voor het op diepte houden van secundaire en tertiaire wateren dienen het onderwaterprofiel op de volgende afmetingen te houden: secundaire wateren en tertiaire wateren buiten natuurgebieden met een breedte op de waterlijn van minder dan 2,5 meter te allen tijde op een minimale diepte van 1/5 van de breedte op de waterlijn; secundaire wateren met een breedte op de waterlijn van 2,5 meter tot 5 meter: - te allen tijde op een minimale diepte van 1/5 van de breedte op de waterlijn; - na aankondiging door het Dagelijks Bestuur van een schouw op onderhoudsdiepte, op een minimale onderhoudsdiepte van 1/4 van de breedte op de waterlijn; secundaire wateren met een breedte op de waterlijn van 5 meter of meer: - te allen tijde op een minimale diepte van 1 meter; - na aankondiging door het Dagelijks Bestuur van een schouw op onderhoudsdiepte, op een minimale onderhoudsdiepte van 1,25 meter; tertiaire wateren buiten natuurgebieden met een breedte op de waterlijn van 2,5 tot 10 meter te allen tijde op een minimale diepte van 0,5 meter;
  13. Voor de profielen van de in lid 3 genoemde wateren geldt als uitgangspunt een onder­water­talud van 1 : 1,5 en een daarvan afhankelijke bodembreedte van het diepste deel van het profiel.
  14. Lid 3 is niet van toepassing wanneer afwijkende afmetingen zijn vastgesteld middels de overgangsbepalingen van artikel 29 of in de legger; dan wel in een ontheffing van, of een beheerovereenkomst met, het hoogheemraadschap.
  15. De onderhoudsplichtigen voor het vrijhouden van vuil dienen het in de onderhoudsplicht vastgelegde deel van wateren, oevers of werken, vrij te houden van drijf- en zwerfvuil, drijvende of (half)gezonken voorwerpen, dode vissen en kadavers.
  16. De onderhoudsplichtigen voor gewoon onderhoud van werken dienen de werken in goede staat te houden en zijn tevens verantwoordelijk voor het vrijhouden van de werken van vuil, bagger en overmatige plantengroei.
  17. Onderhoudsplichtigen voor buitengewoon onderhoud van werken zijn verantwoordelijk voor de reconstructie en vervanging daarvan.
  18. De onderhoudsplichtigen van oevers zijn verantwoordelijk voor: Het in stand houden van constructie, vorm en richting van de oever inclusief het onderhoud van beschoeiing. Het zodanig onderhouden en beschermen van de oever dat deze niet afkalft. De oever waar nodig beschermen tegen vertrapping door dieren. het vrijhouden van het oevertalud en de zone tot 0,4 meter landinwaarts uit het talud of, bij flauwe taluds, tot 2 meter uit de waterkant, van bemesting en bestrijdings­middelen. het vrijhouden van de vrijwaringszone van voorwerpen, materialen en werken.
  19. De onderhoudsplichtigen van natuurvriendelijke oevers, of delen daarvan, dienen deze in goede staat en op voldoende diepte te houden; en zijn tevens verantwoordelijk voor het vrijhouden van deze oevers van vuil en overmatige plantengroei.
  20. De onderhoudsplichtigen van ligplaatsen voor woonschepen en drijvende inrichtingen dienen de ligplaats op voldoende diepte te houden en zijn tevens verantwoordelijk voor het vrijhouden van de ligplaats van vuil en overmatige plantengroei. Artikel 11 Onderhoudsplichtigen
  21. Onderhoudsplichtig zijn degenen die in de legger daartoe zijn aangewezen, tenzij anders is bepaald.
  22. Voor zover niet in de legger of op andere wijze een onderhoudsplichtige is aangewezen, geldt het bepaalde in lid 3 t/m
  23. De gerechtigden van percelen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van de oever; en het op diepte houden en vrijhouden van vuil en plantengroei, van de aan hun perceel grenzende halve breedte van wateren voorzover ieders recht strekt, met uitzondering van het stromingsprofiel en de vaargeul van primaire wateren, van werken, en van ligplaatsen van woonschepen.
  24. De gerechtigde van een werk is verantwoordelijk voor het onderhoud van het werk en voor vervanging wanneer dit noodzakelijk is voor het behoud van de aan het werk toegekende functie.
  25. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor: het op diepte houden en het vrijhouden van plantengroei van het stromingsprofiel van primaire wateren; het vrijhouden van vuil, van het stromingsprofiel van primaire wateren buiten stedelijk gebied.
  26. Gemeenten en in de gemeente Amsterdam de stadsdelen, zijn verantwoordelijk voor het vrijhouden van vuil van primaire wateren in stedelijk gebied.
  27. Vaarwegbeheerders dienen de vaargeul van vaarwegen voor motorvaartuigen op de vereiste diepte en breedte te houden en buiten stedelijk gebied de oevers waar nodig afdoende te beschermen tegen afkalving door de scheepvaart.
  28. De eigenaar van (de ondergrond van) een vaarweg of vaarwater is verantwoordelijk voor het onderhoud daarvan, met uitzondering van de vaargeul en in primaire wateren het doorstroomprofiel.
  29. De gerechtigden van werken, schepen, woonschepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen zijn verplicht deze op eerste aanschrijving van het Dagelijks Bestuur te verplaatsen of te verwijderen, indien het Dagelijks Bestuur daartoe met het oog op belangen waarop deze Keur toeziet, alsmede in het belang van daarmee verband houdende werkzaamheden, opdracht geeft.
  30. De gerechtigden van percelen langs primaire wateren dienen de eindbuizen van draineer- en/of rioolleidingen die in het water uitmonden ten behoeve van het onderhoud weg te nemen of duidelijk zichtbaar te maken. Artikel 12 Baggerspecie- en maaiselberging
  31. De gerechtigden van percelen langs wateren die door, of in opdracht van het hoogheemraadschap worden onderhouden, moeten de baggerspecie van klasse 0, 1 en 2 en het maaisel dat uit de wateren is verwijderd, ontvangen.
  32. De onderhoudsplichtigen zijn verplicht baggerspecie van klasse 0, 1 en 2, en maaisel minimaal 0,75 meter uit de waterkant op de oever te zetten of direct af te voeren of te verspreiden.
  33. Maaisel dat bij onderhoudswerkzaamheden in secundaire en tertiaire wateren vrijkomt dient binnen twee dagen na het maaien uit het water te zijn verwijderd.
  34. De gerechtigden zijn verplicht de baggerspecie en het maaisel na schriftelijke aanzegging door het Dagelijks Bestuur te verwijderen of over de percelen te verspreiden.
  35. Indien zich direct langs een water een weg, voetpad of werk bevindt en er onvoldoende ruimte beschikbaar is voor baggerspecie- en maaiselberging moet de gerechtigde van de gronden grenzend aan de landzijde van de betreffende weg, het voetpad of werk de baggerspecie en het maaisel ontvangen. Artikel 13 Afrasteringen
  36. Het Dagelijks Bestuur kan gerechtigden die dieren houden op percelen langs wateren verplichten afrasteringen langs de insteek van het oevertalud aan te brengen.
  37. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen omtrent afrasteringsconstructies en wijze van plaatsing.
  38. Door het hoogheemraadschap geplaatste afrasteringen mogen alleen met schriftelijke toestemming van het Dagelijks Bestuur worden verwijderd.

Artikel 14Ingrepen en activiteiten in wateren en vrijwaringszones 1.

Het is verboden primaire, secundaire en tertiaire wateren: direct of indirect met elkaar of met andere wateren in verbinding te brengen; geheel of gedeeltelijk te dempen; van richting, vorm, afmeting of constructie te veranderen. in afwijking van het gestelde in lid c het wateroppervlak te vergroten zonder dit vooraf te melden aan het hoogheemraadschap.

