← Nederland

Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 2013 (Waterschap Aa en Maas)

Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 20131. Inleiding 1.1 Algemeen 1.1.1 Keur Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten die mogelijk een nadelig effect hebben op de

Artikel 1

Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is vereist voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug voor zover deze: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart; wordt aangelegd op minimaal 10 meter van een naastgelegen werk; wordt aangelegd met een maximale breedte van 12 meter; dient ter ontsluiting van particuliere percelen of onderdeel uitmaakt van een infrastructurele route; met toestemming van de wegbeheerder wordt aangelegd indien het gaat om een brug ter ontsluiting naar de openbare weg, en wordt geplaatst conform principetekeningen nummers (nog te maken en in te voeren). Artikel 2 Voorschriften Degene die een brug aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: plaatst de pijlers van de brug niet in het oppervlaktewaterlichaam; tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden; voorziet de taluds onder de brug en tot 2 meter aan weerszijden hiervan van beschoeiing/ een steenzetting / beton of een gelijkwaardige taludverdediging; belemmert de waterdoorvoer niet; is onderhoudsplichtig voor het water (inclusief taluds) onder de brug; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de brug; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de brug, en wijzigt of verwijdert de brug op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die een brug aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil, bij het ontbreken van een peilbesluit geldt het normaal aangehouden peil. Motivering van de algemene regel Het aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen categorie B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken (zie algemene regel nummer 1). Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van bruggen in oppervlaktewaterlichamen categorie A blijft maatwerk noodzakelijk. Het aanbrengen van een brug in een dergelijk oppervlaktewaterlichaam valt dan ook niet onder deze algemene regel. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.6 Dam met duiker aanleggen,

Artikel 1

Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, vervangen, verlengen, verwijderen of behouden van een dam met duiker voor zover deze: wordt aangelegd, vervangen, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; wordt aangelegd op minimaal 10 meter van een ander kunstwerk; wordt aangelegd op minimaal 20 meter van een eventuele stuw; wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten; het (kadastrale) perceel (redelijkerwijs) niet anders is of kan worden ontsloten en de dam met duiker niet bedoeld is voor een andere functie dan perceelsontsluiting en; voldoet aan de volgende maatvoeringen: Onderdeel Beschrijving / maatvoering type duiker rond lengte duiker maximaal 12,5 meter Minimale diameter landelijk gebied Gelijk aan eerst naastgelegen bovenstroomse duiker met een minimale diameter van 0,3 meter Minimale diameter stedelijk gebied Gelijk aan eerst naastgelegen bovenstroomse duiker met een minimale diameter van 0,5 meter binnenonderkant van de duiker 0,05 m onder de waterbodem uitsteeklengte buiten dam maximaal 0,15 meter Artikel 2 Voorschriften Degene die een dam met duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt; voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting; verlengt een duiker tot een totale lengte van maximaal 12,5 meter; onderhoudt de werken in goede staat, wat in ieder geval inhoudt dat beschadigingen of verzakkingen direct dienen te worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het bestuur; werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing zodat het talud voldoende stevigheid krijgt; werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5; beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud; brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen die gelijk zijn aan het aansluitend profiel boven- en benedenstrooms; verwijdert bij (gedeeltelijk) vervanging van een duiker, de oude duiker volledig; houdt (het doorstroomprofiel van) de dam met duiker in stand; past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal; voorziet de uiteinden van de duiker van frontmuren van rotvrij, niet-uitlogend materiaal, geplaatst op een deugdelijke fundatie, en maakt de aanvulling van de dam, tussen de frontmuren van schone grond of zand conform het Besluit Bodemkwaliteit (www.bodemplus.nl). Artikel 3 Melding Degene die een dam met duiker aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bergingscapaciteit: het volume water dat geborgen kan worden tussen het streefpeil en het aanvaardbaar hoogste peil. Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Een brug heeft de voorkeur boven een duiker. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen. Wanneer het oppervlaktewaterlichaam waarin een dam met duiker wordt geplaatst, verlengd (gedeeltelijk) of vervangen niet in uw eigendom is, dient u privaatrechtelijk toestemming te hebben van de eigenaar van deze percelen. Wanneer een dam met duiker wordt aangelegd of verlengd ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.7 Kabels of leidingen aanleggen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels of leidingen onder of boven een oppervlaktewaterlichaam of in een bijbehorende beschermingszone, voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering, tenzij de algemene regel kabels en leidingen voor waterkeringen ook gevolgd wordt; niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een zoekgebied beekherstel en ecologische verbindingszone zoals aangegeven op de keurkaart oppervlaktewater; de kabels of leidingen worden aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, zowel categorie A en B zoals aangewezen in de legger; de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar; de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter; de spanning op de kabel niet hoger is dan 110 kV; bij aanleg van de kabel of leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone de afstand tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1 meter bedraagt; bij een gestuurde boring waarbij een oppervlaktewaterlichaam categorie B wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 0,50 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij een gestuurde boring waarbij een oppervlaktewaterlichaam categorie A of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 2 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1 meter uit de insteek en 2 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; de kabel, buis of leiding trekvast is of uit één stuk, en de kabel, buis of leiding onder een beschermingszone voldoende draagkracht bezit voor het dragen van machines ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam, met een minimale gronddekking van 0,50 meter. Artikel 2 Voorschriften Degene die kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: a. beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief; b. vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan; c. belemmert de aan- en afvoer van water niet; d. treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding, maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen; e. legt de kabels en leidingen aan volgens de NEN-normen 3650 en 3651; f. herstelt direct en volledig de gevolgen van een opbarsting. Het optreden van een opbarsting wordt onmiddellijk gemeld bij de toezichthouder, aanwijzingen van de toezichthouder dienen te worden opgevolgd, en; g. verwijdert kabels en leidingen die buiten gebruik worden gesteld, waarbij het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam en bijbehorende beschermingszone worden hersteld, met inbegrip van de taludbegroeiing. Artikel 3 Melding Artikel 3 Melding Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert in een oppervlaktewaterlichaam categorie A als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als bedoeld in artikel 1, hoeft dit niet te melden. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: (Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. Gestuurde boring: een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd. Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Motivering van de algemene regel Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterlichamen en hun beschermingszone komt zeer veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken (zie algemene regel nummer 1). Het kan voorkomen dat waterschappen oppervlaktewaterlichamen hebben aangewezen waar altijd een vergunning voor het leggen van kabels of leidingen moet worden aangevraagd. Waterschap Aa en Maas heeft dit nog niet gedaan. Men kan dan denken aan oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie waarin het waterschap ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige ontwikkelingen, zoals de aanleg van een plas- drasoever. Deze ontwikkelingen kunnen belemmerd worden door de aanwezigheid van een ondergrondse kabel of leiding. Een ander voorbeeld is gebieden met een verhoogd risico op opbarsting of wegzijging. Bij gevaar voor opbarsting is de kweldruk zo groot dat deze spontaan tot boven het maaiveld kan rijzen als de ondoorlatende (klei)laag in de ondergrond wordt doorsneden. Bij gevaar voor wegzijging is er juist gevaar voor uitdroging als de ondoorlatende laag die voorkomt dat grondwater dieper wegzakt, doorsneden wordt. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden in categorie A oppervlaktewaterlichamen in verband met het onderhoud. Om deze reden is de meldplicht voor categorie A oppervlaktewaterlichamen in deze algemene regel opgenomen. Voor categorie B oppervlaktewaterlichamen geldt dat de kabels en leidingen al gemeld dienen te worden conform de Klic-melding. Omdat het waterschap deze oppervlaktewaterlichamen niet zelf onderhoudt geef dit voldoende borging voor de waterhuishoudkundige belangen. 3.8 Ligplaats innemen Ten behoeve van ligplaatsen is geen specifieke algemene regel gesteld. Getoetst wordt aan de algemene regel 3.12 Steiger of vlonder bouwen,

. 3.9 Natuur ontwikkelen of inrichten Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever, voor zover: deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden langs een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger, of de bijbehorende beschermingszone; bij vrij afwaterende oppervlaktewaterlichamen het natte oppervlak bij gemiddeld zomerpeil niet toeneemt, en indien alleen het talud wordt aangepast tot een natuurvriendelijke oever, het talud wordt aangelegd met een helling van minimaal 1:

  1. Artikel 2 Voorschriften Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: legt de natuurvriendelijke oever aan zodat de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd op de legger niet worden verkleind; voorziet de vooroever om de 25 meter van een opening van 1 meter breed, en; legt eventuele aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het aanleggen van de natuurvriendelijke oever minimaal 1 meter uit het te realiseren profiel. Artikel 3 Melding Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Er worden twee varianten onderscheiden: plas-drasoever; flauwe oever. Motivering van de algemene regel Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.10 Oppervlaktewaterlichaam dempen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam voor zover: het een oppervlaktewaterlichaam categorie C betreft, welke niet op de legger staat; het dempen niet plaatsvindt in de waterkering of de bijbehorende beschermingszone; het dempen van een oppervlaktewaterlichaam gelegen in een peilbesluitgebied vooraf volledig wordt gecompenseerd in een nieuw te graven oppervlaktewaterlichaam of het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam waarbij het bergend vermogen binnen het peilbesluitgebied gelijk blijft; het dempen van een oppervlaktewaterlichaam categorie C buiten peilbesluitgebieden behoeft niet te worden gecompenseerd; door het dempen andere oppervlaktewaterlichamen niet worden afgesloten van het watersysteem. Artikel 2 Voorschriften Degene die dempt als bedoeld in artikel 1: graaft indien de demping gelegen is in een peilbesluitgebied voorafgaand aan of gelijktijdig met het dempen van het bestaande oppervlaktewaterlichaam een nieuw oppervlaktewaterlichaam met hetzelfde oppervlak als het gedempte oppervlaktewaterlichaam in hetzelfde (peil)gebied; houdt bij het nieuw te graven C oppervlaktewaterlichaam een taludverhouding van minimaal 1:1,5 aan, en; sluit het nieuw gegraven oppervlaktewaterlichaam aan op het watersysteem na overleg met de toezichthouder. Artikel 3 Melding Degene die dempt binnen peilbesluitgebieden als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Degene die een oppervlaktewaterlichaam categorie C buiten peilbesluitgebieden dempt, hoeft dit niet te melden. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bergingscapaciteit: het volume water dat geborgen kan worden tussen het streefpeil en het aanvaardbaar hoogste peil. Peilbesluitgebieden: gebieden waarbinnen het waterschap een peilbesluit heeft genomen. Motivering van de algemene regel Het dempen van een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Verschillende sloten liggen langs waterkeringen. Deze sloten hebben een belangrijke functie voor de afvoer van kwelwater, hemelwater, dat afkomstig is van het dijklichaam. Om deze afvoer te waarborgen is het niet toegestaan deze sloten te dempen . Voor het graven van het nieuwe oppervlaktewaterlichaam wordt verwezen naar de algemene regel graven oppervlaktewaterlichaam Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De relatie met het Burgerlijk Wetboek. Bij het dempen van een oppervlaktewaterlichaam zijn niet alleen de Waterwet en Keur van toepassing. Degene die een oppervlaktewaterlichaam dempt op basis van deze algemene regel moet zich nog steeds houden aan de wettelijke verplichtingen die gelden op grond van het Burgerlijk Wetboek. De algemene regels ontslaan een initiatiefnemer niet van deze wettelijke plichten. Deze plichten houden in de eerste plaats in dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van het grondwater, dan wel door gebruik van water dat zich op zijn erf bevindt en in open gemeenschap staat met het water op eens anders erf. Mocht zich deze situatie voordoen dan hebben de bovenliggende eigenaren de mogelijkheid om, bij de burgerlijke rechter, te eisen dat dit onrechtmatig handelen meteen wordt beëindigd. In de tweede plaats bevat Burgerlijk Wetboek Boek 5 nadere bepalingen over watergangen die dienen als erfscheiding en wat buren wel of niet van elkaar moeten dulden. Het Burgerlijk Wetboek is dan ook een zeer adequaat middel voor perceel eigenaren om, in geval van aantasting van hun rechten, via de burgerlijke rechter, die rechten af te dwingen. Er worden daarom geen nadere voorwaarden gesteld in deze algemene regels voor de bescherming voor de belangen van perceeleigenaren. Immers, daarvoor ontbreken in het algemeen de waterhuishoudkundige redenen voor en deze belangen zijn afdoende via het Burgerlijk Wetboek (privaatrecht) gewaarborgd. 