Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is vereist voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug voor zover deze: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart; wordt aangelegd op minimaal 10 meter van een naastgelegen werk; wordt aangelegd met een maximale breedte van 12 meter; dient ter ontsluiting van particuliere percelen of onderdeel uitmaakt van een infrastructurele route; met toestemming van de wegbeheerder wordt aangelegd indien het gaat om een brug ter ontsluiting naar de openbare weg, en wordt geplaatst conform principetekeningen nummers (nog te maken en in te voeren). Artikel 2 Voorschriften Degene die een brug aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: plaatst de pijlers van de brug niet in het oppervlaktewaterlichaam; tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden; voorziet de taluds onder de brug en tot 2 meter aan weerszijden hiervan van beschoeiing/ een steenzetting / beton of een gelijkwaardige taludverdediging; belemmert de waterdoorvoer niet; is onderhoudsplichtig voor het water (inclusief taluds) onder de brug; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de brug; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de brug, en wijzigt of verwijdert de brug op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die een brug aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil, bij het ontbreken van een peilbesluit geldt het normaal aangehouden peil. Motivering van de algemene regel Het aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen categorie B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken (zie algemene regel nummer 1). Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van bruggen in oppervlaktewaterlichamen categorie A blijft maatwerk noodzakelijk. Het aanbrengen van een brug in een dergelijk oppervlaktewaterlichaam valt dan ook niet onder deze algemene regel. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.6 Dam met duiker aanleggen,
Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, vervangen, verlengen, verwijderen of behouden van een dam met duiker voor zover deze: wordt aangelegd, vervangen, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; wordt aangelegd op minimaal 10 meter van een ander kunstwerk; wordt aangelegd op minimaal 20 meter van een eventuele stuw; wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten; het (kadastrale) perceel (redelijkerwijs) niet anders is of kan worden ontsloten en de dam met duiker niet bedoeld is voor een andere functie dan perceelsontsluiting en; voldoet aan de volgende maatvoeringen: Onderdeel Beschrijving / maatvoering type duiker rond lengte duiker maximaal 12,5 meter Minimale diameter landelijk gebied Gelijk aan eerst naastgelegen bovenstroomse duiker met een minimale diameter van 0,3 meter Minimale diameter stedelijk gebied Gelijk aan eerst naastgelegen bovenstroomse duiker met een minimale diameter van 0,5 meter binnenonderkant van de duiker 0,05 m onder de waterbodem uitsteeklengte buiten dam maximaal 0,15 meter Artikel 2 Voorschriften Degene die een dam met duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt; voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting; verlengt een duiker tot een totale lengte van maximaal 12,5 meter; onderhoudt de werken in goede staat, wat in ieder geval inhoudt dat beschadigingen of verzakkingen direct dienen te worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het bestuur; werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing zodat het talud voldoende stevigheid krijgt; werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5; beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud; brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen die gelijk zijn aan het aansluitend profiel boven- en benedenstrooms; verwijdert bij (gedeeltelijk) vervanging van een duiker, de oude duiker volledig; houdt (het doorstroomprofiel van) de dam met duiker in stand; past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal; voorziet de uiteinden van de duiker van frontmuren van rotvrij, niet-uitlogend materiaal, geplaatst op een deugdelijke fundatie, en maakt de aanvulling van de dam, tussen de frontmuren van schone grond of zand conform het Besluit Bodemkwaliteit (www.bodemplus.nl). Artikel 3 Melding Degene die een dam met duiker aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bergingscapaciteit: het volume water dat geborgen kan worden tussen het streefpeil en het aanvaardbaar hoogste peil. Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Een brug heeft de voorkeur boven een duiker. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen. Wanneer het oppervlaktewaterlichaam waarin een dam met duiker wordt geplaatst, verlengd (gedeeltelijk) of vervangen niet in uw eigendom is, dient u privaatrechtelijk toestemming te hebben van de eigenaar van deze percelen. Wanneer een dam met duiker wordt aangelegd of verlengd ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.7 Kabels of leidingen aanleggen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels of leidingen onder of boven een oppervlaktewaterlichaam of in een bijbehorende beschermingszone, voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering, tenzij de algemene regel kabels en leidingen voor waterkeringen ook gevolgd wordt; niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een zoekgebied beekherstel en ecologische verbindingszone zoals aangegeven op de keurkaart oppervlaktewater; de kabels of leidingen worden aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, zowel categorie A en B zoals aangewezen in de legger; de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar; de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter; de spanning op de kabel niet hoger is dan 110 kV; bij aanleg van de kabel of leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone de afstand tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1 meter bedraagt; bij een gestuurde boring waarbij een oppervlaktewaterlichaam categorie B wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 0,50 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij een gestuurde boring waarbij een oppervlaktewaterlichaam categorie A of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 2 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1 meter uit de insteek en 2 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; de kabel, buis of leiding trekvast is of uit één stuk, en de kabel, buis of leiding onder een beschermingszone voldoende draagkracht bezit voor het dragen van machines ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam, met een minimale gronddekking van 0,50 meter. Artikel 2 Voorschriften Degene die kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: a. beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief; b. vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan; c. belemmert de aan- en afvoer van water niet; d. treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding, maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen; e. legt de kabels en leidingen aan volgens de NEN-normen 3650 en 3651; f. herstelt direct en volledig de gevolgen van een opbarsting. Het optreden van een opbarsting wordt onmiddellijk gemeld bij de toezichthouder, aanwijzingen van de toezichthouder dienen te worden opgevolgd, en; g. verwijdert kabels en leidingen die buiten gebruik worden gesteld, waarbij het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam en bijbehorende beschermingszone worden hersteld, met inbegrip van de taludbegroeiing. Artikel 3 Melding Artikel 3 Melding Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert in een oppervlaktewaterlichaam categorie A als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als bedoeld in artikel 1, hoeft dit niet te melden. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: (Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. Gestuurde boring: een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd. Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Motivering van de algemene regel Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterlichamen en hun beschermingszone komt zeer veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken (zie algemene regel nummer 1). Het kan voorkomen dat waterschappen oppervlaktewaterlichamen hebben aangewezen waar altijd een vergunning voor het leggen van kabels of leidingen moet worden aangevraagd. Waterschap Aa en Maas heeft dit nog niet gedaan. Men kan dan denken aan oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie waarin het waterschap ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige ontwikkelingen, zoals de aanleg van een plas- drasoever. Deze ontwikkelingen kunnen belemmerd worden door de aanwezigheid van een ondergrondse kabel of leiding. Een ander voorbeeld is gebieden met een verhoogd risico op opbarsting of wegzijging. Bij gevaar voor opbarsting is de kweldruk zo groot dat deze spontaan tot boven het maaiveld kan rijzen als de ondoorlatende (klei)laag in de ondergrond wordt doorsneden. Bij gevaar voor wegzijging is er juist gevaar voor uitdroging als de ondoorlatende laag die voorkomt dat grondwater dieper wegzakt, doorsneden wordt. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden in categorie A oppervlaktewaterlichamen in verband met het onderhoud. Om deze reden is de meldplicht voor categorie A oppervlaktewaterlichamen in deze algemene regel opgenomen. Voor categorie B oppervlaktewaterlichamen geldt dat de kabels en leidingen al gemeld dienen te worden conform de Klic-melding. Omdat het waterschap deze oppervlaktewaterlichamen niet zelf onderhoudt geef dit voldoende borging voor de waterhuishoudkundige belangen. 3.8 Ligplaats innemen Ten behoeve van ligplaatsen is geen specifieke algemene regel gesteld. Getoetst wordt aan de algemene regel 3.12 Steiger of vlonder bouwen,