  1. Het is verboden in primaire, secundaire en tertiaire wateren: schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen onbeheerd te laten drijven of in gedeeltelijk of geheel gezonken toestand te laten liggen; vuil te laten drijven of te laten bezinken; ligplaats te nemen, te meren of te ankeren, met een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting: - op een plaats in de watergang waar de afstand tussen onderkant van het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting en de aanleg- of onderhoudsdiepte van de ligplaats, minder dan 0,6 meter bedraagt. - op zodanige wijze dat de onbelemmerde doorvaart in de middenstrook, die zich uitstrekt tot 2,5 meter aan weerszijden van de as van de watergang, gehinderd wordt. Loopplanken aan te brengen met een aaneengesloten breedte van meer dan twee meter en die steunen op meer dan twee palen. Een werk te maken, te hebben of te wijzigen, tenzij: - het werk voldoet aan de afmeting en constructie van de in bijlage 1 genoemde typen en buiten de middenstrook, die zich uitstrekt tot 2,5 meter aan weerszijden van de as van de watergang, ligt, of; - het werk minder dan 1,2 meter uit de oever steekt en op maximaal 2 palen rust en buiten de middenstrook, die zich uitstrekt tot 2,5 meter aan weerszijden van de as van de watergang, ligt. beschoeiing aan te brengen, te vervangen, of te hebben zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap.
  2. Het is verboden in, boven of onder primaire, secundaire en tertiaire wateren en de vrijwaringszones daarvan: Voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren of op te slaan op plaatsen die daarvoor niet zijn aangewezen. Delfstoffen of specie af te graven of seismisch onderzoek te verrichten. Tanks, olievaten, drukvaten of vergelijkbare werken te plaatsen of te vervangen. Boringen voor de winning van gas, vloeistoffen of delfstoffen te verrichten. Kabels, buizen en leidingen aan te brengen, te hebben of gedeeltelijk of geheel te vernieuwen Sub e is niet van toepassing op het aanbrengen van kabels en leidingen door gestuurde boring op een diepte van meer dan 3 meter onder de onderhoudsdiepte van het water. Sub e is niet van toepassing op het aanbrengen anders dan door gestuurde boring, en op het hebben, of geheel of gedeeltelijk vernieuwen van kabels, buizen en leidingen op: - hetzij een diepte van minimaal 1,5 meter onder de onderhoudsdiepte van primaire wateren; - hetzij een diepte van minimaal 1 meter onder de onderhoudsdiepte van secundaire en tertiaire wateren. Tijdens het bedrijven van water- en onderwatersport en bij het hiertoe te water gaan vanaf de oever, schade toe te brengen aan oevers, rietkragen en beplanting.
  3. Onverminderd het bepaalde in lid 1, 2 en 3 is het verboden om in, boven of onder primaire wateren en de vrijwaringszones daarvan: a. Infrastructuur zoals wegen en spoorlijnen aan te leggen of te verbreden. Werken aan te brengen, behoudens werken die middels artikel 14 lid 2 niet verboden zijn. Te graven of te baggeren buiten het oorspronkelijke of het in de legger, een keurontheffing of overeenkomst, vastgestelde (ligplaats)profiel; tenzij het graven noodzakelijk is om oeverbescherming of andere werken langs de oevers in het water aan te brengen, en het oorspronkelijke of vereiste profiel weer wordt hersteld. Opgaande houtbeplantingen aan te brengen. Oeverbeschermingsmaterialen te beschadigen of te verplaatsen, tenzij het gaat om vervanging van bestaande oeverbescherming op dezelfde plaats. Beplantingen die een functie hebben als verdediging van de oever te beschadigen of te verplaatsen. g. Zich op te houden indien men geen gerechtigde is en publiekelijk is aangegeven dat dit is verboden. Vaste vistuigen te plaatsen. Houtgewas of takken van bomen boven het water te laten hangen, wanneer het Dagelijks Bestuur vanwege toegankelijkheid voor onderhoud verwijdering vereist. Onverminderd het bepaalde in lid 3-f en 3-g, kabels, buizen en leidingen aan te brengen onder primaire wateren zonder dit vooraf te melden bij het hoogheemraadschap.
  4. Onverminderd het bepaalde in lid 2, is het verboden om ligplaats te nemen met een schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, of werken te maken, te hebben of te wijzigen: In of langs groene oeverzones. in het oostelijk deel van de Nieuwe Vaart, het Lozingskanaal, de Onbekende Gracht, de Nieuwe Keizers- , Heren en Achtergracht, de Plantage Muidergracht, de doorgang tussen Entrepotdok en Nieuwe Vaart, en de Singelgracht voorzover gelegen tussen Amstel en Lozingskanaal in Amsterdam. Verder dan 2 meter uit de waterkant van het Entrepotdok, de Nieuwe Prinsengracht en het westelijk deel van de Nieuwe Vaart, in Amsterdam. Sub b en c zijn niet van toepassing op recreatievaartuigen met een lengte van minder dan 6 meter.
  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 14, lid 2, sub c, is het verboden om in vaarwegen en vaarwateren, waar het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer, ligplaats te nemen, af te meren of te ankeren: Met een drijvend voorwerp of drijvende inrichting, niet zijnde een woonschip, met afmetingen groter dan 6 meter bij 1,2 meter. Met meer dan één vaartuig, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, niet zijnde een woonschip, voor of langs een oeverperceel of voor of langs een woonschip.
  6. Het is verboden om in vaarwegen en vaarwateren, waar het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer: In afwijking van artikel 14, lid 2, sub e, werken te hebben, te maken of te wijzigen in de op de Keurkaarten Vaarwegen aangegeven rode zones. In afwijking van artikel 14, lid 2, sub e, in niet-rode zones werken te hebben, te maken of te wijzigen die meer dan 2 meter uit de waterkant steken en van andere afmetingen en constructie zijn dan de in bijlage 1 genoemde typen. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 lid 2 sub e, meer dan één werk te maken, te hebben, of te wijzigen, per oeverperceel of per woonschip in niet-rode zones.
  7. Het is verboden in vaarwegen en vaarwateren, waar het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer: Te zwemmen, snorkelen of duiken in vaarwegen, voor de ingangen van havens en binnen een afstand van 50 meter van bruggen en sluizen en op andere plaatsen waar dit de scheepvaart kan hinderen dan wel op een wijze waar dit enige belemmering of hinder voor de scheepvaart kan veroorzaken; De onderwatersport te bedrijven (duiken met behulp van persluchtapparatuur) zonder een duikvlag te voeren op: - een boei: op plaatsen waar niet vanaf een geankerd vaartuig gedoken wordt; - de oever indien men vanaf de oever te water te water gaat of daar terugkeert; Vrij op te stijgen tijdens het bedrijven van de onderwatersport (duiken met perslucht­apparatuur) zonder vanaf een veilige diepte van minimaal 3 meter een decompressieboei op te laten alvorens de opstijging wordt afgerond. Met een schip een duikvlag of decompressieboei binnen een afstand van minder dan 15 meter te passeren. Duik- of andere objecten zoals scheeps- of autowrakken, autobanden, kunstmatige riffen of andere voorwerpen af te zinken. Evenementen plaats te laten vinden. Sub c geldt niet wanneer zich binnen een straal van maximaal 10 meter van de plaats van opstijgen een vaartuig of boei met een duikvlag bevindt.
  8. Water ontrekken, lozen en af- en aanvoeren

Artikel 15Ontrekken, lozen en af- en aanvoeren van water 1.

Degene die water afvoert naar, aanvoert uit, of onttrekt aan, primaire, secundaire of tertiaire wateren waarover hij niet het beheer voert, is verplicht de wijze van afvoer, aanvoer of onttrekking bij het hoogheemraadschap te melden indien: op die wijze meer dan 90 kubieke meter water per uur kan worden afgevoerd naar primaire boezemwateren; op die wijze meer dan 20 kubieke meter water per uur kan worden aangevoerd of onttrokken uit primaire, secundaire of tertiaire wateren.

  1. Het is verboden zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur water af te voeren naar, aan te voeren uit, te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewateren, indien hierbij: meer dan 500 kubieke meter water per uur kan worden afgevoerd naar of geloosd in primaire boezemwateren; meer dan 90 kubieke meter water per uur kan worden afgevoerd naar of geloosd in overige primaire en op secundaire of tertiaire wateren; meer dan 90 kubieke meter water per uur kan worden aangevoerd of onttrokken uit primaire boezemwateren; meer dan 50 kubieke meter per uur kan worden aangevoerd of onttrokken uit overige primaire en secundaire of tertiaire wateren.
  2. Het hoogheemraadschap kan degene die verplicht is een afvoer, aanvoer, of onttrekking te melden, ook verplichten de afgevoerde, aangevoerde, of onttrokken, hoeveelheid te meten op een door het hoogheemraadschap aan te geven wijze, te registreren, en te melden aan het hoogheemraadschap.
  3. Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing op het aan- en afvoeren van water door of namens het hoogheemraadschap. Artikel 16 Aanbrengen verhard oppervlak Het is verboden: In stedelijk en glastuinbouwgebied meer dan 1000 vierkante meter verhard oppervlak aan te brengen. In overig gebied meer dan 5000 vierkante meter verhard oppervlak aan te brengen.
  4. Onbebouwd boezemland

Artikel 17

Ingrepen in boezemland Het is verboden: Boezemland, voorzover onbebouwd en lager gelegen dan 0,2 meter boven NAP, te onttrekken aan het waterbergend oppervlak door omkading of bedijking. Op boezemland, voorzover onbebouwd en lager gelegen dan 0,2 meter boven NAP, te bouwen of de hoogte van het maaiveld te verhogen. 6. Bemalingsinstallaties, bruggen en sluizen

Artikel 18

Ingrepen rond windbemalingsinstallaties Het is verboden binnen een afstand van 200 meter van een windbemalingsinstallatie gebouwen, voorwerpen of beplantingen met een maximale (groei)hoogte van meer dan 4 meter te plaatsen of te hebben. Artikel 19 Ingrepen en activiteiten bij remmingswerken, aanlegvoorzieningen en bemalingsinrichtingen

  1. Het is verboden om binnen een afstand van 50 meter van de remmingswerken of andere aanlegvoorzieningen van een sluis of brug of de in- en uitstroomopening van een bemalingsinrichting: een vaartuig aan te leggen of tijdens bediening van de brug of sluis tijdelijk ligplaats in te nemen. een aalkorf, fuik of ander vistuig, anders dan een sportvistuig, te hebben.
  2. Het is verboden om in een sluis of binnen een afstand van 50 meter van een sluis, een brug of de in- en uitstroomopening van een bemalingsinrichting te zwemmen.
  3. Het is verboden om in of bij de in- en uitstroomopening van een bemalingsinrichting zaken te deponeren die de werking van de bemalingsinrichting negatief kunnen beïnvloeden.
  4. Bergingsvoorzieningen voor (regen)water GEBODSBEPALINGEN Artikel 20 Onderhoudsplichtigen Het onderhoud van voorzieningen waaraan het hoogheemraadschap de functie waterberging of regenwaterberging heeft toegekend berust bij de gerechtigde van de gronden waarop de voorziening gelegen is, tenzij de onderhoudsplicht anders is vastgelegd in de legger, of een ontheffing van, of beheerovereenkomst met, het hoogheemraadschap. Artikel 21 Onderhoudsplicht De onderhoudsplichtigen van voorzieningen waaraan het hoogheemraadschap de functie waterberging of regenwaterberging heeft toegekend dragen in ieder geval zorg voor: het zodanig onderhouden van de voorzieningen dat de bergende en, voorzover van toepassing, ook de infiltrerende werking niet vermindert; het vrijhouden van de voorziening van afval, voorwerpen en materialen die de bergende of infiltrerende werking van de voorziening kunnen verminderen; het herstellen van beschadigingen; het in stand houden van richting, vorm, afmeting en constructie van de voorziening.

Artikel 22

Activiteiten en ingrepen in bergingsvoorzieningen Het is verboden om in, onder, boven of rond voorzieningen waaraan het hoogheemraadschap de functie waterberging of regenwaterberging heeft toegekend, activiteiten te ondernemen of ingrepen te plegen die de bergende en, voorzover van toepassing, infiltrerende functie van de voorziening kunnen verminderen. 8. Ontheffingen & meldingen Artikel 23 Aanvragen en verlenen ontheffingen 1. Het Dagelijks Bestuur kan schriftelijk ontheffing verlenen van de in deze Keur gestelde gebods- en

onder het stellen van voorwaarden en voorschriften ter bescherming van de belangen die het hoogheemraadschap in de opgedragen taken behartigt, voorzover niet in strijd met hogere regelgeving.

