Verordening tot bescherming van natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente NieuwegeinDe raad van de gemeente Nieuwegein; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 april 1984; gelet op het bepaalde in artikel 168 van de gemeentewet; b e s l u i t : vast te stellen de volgende “Verordening tot bescherming van natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente Nieuwegein”. HOOFDSTUKIALGEMENE BEPALING Artikel1 Deze verordening is van toepassing op het gedeelte van het grondgebied van de gemeente Nieuwegein dat zich bevindt binnen de grenzen van de bebouwde kom, zoals deze ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de Wegenwet door gedeputeerde staten zijn vastgesteld. HOOFDSTUKIIOPSCHRIFTEN, AANKONDIGINGEN EN AFBEELDINGEN Artikel2 1.Het is de zakelijk gerechtigde en/of de gebruiker van enig onroerend goed verboden, dit goed geheel of ten dele, al dan niet door middel van enig daarop aanwezig roerend goed, aan te wenden of de aanwending daarvan te gedogen voor het aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in welke vorm ook, welke vanaf een openbare weg, een openbaar vaarwater, of een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. 2.Het verbod in het vorige lid is mede van toepassing op woonwagens en woonschepen. Artikel3 Het in artikel 2 gestelde verbod is niet van toepassing op: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke ter voldoening aan een wettelijke verplichting of op grond van een wettelijk toegekende bevoegdheid zijn aangebracht, mits zij -voor zover de desbetreffende wettelijke voorschriften zich daartegen niet verzetten - geen grotere oppervlakte hebben dan 0,25 m² en geen grotere afmeting in één richting hebben dan 1 meter; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, betrekking hebbende op de dienst, welke of het beroep of het bedrijf, hetwelk in of op het onroerend goed wordt uitgeoefend, of waardoor dat goed is bestemd, mits zij geen grotere oppervlakte hebben dan 0,25 m² en geen grotere afmetingen in één richting dan 0,72 meter en niet meer dan twee van dergelijke opschriften, aankondigingen of afbeeldingen of of aan het onroerend goed worden aangebracht; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op, aan of in een onroerend goed, waarbij dit geheel of gedeeltelijk te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits de onder a genoemde maximumafmetingen in acht worden genomen en het aantal voor elk onroerend goed niet groter is dan twee. Betreft het aankondigingen voor onroerende goederen groter dan 10 ha, welke als geheel te koop, te huur of in pacht worden aangeboden, dan mag onverminderd het hiervoor gestelde, voor iedere 5 ha één aankondiging worden aangebracht; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, doch voor niet langer dan vier weken en mits zij geen grotere oppervlakte hebben dan 0.75 m² en geen grotere afmeting in één richting dan 1 meter en niet meer dan twee aankondigingen op, aan of in het onroerend goed worden aangebracht; opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in het inwendige gedeelte van een onroerend goed, voor zover dat als winkel, tentoonstellingsruimte, sport- en/of recreatiegelegenheid, drank- en horeca-inrichting, garage, werkplaats danwel service- of dienstenruimte wordt gebruikt; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen betreffende de dienst, aan gebouwen en inrichtingen van openbare middelen van vervoer en opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het belang van het openbaar verkeer; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden en muren, welke daarvor door de overheid zijn aangewezen; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke dienen tot het openbare van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits zij geen grotere oppervlakte hebben van 1 m² en geen grotere afmeting in een richting hebben dan 1 meter en niet meer dan twee van dergelijke opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, al dan niet door middel van enig daarop aanwezig roerend goed, op, aan of in het onroerend goed worden aangebracht; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen van zakelijke aard ten algemenen nutte, zoals "ingang", "Roken verboden" en dergelijke mits zij geen grotere oppervlakte hebben dan 0,25 m² en geen grotere afmeting in één richting dan 1 meter. Artikel4 1.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod gesteld in artikel 2. 2.Zij kunnen aan een ontheffing voorwaarden verbinden, welke uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen, ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. 3.Een ontheffing wordt geweigerd, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders door de aanwezigheid van het opschrift, de aankondiging, de afbeelding, danwel de ten behoeve daarvan opgerichte constructie het uiterlijk aanzien van de gemeente op ontoelaatbare wijze wordt geschaad en daaraan door het stellen van voorwaarden niet kan worden tegemoet gekomen. 4.Burgemeester en wethouders kunnen aan de duur van een ontheffing een termijn verbinden. 5.De aan een ontheffing verbonden voorwaarden kunnen worden gewijzigd en/of worden aangevuld indien zulks naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is ter bescherming van de belangen, ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. 6.Een ontheffing kan worden ingetrokken indien: binnen 1 jaar na dagtekening van verzending van de beschikking tot het verlenen van ontheffing hiervan geen gebruik is gemaakt danwel geen begin met de werkzaamheden is gemaakt of de werkzaamheden zich in dat tijdvak hebben beperkt tot werkzaamheden van voorbereidende aard; de aan de ontheffing gestelde voorwaarden niet worden nagekomen; indien de intrekking noodzakelijk is ter bescherming van de belangen, ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. 7.(vervallen). 8.Aanvragen tot verlening of wijziging van een ontheffing moeten worden ingediend door gebruikmaking van een formulier waarvan het model door burgemeester en wethouders wordt vastgesteld. Een aanvraag wordt eerst geacht te zijn ingekomen op de dag waarop alle vereiste bescheiden zijn ontvangen. 