. 3.9 Natuur ontwikkelen of inrichten Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever, voor zover: deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden langs een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger, of de bijbehorende beschermingszone; bij vrij afwaterende oppervlaktewaterlichamen het natte oppervlak bij gemiddeld zomerpeil niet toeneemt, en indien alleen het talud wordt aangepast tot een natuurvriendelijke oever, het talud wordt aangelegd met een helling van minimaal 1:
Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger en aansluitend op het eigendom of het bezit van de aanvrager; wordt aangelegd op minimaal 5 meter van een naastgelegen werk; wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,50 meter boven het hoogste gehanteerde peil ligt, en; voldoet aan de volgende maatvoering: Breedte oppervlaktewaterlichaam Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (gemeten vanaf de insteek) Maximale lengte steiger/vlonder (parallel gemeten aan de insteek) < 10 meter 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam maximaal de helft van de lengte van het perceel met een maximum van 5 meter > 10 meter en < 15 meter 1/10 van de breedte van het oppervlaktewaterlichaam 5 meter > 15 meter 1,50 meter 5 meter Artikel 2 Voorschriften Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet, indien de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam niet op de legger vastgelegd zijn, geldt het doorstroomprofiel boven- en benedenstrooms; is vrijstaand en rust niet op – of vindt geen steun aan- oeverwerken, schanskorven, beschoeiing en dergelijken en beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet; brengt onder de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk een toegestane taludbescherming aan (zie algemene regel nummer 4); belemmert de waterdoorvoer niet; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals boven- en benedenstrooms gehanteerd bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk; verwijdert de steiger, vlonder of het overhangende bouwwerk indien deze niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeert, en; wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen; Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld; Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil, bij het ontbreken van een ter plaatse vastgesteld peil, geldt het normaal aangehouden peil. Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden. Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen en boenstoepen. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels in oppervlaktewaterlichamen categorie B. Het onderhoud van deze wateren rust op de aangelanden zelf. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.13 Versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van de Keur, is vereist voor het afvoeren van hemelwater via nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: het totaal aaneengesloten oppervlak verharding niet meer bedraagt dan 2.000 m2, of; het renovatie van verhard oppervlak >2.000m2 betreft indien hierbij minimaal een retentie wordt aangelegd ter grootte van de bestaande hemelwaterberging, of bij de aanleg van het verhard oppervlak compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan conform de nota “Ontwikkelen met een hydrologisch oogmerk” (Waterschap Aa en Maas, 2005) of conform de HNO-tool op http:hnotool.aaenmaas.nl), of; het verhard oppervlak deel uitmaakt van een activiteit waarvoor door het bestuur reeds een ander besluit is genomen waarin afspraken zijn gemaakt over de afvoer van hemelwater en de maatregelen passen in deze afspraken, en deze maatregelen met de op heden geldende normen nog steeds afdoende zijn, of; het verhard oppervlak deel uitmaakt van de activiteiten waarvoor in het verleden door het waterschap een positief watertoetsadvies is afgegeven en de maatregelen worden uitgevoerd zoals opgenomen in de bij het watertoetsadvies horende waterparagraaf, en deze maatregelen met de op heden geldende normen nog steeds afdoende zijn, of; eventueel noodzakelijke compenserende maatregelen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan worden aangelegd voordat het verhard oppervlak wordt aangelegd, en; de afvoer van het hemelwater niet leidt tot wateroverlast. Artikel 2 Melding Degene die hemelwater via nieuw verhard oppervlak afvoert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.7, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Het tot afvoer laten komen van hemelwater via verhard oppervlak betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Deze regel heeft betrekking op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk (leiding, goot) wordt afgevoerd naar een oppervlaktewaterlichaam en die afstroomt via een nieuw verhard oppervlak. Dit oppervlak kan bestaan uit nieuw aangelegde verharding of dakvlakken van bebouwing. Afvoeren van bestaande verhardingen worden geacht te zijn verrekend via het gemeentelijk rioleringsplan. In het kader van het Bestuursakkoord Water zijn hierover nadere afspraken gemaakt. Via een algemene regel kan vrijstelling worden geboden voor het hemelwater dat via een beperkt oppervlak verharding direct wordt afgevoerd. Voor het beperkte oppervlak dat afvoert, behoeft geen bergingscompensatie te worden aangebracht. Voor afvoer van hemelwater van grotere verharde oppervlakken moet worden voorkomen dat sprake is van versnelde afvoer van hemelwater. Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende maatregelen zijn uitgangspunten vastgelegd in de nota “ontwikkelen met een hydrologisch oogmerk” en is een internettool ontwikkeld waarmee de omvang van de compenserende maatregelen eenvoudig kan worden bepaald. Wanneer de aanvrager aantoont dat hieraan wordt voldaan, kan met een melding van de werkzaamheden worden volstaan. In een aantal gevallen maakt het waterschap afspraken met derden over de afvoer van hemelwater waarbij kan worden afgeweken van de compensatieplicht of waarbij afspraken worden gemaakt over cofinanciering van maatregelen. Voor het afvoeren via een lozingswerk is een aparte algemene regel gemaakt. Hierin worden voorwaarden gesteld aan het voorkomen en herstellen van eventuele beschadigingen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Het is noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.14 Onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichaam Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.8 van de Keur is vereist, voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; niet wordt onttrokken in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart; niet meer dan 70 m3/uur water aan een oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken door middel van een pomp met een maximale pompcapaciteit van 70 m3/uur, en; water over de stuw benedenstrooms blijft komen. Artikel 2 Voorschriften Degene die water onttrekt als bedoeld in artikel 1: verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen; verwijdert de onttrekkingvoorziening op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult, en; stopt de onttrekking op eerste aanzegging van het waterschap in geval van droogte; Artikel 3 Melding Degene die meer dan 10 m3/uur maar minder dan 70 m3/uur water onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Onttrekkingen met een pompcapaciteit kleiner dan 10 m3/uur én onttrekkingen ten behoeve van beregening ter voorkoming van nachtvorstschade zijn vrijgesteld. Deze hoeven niet gemeld te worden. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Motivering van de algemene regel Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.15 Brengen van water Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.8 van de Keur is vereist, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; niet meer dan 70 m3/uur water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht door middel van een pomp met een maximale pompcapaciteit van 70 m3/uur; het oppervlaktewaterlichaam de betreffende lozing kan verwerken en geen overlast wordt veroorzaakt bij derden of het waterschap, en het totale debiet van alle lozingen van één perceel op één oppervlaktewaterlichaam niet meer bedraagt dan 70 m3/uur. Artikel 2 Voorschriften Degene die water brengt als bedoeld in artikel 1: verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen, en stopt de lozing op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult of indien wateroverlast ontstaat. Artikel 3 Melding Degene die meer dan 30 m3/uur water maar minder dan 70 m3/uur in een oppervlaktewaterlichaam brengt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bronneringswater: Grondwater dat aan de bodem onttrokken wordt om de grondwaterstand (tijdelijk) te verlagen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart Motivering van de algemene regel Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de lozingsvoorziening. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel Versneld afvoer verhard oppervlak. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.16 Drainage Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.9 van de Keur is vereist, voor het aanleggen, behouden, of verwijderen van peilgestuurde drainage in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd, behouden of verwijderd in of nabij een oppervlaktewaterlichaam categorie A of B als aangegeven in de legger of de bijbehorende beschermingszone; niet wordt aangelegd ten behoeve van het versneld afvoeren van regenwater van verhard oppervlak, hiervoor geldt Algemene regel nummer 9; de beschermingszone wordt gekruist door een ondergrondse pijp met een gronddekking van minimaal 0,40 meter zodat de beschermingszone vrij blijft van obstakels; eventuele greppels nabij categorie A oppervlaktewaterlichamen worden aangelegd buiten de beschermde gebieden Keur met een maximale diepte van 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld; niet wordt aangelegd binnen de beschermde gebieden Keur als aangegeven op de Keurkaart; de buisdrainage in en nabij categorie A oppervlaktewaterlichamen niet lager is gelegen dan 0,70 meter beneden de gemiddelde laagst gelegen maaiveldhoogte van het te draineren perceel of voor wat betreft categorie B oppervlaktewaterlichamen is gecombineerd met een afwateringswerk waarvan het overlooppeil