  1. De toepassing van het bepaalde in lid 1 kan mede dienen ter bescherming van andere aan het (beheers)gebied verbonden belangen, indien deze zijn verbonden aan de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken, dan wel in uitzonderlijke omstandigheden, aan niet aan het hoogheemraadschap opgedragen taken, voor zover daarin niet is voorzien door andere bijzondere wetten of regelingen.
  2. Aan een ontheffing kan het voorschrift worden verbonden dat de houder van de ontheffing financiële zekerheid stelt voor de kosten van verwijdering van het op grond van de ontheffing aangebrachte werk na beëindiging van het gebruik daarvan.
  3. Aan een ontheffing kan het voorschrift worden verbonden dat de houder van de ontheffing een betaling of anderszins compensatie verricht met het oog op de bescherming van de belangen, waarom het vereiste van een ontheffing is gesteld.
  4. Een aanvraag voor een vergunning of ontheffing dienen te worden ingediend conform een door het Dagelijks Bestuur vastgesteld formulier.
  5. Op een schriftelijke aanvraag om ontheffing wordt beslist binnen dertien weken nadat de aanvraag en alle voor de beoordeling relevante gegevens, door het hoogheemraadschap ontvangen zijn. Het Dagelijks Bestuur kan deze termijn eenmalig met dertien weken verlengen. Hiervan wordt minimaal twee weken vóór het verstrijken van de termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
  6. Een ontheffing kan worden verleend onder de beperking dat daarvan binnen een daarbij te stellen termijn gebruik moet zijn gemaakt ter voorkoming dat de ontheffing van rechtswege vervalt.
  7. Een ontheffing geldt, tenzij in de ontheffing anders is bepaald, voor de rechtsopvolgers van de houder van de ontheffing. Binnen twaalf weken, te rekenen van de dag van de rechtsopvolging, dient wijziging van de tenaamstelling te worden gevraagd bij het bestuursorgaan.
  8. Het bepaalde in lid 1 t/m 7 is eveneens van toepassing op een wijziging of intrekking van een ontheffing. Artikel 24 Meldingen Meldingen dienen minimaal 6 weken voor de meldingsplichtige ingreep of activiteit te worden ingediend conform een door het Dagelijks Bestuur vastgesteld formulier.
  9. Schouw VOORSCHRIFTEN Artikel 25 Uitvoering schouw Het hoogheemraadschap voert schouw over de waterkeringen en wateren volgens een door het hoogheemraadschap vastgesteld schema. Het hoogheemraadschap kan, als het dat nodig acht, vaker dan eens per jaar schouw voeren. Het hoogheemraadschap stelt de datum van de schouw vast en maakt deze tenminste veertien dagen van tevoren op geschikte wijze bekend. Een schouw op onderhoudsdiepte wordt minimaal één jaar van te voren bekend gemaakt In spoedeisende gevallen kan de in sub c genoemde bekendmaking worden vervangen door een persoonlijk aanschrijven, dat minimaal vier dagen tevoren wordt verstuurd. Het hoogheemraadschap kan het voeren van de schouw uitstellen en hoeft daarvoor geen nieuwe datum bekend te maken. Voorafgaand aan de schouw dient het onderhoud op voorgeschreven wijze te zijn uitgevoerd. 1
  10. Schadevergoeding Artikel 26 Schadevergoeding Aan belanghebbenden die schade lijden als gevolg van de toepassing van deze Keur wordt, indien de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de belanghebbende behoort te blijven, een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding verstrekt, tenzij vergoedingen anderszins zijn zeker gesteld.
  11. Strafbepalingen en handhaving Artikel 27 Overtredingen a. Overtreding van de bepalingen van deze Keur kan worden gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. b. Bij herhaling van de overtreding binnen een jaar na de eerste overtreding kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd. Artikel 28 Toezicht en handhaving Met het toezicht en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze Keur zijn belast de daartoe door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen personen.
  12. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 29 Overgangsbepalingen
  13. Een vergunning of ontheffing die vóór inwerkingtreding van deze Keur is verleend op grond van de Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht van 2001, de Keur van het Hoogheemraadschap Amstel en Vecht, de Waterstaatsverordening-West van Amsterdam of van de Algemene Waterstaatsverordening Amsterdam, of de Verordening Waterhuishouding Hoogheemraadschap Amstel en Vecht, wordt aangemerkt als een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening.
  14. Voor werken, woonschepen en drijvende inrichtingen in, boven of onder wateren en/of de vrijwaringszones daarvan die aantoonbaar vóór 1 januari 2002 zijn aangebracht of afgemeerd op de betreffende locatie, in strijd met het bepaalde in deze Keur, wordt geacht ontheffing te zijn verleend.
  15. De ligging en de aard van kabels en leidingen die vóór 1 november 2005 zonder ontheffing in of onder waterkeringen en/of de beschermingszones daarvan zijn gelegd dient vóór 1 januari 2007 bij het hoogheemraad­schap te worden gemeld.
  16. Lid 2 is niet van toepassing wanneer het Dagelijks Bestuur van oordeel is dat het betreffende werk, woonschip of drijvende inrichting, een onacceptabele belemmering vormt voor het onderhoud, de wateraan- en afvoer, of het scheepvaartverkeer of langs een rode oeverzone ligt. Artikel 30 Werkzaamheden en werken hoogheemraadschap De in deze Keur gestelde verboden gelden niet voor: Handelingen en werkzaamheden die door of in opdracht van het hoogheemraadschap worden uitgevoerd ten behoeve van herstel, gewoon en buitengewoon onderhoud van waterstaatkundige werken en het grondonderzoek dat daarvoor noodzakelijk is. Handelingen, werkzaamheden en werken die op grond van een door het Dagelijks of Algemeen Bestuur vastgesteld besluit worden uitgevoerd Artikel 31 Algemene regeling 1 Het bestuur bepaalt bij algemene regeling voor welke handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen, in bepaalde aangewezen gebieden of in het gehele beheergebied, daarbij te stellen algemene regels gelden en bepaalde verboden van artikel 9 en 14 geen toepassing vinden.
  17. Bij de algemene regeling bedoeld in lid 1 kan de verplichting worden opgelegd handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen te melden. Artikel 32 Kaarten, bijlagen en leggers Indien voor een waterstaatswerk in de legger een aanwijzing van de onderhoudsplicht ontbreekt wordt het onderhoud gepleegd door degenen die vóór inwerkingtreding van de Keur al waren aangewezen als onderhoudsplichtigen. Artikel 33 Inwerkingtreding Deze Keur treedt in werking op 1 mei 2006, waarbij de tot dan geldende Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht van 20 december 2001, komt te vervallen. Met dien verstande dat de artikelen 28 t/m 31 van de Keur van het hoogheemraadschap Amstel en Vecht, artikel 5 van de Algemene Waterstaatsverordening Amsterdam en artikel 8 van de Waterstaatsverordening West van kracht blijven. Deze artikelen vervallen op het moment dat de legger voor de betreffende wateren en waterkeringen is vastgesteld. Artikel 34 Citeertitel Dit besluit wordt geciteerd als Keur AGV. Toelichting 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Alle begrippen, waarvoor een definiëring noodzakelijk is om misverstanden of interpretatie­verschillen te voorkomen, zijn alfabetisch opgenomen in dit artikel. Voor begrippen die niet in artikel 1 zijn opgenomen wordt verwezen naar de begripsomschrijving in wetgeving en provinciale verordeningen waarvan de Keur-bepalingen een nadere uitwerking zijn. Een nadere toelichting van de meeste begrippen is gegeven in de navolgende toelichting per artikel en in de algemene toelichting over waterkeringen en wateren. Artikel 2 Ligging en afmetingen zones en profielen De in dit artikel gebruikte begrippen zijn gedefinieerd in artikel 1 en ofwel hier dan wel in de algemene toelichting over wateren (pagina 42) of waterkeringen (pagina 37) verder toegelicht. In artikel 2 zijn "standaard­breedtes" vastgelegd voor de vrijwaringszones ter weerszijden van wateren en voor kern- en (buiten)­beschermings­zones van waterkeringen en kernzones van beschermende gronden. Deze breedtes zijn bepalend voor de reikwijdte van de verboden en geboden van de Keur, tenzij in de legger afwijkende breedtes zijn vastgelegd (lid 1 en 2). Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 2 Profielen van wateren Lid 3 en 4: Aan weerszijden van primaire, secundaire en tertiaire wateren zijn vrijwaringszones onder­scheiden. Deze zones zijn bedoeld om onderhoudswerkzaamheden in het water en langs de oevers uit te kunnen voeren en de stabiliteit van de oeverzone te beschermen. Bij wateren met een oevertalud boven water met een helling flauwer dan 1:4 (flauw talud) wordt een breedte van de vrijwaringszone van 5 meter vanuit de waterkant aangehouden voor primaire wateren; en van 1 meter uit de waterkant voor secundaire en tertiaire wateren. Wanneer het oevertalud boven water steil is (steiler dan 1 : 4), omvat de vrijwaringszone in ieder geval het oevertalud. Daarnaast langs secundaire en tertiaire wateren een zone met een breedte van 0,4 meter landinwaarts vanuit de insteek (snijlijn talud en maaiveld). Tenzij in de legger om redenen van onderhoud een grotere breedte is vastgelegd Langs primaire wateren wordt aan beide zijden naast het talud een extra vrijwaringszone van 5 meter vanuit de insteek aangehouden, tenzij in de legger een afwijkende breedte is vastgelegd. De meeste primaire wateren moeten namelijk vanaf beide kanten bereikbaar (kunnen) zijn met onderhoudsmaterieel met name ook bij calamiteiten. Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 3 Dwarsdoorsnede van een smal waterkerend dijklichaam met kernzone en aan weerszijden beschermings­­zones (het keurprofiel, het minimaal voor waterkering benodigde profiel, is gelijk aan het actuele profiel)(de buitenbeschermingszones sluiten ter weerszijden aan op de beschermingszones) Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 4 Ligging kern- en beschermingszones Compartimentering boezemwater Amsterdam, voorzover gelegen langs kades. Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 5 Ligging kern- en beschermingszones en (theoretisch) keurprofiel en profiel van vrije ruimte bij (overige) verholen gelegen primaire en secundaire waterkeringen. Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 6 Het bepalen van de kerende hoogte van een waterkering (H). De hiervoor genoemde begrippen zijn aangegeven in figuur
  18. De begrippen komen terug in de