3.11 Oppervlaktewaterlichaam graven Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het graven of verbreden van een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt gegraven in een waterkering of bijhorende beschermingszone; het niet een verbreden van een oppervlaktewaterlichaam, categorie A of B als aangewezen in de legger, betreft; het nieuwe oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangelegd in de beschermde gebieden Keur zoals aangegeven op de keurkaart, en door het graven geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken of geen directe verbinding wordt gemaakt met oppervlaktewaterlichamen categorie A of B. Artikel 2 Voorschriften Degene die graaft als bedoeld in artikel 1: legt de taluds van het nieuwe oppervlaktewaterlichaam aan met een taludhelling van minimaal 1:1,5; hanteert een maximale diepte van 80 centimeter onder het gemiddelde maaiveld; legt eventuele aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het graven van het water minimaal 1 meter uit het te realiseren profiel, en sluit het nieuw gegraven oppervlaktewaterlichaam indien gewenst aan op een ander oppervlaktewaterlichaam categorie C, aansluiting op oppervlaktewaterlichamen categorie A en B is niet toegestaan. Dit artikel is niet van toepassing op geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen categorie C, ondieper dan drie meter, met een maximale te ontgronden hoeveelheid van 2.000 m
  2. Artikel 3 Melding Degene die graaft als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Dit artikel is niet van toepassing op geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen categorie C, ondieper dan drie meter, met een maximale te ontgronden hoeveelheid van 2.000 m
  3. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Peilvak: Een peilvak is het gebied tussen stuwtjes of gemalen in waar het water op dezelfde hoogte gehouden wordt. Gemiddeld maaiveld: gemiddelde maaiveldhoogte minus 10% laagstgelegen perceeldelen. Motivering van de algemene regel Het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam (met enkel een waterbergende functie) betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.12 Steiger of vlonder bouwen,

Artikel 1

Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger en aansluitend op het eigendom of het bezit van de aanvrager; wordt aangelegd op minimaal 5 meter van een naastgelegen werk; wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,50 meter boven het hoogste gehanteerde peil ligt, en; voldoet aan de volgende maatvoering: Breedte oppervlaktewaterlichaam Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (gemeten vanaf de insteek) Maximale lengte steiger/vlonder (parallel gemeten aan de insteek) < 10 meter 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam maximaal de helft van de lengte van het perceel met een maximum van 5 meter > 10 meter en < 15 meter 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam 5 meter > 15 meter 1,50 meter 5 meter Artikel 2 Voorschriften Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet, indien de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam niet op de legger vastgelegd zijn, geldt het doorstroomprofiel boven- en benedenstrooms; is vrijstaand en rust niet op – of vindt geen steun aan- oeverwerken, schanskorven, beschoeiing en dergelijken en beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet; brengt onder de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk een toegestane taludbescherming aan (zie algemene regel nummer 4); belemmert de waterdoorvoer niet; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals boven- en benedenstrooms gehanteerd bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk; verwijdert de steiger, vlonder of het overhangende bouwwerk indien deze niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeert, en; wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen; Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld; Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil, bij het ontbreken van een ter plaatse vastgesteld peil, geldt het normaal aangehouden peil. Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden. Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen en boenstoepen. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels in oppervlaktewaterlichamen categorie B. Het onderhoud van deze wateren rust op de aangelanden zelf. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.13 Versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van de Keur, is vereist voor het afvoeren van hemelwater via nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: het totaal aaneengesloten oppervlak verharding niet meer bedraagt dan 2.000 m2, of; het renovatie van verhard oppervlak >2.000m2 betreft indien hierbij minimaal een retentie wordt aangelegd ter grootte van de bestaande hemelwaterberging, of bij de aanleg van het verhard oppervlak compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan conform de nota “Ontwikkelen met een hydrologisch oogmerk” (Waterschap Aa en Maas, 2005) of conform de HNO-tool op http:hnotool.aaenmaas.nl), of; het verhard oppervlak deel uitmaakt van een activiteit waarvoor door het bestuur reeds een ander besluit is genomen waarin afspraken zijn gemaakt over de afvoer van hemelwater en de maatregelen passen in deze afspraken, en deze maatregelen met de op heden geldende normen nog steeds afdoende zijn, of; het verhard oppervlak deel uitmaakt van de activiteiten waarvoor in het verleden door het waterschap een positief watertoetsadvies is afgegeven en de maatregelen worden uitgevoerd zoals opgenomen in de bij het watertoetsadvies horende waterparagraaf, en deze maatregelen met de op heden geldende normen nog steeds afdoende zijn, of; eventueel noodzakelijke compenserende maatregelen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan worden aangelegd voordat het verhard oppervlak wordt aangelegd, en; de afvoer van het hemelwater niet leidt tot wateroverlast. Artikel 2 Melding Degene die hemelwater via nieuw verhard oppervlak afvoert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.7, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Het tot afvoer laten komen van hemelwater via verhard oppervlak betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Deze regel heeft betrekking op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk (leiding, goot) wordt afgevoerd naar een oppervlaktewaterlichaam en die afstroomt via een nieuw verhard oppervlak. Dit oppervlak kan bestaan uit nieuw aangelegde verharding of dakvlakken van bebouwing. Afvoeren van bestaande verhardingen worden geacht te zijn verrekend via het gemeentelijk rioleringsplan. In het kader van het Bestuursakkoord Water zijn hierover nadere afspraken gemaakt. Via een algemene regel kan vrijstelling worden geboden voor het hemelwater dat via een beperkt oppervlak verharding direct wordt afgevoerd. Voor het beperkte oppervlak dat afvoert, behoeft geen bergingscompensatie te worden aangebracht. Voor afvoer van hemelwater van grotere verharde oppervlakken moet worden voorkomen dat sprake is van versnelde afvoer van hemelwater. Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende maatregelen zijn uitgangspunten vastgelegd in de nota “ontwikkelen met een hydrologisch oogmerk” en is een internettool ontwikkeld waarmee de omvang van de compenserende maatregelen eenvoudig kan worden bepaald. Wanneer de aanvrager aantoont dat hieraan wordt voldaan, kan met een melding van de werkzaamheden worden volstaan. In een aantal gevallen maakt het waterschap afspraken met derden over de afvoer van hemelwater waarbij kan worden afgeweken van de compensatieplicht of waarbij afspraken worden gemaakt over cofinanciering van maatregelen. Voor het afvoeren via een lozingswerk is een aparte algemene regel gemaakt. Hierin worden voorwaarden gesteld aan het voorkomen en herstellen van eventuele beschadigingen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Het is noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.14 Onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichaam Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.8 van de Keur is vereist, voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; niet wordt onttrokken in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart; niet meer dan 70 m3/uur water aan een oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken door middel van een pomp met een maximale pompcapaciteit van 70 m3/uur, en; water over de stuw benedenstrooms blijft komen. Artikel 2 Voorschriften Degene die water onttrekt als bedoeld in artikel 1: verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen; verwijdert de onttrekkingvoorziening op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult, en; stopt de onttrekking op eerste aanzegging van het waterschap in geval van droogte; Artikel 3 Melding Degene die meer dan 10 m3/uur maar minder dan 70 m3/uur water onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Onttrekkingen met een pompcapaciteit kleiner dan 10 m3/uur én onttrekkingen ten behoeve van beregening ter voorkoming van nachtvorstschade zijn vrijgesteld. Deze hoeven niet gemeld te worden. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Motivering van de algemene regel Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.15 Brengen van water Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.8 van de Keur is vereist, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; niet meer dan 70 m3/uur water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht door middel van een pomp met een maximale pompcapaciteit van 70 m3/uur; het oppervlaktewaterlichaam de betreffende lozing kan verwerken en geen overlast wordt veroorzaakt bij derden of het waterschap, en het totale debiet van alle lozingen van één perceel op één oppervlaktewaterlichaam niet meer bedraagt dan 70 m3/uur. Artikel 2 Voorschriften Degene die water brengt als bedoeld in artikel 1: verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen, en stopt de lozing op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult of indien wateroverlast ontstaat. Artikel 3 Melding Degene die meer dan 30 m3/uur water maar minder dan 70 m3/uur in een oppervlaktewaterlichaam brengt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bronneringswater: Grondwater dat aan de bodem onttrokken wordt om de grondwaterstand (tijdelijk) te verlagen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart Motivering van de algemene regel Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de lozingsvoorziening. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel Versneld afvoer verhard oppervlak. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.16 Drainage Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.9 van de Keur is vereist, voor het aanleggen, behouden, of verwijderen van peilgestuurde drainage in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, behouden of verwijderd in of nabij een oppervlaktewaterlichaam categorie A of B als aangegeven in de legger of de bijbehorende beschermingszone; niet wordt aangelegd ten behoeve van het versneld afvoeren van regenwater van verhard oppervlak, hiervoor geldt Algemene regel nummer 9; de beschermingszone wordt gekruist door een ondergrondse pijp met een gronddekking van minimaal 0,40 meter zodat de beschermingszone vrij blijft van obstakels; eventuele greppels nabij categorie A oppervlaktewaterlichamen worden aangelegd buiten de beschermde gebieden Keur met een maximale diepte van 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld; niet wordt aangelegd binnen de beschermde gebieden Keur als aangegeven op de Keurkaart; de buisdrainage in en nabij categorie A oppervlaktewaterlichamen niet lager is gelegen dan 0,70 meter beneden de gemiddelde laagst gelegen maaiveldhoogte van het te draineren perceel of voor wat betreft categorie B oppervlaktewaterlichamen is gecombineerd met een afwateringswerk waarvan het overlooppeil niet lager is gelegen dan 0,70 meter beneden de gemiddelde laagst gelegen maaiveldhoogte van het te draineren perceel. de lozingsvoorziening verzonken in het talud en buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd conform de algemene regel uitmondingsvoorzieningen (zie algemene regel nummer 3.17). Artikel 2 Voorschriften Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: richt de uitmondingsvoorziening zo in dat het te lozen water altijd direct afgesteld kan worden op het actuele grondgebruik; volgt voor de overige voorwaarden ten aanzien van de uitmondingsvoorziening de Algemene regel uitmondingsvoorzieningen (nummer 8); herstelt beschadigde taluds op deugdelijke wijze en in oorspronkelijke constructie en toestand en controleert en herstelt opnieuw zo nodig het talud als sprake is van een verzakking; schuint bij kruising van een beschermingszone van categorie A oppervlaktewaterlichamen de eindbuis 0,05 meter beneden het vlak van het talud van de watergang af en voorziet de eindbuis van een degelijke taludgoot van kunststof en herstelt zo nodig de beschermingszone opnieuw bij verzakkingen, en herstelt bij kruising van een beschermingszone van categorie A oppervlaktewaterlichamen de beschermingszone op deugdelijke wijze in oorspronkelijke constructie en toestand zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden Artikel 3 Melding Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.9 van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Buisdrainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand. Greppel: ontwateringsmiddel door middel van een ondiepe geul, gegraven voor de oppervlakkige waterafvoer van hemelwater op het land. Lozingsvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Peilgestuurde drainage: buisdrainage, gecombineerd met een werk waarmee het ontwateringspeil kan worden gestuurd. Motivering van de algemene regel Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg, behoud en verwijdering van peilgestuurde drainage. Deze algemene regel is niet van toepassing op de beschermde gebieden Keur, attentiegebieden en wijstgebieden. Voor deze