Nota Reclamebeleid 2013 gemeente BrummenHet college van burgemeester en wethouders van Brummen heeft de Nota Reclamebeleid 2013 gemeente Brummen vastgesteld. 1.Inleiding 1.1.Aanleiding Iedere gemeente heeft te maken met reclame-uitingen in de openbare ruimte c.q. de fysieke leefomgeving. Zo ook de gemeente Brummen. Reclame-uitingen komen voor in alle soorten en maten [1] en zijn tegenwoordig niet (meer) weg te denken uit het maatschappelijke leven. Om de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving van de gemeente op het gewenste niveau te houden, resp. onnodige en ongewenste verloedering van het publieke domein tegen te gaan, is het wenselijk beleid ten aanzien van reclame te voeren. In voorliggende nota vallen in beginsel alle fysieke uitingen onder de term “reclame-uitingen”, die de bedoeling hebben de aandacht te vestigen op een bedrijf/instelling of een bepaalde activiteit Nu het de gemeente Brummen ontbreekt aan eenduidige, actuele ‘richtlijnen’ hieromtrent, is besloten om beleid te formuleren. Zij vindt het belangrijk, dat reclame-uitingen passen in het straatbeeld, de omgeving niet (te veel) verstoren en niet hinderlijk zijn voor verkeer en passanten. Daarnaast wil zij ‘wildgroei’ van allerlei reclame-uitingen voorkomen. Het is uitdrukkelijk niet de intentie van voorliggend beleid om reclame-uitingen (volledig) uit te bannen. Voor veel ondernemers is het maken van reclame voor hun bedrijf/onderneming, resp. activiteiten, nl. zeer gewenst, danwel noodzakelijk om het bedrijf/onderneming, resp. hun activiteiten onder de aandacht te brengen van het grote publiek. De gemeente streeft in dit kader naar een ‘acceptabele’ inpassing van reclame-uitingen in de fysieke leefomgeving. Reclame zou - waar mogelijk - een bijdrage moeten leveren aan de verlevendiging van de gemeente, en zo min mogelijk, resp. niet mogen niet leiden tot ‘visuele chaos’. Door criteria aan te reiken, c.q. randvoorwaarden te formuleren waaronder reclame is toegestaan, wordt duidelijkheid en rechtszekerheid geboden aan inwoners, ondernemers en overige betrokkenen. In voorliggende nota wordt in hoofdzaak ingegaan op reclame-uitingen en de wijze waarop de gemeente hiermee omgaat (op gebied van onder meer vergunningverlening). Ofschoon er een relatie is met onder meer terrassen, uitstallingen en bewegwijzering, vallen deze onderwerpen in beginsel buiten de reikwijdte van voorliggende nota. Het totstandkomingtraject van voorliggend beleidsnota vindt parallel plaats aan het actualisatietraject van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2013 van de gemeente Brummen. Derhalve is er tevens sprake van een ‘natuurlijk moment’ om het reclamebeleid nu vorm te geven. [1] Voor een overzicht van typen/soorten reclame-uitingen wordt verwezen naar bijlage 1 1.2.Doelstelling Met het (laten vaststellen van het) reclamebeleid wordt beoogd, dat de (bestuurs)praktijk van de gemeente Brummen met betrekking tot reclame-uitingen nader wordt geformaliseerd. Daarnaast is het beleid zodanig geformuleerd, dat het voor een ieder duidelijk is/wordt hoe de gemeente om gaat met reclame en in welke gevallen een aanvraag om vergunning/ontheffing leidt tot vergunningverlening, respectievelijk een weigering. 1.3.Leeswijzer In voorliggende beleidsnota wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de huidige werkwijze c.q. de huidige bestuurspraktijk, inzake reclame-uitingen in de gemeente Brummen, het juridisch kader, (nieuw) (afwijkings)beleid, de aanvraagprocedure, handhaving, monitoring en evaluatie. 2.Huidige situatie in de gemeente Brummen 2.1.De huidige bestuurspraktijk Om een reclame-uiting in de openbare ruimte te mogen plaatsen, is in de meeste gevallen een vergunning (of ontheffing) vereist. Soms zijn zelfs verschillende vergunningen nodig. Dat komt voort uit het feit, dat meerdere c.q. verschillende wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van wetten, die in dit kader van toepassing kunnen zijn. In de gemeente Brummen is tot dusverre geen reclamebeleid in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) vastgesteld. Wel is er een bestuurspraktijk ontstaan op basis waarvan vergunningen/ontheffingen worden verleend voor het plaatsen van reclame(uitingen). Bij verzoeken om het plaatsen van een of meerdere reclame-uitingen (in welke vorm dan ook) wordt in eerste instantie beoordeeld of er sprake is van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Voor een reclame-uiting van enige omvang of betekenis is doorgaans al snel een ‘omgevingsvergunning (voor de activiteit bouwen)’ vereist op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) / het Besluit omgevingsrecht (Bor). NB. Voor zover een vergunning op grond van de Wabo is vereist, wordt niet aanvullend een vergunning op grond van de APV gevraagd. Voor zover er geen sprake is van een ‘vergunningplichtig’ bouwwerk (o.g.v. de Wabo/het Bor), is (veelal) de APV van de gemeente Brummen van toepassing. In de APV 2010 zijn diverse artikelen opgenomen, die een relatie hebben met (het plaatsen van) reclame. 