van Artikel

  1. Daar waar dicht langs het water een waterkering gelegen is kan de vrijwaringszone samenvallen met de kern- of beschermingszone van een waterkering. In dat geval zijn tevens de verboden van Artikel 9 van kracht. Lid 6 en 7: De kernzone van een waterkerend dijklichaam wordt gerekend van binnen- tot buitenteen (zie figuur 3) tenzij in de legger een andere breedte is vastgelegd. Bij verholen gelegen waterkeringen en bij beschermende gronden is geen sprake van een binnen- of buitenteen. Daarom zijn voor de breedte van de kernzone in lid 6 specifieke breedtes gedefinieerd. In de tabel van lid 7 zijn "standaardbreedtes" voor de (buiten)beschermingszones van primaire, secundaire en tertiaire waterkeringen vastgelegd. De wijze waarop de kerende hoogte (H) wordt bepaald is toegelicht middels figuur
  2. Langs verholen waterkeringen zijn geen buiten­beschermings­­zones gedefinieerd, omdat deze minder kwetsbaar zijn dan echte dijklichamen. Om zeker te zijn dat de kademuren die onderdeel zijn van de Compartimentering boezemwater in Amsterdam voldoende stabiel blijven is een zone van 3 meter landinwaarts vanuit de kademuur beschermd als kernzone (middels artikel 6 sub b). Door aan beide zijden een zone van 6 meter als beschermingszone aan te wijzen is deze "beperkt beschermd" omdat het dan op grond van art. 9 lid 1-a-b-c niet is toegestaan om (zonder ontheffing) te graven of werken anders dan palen, schuttingen en tuinhuisjes aan te brengen. In figuur 5 is de ligging van kern- en beschermingszones bij (overige) verholen waterkeringen aangegeven. Lid 8: In lid 8 zijn "standaardprofielen" voor het zogenaamde keurprofiel en het profiel van vrije ruimte opgenomen (voor definities zie artikel 1 en algemene toelichting waterkeringen, zie ook figuren 3, 4 en 5 voor voorbeelden). Het is de bedoeling dat de ligging en exacte "vorm" van deze profielen per keringtraject wordt opgenomen in de legger. Ook steunbermen kunnen namelijk onderdeel zijn van het keurprofiel en/of profiel van vrije ruimte. Artikel 3 Reikwijdte Keur voor wateren De geboden en verboden in deze Keur voor wateren zijn alleen van toepassing op oppervlaktewateren die aangewezen zijn als, of voldoen aan, de criteria voor primaire, secundaire en tertiaire wateren en op de daarlangs gelegen vrijwaringszones, en niet op overige geïsoleerde wateren. Zie verder de toelichting van hoofdstuk 3 Wateren. Artikel 4 Hoofdelijke aansprakelijkheid Gerechtigden zijn aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen die op grond van de keur op de eigenaar van de grond rusten. De gerechtigde kan de eigenaar zijn maar ook de huurder, pachter of gebruiker. Vaak is immers niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker van de grond bij machte om aan de verplichtingen te voldoen of gebaat bij de voldoening van die plichten. Artikel 5 Gedoogplicht Op grond van Artikel 10 en Artikel 11 en de Waterstaatswet 1900 gelden er gedoogplichten voor gerechtigden van de grond ten behoeve van werkzaamheden door of in opdracht van het hoogheemraadschap ter behartiging van de opgedragen waterstaatszorg. Dit zijn onder meer: dulden van onderhoudswerkzaamheden, bemonstering van water en oevers, flora en fauna-inventarisaties, voorbereidings­werkzaamheden, dulden van vervoer en dulden van meet- en seininstallaties enz. en het dulden van elektriciteitspalen en draden. Indien er sprake is van spoedeisende gevallen zijn medewerkers van het hoogheemraadschap bevoegd percelen te betreden zonder de gerechtigden daarvan vooraf op de hoogte te stellen. Daarnaast geldt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht de toezichthouders diverse bevoegdheden hebben om de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken goed te kunnen uitoefenen. Hieronder vallen onder meer het betreden van terreinen, het nemen van monsters en het onderzoeken van zaken. Gerechtigden van percelen zijn verplicht zijn om hieraan medewerking te verlenen. 2 Waterkeringen & beschermende gronden Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 7 Ruim gedimensioneerde waterkering: keurprofiel en profiel van vrije ruimte vallen ruim binnen het actuele profiel. Waterkeringen bestaan er in velerlei vormen. Wat alle waterkeringen gemeen hebben is dat ze achtergelegen land beschermen tegen overstroming door water van buiten. De bekendste vormen zijn waterkerende dijklichamen in de vorm van dijken of kades. Waterkeringen kunnen ook geheel of gedeeltelijk niet zichtbaar, ofwel ‘verholen’ zijn, omdat ze onderdeel zijn van een groter grondlichaam of van hoger gelegen gronden. Daarnaast kunnen ook damwanden, sluizen, stuwen en andere "werken" de functie van waterkering hebben. In de Keur is, in volgorde van belang, een onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire waterkeringen. Bij de primaire en secundaire keringen is tevens een onderscheid gemaakt in directe en indirecte keringen. De ligging van primaire, secundaire en tertiaire waterkeringen is indicatief aangegeven op de Keurkaart. De exacte ligging van deze water­keringen en, waar relevant de (afwijkende) breedte van kern-, beschermings- en buiten­beschermings­zones, is of zal worden vastgelegd in de Legger. De exacte definities van de waterkeringtypen en andere begrippen die met waterkeringen samenhangen zijn te vinden in artikel
  3. In de bepalingen van de Keur met betrekking tot waterkeringen is een onderscheid gemaakt in flauwe en steile taluds. Bij veendijken ligt de grens tussen flauw en steil bij een taludhelling van 1 : 8, bij overige waterkeringen bij een taludhelling van 1 :
  4. Grofweg gezegd beschermen primaire waterkeringen het beheergebied tegen overstroming door water uit het IJ, het Noordzee- en Amsterdam-Rijnkanaal (en indirect de Noordzee en de Rijn); en door water uit het IJmeer en Gooimeer, beide integraal deel van het Markermeer. Secundaire waterkeringen, ook vaak regionale keringen genoemd, beschermen achtergelegen land direct of indirect tegen overstroming vanuit hoger gelegen boezem- of tussenboezem­wateren. Een indirecte kering vervult deze functie pas nadat een daarvoor of daarachter gelegen directe kering is bezweken. Binnen bepaalde polders liggen zogenaamde polderkaden. Dit zijn waterkerende dijklichamen die deels ook kunnen functioneren als compartimenterings­kering bij het bezwijken van achter- of voorliggende boezemwaterkeringen. Zij kunnen het overstroomde gebied beperken of verdere overstroming vertragen en daarmee de economische schade beperken. Wanneer het compartimenterings­belang van deze keringen hoog geacht wordt is aan deze polderkaden de status indirecte secundaire waterkering toegekend. De overige polderkaden die alleen van lokaal belang zijn en doorgaans niet meer dan 0,5 meter peilverschil "keren" en een aantal boezemwaterkeringen rond groengebieden worden gerekend tot de tertiaire waterkeringen. Peilscheidingen, keerschotten en stuwen worden ondanks het feit dat zij een peilverschil in stand houden niet gerekend tot de waterkeringen omdat zij afdoende beschermd zijn door hun status van waterstaatkundige werken. Peilscheidingen zijn gronden die de scheiding vormen tussen gebieden met een verschillend oppervlaktewaterpeil. Deze zijn beschermd doordat het verboden is om wateren met elkaar in verbinding te brengen. In Amsterdam is een compartimentering van het boezemwater mogelijk om de stadsboezem af te kunnen sluiten van de omliggende boezems van het Noordzee- en Amsterdam-Rijnkanaal en van de boezem van Amstelland. De hiertoe noodzakelijke kerende werken in het water zijn sluizen en afsluitbare keerschotten of -deuren. Binnen de (brede) hoger gelegen gronden tussen deze keringwerken in het water is de Compartimentering boezemwater Amsterdam (direct langs de kade) gedefinieerd. Bij het bezwijken van een boezemwaterkering buiten Amsterdam kan een groot deel van de boezem "leeglopen" in het achterliggende land. De compartimentering boezemwater inclusief de kades (oevers) die daar deel van uitmaken zorgen dan dat het boezemwater in de centrale stad op peil blijft. Als het boezempeil van de centrale stad mee zou zakken kan dit leiden tot het instorten van kades en tot enorme schade aan bebouwing (verzakking) door lage grondwaterstanden. Om deze reden is ervoor gekozen om de status indirecte secundaire waterkering aan de Compartimentering toe te kennen, zowel langs de noordkant van de centrale stad achter de primaire waterkering langs het IJ, als aan de zuidkant langs grofweg de Amstelkanalen en de Singelgracht. De compartimentering boezemwater Amsterdam is aangegeven op de Keurkaart van Amsterdam. Beschermende gronden beschermen achterliggende gebieden tegen afkalving door golfslag of indringing van boezemwater. Beschermende gronden die achterliggend land beschermen tegen afkalving door golfslag komen voor langs de Vinkeveense Plassen. Deze gronden mogen niet worden afgegraven en de beschoeiing ervan dient afdoende te zijn en te blijven om afkalving van de gronden zelf, of uitspoeling van het land daarachter, te voorkomen. Ze zijn aangegeven op de Keurkaart van regio Amstel. Beschermende gronden die lager gelegen gedeelten van achterliggende gronden, de zogenaamde polderrioleringsgebieden, beschermen tegen indringing van boezemwater, door bijvoorbeeld afgraving of doorsnijding, zijn gelegen langs delen van bepaalde boezemwateren in Amsterdam. Ze zijn aangegeven op de Keurkaart van Amsterdam. Bij waterkeringen is aan het grondoppervlak een onderscheid gemaakt in de kernzone en daaraan grenzende beschermings- en buitenbeschermingszones (zie verder toelichting art. 2 en figuur 3 t/m 6: op pagina 24). In de ondergrond van waterkeringen zijn ook nog twee "theoretische" profielen gedefinieerd, het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte (zie artikel 1 voor definities). De ligging van deze profielen is bepalend voor het wel of niet verlenen van een ontheffing op een verbod en voor de voorwaarden die aan de ontheffing worden gesteld. Meer informatie hierover is te vinden in de beleidsnota Keurontheffingen Waterkeringen. Artikel 6 Onderhoud Lid 1 en 2: In principe wordt in de legger vastgelegd wie de onderhoudsplichtigen zijn. Lid 3 en 4 zijn van toepassing wanneer de onderhoudsplicht niet in de legger of op andere wijze is vastgelegd. Lid 3: Een aantal waterkeringen is niet bij het hoogheemraadschap in onderhoud. In beginsel zijn deze ‘afwijkende’ onderhoudsplichten aangegeven in onderhouds- of beheercontracten of in de legger. Zo is Rijkswaterstaat onderhoudsplichtig voor de Oostkanaaldijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal en zijn provincies en gemeenten verantwoordelijk voor het onderhoud van bepaalde (delen van) waterkeringen, onder andere langs de Vecht en de Amstel. Een en ander is vastgelegd in nog geldende artikelen van oude Keuren en Verordeningen van rechtsvoorgangers van het hoogheemraadschap (zie Artikel 29). Zolang de onderhoudsplicht niet officieel is overgedragen aan het hoogheemraadschap en dit niet is vastgelegd in de legger blijft deze situatie van kracht. Voor de Westkanaaldijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal geldt een bijzondere situatie. Deze waterkering is een primaire waterkering in eigendom, onderhoud en beheer bij Rijkswaterstaat. Het hoogheemraadschap heeft daar dan ook geen bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen. Rijkswaterstaat heeft de intentie om het beheer van de Westkanaaldijk over te dragen. Indien het tot overdracht komt zijn vanaf het moment van formele overdracht de keurbepalingen ook op deze waterkering van toepassing. Een bijzondere situatie geldt ook voor de waterkeringen waarop de Dijkverordening van de provincie Noord-Holland van toepassing is. Het betreft dijken in het centrum van Amsterdam, de Spaarndammerdijk, de Zeeburgerdijk, de Diemerzeedijk en de dijk langs IJmeer en Gooimeer. De in deze Keur opgenomen bepalingen gelden ook voor waterkeringen die vallen onder de Dijkverordening. Lid 5: Deze bepalingen zijn in eerste instantie bedoeld om geringe schade aan de waterkeringen te voorkomen. Daartoe is de gerechtigden opgedragen onderhoud te plegen, met uitzondering van de bestrijding van muskusratten (3-a). Dit laatste is een taak van de provincie. Bij het herstellen van schade aan de oever of dijkbekleding of bij het aanbrengen van nieuwe oeverbescherming moet worden voldaan aan technisch-constructieve eisen. Daarnaast dienen ook de voorschriften uit het Bouwstoffenbesluit en de voorschriften bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) te worden nageleefd. Dat wil zeggen dat geen gebruik mag worden van bepaalde materialen die verontreiniging van het water of de (water)bodem kunnen veroorzaken. Lid 5-e: Het minimaal twee keer per jaar maaien van waterkeringen in het groeiseizoen en het verwijderen van het maaisel, behoort tot de normale onderhoudswerkzaamheden en is tevens gewenst voor het instandhouden van de waterkeringen. Uit onderzoek is gebleken dat de meest soortenrijke en erosiebestendige grasmat wordt verkregen door enkele malen per jaar te hooien en beperkt (periodiek) te beweiden met uitsluitend schapen. Het is belangrijk om het maaisel binnen 8 dagen af te voeren. Wanneer het maaisel niet tijdig wordt afgevoerd sterft de grasbegroeiing door verstikking. Artikel 8 Afrasteringen & beweiding De bepalingen van artikel 8 zijn bedoeld om schade aan de grasmat van waterkeringen door beweiding en vertrapping door vee of andere dieren te voorkomen. Door het plaatsen van een afrastering wordt voorkomen dat de betreffende dieren de waterkering kunnen betreden. Daarnaast of in plaats daarvan kan het Dagelijks Bestuur de gebruiker van percelen op waterkeringen schriftelijk verplichten om het type en het aantal stuks vee of andere op de waterkering te houden dieren te beperken. Het bestuur zal hier toe over gaan wanneer geconstateerd is of het vermoeden bestaat dat schade aan de waterkering is veroorzaakt door dieren die op de kering worden gehouden. Artikel 9 Ingrepen en activiteiten Middels dit artikel zijn activiteiten en ingrepen verboden die de kerende werking van waterkeringen kunnen verminderen of de stabiliteit van de waterkering in gevaar kunnen brengen. Ook ingrepen die het onderhoud kunnen bemoeilijken of onmogelijk kunnen maken zijn verboden. Het onderscheid tussen kernzone en beschermingszones is gemaakt om de

