Handhavingsverordening Wwb Waddinxveen 2013De raad van de gemeente Waddinxveen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Waddinxveen d.d. 18 december 2012; gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet, artikel 8 van de Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 35 IOAZ en IOAW; besluit vast te stellen de “Handhavingsverordening Wwb Waddinxveen 2013” . Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1- Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven in deze verordening en de toelichting, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Re-integratieverordening van Waddinxveen en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz); bijstandsnorm: het bedrag per maand als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Wwb, vermeerderd of verminderd met de op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 door het college vastgestelde verhoging of verlaging; bijstand: de algemene en bijzondere bijstand, dan wel een inkomen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).; afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wwb, artikel 20, tweede lid van de IOAW en artikel 20, eerste lid van de IOAZ; benadelingsbedrag: het bruto bedrag aan bijstand dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting ingevolge de wet ten onrechte is verleend, danwel de netto bijstand waarop de belanghebbende aanspraak kan maken doordat hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond; beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand; bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet werk en bijstand; verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand. Hoofdstuk2.Algemene bepalingen m.b.t. opleggen maatregel Artikel2- Het besluit tot afstemming 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd. 2.De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.Voor het besluit tot verlaging van de bijstand wordt, in afwijking van artikel 4:12 Awb, de belanghebbende gehoord indien de afstemming meer bedraagt dan 50% gedurende één maand van de bijstandsnorm. Artikel3- Afzien van afstemming 1.Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen of indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel4- Berekening van de afstemming 1.De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag ingevolge de IOAW en IOAZ. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Wwb. 3.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 van de Wwb wanneer er conform artikel 14 van deze verordening sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel5- Ingangsdatum en tijdvak 1.Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. De terugwerkende kracht gaat niet verder dan de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 3.Nadat het recht op uitkering of bijstand is beëindigd, kan (uitvoering van) het besluit tot afstemming alsnog plaatsvinden in geval van een (nieuwe) bijstandsaanvraag en wel met betrekking tot te verlenen bijstand over de periode tot uiterlijk drie maanden na het besluit tot beëindiging. Artikel6- Samenloop van gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden beide van toepassingzijnde verlagingen als vermeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening, gelijktijdig toegepast waarbij de verlaging ten hoogste 100% per maand bedraagt. Artikel7- Recidive 1.De duur van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Met een besluit tot verlaging wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening. 2.Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de bijstand voor onbepaalde tijd weigeren. 3.Onder een verwijtbare gedraging wordt in dit artikel verstaan een gedraging als bedoeld in artikel 9 van deze verordening. Artikel8- Heroverweging 1.Het college heroverweegt de in artikel 7 lid 2 van deze verordening bedoelde verlaging voor onbepaalde duur of de verlaging voor een periode voor meer dan drie maanden, binnen een termijn van twee maanden na de datum van het besluit tot verlaging of de voortzetting van de verlaging. 2.In het kader van de heroverweging beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende de aanleiding kan geven te besluiten tot herziening, beëindiging of voortzetting van de verlaging. Hoofdstuk3.niet nakomen verplichtingen Artikel9- Categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet (tijdig) inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; Tweede categorie: Het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; Derde categorie: Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de Wwb danwel artikel 37 IOAW of IOAZ, waaronder begrepen sociale activering; Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44 van de Wwb. Vierde categorie: Het niet aanvaarden van een door het college aangeboden participatiebaan; Vijfde categorie: Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of loonvormende arbeid. Het niet aanvaarden of behouden van parttime arbeid Artikel10- De hoogte en duur van de maatregel Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 9; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 9; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9; 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij gedragingen van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9, waarbij voor de situatie als beschreven onder artikel 9 lid 5 sub b, de maatregel naar verhouding wordt toegepast. Hoofdstuk4.Overige gedragingen die leiden tot een afstemming Artikel11- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, wordt, met uitzondering van wat in lid 3 staat vermeld, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. 