2.2.Semi permanente reclameborden Op grond van het 2e lid van artikel 4:29 APV 2010 is het college bevoegd om wegtracés, danwel gedeelten daarvan aan te wijzen, waarlangs reclameborden van semi-permanente aard - die geen ruimtelijke relatie hebben met de zaak waarop het opschrift, de aankondiging of de afbeelding betrekking heeft - geplaatst mogen worden. Bij besluit van 24 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen - naar aanleiding van de inwerkingtreding van de APV 2002 en de daarmee samenhangende intrekking van de toen geldende Reclamebordenregeling – een zevental locaties binnen de gemeente Brummen aangewezen, inclusief het maximaal aantal borden per locatie [2] Op grond van dit ‘aanwijzingsbesluit’ verleent het college een APV-vergunning voor het plaatsen van een reclamebord van semi-permanente aard op één van deze zeven ‘aangewezen’ locaties voor een termijn van maximaal drie jaar. In de praktijk is gebleken, dat tot op heden deze reclame objecten (abusievelijk) niet zijn beschouwd als ‘bouwwerken, geen gebouw zijnde’, waarvoor een omgevingsvergunning o.g.v. de Wabo noodzakelijk is (i.p.v. een APV vergunning). Voorts blijkt, dat deze reclame-uitingen (waarvoor vergunning is verleend voor max. 3 jaar) na het verstrijken van de vergunde periode niet zijn/worden verwijderd. Strikte handhaving op de naleving van de voorschriften uit de vergunning vindt tot op heden onvoldoende plaats [3]. Van reclame van semi permanente aard is derhalve geen sprake. In voorliggende nota wordt een nieuwe werkwijze/ beleids-lijn beschreven, die recht doet aan de huidige wet- en regelgeving en de gewenste aanpak. [2] Op 3 juli 2007 heeft het college een wijziging aangebracht in een eerder aangewezen locatie. [3] Een en ander komt voort uit het feit, dat tot op heden bestuurlijk andere prioriteiten op gebied van handhaving zijn gesteld. 2.3.Driehoeksreclameborden/sandwichborden Naast de hierboven genoemde reclameborden, is een tweede categorie reclame-objecten te onderscheiden: de zogenaamde driehoeksreclameborden. Dit type/soort borden wordt veelal gebruikt om bepaalde (publieks)evenementen onder de aandacht te brengen. Hieronder vallen tevens de zogenaamde sandwichborden. Deze constructies worden niet beschouwd als bouwwerk, waarvoor - o.g.v. de Wabo/het Bor - een omgevingsvergunning vereist is. Met betrekking tot het plaatsen van dergelijke reclame-objecten, geldt echter op grond van de APV 2010, dat het verboden is zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte anders te gebruiken, dan overeenkomstig de publieke functie ervan (artikel 2:10 APV 2010). In de praktijk wordt gewerkt met een beperkt aantal locaties, waar dit type/soort reclameborden zonder meer toegestaan [4] zijn. Deze locaties zijn tot op heden niet bestuurlijk vastgelegd. Wel is per locatie beoordeeld of door het plaatsen van deze reclame-objecten op deze locaties verkeersonveilige situaties ontstaan, danwel schade ontstaat aan de weg. Ofschoon in de APV 2010 is voorgeschreven, dat deze objecten ook beoordeeld dienen te worden aan de redelijke eisen van welstand, wordt dit voorschrift in de praktijk nauwelijks tot niet gehanteerd. Ook dit is een reden om de APV 2010 nader aan te passen conform de nieuwe beleidslijn. In bijlage 3 zijn deze locaties nader opgenomen. NB. Volledigheidshalve dient in dit kader tevens de ‘evenementenborden’ [5] genoemd te worden, welke veelal op ‘strategische’ plaatsen in de gemeente Brummen zijn gepositioneerd: Arnhemsestraat, Eerbeekseweg, Zutphensestraat, Apeldoornseweg (t.h.v. Kanaalweg), Brummenseweg en de Loenenseweg. Op deze borden kunnen organisaties en instellingen voor de duur van maximaal drie weken plaatselijke evenementen laten aankondigen. Wanneer de borden daarvoor ruimte bieden, is commerciële reclame toegestaan. De exploitatie van de borden is door de gemeente overgedragen aan een commercieel bedrijf (i.c. De Goede Lichtreclame Service BV te Leuvenheim). In de huidige praktijk is voor het (telkens) plaatsen van een (nieuw) evenementenbord geen ‘toestemming’ van de gemeente vereist. Met het nieuwe beleid wordt hierin geen wijziging/verandering beoogd. [4] Er is nog wel een APV vergunning nodig, maar deze wordt in de regel altijd verleend. [5] De evenementenborden bestaan elk uit een bovenbord met een permanente text, alsmede vier onderborden voor de aankondiging van evenementen in de gemeente Brummen. 