op maat te kunnen maken. Voor de kernzone gelden strengere regels dan voor de daaromheen gelegen beschermingszones. De regels die daar gelden zijn op hun beurt weer uitgebreider en strenger dan in de daarbuiten gelegen buitenbeschermingszones. De regels voor beschermende gronden zijn minder streng dan voor waterkeringen en beperkt tot een “theoretische” kernzone waarvan de breedte bepaald is in artikel 2 lid 6 c en d. Voor ontheffingverlening op de verboden van artikel 9 is verder nog de ligging van twee "theoretische" profielen van belang, die van het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte. De ligging van deze profielen zal evenals de ligging van de kernzones te zijner tijd worden/zijn opgenomen in de legger. Voor de uitleg van deze begrippen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2 en de algemene toelichting van pagina

  1. Lid 1-a: Het gaat bij graven om de diepte ten opzichte van het grondoppervlak op het betreffende deel van de kernzone of de beschermingszone. Graven in onverharde delen van de kruin of onverharde taluds van waterkerende dijklichamen is overigens op grond van lid 3-a nooit toegestaan tenzij het graven noodzakelijk is voor herstel van de waterkering (lid 9) of het aanleggen van werken als voor het aanleggen daarvan ontheffing is verleend. Het aanbrengen van ondiep wortelende beplanting in beschermingszones en tuinen die langs bebouwing in kernzones gelegen zijn, is toegestaan. Lid 1-b-c: Het is niet toegestaan om werken binnen de kern- of beschermingszones aan te brengen die de stabiliteit van de waterkering kunnen schaden. Voor werken in wateren gelden de regels zoals die in artikel 14 zijn vastgelegd. Bij een ontheffingaanvraag op grond van artikel 14 worden ook de effecten op de stabiliteit van een eventueel achterliggende waterkering getoetst. Een uitzondering wordt verder gemaakt voor het slaan van palen tot op een diepte van 0,75 meter, bijvoorbeeld voor afrasteringen en verkeersborden e.d. en voor het aanbrengen van andere kleine werken en verharding in de vorm van tegels en straatstenen e.d., die direct verwijderd kunnen worden. Dit geldt ook voor het verankeren of vastleggen van schepen, drijvende inrichtingen en voorwerpen zoals vistuigen e.d. Ook het vervangen of herstellen van bestaande werken, inclusief wegen en grotere bouwwerken is toegestaan, tenzij dit leidt tot ondergrondse uitbreiding of graven dieper dan 0,5 meter op plaatsen waar voordien nog geen (delen van) werken aanwezig waren. Kortweg gezegd: er wordt een uitzondering gemaakt voor werken die geen of slechts zeer geringe schade aan de stabiliteit van de waterkering kunnen veroorzaken en/of die eenvoudig verwijderd kunnen worden wanneer dit voor ophogings-, versterkings- of herstelwerkzaamheden, noodzakelijk is. Het aanbrengen van beschoeiing dient op grond van artikel 14 lid 2-f minimaal 6 weken (artikel 24) van te voren te worden gemeld. Het hoogheemraadschap kan dan toetsen of geen verboden materialen worden gebruikt, of er sprake is van demping en of schade wordt toegebracht aan de ecologische kwaliteit en de stabiliteit van de waterkering of de oever. Er kan ontheffing worden verleend voor uitbreiding van bebouwing in de beschermingszone of soms zelfs de kernzone wanneer dit het voor de waterkering benodigde profiel niet aantast en ophoging en versterking niet onmogelijk of duurder maakt. Uiteraard mag de wijze van aanleg géén risico's opleveren voor de stabiliteit van de waterkering (zie verder beleidsnota Keurontheffingen Waterkeringen). Dit kan betekenen dat de gewenste uitbreiding toch niet mogelijk is. Of alleen mogelijk is aan de kant van de bebouwing die het verst ligt van de waterkering, of alleen met - kostbare- aanvullende maatregelen. Lid 1-f: Op grond van andere Keur-artikelen dient voldaan te worden aan een aantal voorwaarden bij de uitvoering van boringen en sonderingen. Deze voorwaarden zijn uitgebreid omschreven in de beleidsnota Keurontheffingen Waterkeringen. Lid 2-a: Wanneer een (woon)schip langs een waterkering is afgemeerd dient onder meer voldoende ruimte tussen het (woon)schip en de waterkering over te blijven voor inspectie en onderhoud van de waterkering en de beschoeiing van de oever om er zeker van te zijn dat de stabiliteit van de achtergelegen waterkering niet in gevaar komt. Ook mogen in het water of langs de oever gelegen zaken niet dusdanig in de waterkering of beschermingszone verankerd zijn dat ze schade aan de waterkering kunnen veroorzaken of de stabiliteit daarvan kunnen aantasten. Lid 2-f: Het begrip evenement is niet van toepassing op activiteiten die gerekend kunnen worden tot het normale gebruik van voorzieningen op waterkeringen, zoals een fietstocht op een rijweg op de kruin of een steunberm, een wandeltocht op een wandelpad op de waterkering, vissen op vissteigers langs de waterkering en dergelijke. Zolang het evenement zich beperkt tot het deel van de waterkering of de beschermingszone, waar het nevengebruik is toegestaan en hiervoor voorzieningen aanwezig zijn, is geen ontheffing nodig. Lid 2-i: Grondwateronttrekkingen kunnen gevaar opleveren voor de stabiliteit van de waterkering. Lid 2-l: Het laten hangen van takken boven de waterkering kan problemen opleveren voor de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel. Lid 3-d: Voor het beschermen van de waterkering tegen propaangastanks bij woningen e.d. kunnen ook betontegels in plaats van een betonplaat onder de gastank worden aangebracht. Lid 4: Permanente beweiding van waterkeringen kan schade veroorzaken aan de waterkering. Met name in de herfst en de winter wanneer de kering door weersomstandig­heden extra kwetsbaar kan zijn. Daarom is in de periode van 15 oktober tot 15 april geen beweiding toegestaan op primaire en secundaire waterkeringen. Ook omdat de begroeiing zich in die periode nog niet zodanig heeft ontwikkeld dat deze geschikt is voor begrazing. Buiten deze periode is beweiding, in ieder geval met schapen, niet schadelijk voor grasdijken wanneer het aantal stuks beperkt blijft en er voldoende gras op de kering groeit. Op intensief beweide waterkeringen wordt de grassoortenrijkdom minder en de erosie­bestendig­heid en de doorworteling van de toplaag slechter. Er kunnen open plekken in de grasmat ontstaan en vertrapping van de grasmat optreden. Met name bij beweiding door groot vee zoals paarden en runderen. De schade is groter naarmate het talud steiler is. Indien het hoogheemraadschap van mening is dat door beweiding of het houden van dieren schade is of wordt toegebracht aan een waterkering zal zij de gerechtigde schriftelijk beperkingen opleggen wat betreft de vorm en wijze van beweiding conform artikel 8 lid
  2. Om een grote soortenrijkdom en hoge erosiebestendigheid van de grasmat te bereiken is tevens een voedselarme bodem nodig. Bemesting van de bodem zorgt voor voedselrijke grond. Daarom is op het buitentalud, de kruin, en op steile binnentaluds van primaire en secundaire waterkeringen geen bemesting toegestaan. Lid 5: Bomen en andere opgaande houtbeplanting kunnen met hun wortels schade toebrengen aan de waterkering of deze verzwakken. Daarnaast kan de boom of de beplanting bij omwaaien door ontworteling een gat veroorzaken in de waterkering. Het planten of hebben van bomen binnen de kernzone van waterkeringen en binnen een strook van 5 vanuit de teen is daarom verboden. Ook het rooien van bomen kan, wanneer dit niet zorgvuldig gebeurt, leiden tot schade aan de waterkering. In de beleidsnota Keurontheffingen Waterkeringen is meer specifiek aangegeven welke vormen van beplanting onder welke omstandigheden wel of niet zijn toegestaan. 3 Wateren Reikwijdte keur voor wateren: primair, secundair, tertiair De Keur-artikelen voor ‘wateren’ gelden alleen voor niet-geïsoleerde wateren die een functie hebben in de wateraan- en -afvoer of waterberging vanuit en voor de wijdere omgeving. Boezemwateren hebben een hoger peil dan in polders en droogmakerijen gelegen polder­wateren. Ze zijn van polders gescheiden door boezemwaterkeringen. Wateren die niet tot de boezem behoren maar wel een belangrijke functie hebben in de wateraan- en -afvoer worden vaak hoofdwater(gang)en genoemd. In de Keur-artikelen voor wateren worden de begrippen boezem- en hoofdwateren niet (meer) gebruikt. Op grond van het waterhuishoudkundig belang is in plaats daarvan gekozen voor een onderscheid in primaire, secundaire en tertiaire wateren. Primaire wateren zijn wateren waaraan het hoogheemraadschap een belangrijke functie toekent in de wateraan- en -afvoer van en naar afwaterings- en bemalingsgebieden en die tevens van belang zijn voor de wateraan- en afvoer van meerdere gerechtigden. Het gaat om de meeste boezemwateren en veel hoofdwater(gang)en. In stedelijk gebied heeft het begrip primaire wateren een ruimere werking omdat het hoogheemraadschap hier meer wateren onderhoud vanwege de vele omwonenden die afhankelijk zijn van een goede afwatering, en het feit dat de oevers vaak deel zijn van de openbare ruimte. Secundaire wateren hebben een functie in de wateraan- en -afvoer en/of waterberging van percelen van meerdere gerechtigden. Om die reden is het belangrijk dat ze hun functie in de wateraan- en -afvoer en/of waterberging goed blijven vervullen omdat dit anders tot schade kan leiden voor anderen dan de onderhoudsplichtige. De meeste secundaire wateren zijn in polders en droogmakerijen gelegen. Tertiaire wateren zijn wateren die in verbinding staan met andere tertiaire, secundaire en/of primaire wateren maar die met name van belang zijn voor de wateraan- en -afvoer van en naar terreinen van één gerechtigde. Ze kunnen wel van belang zijn voor de tijdelijke berging van regenwater en wateroverschotten van terreinen en wateren van anderen dan de gerechtigde, bijvoorbeeld bij zware of langdurige regenval. De ligging van primairewateren is aangegeven op de Keurkaart. De exacte ligging, afbakening en profielen van wateren worden - voorzover gewenst of noodzakelijk - in de legger bepaald. Voor wateren die (nog) niet in de legger zijn opgenomen gelden de afmetingen zoals die zijn vastgelegd in Artikel 10 lid