gebieden geldt een vergunningplicht voor de aanleg van (nieuwe) buisdrainagesystemen en greppels. Door drainagesystemen zodanig in te richten dat de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd, zodat een bepaald grondwaterpeil kan worden gerealiseerd wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden. Zowel het peilgestuurd draineren als het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningenzijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen bij peilgestuurde drainage kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het effect van ondiepe greppels op de waterhuishouding is beperkt. Daarom leent dit onderwerp zich ook voor algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.17 Uitmondingsvoorziening Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen of behouden van een uitmondingsvoorziening in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart, en de uitmondingsvoorziening verzonken in het talud en buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Artikel 2 Voorschriften Degene die een uitmondingsvoorziening aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: fundeert de uitmondingsvoorziening op deugdelijke wijze; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de uitmondingsvoorziening; legt de uitmondingsvoorziening aan zodat de beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft; voorziet de uitmondingsvoorziening ten behoeve van onttrekken van een zuigkorf die visintrek voorkomt; legt de taludbak, de zuigleiding, het vuilrooster of andere constructies buiten het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan; voorziet de uitmondingsvoorziening van een taludbescherming, deze taludbescherming reikt minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam, bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner is de taludbescherming aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig; de taludbescherming strekt in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening; houdt de uitmondingsvoorziening circa 0,10 meter terug in het talud; door middel van drainageleidingen water in het oppervlaktewaterlichaam brengt voorziet deze van een drainage-uitmonding, waarbij de taludbescherming in de vorm van een taludgoot is aangebracht; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de uitmondingsvoorziening, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen, en wijzigt of verwijdert de uitmondingsvoorziening op eigen kosten en op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult of indien wateroverlast of -schaarste ontstaat. Artikel 3 Melding Degene die een uitmondingsvoorziening aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Natte profiel: het gedeelte (oppervlak) van de watergang waar het water zich bevindt bij het hoogst vigerende peil. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Uitmondingsvoorziening: een permanent werk in het talud, dat dient voor het lozen of onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam. Zuigkorf: zeef voor de inlaat van een pompleiding. Motivering van de algemene regel Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanente uitmondingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de uitmondingsvoorziening. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel Versneld afvoer verhard oppervlak. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht voor categorie A wateren in deze algemene regel opgenomen. 3.18 Stuwen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur, is vereist voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een stuw in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam categorie B zoals aangewezen in de legger; indien de stuw in overeenstemming met belanghebbenden wordt aangelegd en beheerd; het watersysteem binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit blijft voldoen, en het watersysteem minimaal aan de geldende afvoernormen blijft voldoen, bij het ontbreken van een geldende afvoernorm geldt de afvoer die vóór aanleg van de stuw gebruikelijk is. Artikel 2 Voorschiften Degene die een stuw aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, legt deze op een zodanige wijze aan dat de aan- en afvoer van water bij een hoge belasting van het watersysteem wordt gewaarborgd. Artikel 3 Melding Degene die een stuw aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Motivering van de algemene regel Het plaatsen en behouden van een stuw betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel 3.19 Anti-worteldoek Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het voor het aanleggen, verwijderen of behouden van anti-worteldoek voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden op het talud van een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger of de bijbehorende beschermingszone. Artikel 2 Voorschriften Degene die het anti-worteldoek aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: zet het anti-worteldoek vast om te voorkomen dat deze in het oppervlaktewaterlichaam terecht komt of kan opwaaien; plaatst een beschoeiing in het talud op zomerpeil, voor deze beschoeiing geldt een aparte algemene regel; onderhoudt het anti-worteldoek en de beschoeiing in goede staat, en; houdt eventuele begroeiing zo laag mogelijk met een maximale hoogte van 30 centimeter. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Stedelijk gebied: gebied dat zich bevindt binnen de door de betrokken gemeente als ‘bebouwde kom’ aangewezen gebied Motivering van de algemene regel Bij veel tuinen van particulieren en bedrijven wordt anti-worteldoek op het talud van oppervlaktewaterlichamen toegepast om de tuin ter plaatse een net afgewerkt karakter te geven en het onderhoud te vergemakkelijken. Het aanleggen, verwijderen of behouden van anti-worteldoek in oppervlaktewaterlichamen categorie B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.20 Stoffen, voorwerpen en dieren op de beschermingszone Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van stoffen, voorwerpen of dieren in de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen, voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering of bijbehorende beschermingszone; het kleine voorwerpen betreft die geen schade brengen aan het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone; het voorwerpen betreft die eenvoudig en op eerste aanzegging kunnen worden verwijderd; het voorwerpen betreft die geen verankering in de bodem nodig hebben, en; dieren worden gehouden in de beschermingszone niet zijnde een strook of pad dat dient voor inspectie van het oppervlaktewaterlichaam in eigendom van het waterschap. Artikel 2 Voorschriften Degene die stoffen, voorwerpen of dieren aanlegt, verwijdert en behoudt als bedoeld in artikel 1, wijzigt of verwijdert stoffen, voorwerpen of dieren op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die stoffen, voorwerpen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Degene die dieren houdt in de beschermingszone, behoeft geen melding te doen. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, verwijderen of behouden van stoffen, voorwerpen of dieren betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels

  1. Algemene regels waterkeringen 4.1 Huisaansluiting Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur is vereist, voor het leggen, hebben, onderhouden en vervangen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de waterkering en beschermingszones in het beheergebied van het Waterschap. Artikel 2 Voorschriften Degene die huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de waterkering en binnen de beschermingszones van waterkeringen in het beheergebied van het Waterschap aanlegt of vervangt als bedoeld in artikel 1: moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van het waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68
  2. moet de werkzaamheden uitvoeren in het buitentalud van de waterkering tussen 1 april en 1 oktober van elk jaar, werkzaamheden op andere locaties mogen ook in de gesloten periode uitgevoerd worden; moet de werkzaamheden bij hoge rivierwaterstanden staken op last van het dagelijks bestuur van het waterschap, waarbij voor de waterkering beschermende maatregelen kunnen worden opgelegd; moet eventueel noodzakelijke proefsleuven ter vaststelling van de juiste ligging van bestaande kabels en/of leidingen met de hand graven. moet het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen uitvoeren zoals in de meest recente en vastgestelde NEN 3650-serie is gesteld. De NEN 3650-serie bestaat uit NEN 3650 en NEN
  3. moet kunststofleidingen uitvoeren in HDPE (PE100) SDR11; moet de leidingen uitvoeren met een diameter kleiner of gelijk aan 125 millimeter. moet de toe te passen HDPE-leidingen door middel van spiegellassen of electrolasmoffen koppelen (flensstukken, huisaansluitingsmoffen en andere appendages), bij verruimen van de diameter moeten verlooplasmoffen worden toegepast;
  4. moet kabels en/of leidingen in het waterstaatswerk en/of in de beschermingszones alleen door middel van een open ontgraving aanleggen;
  5. mag ter plaatse van op- en afritten met bestrating buiten de waterkering het waterstaatswerk en parallel aan de waterkering een mantelbuis onder het wegdek van de op- en afrit aanbrengen middels opensleuf methode; kruist waterkerende constructies (vb. damwanden, coupures) niet; moet de kabel en/of leiding binnen het waterstaatswerk en de beschermingszones van de waterkering uit één stuk uitvoeren en trekvast worden gekoppeld; moet leidingen die worden voorzien van glasvezel na het inbrengen van de glasvezelkabel worden afgesloten met 20-30 centimeter flexibel synthetisch rubber; moet een te graven sleuf niet dieper en breder uitgegraven dan strikt noodzakelijk is, met een maximum van 1 meter diep en 0,5 meter breed; moet ontgravingen laagsgewijs uitvoeren, waarbij verschillende grondsoorten gescheiden moeten worden; moet alle ontgravingen afdichten met de uitkomende grond, zo nodig aangevuld met gelijkwaardige grond, die in lagen van maximaal 0,2 meter mechanisch moet worden verdicht. De grond moet ter plaatse zoveel mogelijk dezelfde samenstelling, opbouw en draagkracht verkrijgen als voor aanvang van het graafwerk het geval was; oorspronkelijke afdekking moet op de gedichte sleuf worden aangebracht; moet zowel voor het einde van de dagelijkse werktijd als na de voltooiing van het werk de sleuf worden gedicht met de uitkomende grond; mag niet aan kabels en/of leidingen gerelateerde bovengrondse objecten (vb. schakelkasten, transformatorhuisjes) op de waterkering en in de beschermingszones van de waterkering plaatsen; nutsvoorzieningen voor binnendijkse nieuwbouw bij de primaire waterkering dienen vanaf het achterland te worden aangelegd en te worden binnengevoerd. Artikel 3 Melding Degene die een huisaansluiting aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: kunstwerken, kabels en leidingen te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen die een verbinding maken met een andere zijde van de compartimenteringskering. Op grond van artikel 3.5 is het verboden zonder vergunning van het bestuur, gebruik te maken van beschermingszone B door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: leidingen te leggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Buitentalud: het buitentalud is de helling van de buitenkant van de dijk, oftewel de kant van de dijk waar de rivier stroomt. Motivering van de algemene regel Aan het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen risico’s zijn verbonden, welke worden afgewogen in het kader van de beoordeling van vergunningsaanvragen. Met het vaststellen van een algemene regel, waarmee een vrijstelling van de vergunningsplicht wordt bereikt, moet er vooral zekerheid bestaan over de omvang van die risico’s die het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen veroorzaken. De werkzaamheden worden veelal uitgevoerd door of namens nutsbedrijven. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.2 Veekering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur is vereist, voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering op de waterkering en in de beschermingszones. Artikel 2 Voorwaarden Degene die een afrastering op de waterkering en in de beschermingszones plaatst als bedoeld in artikel 1: moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van Waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68 19; moet de afrastering voldoende veekerend uitvoeren, met een maximale hoogte van 1 meter, waarbij de palen tot een diepte van maximaal 0,60 meter reiken; moet de afrastering in goede staat onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op het aanzeggen van het dagelijks bestuur van het waterschap. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de dijkbeheerder. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd; moet bij verwijdering van de afrastering de gaten waar de palen hebben gestaan afdichten met klei. Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Afrasteringen kunnen gezien worden als objecten die het doelmatig onderhoud aan waterstaatswerken kunnen belemmeren terwijl ze, in de vorm van een veekering, juist voorkomen dat vee de gesteldheid van de waterstaatswerken aantasten. Wanneer aan de hieronder gestelde voorwaarden wordt voldaan, komt het doelmatig onderhoud niet in gevaar. Bovendien kunnen afrasteringen, indien nodig, vrij eenvoudig verwijderd worden. Het plaatsen van een afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.3 Gebruik van percelen als tuin en bouwland Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het gebruik van percelen in beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering, of voor het gebruik van percelen op een compartimenteringskering als tuin of bouwland. Artikel 2 Voorwaarden Degene die percelen in beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering als tuin of bouwland gebruikt, of percelen op een compartimenteringskering als tuin of bouwland gebruikt als bedoeld in artikel 1: voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit: spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep), en/of; bemesten, en/of; zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen; planten en hebben van struiken en bomen op compartimenteringskeringen. moet werkzaamheden bij primaire en regionale waterkeringen uitvoeren buiten de waterkering; moet gewassen en beplantingen geen belemmering laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen; het maaiveld te verhogen of te verlagen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering. Afhankelijk van de diepte en locatie waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou bijvoorbeeld kwelwerking kunnen optreden en wateroverlast kunnen ontstaan of de erosiebestendigheid van de waterkering worden aangetast. Onder werkzaamheden die worden uitgevoerd bij het gebruik van percelen als tuin of bouwland kunnen voor deze algemene regel de volgende activiteiten worden gerekend: het spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep); het zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen; bemesten; het planten en onderhouden van bomen die van nature laag blijven, struiken en overblijvende planten. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering. 4.4 Klein onderhoud aan openbare wegen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.3 van de Keur is vereist, voor het uitvoeren van klein onderhoud aan openbare wegen op de waterkering. Artikel 2 Voorschriften Degene die klein onderhoud aan openbare wegen uitvoert op de waterkering als bedoeld in artikel 1: moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van het waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68 19; moet bij het plaatsen van verkeersborden (zogenaamde RVV-borden) deze aanbrengen op palen zonder betonnen voet; moet bij het roven van de wegberm het vrijkomende materiaal afvoeren; moet bij het uitvullen van de berm gebruik maken van puingranulaat of grond; moet de werkzaamheden alleen in de periode van 1 april tot 1 oktober uitvoeren. Artikel 3 Melding Degene die klein onderhoud aan openbare wegen uitvoert als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Op de waterkeringen zijn vaak wegen aanwezig. Om de functie van de wegen te waarborgen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de wegen noodzakelijk. Het is daarbij echter wel van belang dat, bij de uitvoering van die werkzaamheden, ook de functie van de betreffende waterkering is gewaarborgd. Onder klein onderhoud aan een openbare weg kan bijvoorbeeld het vervangen van de toplaag van die weg worden verstaan, voor zover daarbij geen sprake is van een uitbreiding van de verharding. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen en onderhouden van RVV-borden en het roven en aanvullen van de berm. Van groot onderhoud is sprake wanneer de werkzaamheden in het profiel van de waterkering plaatsvinden, zoals bij het vervangen van de complete fundering van de weg. Voor dergelijke werkzaamheden dient een vergunning te worden aangevraagd. Het plegen van klein onderhoud aan wegen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.5 Tijdelijke/semi-permanente objecten Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur is vereist, voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een tijdelijk/semi-permanent object binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen. Artikel 2 Voorschriften Degene die een tijdelijk/semi-permanent object binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen plaatst als bedoeld in artikel 1: a. moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van Waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68 19; b. graaft het te plaatsen object niet in; c. moet een object verwijderen ten behoeve van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals dijkverzwaringen, op aanzeggen van het dagelijks bestuur van het waterschap en op kosten van de melder. Artikel 3 Melding Degene die een tijdelijk/semi-permanent object plaatst, heeft of onderhoudt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Onder tijdelijke/semi-permanente objecten worden objecten verstaan die voor onbepaalde tijd op het waterstaatswerk, buiten de waterkering worden geplaatst maar die, wanneer nodig, eenvoudig verwijderd kunnen worden. Semi-permanente objecten zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie. Gedacht kan worden aan objecten zoals speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, demontabele zwembaden en brievenbussen. Dergelijke objecten hebben (meestal) geen effect op het functioneren van de waterkering, maar dienen wel verwijderd te kunnen worden wanneer dat noodzakelijk blijkt ten behoeve van bijvoorbeeld dijkverzwaringen. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.6 Interne verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur is vereist van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur, voor het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand op een waterkering en binnen beschermingszone A. Artikel 2 Voorschriften Degene die een interne verbouwing in een bestaande pand uitvoert of van dakkapel plaatst op een pand op een waterkering en binnen beschermingszone A als bedoeld in artikel 1: moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van Waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68 19; voert geen constructieve wijziging aan een kelder, fundering of vloerpeil uit; voert geen grondroering uit. Artikel 3 Melding Degene die een interne verbouwing aan een pand uitvoert of een dakkapel plaatst als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Bij een interne verbouwing van een bestaand pand vindt geen uitbreiding van dat pand plaats. Er is dan ook geen risico dat het profiel van vrije ruimte wordt verkleind. Het risico met betrekking tot het functioneren van de waterkering blijft daarnaast ook op een gelijk niveau. Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden of het plaatsen van dakkapellen op een pand op het waterstaatswerk betreft een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.7 Grondmechanisch onderzoek beschermingszone A Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur is vereist, voor de uitvoering van sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone A van een waterkering. Artikel 2 Voorschriften Degene die sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone A van een waterkering uitvoert als bedoeld in artikel 1: moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden telefonisch contact opnemen met de toezichthouder van Waterschap via telefoonnummer: 073 – 615 68 19; moet in totaal minder dan 10 sonderingen en/of boringen (met of zonder peilbuis) uitvoeren; hoeft voor het uitvoeren van sonderingen en/of grondboringen geen rekening te houden met de gesloten periode. De werkzaamheden mogen echter niet worden uitgevoerd bij rivierwaterstanden hoger dan vermeld in tabel A. moet de (boor)gaten na afronding van de werkzaamheden volledig opvullen met (vloeibare) zwelklei; zet peilbuizen niet dieper dan 3 meter onder de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en voor een maximale tijdsperiode van 2 weken. Tabel 3: Verwachte waterstanden waarbij grondmechanisch onderzoek in de beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen niet is toegestaan Primaire Waterkeringen waterstand St. Pieter: Nap + 45,90 Regionale en overige keringen contact opnemen met het waterschap via 073 615 6819 Artikel 3 Melding Degene die grondmechanisch onderzoek uitvoert als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Bij het waterschap komen regelmatig watervergunningsaanvragen binnen voor het verrichten van grond-, geotechnisch, geohydrologisch onderzoek. Bij deze onderzoeken is het vaak nodig om verticale boringen te verrichten voor het nemen van grondmonsters, het plaatsen van peilbuizen of het maken van sonderingen. Voor verticale boringen die niet aan deze algemene regel voldoen, geldt beleidsregel 5.