2.4.Spandoeken Ook voor het aanbrengen van spandoeken is artikel 2:10 APV 2010 van toepassing. Ondanks het feit, dat deze locaties, waar de spandoeken geplaatst mogen worden, tot op heden (eveneens) niet bestuurlijk zijn vastgesteld, worden ze in de praktijk – naar tevredenheid - gehanteerd. Ook hier geldt dat er tot op heden nog wel een APV vergunning nodig is. Gezien het feit, dat tot op heden op vergunningaanvragen – wanneer wordt voldaan aan de aangewezen locaties en het maximaal aantal borden/spandoeken – (vrijwel) altijd positief werd besloten, is in de APV 2013 voor het plaatsen van driehoeksreclameborden en spandoeken een ‘meldingsysteem’ ingevoerd. Voor dit soort reclame uitingen is derhalve geen vergunning meer vereist, maar kan middels een meer eenvoudige procedure toestemming worden gegeven/verkregen. In hoofdstuk 3 zal hier nader op worden ingegaan. 2.5.Reclamevoertuigen Op grond van artikel 5:7 APV is het verboden om een reclamevoertuig [6] op de weg te parkeren, met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. In de praktijk blijkt, dat het parkeren van reclamevoertuigen weinig voorkomt en dat het aantal aangevraagde ontheffingen verwaarloosbaar is. Vooralsnog is er niet voor gekozen om dit artikel te laten vervallen in de APV 2013. Dit heeft voornamelijk te maken met het voornemen om in 2013 prioriteit te geven aan het handhavend optreden tegen illegale reclame uitingen langs belangrijke doorgaande (provinciale) wegen in de gemeente Brummen. Een en ander zal ook worden opgenomen in het gemeentelijk handhaving-uitvoeringprogramma 2013. Voorkomen moet worden, dat naar aanleiding van handhavingacties deze illegale reclame-uitingen ‘terugkomen’ in de (aangepaste) vorm van reclamevoertuigen. [6] Een voertuig voorzien van een aanduiding van handelsreclame. 2.6.Het juridisch kader Uit voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd, dat in de Brummense praktijk niet altijd duidelijk was welke procedures gevolgd, resp. welk toetskader gehanteerd dienden te worden. In voorliggende nota is de gewenste werkwijze/beleidslijn, alsmede de te hanteren uitgangspunten beschreven bij het al dan niet toestaan van reclame-uitingen. Het voorliggend reclamebeleid vindt haar grondslag in diverse bepalingen, neergelegd in zowel de Wabo als in de APV. De APV is slechts van toepassing voor zover niet in het onderwerp wordt voorzien door hogere regelgeving, zoals de Wabo. Indien een reclame-object is aan te merken als een bouwwerk [7], is voor het oprichten - ingevolge artikel 2.1 van de Wabo - een omgevingsvergunning vereist. Artikel 2.10 van de Wabo bepaalt, dat een vergunning moet worden geweigerd als het bouwen in strijd is met redelijke eisen van welstand. De overige weigeringsgronden blijven onverkort van toepassing. Zo is het mogelijk dat een vergunning voor (het plaatsen van) een reclame-object geweigerd moet worden als er strijd is met het vigerend bestemmingsplan. In de APV 2010 zijn drie bepalingen opgenomen, die relevant zijn voor reclame-objecten. Op alle reclame-objecten, die niet onder het bereik van de Wabo/het Bor vallen, is slechts één van de volgende bepalingen uit de APV 2010 van toepassing: Artikel 2.10 (plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg); Artikel 4.29 (hinderlijke of gevaarlijke reclame op of aan een onroerende zaak); Artikel 5.7 (parkeren van reclamevoertuigen op de weg). Ad. 1. Artikel 2.10 van de APV (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg) bepaalt, dat het verboden is om zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig publieke functie daarvan. Reclame-objecten die op, aan of boven de weg zijn geplaatst, vallen onder de reikwijdte van deze bepaling. Ad. 2. Artikel 4.29 van de APV (hinderlijke of gevaarlijke reclame) verbiedt het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, waardoor het verkeer in gevaar komt. Deze bepaling