  3. Tenzij minder strenge (onderhouds)eisen zijn vastgelegd in Keuren en leggers van rechtsvoorgangers van het hoogheemraadschap, middels de overgangsbepalingen van Artikel 29 uit de Keur. De Keur is niet van toepassing op geïsoleerde wateren. Dit zijn wateren die niet via andere wateren, duikers, pijpleidingen of overstroombare stuwen, dammen of damwanden, in verbinding (kunnen) staan met primaire, secundaire of tertiaire wateren. Het gaat onder meer om tuinvijvers van bewoners, geïsoleerde stadsvijvers en veel geïsoleerde vijvers in parken, plantsoenen en natuurgebieden, alsmede om geïsoleerde opvangvijvers en bakken voor regenwater bij kassencomplexen en geïsoleerde regelmatig water bevattende greppels in landbouwgebied, voorzover het water hieruit niet vanzelf over kan lopen in tertiaire, secundaire of primaire wateren. Het laten verlanden of zelfs dempen van geïsoleerde wateren heeft doorgaans alleen negatieve effecten op de grondwaterstand in gronden van de gerechtigde zelf. De onderhouds­verplichtingen en verbodsregels uit de Keur zijn daarom niet van toepassing op geïsoleerde wateren. Voor het lozen van (overtollig) water uit geïsoleerde wateren op primaire, secundaire of tertiaire wateren kan, afhankelijk van de hoeveelheid, een melding of vergunning op grond van Artikel 15 uit de Keur noodzakelijk zijn. De regelgeving uit de Keur is niet van toepassing op wateren die op basis van een toegekende ontheffing op artikel 14 lid 1 (demping), na afdoende compensatie, aan het bestaande watersysteem zijn onttrokken. Bijvoorbeeld door het plaatsen van een voldoende hoge dam of damwand of op een andere in de ontheffing goedgekeurde wijze. Artikel 10 Onderhoudsverplichtingen Lid 1: Het onderhoud dient zodanig te worden uitgevoerd dat zo min mogelijk schade wordt toegebracht aan de (gewenste) ecologische toestand van wateren. De ecologische toestand van wateren wordt bepaald door de levensgemeenschap van planten en dieren en de daarvoor meest relevante randvoorwaarden. Tot deze randvoorwaarden behoren de wijze van inrichting en onderhoud, het doorzicht en zuurstofgehalte en de concentraties van bepaalde stoffen die van nature in het water aanwezig zijn, zoals (onder meer) stikstof- en fosfaatverbindingen, chloride, bicarbonaat en sulfaat. Dit betekent dat onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk moeten worden uitgevoerd met "natuurvriendelijk" onderhoudsmaterieel en buiten de voortplantingstijd van amfibieën, vissen, watervogels en andere dieren. Richtlijnen voor de wijze waarop het onderhoud bij voorkeur dient te worden uitgevoerd zijn opgenomen in de beleidsnota Richtlijnen Natuurvriendelijk Onderhoud. Strengere (beleids)regels voor de wijze waarop het onderhoud dient te worden uitgevoerd zijn opgenomen in de Beleidsnota Inrichting, Gebruik en Onderhoud. Lid 2: Wateren en met name primaire en secundairewateren, dienen te worden vrijgehouden van overmatige plantengroei door (onder water) te maaien ofwel te ‘schonen’. De reden hiervoor is dat de wateraan- en afvoer niet gehinderd mag worden door plantengroei. Daarnaast kan de berging verminderen door zogenaamde verlanding. Hiervan is sprake wanneer plantenmateriaal en bagger zich ophopen tot boven het streefpeil. Het hoogheemraadschap controleert de staat van onderhoud van wateren doorgaans eens per jaar in het najaar middels de zogenaamde 'najaarsschouw' (zie Artikel 25). Ook zogenaamde ongeremd groeiende planten kunnen voor problemen met de wateraan- en –afvoer zorgen en dienen daarom onmiddellijk te worden verwijderd. Voorbeelden van ongeremd groeiende waterplanten zijn Waterhyacint en Grote waternavel. Indien dergelijke planten in oppervlaktewater worden gesignaleerd dient het hoogheemraadschap daarvan onmiddellijk op de hoogte te worden gebracht. Lid 3: Wateren dienen periodiek op de vereiste onderhouds­diepte te worden gebracht door deze te baggeren (zie figuur 7). Baggeren is in ieder geval altijd verplicht op het moment dat de baggeraangroei de voor het betreffende water minimaal vereiste diepte overschreden heeft. Afhankelijk van de grondsoort en de baggeraangroeisnelheid ter plekke zal door het hoogheemraadschap eens in de 5 tot 10 jaar voor alle wateren per afwaterings­eenheid (één of meer polders) een schouw op onderhoudsdiepte worden uitgevoerd in Zie bijlage figuren Keur AGV.pdf voor Figuur 7 Baggercyclus en onderhouds- en minimale diepte combinatie met de jaarlijkse schouw op maaien en schonen. Tegelijkertijd vindt dan ook een inspectie van de onderhoudstoestand van de oevers, en van andere relevante waterhuishoudkundige aspecten plaats. Uitgangspunt voor het bepalen van dieptes en breedtes is het laagst vastgestelde streefpeil ter plekke. De (overige) onderhoudseisen en schouwbepalingen zijn in de vorm van beleidsregels opgenomen in de Beleidsnota Inrichting, Gebruik en Onderhoud. Een onderhoudsdiepte van minimaal een kwart van de breedte betekent bij een breedte van 2 meter een diepte van 0,5 meter. Ondieper is vanuit waterkwaliteits­oogpunt ongewenst omdat in ondiepe wateren bij hogere temperaturen zuurstofloosheid kan optreden. Daar staat tegenover dat de groei van water-, oever en moerasplanten juist gebaat is met een geringe diepte, in ieder geval in de 'natte' oeverzone. Bij bredere wateren is vanwege de ecologische kwaliteit een evenredig grotere diepte wenselijk. Indien een water echter breder is dan 5 meter, is een onderhoudsdiepte gelijk aan een kwart van de breedte niet persé noodzakelijk. Voor wateren zonder vaarwegfunctie voor motorvaartuigen is een onderhoudsdiepte van 1,25 meter en een minimale diepte van 1 meter doorgaans voldoende als randvoorwaarde voor een goede ecologische toestand. Bij wateren van 2 meter breed en smaller wijken minimale en onderhoudsdiepte nauwelijks van elkaar af omdat het profiel van de oevers geen grotere dieptes toelaat. In dat geval heeft het in de meeste gevallen de voorkeur om bijvoorbeeld te baggeren met de baggerspuit of is het noodzakelijk om het schonen en baggeren met elkaar te combineren. Lid 5: Voor veel water zijn de oorspronkelijke afmetingen aangegeven in artikelen, bijlagen en kaarten die behoren bij de Keuren van de voormalige waterschappen in het beheergebied van het hoogheemraadschap en in twee Waterstaatsverordeningen van Amsterdam. Deze artikelen, bijlagen en kaarten blijven van kracht totdat de ligging en profielen van de betreffende wateren zijn opgenomen in de legger (zie ook artikel 32). Lid 6: De onderhoudsplichtigen voor het vrijhouden van vuil moeten alle niet in het water thuis horende voorwerpen, stoffen en materialen verwijderen. In de eerste plaats omdat deze de doorstroming en de waterbeheersing kunnen belemmeren. Daarnaast ook omdat deze schadelijk kunnen zijn voor de ecologische toestand. Ook dode vissen en andere dode dieren dienen door de onderhoudsplichtige voor het vrijhouden van vuil te worden verwijderd en afgevoerd. De gemeenten zijn vanwege de bescherming van de volksgezondheid in principe verantwoordelijk voor het verwijderen van dode dieren die het slachtoffer zijn van botulisme. Het verwijderen van gezonken vaartuigen is geregeld middels de wrakkenwet. De gemeenten kunnen dit regelen wanneer een schip langs de oever (half) gezonken is. Ook de vaarweg- of waterbeheerder kan dit regelen wanneer het schip een gevaar vormt voor het vaarwegverkeer de waterhuishouding. Lid 7: De onderhoudsverplichtingen van de gerechtigden van werken laten onverlet dat het water en de waterbodem onder werken toegankelijk dienen te zijn voor onderhouds­werkzaamheden zoals baggeren en maaien door het hoogheemraadschap of door anderen dan de gerechtigde van de werken. Lid 9: Onderhoudsplichtigen van oevers dienen een zone van 0,4 meter landinwaarts uit de insteek of, bij flauwe taluds (taluds met een helling van 1 : 4 of flauwer) van minimaal 2 meter uit de waterkant, te vrijwaren van bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Zij dienen ook de oever waar nodig te beschermen tegen vertrapping door vee. Bijvoorbeeld door een afrastering aan te brengen. Het Dagelijks Bestuur kan de gerechtigde ook verplichten een afrastering aan te brengen op grond van artikel 13 lid
  4. Met als reden het oevertalud en de insteek schoon (begaanbaar) en stabiel te houden. Het gebruik van bemesting en bestrijdingsmiddelen leidt, evenals het storten van bagger en maaisel op het oevertalud, ook tot aantasting van de leef- en trekmogelijkheden van planten en dieren in en langs de oeverzone en daarmee tot schade aan de ecologische toestand van water en oever. Uitgangspunt is dat bij flauwe taluds er minder snel sprake zal zijn van uit- en afspoeling van mest en bestrijdingsmiddelen zodat hier een minimaal vrij te houden zone van 2 meter wordt gehanteerd. Dit alles laat onverlet dat onderhoudsplichtigen zich ook moeten houden aan eventuele strengere regelgeving ter bescherming van de waterkwaliteit op basis van de Wvo zoals het Bouwstoffenbesluit en het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij. Lid 11: In principe is de gerechtigde van de ligplaats verantwoordelijk voor het op de vereiste of gewenste diepte houden van de ligplaats. Deze is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen en het onderhoud van oeverbescherming wanneer dit noodzakelijk is om de oever of een achterliggende waterkering afdoende te beschermen vanwege de voor de ligplaats vereiste waterdiepte. De gerechtigde kan de eigenaar van de ondergrond van de ligplaats zijn, maar ook de huurder of gebruiker van de ligplaats. Het dagelijks onderhoud en de kosten daarvan zijn voor rekening van de gebruiker. Volgens art. 7A:1586 van het Burgerlijk Wetboek is een verhuurder verplicht het verhuurde in zodanige staat te onderhouden dat de huurder het kan gebruiken waarvoor het in gebruik is gegeven. Een dergelijk verplichting geldt niet voor eigenaren/beheerders die geen huur maar precario (gebruiksbelasting) heffen. Artikel 11 Onderhoudsplichtigen Lid 1: De specifieke onderhoudsverplichtingen zijn of kunnen (ook) worden vastgelegd in de legger, een ontheffing, of in een beheerovereenkomst met het hoogheemraadschap. Afwijkende onderhoudsverplichtingen komen met name voor bij vaarwegen, in stedelijk gebied en bij spoor- en bermsloten. Voor veel wateren zijn de oorspronkelijke afmetingen aangegeven in artikelen, bijlagen