2013-10 Beleidsregels Terug- en invordering en verhaal SZW gemeente Maassluis 2013Het college van burgemeester en wethouders van Maassluis, Gelet op de Wet werk en bijstand, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet kinderopvang, de Wet inburgering en hoofdstuk 4 van de Algemene wet Bestuursrecht; Besluit vast te stellen de volgende Beleidsregels Terug- en invordering en verhaal SZW gemeente Maassluis 2013 HOOFDSTUKIALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet kinderopvang, de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek. 2.In deze regeling wordt verstaan onder: WWB: Wet werk en bijstand; WI: Wet inburgering; Wk: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; BW: Burgerlijk Wetboek; Awb: Algemene wet bestuursrecht; Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; verstrekking: de door het college betaalde kosten van bijstand als bedoeld in de WWB, de uitkering als bedoeld in de IOAW en IOAZ en de tegemoetkoming kinderopvang als bedoeld in Wk; vordering: de door het college teruggevorderde kosten van bijstand als bedoeld in de WWB, de teruggevorderde uitkering als bedoeld in de IOAW en IOAZ, de teruggevorderde tegemoetkoming kinderopvang als bedoeld in de Wk, de eigen bijdrage inburgering als bedoeld in de WI en een opgelegde boete als bedoeld in de WI; brutering: het verhogen van de vordering met de loonheffingen waarvoor de gemeente die de uitkering vertrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover de loonheffingen niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonheffingen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis. fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het verwijtbaar niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ, artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 1.28 Wk; Artikel2.Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, brutering, aflossing krediethypotheek en verhaal 1.Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid, om: a.bijstand terug te vorderen op grond van de artikelen 58 tot en met 60 WWB; b.uitkering terug te vorderen op grond van de artikelen 25, 26 en 28 IOAW; c.uitkering terug te vorderen op grond van de artikelen 25, 26 en 28 IOAZ; d.een tegemoetkoming terug te vorderen op grond van artikel 1.38 Wk. 2.Voor zover dit vereist is om tot terugvordering te kunnen overgaan, maakt het college tevens gebruik van de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een verstrekking als bedoeld in het eerste lid, te herzien of in te trekken. 3.Het college bruteert de vordering, welke is ontstaan door gebruik te maken van de onder lid 1 en 2 genoemde bevoegdheden, bij niet tijdige betaling. 4.Het college continueert het aflossingsregime zoals dat is geregeld in het Bijstandsbesluit krediethypotheek (Bbk) voor krediethypotheken die voor 1 januari 1996 zijn gevestigd en het Besluit krediethypotheek bijstand (Bkb) voor krediethypotheken die op of na 1 januari 1996 zijn gevestigd; 5.Het college maakt geen gebruik van zijn bevoegdheid tot verhaal op grond van artikel 62 WWB. Artikel3.Uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 eerste lid onder a tot en met c vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden (zesmaandenjurisprudentie). 2.Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 eerste lid onder a tot en met c beperkt het college de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan bijstand zou zijn verstrekt, zo belanghebbende wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, indien sprake is van intrekking van het recht op bijstand over een langere periode omdat belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen vermogen. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 derde lid ziet het college af van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. HOOFDSTUKIIGEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERDERE TERUGVORDERING Artikel4.Reikwijdte De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op fraudevorderingen die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan. Artikel5.Kwijtschelding bij schuldregeling 1.Het college besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van vorderingen indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.redelijkerwijs is te voorzien dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en b.redelijkerwijs is te voorzien dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en c.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand zal ten minste worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien: a.de terugvordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht; of b.de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken, behoudens voor zover de vordering niet op die zaken verhaald kan worden. 3.Het college trekt het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering in of wijzigt dit besluit ten nadele van de belanghebbende indien: a.niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden; b.de belanghebbende zijn vordering aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel6.Afzien van (verdere) terugvordering na het voldoen aan de betalingsverplichting 1.In afwijking van artikel 2, eerste lid besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. 2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder a of b slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c wordt uitsluitend ambtshalve besloten. 3.De in het eerste lid onder a en b genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan. 4.Op verzoek van de belanghebbende kan het college instemmen met het verzoek tot afkoop van het restant van de vordering indien de afkoop meer oplevert dan wanneer de gebruikelijke incassoprocedure zou worden gevolgd. Artikel7.Uitzonderingen 1.Artikel 6 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die: a.het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; b.door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden; 2.Het op basis van artikel 6 genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering kan worden ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel8.Kruimelbedragen 1.In afwijking van artikel 2 eerste lid ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 25,-- op netto basis niet te boven gaat. 2.Het college ziet af van nadere invordering nadat een terugvorderingsbesluit is genomen, indien er sprake is van een restantvordering onder de € 150,-- en het treffen van (verdere) invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet doelmatig is en er geen andere vorderingen meer openstaan. HOOFDSTUKIIIINVORDERING Artikel9.Algemene bepaling met betrekking tot invordering 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 2 van de Verordening betalingstermijn vorderingen Wet werk en bijstand gemeente Maassluis genoemde betalingstermijn van 30 dagen; 2.Het terugvorderingsbesluit omvat de volgende punten: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 30 dagen na verzenddatum van de beschikking een betalingsregeling te treffen; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting; de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden; mogelijkheid tot brutering van de netto vordering. Artikel10.Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de WWB en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 9 genoemde betalingstermijn gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ. Artikel11.Betalingsvoorstel en uitstel van betaling Het college verleent ambtshalve uitstel van betaling dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende wanneer duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. Het besluit inzake de betalingsregeling vermeldt in ieder geval: de maandelijkse aflossingsverplichting; de datum van ingang van de aflossingsverplichting; de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd waaronder tevens begrepen de aankondiging dat eventuele executiekosten vanwege inschakeling van derden voor rekening van belanghebbende zijn; de mededeling dat, bij gebreke van tijdige betaling, de vordering in zijn geheel, zonder verdere vooraankondiging, ineens opeisbaar wordt en dat het college in dat geval niet langer gehouden is aan de vastgestelde aflossingsverplichting ingevolge lid 2 sub a; aan welke vordering(en) de betaling wordt toegerekend. Het besluit van het college als bedoeld in lid 2 geldt tevens als besluit tot uitstel als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb. Aan het uitstel van betaling kunnen in ieder geval de volgende verplichtingen worden verbonden: de verplichting om de ontvangst van inkomsten of vermogen onverwijld te melden; de verplichting om een wijziging van leef- of woonsituatie te melden; de verplichting om bepaalde vermogensbestanddelen te gelde te maken. Een ingediend verzoek om voor een schuldregeling in aanmerking te komen, vormt voor het college geen reden om de beslissing tot oplegging van een vordering op te schorten of uitstel van terugbetaling van de opgelegde vordering te verlenen. Het college wijst een verzoek van belanghebbende tot een betalingsregeling of betalingsvoorstel af indien belanghebbende beschikt over vermogen voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het zesde lid: worden de vorderingen die het gevolg zijn van teveel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten en; is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de WWB van overeenkomstige toepassing. Artikel12.Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit 1.Indien belanghebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingsverplichting 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag. 2.Voor een belanghebbende met een inkomen boven bijstandsniveau geldt: Betaling binnen 30 dagen; Betaling binnen maximaal 12 maanden wanneer a niet haalbaar is; Indien a en b niet haalbaar zijn, wordt een betalingsregeling naar draagkracht vastgesteld. 3.Voor zover de debiteur zijn aflossingsverplichting blijft voldoen, blijft de aflossingsregeling die is afgesproken vóór 1 januari 2013 van toepassing. Artikel13.Continuering van de duur en hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom De tijdens de uitkeringsperiode vastgestelde aflossingsverplichting wordt gecontinueerd voor een periode van 12 maanden na beëindiging van de WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering. Artikel14.Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college 1.Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van belanghebbende is gewijzigd, kan het college de draagkracht opnieuw beoordelen. 2.Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het eerste lid, aanwezig is, stelt het college telkens binnen 24 maanden een onderzoek in, tenzij gemotiveerd een andere frequentie wordt bepaald. 3.Wanneer het college als gevolg van een onderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking. 4.In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking. Artikel15.Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende 1Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: a.wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting; of b.tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen. 2.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op, tenzij er sprake is van dringende redenen. Artikel16.Aanmaning, verrekening, beslag en rente bij niet tijdige betaling 1.Indien belanghebbende niet betaalt en niet bereid is tot het treffen van een minnelijke regeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet nakomt wordt hij aangemaand om binnen 2 weken te betalen. 2.Indien belanghebbende na te zijn aangemaand, niet bereid is tot het treffen van een minnelijke regeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: a.verrekening met de periodiek verleende verstrekking op grond van artikel 4:93 Awb; of bij het ontbreken van deze mogelijkheid b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv; of c.een executoriaal of conservatoir beslag op roerende of onroerende goederen, overeenkomstig het Tweede boek Rv. Artikel17.Rente – en aanmaningskosten: 1.Het college brengt geen aanmaningskosten in rekening. 2.Indien het college de vordering ter executie overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, dan worden de door de derde gemaakte kosten volledig doorberekend aan belanghebbende en wordt de vordering verhoogd met wettelijke rente. 3.De uitvaardiging en tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van belanghebbende. HOOFDSTUKIVSLOTBEPALINGEN REGELING Artikel18.Inwerkingtreding en toepassingsbereik Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Op dat moment vervalt het Debiteurenbeleidsplan Maassluis 2011 e.v. Artikel19.Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Terug- en invordering en verhaal SZW gemeente Maassluis
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.