Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2009De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 maart 2009; gelet op de artikel 4 van de Wet op het Primair Onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het Voortgezet Onderwijs en de Algemene wet bestuursrecht; besluit vast te stellen de “Verordening leerlingenvervoer Gemeente Nieuwegein 2009” TITEL1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: school: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495); een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496); een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512); aanvrager: de ouders, voogden en verzorgers (ook pleegouders) van de leerling; leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld onder c, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken; woning: de plaats(
(2)en toestemming van het college krijgt om de leerling zelf te vervoeren met een eigen vervoermiddel, geldt een vergoeding per kilometer, mits dit voor de gemeente de goedkoopste voorziening is. De kilometervergoeding is gebaseerd op Reisbesluit Binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling Binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). Lid 3 en lid 4: In artikel 11, derde lid, van de verordening is bepaald, dat aan de aanvrager die meer dan één leerling tegelijk vervoert en daarvoor van het college toestemming heeft gekregen, bekostiging op basis van een kilometervergoeding wordt verstrekt. Dit is ook het geval wanneer de aanvrager eigenlijk slechts aanspraak maakt op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. Aan de aanvrager die één of meer leerlingen laat vervoeren door andere (pleeg)ouders/voogden/verzorgers, wordt geen bekostiging verstrekt. Lid 5: Ten slotte bepaalt artikel 11, vijfde lid, van de verordening dat het college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers (brom)fietsvervoer (Reisregeling Binnenland), wanneer de leerling gebruik maakt van het vervoer per (brom)fiets. Hiervan is sprake als: het college van oordeel is dat de leerling al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets; de aanvrager dit wenst, bijvoorbeeld in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming geeft. Artikel 12 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer of eigen vervoer per (brom)fiets ten behoeve van een begeleider Lid 1:In een aantal gevallen is het voor de leerling niet mogelijk zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Begeleiding is een verantwoordelijkheid van de aanvrager. In artikel 12 van de verordening is hiervoor een regeling getroffen. Uit artikel 12 blijkt: dat de afstand van de woning naar de school meer dan 6 kilometer moet zijn om voor de betreffende vervoersvoorziening ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen; dat een dergelijke vervoersvoorziening slechts wordt verstrekt aan de aanvrager wanneer de leerling op 1 augustus van het schooljaar jonger is dan 9 jaar. Met andere woorden: de regeling gaat ervan uit dat een leerling van 9 jaar en ouder zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik kan maken. dat door de aanvrager genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik te maken. Dit ‘genoegzaam aantonen’ moet ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. Lid 2: Wie uiteindelijk als begeleider fungeert is in principe niet van belang. Ongeacht wie de leerling begeleidt, wordt de voorziening t.b.v. de begeleider verstrekt aan de aanvrager. Wanneer een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan één leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van één leerling. TITEL 3 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJSArtikel 13 De dichtstbijzijnde toegankelijke cluster 4 school Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 14 Commissie voor de begeleidingIn artikel 14 is bepaald dat alleen wanneer het college een negatieve beschikking op een voorziening af geeft, het advies van de commissie voor de begeleiding daarbij moet worden betrokken. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden wanneer de gemeente dit wenst. In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het de verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap van de leerling betreft. De commissies hebben geen adviserende taak wanneer het betreft: de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel 16, onder a, van de verordening); de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 16, onder b, van de verordening). Artikel 15 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoerVoor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt net als voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt: ‘een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer´. In de verordening is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs een afstandsgrens opgenomen, van meer dan 4 kilometer Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 16 lid 2 van de verordening. Daarin staat dat als de afstand naar de school 4 (4,0) kilometer of minder is, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de leerling als gevolg van zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking – ook niet onder begeleiding- gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Net als bij de regeling voor het vervoer naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke vervoersvoorziening verstrekt. Artikel 16 Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoerOok voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer in principe uitzondering is. In artikel 16 van de verordening is opgenomen wanneer een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt verstrekt. Lid 