niet lager is gelegen dan 0,70 meter beneden de gemiddelde laagst gelegen maaiveldhoogte van het te draineren perceel. de lozingsvoorziening verzonken in het talud en buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd conform de algemene regel uitmondingsvoorzieningen (zie algemene regel nummer 3.17). Artikel 2 Voorschriften Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: richt de uitmondingsvoorziening zo in dat het te lozen water altijd direct afgesteld kan worden op het actuele grondgebruik; volgt voor de overige voorwaarden ten aanzien van de uitmondingsvoorziening de Algemene regel uitmondingsvoorzieningen (nummer 8); herstelt beschadigde taluds op deugdelijke wijze en in oorspronkelijke constructie en toestand en controleert en herstelt opnieuw zo nodig het talud als sprake is van een verzakking; schuint bij kruising van een beschermingszone van categorie A oppervlaktewaterlichamen de eindbuis 0,05 meter beneden het vlak van het talud van de watergang af en voorziet de eindbuis van een degelijke taludgoot van kunststof en herstelt zo nodig de beschermingszone opnieuw bij verzakkingen, en herstelt bij kruising van een beschermingszone van categorie A oppervlaktewaterlichamen de beschermingszone op deugdelijke wijze in oorspronkelijke constructie en toestand zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden Artikel 3 Melding Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.9 van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Buisdrainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand. Greppel: ontwateringsmiddel door middel van een ondiepe geul, gegraven voor de oppervlakkige waterafvoer van hemelwater op het land. Lozingsvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Peilgestuurde drainage: buisdrainage, gecombineerd met een werk waarmee het ontwateringspeil kan worden gestuurd. Motivering van de algemene regel Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg, behoud en verwijdering van peilgestuurde drainage. Deze algemene regel is niet van toepassing op de beschermde gebieden Keur, attentiegebieden en wijstgebieden. Voor deze gebieden geldt een vergunningplicht voor de aanleg van (nieuwe) buisdrainagesystemen en greppels. Door drainagesystemen zodanig in te richten dat de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd, zodat een bepaald grondwaterpeil kan worden gerealiseerd wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden. Zowel het peilgestuurd draineren als het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningenzijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen bij peilgestuurde drainage kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het effect van ondiepe greppels op de waterhuishouding is beperkt. Daarom leent dit onderwerp zich ook voor algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.17 Uitmondingsvoorziening Artikel 1 Criteria Geen watervergunning bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen of behouden van een uitmondingsvoorziening in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering; wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger; niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam gelegen in de beschermde gebieden Keur als aangewezen in de legger of Keurkaart, en de uitmondingsvoorziening verzonken in het talud en buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Artikel 2 Voorschriften Degene die een uitmondingsvoorziening aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: fundeert de uitmondingsvoorziening op deugdelijke wijze; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de uitmondingsvoorziening; legt de uitmondingsvoorziening aan zodat de beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft; voorziet de uitmondingsvoorziening ten behoeve van onttrekken van een zuigkorf die visintrek voorkomt; legt de taludbak, de zuigleiding, het vuilrooster of andere constructies buiten het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan; voorziet de uitmondingsvoorziening van een taludbescherming, deze taludbescherming reikt minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam, bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner is de taludbescherming aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig; de taludbescherming strekt in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening; houdt de uitmondingsvoorziening circa 0,10 meter terug in het talud; door middel van drainageleidingen water in het oppervlaktewaterlichaam brengt voorziet deze van een drainage-uitmonding, waarbij de taludbescherming in de vorm van een taludgoot is aangebracht; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de uitmondingsvoorziening, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; verwijdert drijfvuil, zand- en slibafzettingen, en wijzigt of verwijdert de uitmondingsvoorziening op eigen kosten en op eerste aanzegging van het waterschap indien naar het oordeel van het waterschap deze geen functie meer vervult of indien wateroverlast of -schaarste ontstaat. Artikel 3 Melding Degene die een uitmondingsvoorziening aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Natte profiel: het gedeelte (oppervlak) van de watergang waar het water zich bevindt bij het hoogst vigerende peil. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Uitmondingsvoorziening: een permanent werk in het talud, dat dient voor het lozen of onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam. Zuigkorf: zeef voor de inlaat van een pompleiding. Motivering van de algemene regel Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 70 m3/uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanente uitmondingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de uitmondingsvoorziening. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel Versneld afvoer verhard oppervlak. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht voor categorie A wateren in deze algemene regel opgenomen. 3.18 Stuwen Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur, is vereist voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een stuw in een oppervlaktewaterlichaam voor zover: wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een oppervlaktewaterlichaam categorie B zoals aangewezen in de legger; indien de stuw in overeenstemming met belanghebbenden wordt aangelegd en beheerd; het watersysteem binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit blijft voldoen, en het watersysteem minimaal aan de geldende afvoernormen blijft voldoen, bij het ontbreken van een geldende afvoernorm geldt de afvoer die vóór aanleg van de stuw gebruikelijk is. Artikel 2 Voorschiften Degene die een stuw aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, legt deze op een zodanige wijze aan dat de aan- en afvoer van water bij een hoge belasting van het watersysteem wordt gewaarborgd. Artikel 3 Melding Degene die een stuw aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Motivering van de algemene regel Het plaatsen en behouden van een stuw betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel 3.19 Anti-worteldoek Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het voor het aanleggen, verwijderen of behouden van anti-worteldoek voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden op het talud van een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger of de bijbehorende beschermingszone. Artikel 2 Voorschriften Degene die het anti-worteldoek aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: zet het anti-worteldoek vast om te voorkomen dat deze in het oppervlaktewaterlichaam terecht komt of kan opwaaien; plaatst een beschoeiing in het talud op zomerpeil, voor deze beschoeiing geldt een aparte algemene regel; onderhoudt het anti-worteldoek en de beschoeiing in goede staat, en; houdt eventuele begroeiing zo laag mogelijk met een maximale hoogte van 30 centimeter. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Stedelijk gebied: gebied dat zich bevindt binnen de door de betrokken gemeente als ‘bebouwde kom’ aangewezen gebied Motivering van de algemene regel Bij veel tuinen van particulieren en bedrijven wordt anti-worteldoek op het talud van oppervlaktewaterlichamen toegepast om de tuin ter plaatse een net afgewerkt karakter te geven en het onderhoud te vergemakkelijken. Het aanleggen, verwijderen of behouden van anti-worteldoek in oppervlaktewaterlichamen categorie B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor oppervlaktewaterlichamen categorie C geldt de algemene vrijstelling voor werken. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.20 Stoffen, voorwerpen en dieren op de beschermingszone Artikel 1 Criteria Geen watervergunning, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur is vereist, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van stoffen, voorwerpen of dieren in de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen, voor zover: niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering of bijbehorende beschermingszone; het kleine voorwerpen betreft die geen schade brengen aan het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone; het voorwerpen betreft die eenvoudig en op eerste aanzegging kunnen worden verwijderd; het voorwerpen betreft die geen verankering in de bodem nodig hebben, en; dieren worden gehouden in de beschermingszone niet zijnde een strook of pad dat dient voor inspectie van het oppervlaktewaterlichaam in eigendom van het waterschap. Artikel 2 Voorschriften Degene die stoffen, voorwerpen of dieren aanlegt, verwijdert en behoudt als bedoeld in artikel 1, wijzigt of verwijdert stoffen, voorwerpen of dieren op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3 Melding Degene die stoffen, voorwerpen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. Degene die dieren houdt in de beschermingszone, behoeft geen melding te doen. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Motivering van de algemene regel Het aanleggen, verwijderen of behouden van stoffen, voorwerpen of dieren betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.