en kaarten die behoren bij de Keuren van de voormalige waterschappen in het beheergebied van het hoogheemraadschap en in twee Waterstaatsverordeningen van Amsterdam. Deze artikelen, bijlagen en kaarten blijven van kracht totdat de ligging en profielen van de betreffende wateren zijn opgenomen in de legger (zie ook artikel 29). Lid 3: Volgens artikel 5:59 van het Burgerlijk Wetboek zijn de gerechtigden van oevers van niet-bevaarbare wateren verplicht de wateren te onderhouden. Voor vaarwegen geldt in principe dat de eigenaar van de vaarweg, die doorgaans tevens vaarwegbeheerder is, verantwoordelijk is voor het onderhoud van de vaarweg (zie lid 7). Het onderhoud van kademuren en andere oeverbescherming en van het deel van de oevers dat gelegen is boven het laagste streefpeil berust bij de gerechtigde van het langs het water gelegen perceel. In de openbare ruimte in stedelijk gebied is dit doorgaans de gemeente of het stadsdeel. Indien een water tussen percelen van verschillende eigenaren is gelegen zijn beide eigenaren in beginsel verantwoordelijk voor het onderhoud van de aan hun perceel grenzende oever en de helft van het water. Soms zijn echter kadastraal afwijkende regels vastgelegd, bijvoorbeeld wanneer één van de oevereigenaren eigenaar is van het gehele water. Daarom is de zinsnede ‘voorzover ieders recht strekt’ opgenomen. In plassen en meren bestaat doorgaans geen onderhoudsplicht in het kader van de Keur. In dat geval is de eigenaar van het water verantwoordelijk voor het onderhoud dat hij zelf noodzakelijk acht voor het op de door hem gewenste diepte houden van het water en het waar gewenst vrijhouden van wateren van plantengroei. Planten- of baggeraangroei tot boven de waterspiegel, zogenaamde verlanding, is echter niet toegestaan omdat dit valt onder het verbod op demping van artikel 14 lid 1 sub b. Het onderhoud van tertiaire wateren in stadsparken en ander openbaar gebied die geen noemenswaardige waterafvoerfunctie hebben, berust bij de gemeenten en in Amsterdam bij de stadsdelen. Het onderhoud van tertiaire wateren op volkstuin­complexen, sportterreinen en begraafplaatsen en dergelijke, berust bij de gerechtigde van deze complexen en terreinen. Wateren rond deze complexen die door het hoogheemraadschap zijn aangewezen als primaire of secundaire wateren worden door het hoogheemraadschap onderhouden, tenzij het om een spoor- of bermsloot gaat. Lid 5: Het hoogheemraadschap is in principe verantwoordelijk voor het op diepte houden (baggeren) en het vrijhouden van plantengroei (maaien en schonen) van het stromingsprofiel van primaire wateren. In de praktijk onderhoudt het hoogheemraadschap vaak het gehele 'natte' profiel, voorzover gelegen beneden het hoogste streefpeil, inclusief het natte deel van natuurvriendelijke oevers. Echter niet onder woonschepen en steigers en dergelijke en ook niet in bredere en grotere wateren zoals havenbassins, plassen en vijvers. (Afwijkende) Afspraken over het onderhoud van wateren binnen stedelijk gebied tussen gemeente en hoogheem­raadschap worden doorgaans vastgelegd in een beheerovereenkomst en kunnen uiteindelijk worden vastgelegd in de legger. Lid 6: Binnen stedelijk gebied zijn de gemeenten en in Amsterdam de stadsdelen verantwoordelijk voor het schoon houden van en vuil verwijderen uit de openbare ruimte. Daarom is het vuil verwijderen uit de primaire (niet particuliere) wateren in stedelijk gebied een taak van de gemeente en in Amsterdam de stadsdelen. Dit met uitzondering van het opruimen van kadavers in de gemeente Amsterdam. Deze taak wordt op grond van de Destructieverordening uitgevoerd door de centrale stad. Lid 7: Bij vaarwegen en vaarwateren (zie toelichting lid 6), is in principe de eigenaar van de ondergrond van het water verantwoordelijk voor het onderhoud, tenzij het vaarwegbeheer middels een provinciale verordening of besluit is opgedragen aan een (andere) overheid. In dat geval is de vaarwegbeheerder verantwoorde­lijk voor het op diepte houden van de vaargeul en het waar nodig beschermen van de oever tegen afkalving door het vaarwegverkeer. De minimale diepte van de vaargeul wordt formeel vastgesteld door de provincies. Behalve voor de vaarwegen waarvan de gemeente Amsterdam vaarwegbeheerder is, daarvoor wordt de minimale diepte door B & W van de gemeente vastgesteld. Als de vaargeul niet voldoende diep is dan leidt dit niet alleen tot problemen met de scheep­vaart (vastlopen) maar ook tot extra opwerveling van slib en tot verslechtering van de eco­logische toestand van het water (zie ook toelichting Artikel 14 lid 4). Daarom is de vaarweg­beheerder in de Keur verplicht de vaargeul op een minimale diepte te houden die minimaal 0,3 meter dieper is dan de op de vaarweg toegestane maximale diepgang van vaartuigen, tenzij de stabiliteit van de bodem, oevers of naastgelegen waterkeringen hierdoor in gevaar komt. Lid 8: Het op voldoende (vereiste) of de door de eigenaar gewenste diepte houden van de buiten de vaargeul en buiten het stromingsprofiel gelegen delen van vaarwegen en vaarwateren, bijvoorbeeld onder woonschepen en steigers, is een verantwoordelijkheid van de eigenaar van de ondergrond van het water. Bij vaarwegen is dit overigens in de meeste gevallen de vaarwegbeheerder. Dit laat onverlet dat in stedelijk gebied afwijkende afspraken kunnen zijn of worden gemaakt tussen de gemeente of andere eigenaar en het hoogheemraad­schap. Ook buiten stedelijk gebied kunnen tussen de eigenaar en het hoogheemraadschap afwijkende afspraken zijn of worden gemaakt. Onder vrijhouden van vuil, bagger en overmatige plantengroei van de ligplaats wordt verstaan de ruimte vanaf de oeverkant en onder het woonschip of de inrichting tot aan de buitenranden daarvan, inclusief de aan het schip of de inrichting vastgemaakte terassen en vlonders en dergelijke. De doorstroming van water langs en onder het woonschip of inrichting moet te allen tijde zijn gegarandeerd. Dit betekent dat er altijd minimaal 30 cm vrije (water)ruimte moet zijn tussen de onderkant van het woonschip (of de inrichting) en de waterbodem. Dit laat onverlet dat afwijkende afspraken kunnen zijn of worden gemaakt tussen de eigenaar van de vaarweg en de gerechtigde van een woonschip of drijvende inrichting. De eigenaar van de vaarweg kan bijvoorbeeld ook zelf het onderhoud van de ligplaats op zich nemen. Lid 9: Indien het hoogheemraadschap het voor haar taakuitoefening nodig acht dat een werk, een schip, woonschip of een drijvende inrichting of voorwerp wordt verplaatst kan het daartoe opdracht geven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan baggeronderhoud of aan kadeherstel­werkzaamheden. Artikel 12 Baggerspecie- en maaiselberging Volgens artikel 5:59 van het Burgerlijk Wetboek zijn de gerechtigden van de oevers van niet bevaarbare wateren niet alleen verplicht de wateren te onderhouden maar ook om het daarbij vrijkomende materiaal te ontvangen. Daarnaast vermeldt artikel 11 van de Waterstaatswet dat eigenaren bij verordening kunnen worden verplicht baggerspecie uit een waterloop door of langs hun land te ontvangen. Voorwaarden zijn dat het onderhoud is bedoeld om de af- of aanvoer van water te garanderen én dat het onderhoud door of onder toezicht van het openbaar gezag (in dit geval het hoogheem­raad­schap) plaats vindt. De ontvangstplicht van baggerspecie en maaisel, waaronder ook afgemaaide waterplanten worden begrepen, is daarom in artikel 12 lid 1 vastgelegd en geldt daarmee voor de gerechtigden van alle oevers van wateren, inclusief vaarwegen, die door of in opdracht van het hoogheemraadschap worden onderhouden. Het verspreiden van baggerspecie is volgens het Besluit Vrijstelling Stortverbod Buiten Inrichtingen (december 1997) aan regels gebonden. Binnen deze regelgeving is in de Keur bepaald dat baggerspecie klasse 0, 1 en 2 – indien daar ruimte voor is - op de oever moet worden gebracht. Klasse 0 en 1 specie kan vervolgens over het land worden verspreid. Klasse 2 specie mag maximaal 20 meter vanuit de waterkant worden verspreid. In een VROM-circulaire van juni 2005 is aangegeven dat de afzet van baggerspecie van klasse 1 en 2 ook elders langs de oever van dezelfde watergang mag worden afgezet. Bijvoorbeeld wanneer over een bepaalde lengte geen ruimte is om baggerspecie af te zetten vanwege bebouwing met aanpalende erven. Verontreinigde baggerspecie van klasse 3 en 4 mag krachtens de Wet bodembescherming niet op de oever worden gezet en verspreid, maar moet gecontroleerd worden afgevoerd. De ontvangstplichtige dient langs de waterkant voldoende ruimte vrij te houden voor de afzet van bagger en maaisel. Het alternatief is om ofwel hiervoor elders langs de waterkant ruimte vrij te houden, dan wel een schriftelijke afspraak te maken met een andere perceeleigenaar in de buurt (binnen 1 km) over de ontvangst van bagger of maaisel. Het hoogheemraadschap dient hiervan dan wel tijdig op de hoogte te zijn gesteld. Dit geldt ook wanneer de ontvangstplichtige geen bagger en maaisel wil ontvangen om andere redenen zoals de aanwezigheid van een steiger, terras of een ander werk op de kant. De eventuele meerkosten die het hoogheemraadschap moet maken om bagger of maaisel elders af te zetten of te storten zullen op de ontvangstplichtige worden verhaald. Lid 2: Het materiaal dat bij onderhoud vrijkomt moet minimaal 0,75 meter uit de kant of landinwaarts uit de insteek worden afgezet en bij voorkeur zo snel mogelijk worden verspreid of afgevoerd. Bagger en maaisel op het oevertalud verstikken de vegetatie en maken de oever minder stabiel en “ruig” (arm aan plantensoorten) doordat zij de bodem (na afbraak) verrijken met voedingsstoffen. Dit heeft ook een negatieve invloed op de stabiliteit van het talud. De afzet van bagger en maaisel op het (schuine) oevertalud belemmert tevens de groei en leef- en trekmogelijkheden van planten en dieren op en langs de oevers en brengt vanwege alle voornoemde redenen schade toe aan de ecologische toestand van zowel de oever zelf als van de randzone van het water. Met een maaikorf kan men het maaisel over het talud heen tillen. Het is ook mogelijk om het water te maaien zonder bagger mee te nemen. Gerechtigden deponeren het maaisel inclusief bagger nu vaak op het talud omdat