1: Wanneer voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 15, wordt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer verstrekt, wanneer: Onderdeel a: de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Zie ook de toelichting op artikel 10 onderdeel a. Onderdeel b:openbaar vervoer ontbreekt. Onderdeel c: de leerling vanwege zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding- van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college tot slot ook een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer. Lid 2: Zoals al gezegd is het uitgangspunt van de verordening, dat voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening (afstandsgrens), dat is gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Echter, artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalt dat leerlingen, die vanwege hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze vervoerd dienen te worden. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van 4 (4,0) kilometer of minder aangepast vervoer behoeft. Artikel 16, tweede lid, van de verordening voorziet daarin. Maakt de structurele handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school die 4 (4,0) kilometer of dichterbij van de woning is gelegen, dan kan de aanvrager toch in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer. (Deze leerlingen vallen dus niet onder titel 4 van de verordening.) Artikel 17 Een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoerMet name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan het voorkomen dat de aanvrager de leerling zelf wenst te vervoeren of te laten vervoeren. In artikel 17 van de verordening zijn hiervoor nadere voorschriften gegeven. Hiervoor is toestemming van het college noodzakelijk. Lid 2, onderdeel a en b: Maakt de aanvrager aanspraak op een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer en vervoert hij/zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of laat de aanvrager de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college de kosten van het openbaar vervoer. Wanneer de aanvrager aanspraak maakt op een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en de leerling zelf vervoert of laat vervoeren, na toestemming van het college, dan bekostigt het college een bedrag per kilometer. Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling Binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de toelichting op artikel
- Lid 3 en lid 4: In artikel 17, derde lid, van de verordening is ook bepaald dat wanneer het college de aanvrager op verzoek toestaat meer dan één leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een kilometervergoeding plaatsvindt. Dit geldt ook wanneer de aanvrager eigenlijk aanspraak maakt op een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer. Lid 5: Wanneer aan de aanvrager toestemming is verleend of het college zelf van oordeel is dat de leerling al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van de (brom)fiets, wordt een kilometervergoeding voor de (brom)fiets verstrekt, afgeleid van de Reisregeling Binnenland. Artikel 18 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer of eigen vervoer per (brom)fiets ten behoeve van een begeleider Lid 1:Wanneer een aanvrager op grond van artikel 15 of 17, vijfde lid, van de verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer of eigen vervoer per (brom)fiets, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik kan maken, komt de aanvrager ook in aanmerking voor de daarin bedoelde vervoersvoorziening ten behoeve van een begeleider. In dit artikel staan de daarbij horende bepalingen. Daaruit blijkt: dat de afstand van de woning naar de school meer dan 4 kilometer moet zijn om voor de betreffende vervoersvoorziening ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen; dat de leerling op 1 augustus van het jaar jonger dan 9 jaar is en daardoor niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik te maken of dat de leerling door zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik te maken, dat door de aanvrager genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom)fiets gebruik te maken. Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling voor een vervoersvoorziening ten behoeve van een begeleider onder titel 2 van de verordening - dat de bewijslast bij de aanvrager ligt. Lid 2:Tot slot geldt ook dat het niet van belang is wie uiteindelijk als begeleider fungeert en dat wanneer een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan één leerling tegelijk begeleidt, slechts bekostiging wordt verstrekt als ware er sprake van de begeleiding van één leerling. TITEL 4 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJSArtikel 19 Permanente commissie leerlingenzorg of andere deskundigenZie de toelichting bij artikel
- Artikel 20 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleidingLid 1:In titel 4 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier primair en voortgezet onderwijs in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen afstandscriterium. Wel moet artikel 6 voor hen in acht worden genomen. Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 4 vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 7- recht hebben op vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Uitgangspunt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening voor het vervoer van deze leerlingen is een voorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding. Lid 2: In het tweede lid van artikel 20 van de verordening wordt geregeld dat wanneer een begeleider meer dan één leerling begeleidt, enkel de kosten van één begeleider voor bekostiging in aanmerking komen. Artikel 21 Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoerIn artikel 21 is opgenomen dat op grond van artikel 20 recht bestaat op een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding de aanvrager aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, wanneer: de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of; openbaar vervoer ontbreekt, of; de leerling vanwege zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding- van openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 22 Een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoerOver eigen vervoer is een uitgebreide toelichting te vinden bij de toelichting op de artikelen 11 en 17 van de verordening. In artikel 22 van de verordening wordt de bekostiging gerelateerd aan de vervoersvoorziening waarvoor de aanvrager op basis van de verordening in aanmerking komt. Voor de leerlingen in titel 4 betekent dit ofwel een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 20) ofwel een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer (artikel 21). TITEL 5: BEPALINGEN OVER WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOERArtikel 23 Een vervoersvoorziening ten behoeve van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende aanvragerArtikel 23 van de verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen: het college van de gemeente waar de aanvrager woont, verstrekt een vervoersvoorziening ten behoeve van het weekeinde- en vakantievervoer; het college verstrekt een vervoersvoorziening ten behoeve van het weekeinde- en vakantievervoer wanneer het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Ad 1:Wanneer de aanvrager aanspraak maakt op een vervoersvoorziening ten behoeve van het weekeinde- en vakantievervoer van een leerling, dan wordt deze voorziening verstrekt door het college van de gemeente waar de aanvrager zijn woonadres heeft, en dus niet door het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt. Ad 2:Essentieel voor de regeling is dat pas een vervoersvoorziening ten behoeve van het weekeinde- en vakantievervoer wordt verstrekt als het verblijf in het internaat of pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn (pleeg)ouders/voogden/verzorgers om sociale of medische redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt geen leerlingenvervoer toegekend. Voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Lid 2 en 3: Het tweede en derde lid van artikel 23 van de verordening bepalen welke bekostiging maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van: de reis van het internaat of pleeggezin naar het woonadres van de aanvrager en terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties; de reis van het internaat of het pleeggezin naar het woonadres van de aanvrager en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Welke vervoersvoorziening wordt verstrekt, bepaalt het college van de gemeente waar de aanvrager woont. Lid 4: Het vierde lid van artikel 23 van de verordening geeft aan dat de bepalingen van Titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering van artikel 14, artikel 16 lid 1 onder a en lid
- Zie voor verdere toelichting de toelichting bij deze artikelen. De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook van toepassing, alsmede het bepaalde in Titel
- TITEL 6 DREMPELBEDRAG EN FINANCIËLE DRAAGKRACHT AFHANKELIJK(E) BEDRAG OF BIJDRAGEArtikel 24 DrempelbedragDit artikel heeft tot doel de aanvrager verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag houdt in, dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de aanvrager komen. In de verordening is de kilometergrens voor het basis- en speciaal basisonderwijs op 6 kilometer gesteld en voor het (voortgezet) speciaal onderwijs op 4 kilometer. (resp. artikel 9 en artikel 15). Lid 1 en lid 4: De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken en waarvan de aanvrager een inkomen van meer dan € 22.050,- hebben. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van € 450,
- Lid 2 en lid 3: Voor de berekening van de hoogte van het drempelbedrag is de gemeente gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dient de aanvrager de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de kortste meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route. Lid 5: Voor leerlingen die onder titel 4 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de aanvrager geen drempelbedrag gevraagd mag worden. Artikel 25 Financiële draagkracht afhankelijk(e) bedrag of bijdrageLid 1 en 2: Artikel 25 van de verordening bepaalt dat aan de aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt en van wie de school ten minste 20 kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage gevraagd wordt in de kosten van het vervoer (max. de kosten van het vervoer). Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd. Lid 3, 4 en 5: Er is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO. Lid 6: Voor leerlingen die onder titel 4 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de aanvrager geen financiële draagkracht afhankelijk(e) bedrag of bijdrage gevraagd mag worden. TITEL 7: SLOTBEPALINGENArtikel 26 Afwijken van bepalingenDit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in, dat het college slechts in voor de aanvrager voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC. Er moet op worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van de aanvrager betrekking hebbende argumenten. Daarnaast wordt in artikel 27 van de verordening bepaald dat het college zo nodig het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen vraagt. Artikel 27 Intrekking oude regelingIn artikel 28 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.