  6. Voor het maken van verticale boringen voor een Koude Warmte Opslag (KWO) systeem, geldt beleidsregel 5.
  7. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 4.8 Grondmechanisch onderzoek beschermingszone B Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.5 van de Keur, voor het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek in beschermingszone B van een waterkering. Artikel 2 Voorwaarden Degene die sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone B van een waterkering uitvoert als bedoeld in artikel 1: moet de (boor)gaten na afronding van de werkzaamheden volledig opvullen met (vloeibare) zwelklei; zet peilbuizen niet dieper dan 3 meter onder de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Toelichting Kader Op grond van artikel 3.5 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Bij het waterschap komen regelmatig watervergunningsaanvragen binnen voor het verrichten van grond-, geotechnisch, geohydrologisch onderzoek. Bij deze onderzoeken is het vaak nodig om verticale boringen te verrichten voor het nemen van grondmonsters, het plaatsen van peilbuizen of het maken van sonderingen. Voor verticale boringen die niet aan deze algemene regel voldoen, geldt beleidsregel 5.
  8. Voor het maken van verticale boringen voor een Koude Warmte Opslag (KWO) systeem, geldt beleidsregel 5.
  9. 4.9 Beweiden met schapen Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3, van de Keur, voor het beweiden met schapen. Artikel 2 Voorwaarden Degene die schapen beweidt op of nabij de waterkering als bedoeld in artikel 1: moet zijn schapen op eerste aanzegging van het bestuur verwijderen indien de instandhouding van een goede grasmat in gevaar is of dreigt voor te komen. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Het waterschap verpacht delen van de waterkering voor beweiding met schapen als onderhoud van de grasmat. In de pachtcontracten zijn de voorwaarden geregeld waaronder beweiding van de waterkering met schapen kan plaatsvinden. 4.10 Erfverharding Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur is vereist van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur, voor het aanbrengen van erfverhardingen en onderhouden van erfverhardingen op een compartimenteringskering en binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen. Artikel 2 Voorschriften Degene die een erfverharding aanbrengt op een compartimenteringskering of binnen beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering als bedoeld in artikel 1: voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit: oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of; aanbrengen klinkerverharding, en/of; aanbrengen zandbed ten behoeve van klinkerverharding; moet werkzaamheden bij primaire en regionale waterkeringen uitvoeren buiten de waterkering. Artikel 3 Melding Degene die erfverharding aanbrengt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.3 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.4 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen; het maaiveld te verhogen of te verlagen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering. Afhankelijk van de diepte en locatie waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou bijvoorbeeld kwelwerking kunnen optreden en wateroverlast kunnen ontstaan of de erosiebestendigheid van de waterkering worden aangetast. Onder werkzaamheden die worden uitgevoerd bij het gebruik van percelen als tuin of bouwland kunnen voor deze algemene regel de volgende activiteiten worden gerekend: het spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,3 meter diep); het zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen; bemesten; het planten en onderhouden van bomen die van nature laag blijven, struiken en overblijvende planten. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.
  10. Algemene regels grondwater Artikel 1 Gebiedsaanwijzing
  11. Op de kaart behorende bij deze algemene regels zijn grondwaterdeelgebieden aangewezen met het oog op gebiedsspecifieke toepassing van algemene regels.
  12. Per grondwaterdeelgebied gelden in de algemene regels de gebiedsspecfieke voorwaarden die opgenomen zijn in de onderstaande tabel. Daarbij geldt het volgende: De put voor onttrekking of infiltreren is niet dieper dan noodzakelijk en strekt zich maximaal tot in het watervoerende pakket dat in de onderstaande tabel is aangegeven; Indien ter plaatse in de bodem geen scheidende laag aanwezig is die de watervoerende pakketten van elkaar scheidt, dan geldt de in de tabel opgegeven maximale diepte voor de put voor onttrekking of infiltreren.
  13. De uitgangspunten op grond van lid 2 gelden niet indien en voor zover in een algemene regel specifiek andere voorwaarden zijn opgenomen. Tabel 4: Gebiedsspecfieke voorwaarden Gebied Naam Watervoerend pakket (Kleine onttrekkingen en agrarische graslandberegening; artikel 3 en 4) Watervoerend pakket (akker- en tuinbouw, noodvoorzieningen; artikel 5 en 6) Max. diepte minus maaiveld bij afwezigheid van afscheidende lagen I Westelijke zandgronden Wp 2a Wp 2b 30 meter II Centrale Slenk Wp 1b * Wp 1b* 30 meter III Peelhorst Wp 1b, Wp 2a ** Wp 1b, Wp 2a ** 30 meter IV Polders Aa en Maas Wp 1b* Wp 1b* 30 meter *) Onttrekken mag tot maximaal waterpakket 1b. Daar waar de pakketten 1a en 1b niet aanwezig zijn of ondieper liggen dan 30 meter, mag worden uitgeweken worden naar Wp 2a. **) Afhankelijk van welke laag aanwezig is. Artikel 2 Algemene voorschriften voor onttrekking en infiltreren 1.Degene die grondwater onttrekt, onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik. 2.Een put die niet langer gebruikt wordt of niet langer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt verwijderd. Artikel 3 Algehele vrijstellingen van vergunningplicht (kleine onttrekking)en Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist ten aanzien van: onttrekkingsinrichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur en; de onttrekkingsinrichting gelegen is buiten de ecologische hoofdstructuur zoals die is aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart oppervlaktewater en; de putten zijn niet dieper is dan bepaald in artikel 1; veedrenkputten, voor zover de put niet dieper is dan bepaald in artikel
  14. volkstuincomplexen, voor zover die voldoen aan lid 1 en niet meer dan 1 put hebben. Artikel 4 Beregening van grasland
  15. Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor beregening van grasland: voor zover de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000 zoals die zijn aangewezen op de kaart behorende bij deze algemene regels; de onttrekkingsinrichting een maximale pompcapaciteit heeft van 70 m3 per uur; er niet meer dan 1 put per 5 hectare aanwezig is; de putten zijn niet dieper dan in artikel 1 is bepaald; de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.
  16. Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorschriften: het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor graslandberegening; er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik; de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd. 3.Vergunningen verleend voor activiteiten als bedoeld in dit artikel vervallen met ingang van 1 januari
  17. 4.Het bepaalde in het eerste lid, onder e, vervalt per 1 januari
  18. 5.Het bepaalde in het tweede lid, onder c, treed

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.