ze daarmee de oever willen “herstellen”. Dit is ongewenst, tenzij het profiel van de oever dusdanig is aangetast, door vertrapping van vee of inzakken, dat herstel door aanvulling met grond noodzakelijk is. In dat geval kan ontheffing worden aangevraagd om op specifieke locaties de ingetrapte of verzakte delen van de oever weer terug op de waterkant te zetten en zo het oeverprofiel te herstellen. In geen geval mag hiervoor echter maaisel of ander plantenmateriaal worden gebruikt. Lid 4: Op de oever gezette baggerspecie en maaisel moet bij voorkeur zo snel mogelijk worden verwijderd of verspreid over de percelen. Het laten liggen van maaisel leidt tot verruiging van de waterkanten en is om die reden ongewenst. Maaisel kan worden gestort of worden gebruikt voor compostering of het opwerpen van broeihopen. Lid 5: Afzet van baggermateriaal of maaisel is niet altijd mogelijk aan de waterzijde van een weg langs het water. In dat geval moet het kunnen worden afgezet aan de landzijde van de betreffende weg. Artikel 13 Afrasteringen Als zich op percelen langs wateren dieren (vee als paarden, koeien, schapen en varkens) bevinden kunnen deze schade toebrengen aan de oevers en de stabiliteit daarvan. Dit kan leiden tot het verminderen van de doorstroming en de water­beheersing en leidt ook tot schade aan de ecologische toestand van water en oevers. Daarom kan het hoogheemraad­schap, wanneer zij dit nodig acht, gerechtigden verplichten een afrastering aan te brengen. Om te voorkomen dat dergelijke afrasteringen niet meer passeerbaar zijn voor toezichthouders mogen deze maximaal 0,90 meter hoog zijn. Verder dienen zij aan de landkant van de insteek van het talud te zijn geplaatst zodat geen schade aan het profiel en de vegetatie van het talud ontstaat. Het hoogheemraadschap kan om onderhouds- of andere waterstaatkundige redenen ook aanvullende eisen stellen. Artikel 14 Ingrepen en activiteiten in wateren en vrijwaringszones Lid 1-b: Redenen voor het verbod op demping van wateren zijn toegelicht in de Beleidsnota Inrichting, Gebruik en Onderhoud. In deze nota is tevens aange­geven onder welke voorwaarden ontheffing op dit verbod kan worden verleend en welke compenserende maatregelen dan moeten worden getroffen. Aanvragers van ontheffingen voor het verbod op dempingen dienen er rekening mee te houden dat vaak ook bij de provincie en/of de gemeente een vergunning moet worden aangevraagd. Lid 2:. De doorstroming, de waterbeheersing of het onderhoud mag niet gehinderd of geblokkeerd raken door drijvende en (half) gezonken voorwerpen, werken in het water of het nemen van ligplaats. Ook de ecologische toestand ofwel de trekmogelijkheden en leefruimte voor planten en dieren van het water zal in veel van deze gevallen worden aangetast. In dat kader zijn ook beperkingen gesteld aan de afmetingen van steigers en drijvende voorwerpen. Door deze beperkingen wordt in ieder geval de beschaduwing van het water en de beperking van leef- en trekmogelijkheden van planten en dieren langs de oevers en in het water enigszins beperkt. Lid 2-c: Tussen de onderkant van een woonschip en de aanleg- of onderhoudsdiepte van de ligplaats moet een ruimte overblijven van minimaal 0,6 meter. Deze speelruimte is nodig voor de aangroei van bagger en mogelijke wisselingen in waterpeil. Het ligplaats nemen mag namelijk niet leiden tot een onacceptabele vermindering van de doorstroming of, effectief gezien, zelfs demping van water wanneer het woonschip vast komt te liggen in de waterbodem. Lid 2-c-d-e: In watergangen dient de middenstrook van het water - een zone van gelijke breedte aan beide zijden van de as van het water - altijd over een breedte van minimaal 5 meter vrij te worden gehouden van obstakels, zodat het water en de oevers altijd toegankelijk blijven voor onderhoud en de bestrijding van calamiteiten op en langs het water met behulp van vaartuigen. Naast de '5 meter regel' gelden op vaarwegen voor motorvaartuigen ook de regels die door de vaarwegbeheerder gesteld zijn om de vaarstrook - ofwel de voor vlot en veilig scheepvaart­verkeer vrij te houden vaarwaterbreedte - vrij te houden. Voor de vaarwegen waar het hoogheem­raadschap is aangewezen als bevoegd gezag vaarwegbeheer is de breedte van de vaarstrook per vaarweg vastgelegd in een Verkeersbesluit (zie ook de toelichting bij lid 7 en de beleidsnota Vaarwater op Orde). In de meeste wateren waar het hoogheemraadschap géén ‘vaarwegbeheerder’ is, hoeft, wanneer het niet om een groene oever gaat (zie lid 5-a) en aan de Keur-voorwaarden van lid 2 en lid 5-b is voldaan, alleen ontheffing voor ligplaats nemen met (woon)schepen en drijvende voorwerpen en/of inrichtingen, te worden aangevraagd bij de vaarwegbeheerder. In de meeste vaarwegen in Amsterdam ten zuiden van het Noordzeekanaal is de vaarwegbeheerder de Dienst Binnenwaterbeheer namens de gemeente. Dit met uitzondering van de Gaasp en de Weespertrekvaart waar het hoogheemraadschap vaarwegbeheerder is. In de vaarwegen die genoemd zijn in lid 5-b is ligplaats nemen en het aanbrengen van werken niet toegestaan zonder ontheffing. Het Gemeentelijk Havenbedrijf is vaarwegbeheerder namens de gemeente in het IJ, het Noordzeekanaal en de havens van Westpoort, wateren die overigens formeel gezien buiten het beheergebied van AGV vallen. De Provincie Noord-Holland is vaarwegbeheerder van de Amstel ten zuiden van de Omval. Het Plassenschap Loosdrecht e.o. en het Recreatieschap Vinkeveense Plassen zijn namens gemeenten Wijde Meren en Breukelen, respectievelijk De Ronde Venen, bevoegd gezag vaarwegbeheer van de betreffende plassengebieden en een aantal vaarwegen daaromheen. De gemeente Hilversum is bevoegd gezag vaarwegbeheer van het Hilversums Kanaal. Het hoogheemraadschap acht het juridisch instrumentarium van deze overheden beter geschikt om naast het gebruik als vaarweg ook de landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden en de belangen van (andere) bewoners en gebruikers te toetsen en te beschermen. Lid 2-c: Drijvende voorwerpen dienen in ieder geval de middenstrook van het water over een breedte van 5 meter vrij te laten. In de vaarwegen buiten Amsterdam zijn, daar waar het hoogheemraadschap vaarwegbeheerder is, middels lid 6 strengere eisen gesteld om het landschap en de ecologische- en natuurwaarden te beschermen. In de wateren waar andere overheden vaarwegbeheerder zijn hebben deze doorgaans eveneens specifieke eisen gesteld aan (drijvende) steigers en drijvende voorwerpen (zie ook toelichting 2-d). Lid 2-d: Een uitzondering op de maximale breedte is gemaakt voor loopplanken (maximaal 2), bijvoorbeeld om woonboten te bereiken. Deze moeten wel direct verwijderd kunnen worden om onderhoud van de waterbodem of de oever mogelijk te maken. Een dergelijke loopplank mag maximaal 2 meter breed zijn en op niet meer dan 2 palen in het water rusten. Lid 2-e: Steigers en andere werken mogen in principe nooit breder zijn dan 1,2 meter of ze moeten voldoen aan de afmetingen en constructie van de bouwtekeningen van bijlage
  5. De breedte mag niet meer zijn dan 1,2 meter omdat de ruimte onder de werken bereikbaar moet zijn en blijven voor maai-, bagger en ander onderhoud. Daarnaast moet de ruimte onder de werken en de oever(beschoeiing) ook vrij blijven voor inspectie en onderhoud. Er is een uitzondering gemaakt voor werken van maximaal 1, 2 meter breed die uit de waterkant het water in reiken, voorzover deze rondom bereikbaar zijn voor onderhoud. Steigers en andere werken mogen ook niet op meer dan 2 palen in het water rusten omdat dit anders wordt beschouwd als demping en omdat de onderkant van de werken en de oever dan moeilijker bereikbaar worden voor (bagger)onderhoud. Alle werken moeten daarnaast de middenstrook van het water over een breedte van minimaal 5 meter vrij laten. Redenen voor voornoemde eisen zijn het zo min mogelijk beperken van de doorstroming; en daarnaast water en oevers, en de ruimte onder en achter het werk, zoveel mogelijk toegankelijk houden voor onderhoud en voor de bestrijding van calamiteiten, ook met behulp van vaartuigen Als een werk niet aan voornoemde voorwaarden voldoet dient altijd een ontheffing bij het hoogheemraadschap te worden aangevraagd. Het aanvragen van een ontheffing kan ook noodzakelijk zijn wanneer een ander verbod uit de Keur van toepassing is, zoals het verbod op aanbrengen van werken in groene zones (art. 14: lid 5-a); op demping (art. 14 lid 1-b); en op activiteiten in een waterkering of de beschermingszone daarvan (Artikel 9). Bij een ontheffingaanvraag op grond van artikel 14 worden ook de effecten op de stabiliteit van een eventueel achterliggende waterkering getoetst. Bij het veranderen of maken van werken kan ook andere regelgeving waarvan de uitvoering aan het hoogheemraadschap is opgedragen van toepassing zijn, zoals vaarwegverkeersregelgeving (zie toelichting lid 7), het Bouwstoffenbesluit en de Wet verontreiniging oppervlakte­wateren (Wvo). Het is daarom aan te raden altijd vroegtijdig bij het hoogheemraad­schap na te gaan of een ontheffing noodzakelijk is vanwege verboden uit de Keur of op grond van de andere hiervoor genoemde regelgeving. Lid 2-f: Voor het aanbrengen of vervangen van beschoeiing is geen ontheffing noodzakelijk. Wel is een melding minimaal 6 weken voor de ingreep verplicht (conform artikel 24). Lid 2-f is met name bedoeld om verkeerd materiaalgebruik, demping en schade aan oevervegetatie en achtergelegen waterkeringen te voorkomen. Lid 4-a-b: Deze verboden richten zich op het toegankelijk houden van het water voor onderhoud en daarnaast op het zoveel mogelijk beperken van schade aan de ecologische toestand, met name ook in ecologische verbindingszones, door de verbreding of aanleg van infrastructuur en bebouwing over wateren en oevers van primaire wateren. De voorwaarden waaronder ontheffing kan worden verleend zijn te vinden in de Beleidsnota Inrichting, Gebruik en Onderhoud. Lid 4-c: Graven mag geen negatief effect hebben op de ecologische toestand van water of oevers, op groene oevers, of op de stabiliteit van waterbodem of oevers. Graven in de beschermingszone van een waterkering, die zich ook over het water uit kan strekken, i

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.