2.Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 maanden of korter. 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 tot 6 maanden. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode van 6 maanden en langer. 3.In afwijking van lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt de verlaging bij het onverantwoord interen van vermogen: 10% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening tot 3 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening tot 3 tot 6 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening meer dan 6 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 4.In afwijking van het eerste, tweede en derde lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een participatiebaan” gelijkgesteld aan een gedraging van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9, vijfde lid van deze verordening. Voor het bepalen van de hoogte van de maatregel is artikel 10 van deze verordening van overeenkomstige toepassing. Artikel12- Nadere verplichtingen Indien aan de belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate wordt nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20% van de bijstandsnorm. Artikel13- Zeer ernstige misdragingen Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en andere personen die met de uitvoering van de wet zijn belast, zoals medewerkers van het UWV WERKbedrijf en van re-integratiebedrijven, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: verbaal geweld (schelden); discriminatie; tweede categorie: intimidatie (uitoefenen van psychische druk); zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); derde categorie: mensgericht fysiek geweld; combinatie van agressievormen. Artikel14- De hoogte en duur van de afstemming Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de verlaging vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 16; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 16; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 16. Hoofdstuk5bestuurlijke boete Artikel15Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit 1.Indien het bezit van belanghebbende ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete zonder in achtneming van de beslagvrije voet. 2.De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. Artikel16Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit 1.Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete gedurende één maand zonder in achtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. 2.Aansluitend op de verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. 3.Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen gerekend als bedoel in artikel 31 lid 2 onderdelen n en r van de Wwb. Artikel17Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet In afwijking van de artikelen 15 en 16 kan het college de recidiveboete met in achtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: aannemelijk is dat verrekening op de wijze als bedoeld in deze artikelen zou leiden tot huisuitzetting van de belanghebbende en diens gezin; of anderszins sprake is van dringende redenen. Artikel18Eerder opgelegde boetes De artikelen 15 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a lid 1 van de Wwb, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete. Hoofdstuk6.Slotbepalingen Artikel19.Voorlichting, communicatie en hoogwaardig handhaven 1.Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van fraude, en ook van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Het college stelt ter nadere uitvoering van dit onderdeel van de verordening nadere regels vast, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van de uitkering zijn verbonden, en over de consequenties van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het college in uitvoeringsvoorschriften ten minste de wijze van controle bij de aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, alsmede het gebruik van signaal- en risicosturing bij de beoordeling van de aanvraag. 3.Het college voert onderzoeken en bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Artikel20.Aangifte bij OM Indien een gedraging van een belanghebbende als bedoeld in artikel 3van deze verordening leidt tot benadeling van de gemeente, doet het college, onverminderd de mogelijkheid de ten onrechte ontvangen uitkering terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met het door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten. Artikel21Overgangsbepaling De “Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011“, de “Maatregelverordening IOAW en IOAZ” en de ”Handhavingsverordening 2011” komen te vervallen met dien verstande dat op de besluiten (waaronder begrepen vorderingen en maatregelen) die zijn genomen voor 1 januari 2013 en gebaseerd op deze verordeningen, de betreffende verordeningen van toepassing blijven. Artikel22- De inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel23- De citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Handhavingsverordening Wwb Waddinxveen 2013. Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Waddinxveen in zijn openbare vergaderingvan 30 januari 2013de griffier, de voorzitter,(mr. F.W. van der Dussen) (drs H.P.L. Cremers'Toelichting bij de Handhavingsverordening Waddinxveen AlgemeenRechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Burgemeester en wethouders stemmen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de mogelijkheden en middelen van de belanghebbende of het gezin. Wanneer burgemeester en wethouder constateren dat de belanghebbende zich niet aan de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen (inclusief die aan hem in de beschikking zijn opgelegd) houdt of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid toont, zijn zij gehouden de bijstand te verlagen. De eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening houdt in dat aan het verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze verplichtingen gelden vanaf de melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. Door de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving kan alleen een maatregel worden opgelegd indien iemand niet meewerkt aan de verplichtingen die verbonden zijn aan het hebben van een uitkering (Wwb, Ioaw, Ioaz of Bbz). Indien iemand niet de juiste informatie verstrekt is leidt dit niet tot een maatregel, maar moet het volledige bedrag worden teruggevorderd en dient een bestuurlijke boete te worden opgelegd. De bevoegdheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete is een collegebevoegdheid die rechtstreeks voortvloeit uit de wet en hoeft niet geregeld te worden in een verordening. Alleen in die gevallen dat er sprake is van recidive in combinatie met de mogelijkheid tot verrekenen van de bestuurlijke boete met de uitkering, dient hierover een bepaling in een verordening te worden vastgelegd. Voor de overzichtelijkheid van de handhavingsinstrumenten zijn zowel de mogelijkheid om verrekening toe te passen als de mogelijkheid om een recidiveboete op te leggen in deze verordening opgenomen. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 - BegripsbepalingenDe begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand (WWB). Verder is de handhaving van de IOAW, de IOAZ en de Bbz in de verordening geïntegreerd. De beschrijving spreekt voor zich waardoor een nadere toelichting niet noodzakelijk is. Artikel 2 - Het besluit tot afstemmingDe WWB - evenals de Ioaw en Ioaz - verbindt aan het recht op een bijstand de volgende verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid Wwb). De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 Wwb). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden voor iedere cliënt nader uitgewerkt met inachtneming van de Re-integratieverordening. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid Wwb). Dit is de plicht van iedere cliënt om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: - het toestaan van huisbezoek; - het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18, tweede lid Wwb, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of de bijstand moet worden verlaagd, en zo ja hoe, telkens drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging voor te schrijven. Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van de cliënt, een andere dan de standaardverlaging kan worden opgelegd. Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de omstandigheden waaronder de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen of de mate waarin belanghebbende bekend verondersteld kan worden met de hem opgelegde verplichtingen. Toetsing van de mate van verwijtbaarheid kan in individuele gevallen leiden tot een grotere of een mindere verlaging dan de standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel niet verwijtbaar is, wordt geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder a van deze verordening en de toelichting hierop. Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert kan gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling, of het effect van een opeenstapeling van verlagingen. Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging waarvoor verlaging van de bijstand gepast is en dossieronderzoek doet naar de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de bijstand te verlagen. 3.In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de belangrijkste algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader uitgewerkt. Eén van de verplichtingen van het college is het horen van de belanghebbende. Dit is aangegeven in de artikelen 4:7 en 4:8 Awb. In artikel 4:12 Awb zijn enkele uitzonderingen opgenomen waaronder het horen niet behoeft plaats te vinden. In de verordening is de verplichting opgenomen om steeds te horen indien de verlaging indien de afstemming meer bedraagt dan 50% van de uitkering. Voordat een besluit wordt genomen, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen om de uitkering af te stemmen. Omdat de belanghebbende op geen enkele manier beïnvloed mag worden door het college, bijvoorbeeld doordat hij overvallen wordt door een telefoontje van de gemeente, is het aan te bevelen om het horen schriftelijk uit te voeren. De cliënt krijgt dan van het college een brief “voornemen tot het afstemmen van de uitkering”. In deze brief wordt belanghebbende de mogelijkheid geboden schriftelijk te reageren of desgewenst een afspraak te maken. Dit wijkt af van de werkwijze die gehanteerd moet worden bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Hiervoor geldt dat m.u.v. de gevallen die in de Awb en de Wwb zijn beschreven, belanghebbende altijd gehoord moet worden. . Artikel 3 - Afzien van afstemming1.Het afzien van het verlagen van de bijstand ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is o.a. geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het ontbreken van iedere verwijtbaarheid kan niet snel worden aangenomen en het om deze reden afzien van het verlagen zal dus tot de uitzonderingen behoren. Een andere reden om af te zien van het verlagen van de bijstand is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.