9.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken nà de dag waarop een aanvraag om ontheffing wordt geacht te zijn ingekomen. Zij kunnen hun beslissing eenmaal met ten hoogste vier weken verdagen. 10. (vervallen). Artikel5 1.Tegen een besluit als bedoeld in artikel 4, tweede tot en met zesde lid, kan beroep bij de gemeenteraad worden ingesteld door: de aanvrager, respectievelijk houder van de ontheffing, danwel diens rechtverkrijgende; overige belanghebbenden. 2.(vervallen). Artikel6 Indien een opschrift, aankondiging of afbeelding danwel de ten behoeve daarvan opgerichte constructie, hetwelk of welke krachtens ontheffing is aangebracht op, aan of in een onroerend goed, in zodanige staat verkeert, dat daardoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders het uiterlijk aanzien van de gemeente op ontoelaatbare wijze wordt geschaad, kunnen burgemeester en wethouders de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van dat goed bij aanschrijving gelasten daarin verbetering te brengen, aan welke last deze, alsmede zijn eventuele rechtsopvolger(s), verplicht is (zijn) op de daarbij aan te geven wijze en binnen de daarbij te stellen termijn gevolg te geven, behoudens zijn (hun) bevoegdheid het opschrift, de aankondiging of de afbeelding te verwijderen. HOOFDSTUKIIISTORTEN, BERGEN EN OPSLAAN Artikel7 1.Het is verboden op een onroerend goed te storten, te bergen of op te slaan: oud ijzer, glas, aardewerk, huisvuil, lompen, puin, bouw- en sloopafval, shredderafval en andere afvalstoffen; zand, grond, slib, bagger, grind; oud hooi, mest, boomstobben, takken; oude en nieuwe materialen; al dan niet buiten gebruik gestelde huishoudelijke of andere apparaten; onbruikbare of al dan niet aan hun bestemming onttrokken werktuigen en machines, motor- en andere rij- of voertuigen, vaar- en vliegtuigen of onderdelen daarvan. 2.Het is de zakelijk gerechtigde en/of gebruiker van enig onroerend goed voorts verboden dat goed of een gedeelte daarvan te gebruiken als stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats of de aanwezigheid daarvan te gedogen. 3.Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enig onroerend goed verboden toe te staan dat daarop door derden wordt gestort, geborgen, opgeslagen of bewaard in strijd met de bepalingen van deze verordening. De zakelijke gerechtigde, of gebruiker van het onroerend goed wordt geacht geen toestemming te hebben verleend indien hij van de overtreding onverwijld bij brief kennis geeft aan burgemeester en wethouders, die de ontvangst daarvan schriftelijke bevestigen. 4.Stort-, bewaar, berg- of opslagplaatsen welke als zodanig zijn opgenomen in een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan, worden geacht met ontheffing als bedoeld in artikel 9 van deze verordening aanwezig te zijn. Burgemeester en wethouders kunnen aan een zodanige ontheffing voorschriften verbinden, welke slechts mogen strekken ter bescherming van de belangen ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. Alvorens daartoe over te gaan wordt de zakelijk gerechtigde en/of de gebruiker van het desbetreffende onroerend goed ter zake door burgemeester en wethouders gehoord. 5.Het is verboden wateren, hoe ook genaamd geheel of gedeeltelijk te dempen en gedempt te houden. 6.Het hiervoor in het vierde lid bepaalde geldt eveneens ten aanzien van het geheel of gedeeltelijk dempen van wateren, hoe ook genaamd. Artikel8 De in artikel 7 gestelde verboden zijn niet van toepassing: op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerend goed, ten behoeve van uitvoering of het onderhoud van openbare werken voor zolang die uitvoering of dat onderhoud duurt, mits de opslag is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar die uitvoering of dat onderhoud plaatsvindt; op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerend goed, waarop onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, mits deze zaken voor de uit te voeren werkzaamheden nodig of van het object, dat hersteld op gesloopt wordt, afkomstig zijn, zulks voor zolang de uitvoering duurt; op stort-, bewaar-, berg- of opslagplaatsen, die zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet; op het leggen van dammen met duikers in wateren, indien deze worden aangevuld met schone grond en/of schone slootbagger; indien en voor zover de Afvalstoffenwet, de Wet Chemische Afvalstoffen of de Hinderwet van toepassing is. Artikel9 1.Burgemeester en wethouders kunnen van de verboden, vervat in artikel 7 ontheffing verlenen. 2.Zij kunnen aan een ontheffing voorschriften verbinden, welke uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen, ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. 3.Burgemeester en wethouders kunnen een bankgarantie of andere geldelijke zekerheid eisen met het oog op het verhaal van de na toepassing van artikel 210 van de gemeentewet opeisbaar geworden kosten van de uitoefening van politiedwang. 4.Een ontheffing wordt voor ten hoogste 10 jaren verleend. 5.Een ontheffing wordt geweigerd, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders door de aanwezigheid van de stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats de natuur en/of het uiterlijk aanzien van e gemeente op ontoelaatbare wijze wordt geschaad en daaraan door te stellen van voorwaarden niet kan worden tegemoet gekomen. 6.Het bepaalde in de leden 5 t/m 8 van artikel 4 is van overeenkomstige toepassing. 7.Nadat een aanvraag om ontheffing, als in lid 1 bedoeld, of een aanvraag om wijziging daarvan, wordt geacht te zijn ingekomen, maken burgemeester en wethouders op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend, dat de aanvraag met bijbehorende stukken gedurende twee weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage ligt en dat gedurende die periode eventuele bezwaren bij hen kunnen worden ingediend. 8.Degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.