heeft, ter onderscheid van de reikwijdte van artikel 2.10 APV, betrekking op reclame-objecten, die niet op, aan of boven de weg zijn geplaatst. Onder de reikwijdte van artikel 4.29 vallen voorts objecten, die op private gronden zijn geplaatst. Dit APV voorschrift is in de (nieuwe) APV 2013 komen te vervallen. De voorschriften uit de Wabo zijn/blijven onverkort van toepassing. Ad. 3. Artikel 5.7 van de APV (parkeren van reclamevoertuigen) bepaalt, dat het verboden is om op de weg een voertuig te parkeren, dat voorzien is van handelsreclame met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college van burgemeester en wethouders kan van dit verbod ‘ontheffing’ verlenen. Deze bepaling ziet op zogenaamde reclamevoertuigen, die op de weg worden geparkeerd. Veel voorkomend, zijn daarbij aanhangwagens waarop reclame-objecten zijn aangebracht. De verbodsbepaling is niet gekoppeld aan een vergunningenstelsel, maar aan een systeem van ontheffingen. Het college is vrij in haar beleid invulling te geven aan de ontheffingsmogelijkheid, maar dient hierbij in acht te nemen, dat de bepaling dient ter voorkoming van parkeerexcessen. In de toelichting bij de bepaling wordt uiteengezet, dat het excessieve karakter gelegen kan zijn in de ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Gelet hierop is het mogelijk om uit het oogpunt van welstand paal en perk te stellen aan het parkeren van reclamevoertuigen. [7] Het begrip bouwwerk moet worden uitgelegd als een constructie van enige omvang met een plaatsgebonden karakter. De uitleg van de criteria “constructie”, “enige omvang” en “plaatsgebonden karakter” is in de jurisprudentie sterk casuïstisch. Of een constructie al dan niet mobiel is, heeft geen doorslaggevende betekenis. In ieder geval dienen reclamezuilen als bouwwerken te worden aangemerkt. 2.3.Overige wet- en regelgeving Naast de APV is er nog andere regelgeving van belang ten aanzien van het plaatsen van reclameborden. In dit kader wordt verwezen naar bijlage 2. 3.Beleidsregels reclame 3.1.Omgevingsvergunningplichtige reclame objecten Voor zover een reclame-uiting omgevingsvergunningplichtig is op grond van de Wabo/het Bor (voor de activiteit ‘bouwen’), is een omgevingsvergunning vereist. Naast het Bouwbesluit en de Bouwverordening, zal een aanvraag om vergunning getoetst worden aan het vigerend bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. 3.1.1. Bestemmingsplan/afwijkingsbeleid 'planologische kruimelgevallen'Als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ in strijd is met het vigerend bestemmingsplan dient het bevoegd gezag in de regel de omgevingsvergunning te weigeren. Echter een aanvraag in strijd met het bestemmingsplan, dient tevens beschouwd te worden als zijnde een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan (door middel van het afgeven van een omgevingsvergunning). Het afwijken van een bestemmingsplan is in dit kader veelal een bevoegdheid van het college van B&W. Omdat het een bevoegdheid betreft, is het college niet verplicht hiervan gebruik te maken. Indien het college wel van een afwijkingsmogelijkheid gebruik wil maken, dient dit gemotiveerd te geschieden. Met betrekking tot het plaatsen van reclame-uitingen, die geen ruimtelijke relatie hebben met de zaak, waarop het opschrift, de aankondiging of afbeelding betrekking heeft, zal dit afwegingstraject ‘geschieden’ aan de hand van in voorliggende nota opgenomen afwijkingsbeleid(sregels). 3.1.2. Afwijkingsbeleid(sregels) voor (het plaatsen van) reclame-uitingen, die geen ruimtelijke relatie hebben met de zaak, waarop het opschrift, de aankondiging of afbeelding betrekking heeftHet is mogelijk om met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan af te wijken. De maximale afwijkingsmogelijkheden op grond van dit artikelonderdeel zijn opgenomen in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bevoegd gezag komt beleidsvrijheid toe om deze afwijkingsmogelijkheid in te perken. Artikel 4 bijlage II, onder 3 van het Bor biedt de mogelijkheid om aan het plaatsen/realiseren van bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een oppervlakte van maximaal 50 m² en een hoogte van maximaal 10 meter (in strijd met het vigerend bestemmingsplan) medewerking te verlenen. In een concreet geval zal worden beoordeeld of de plaatsing van het betreffende bouwwerk vanuit ‘stedenbouwkundig oogpunt’ aanvaardbaar is. Met betrekking tot reclameborden, die geen ruimtelijke relatie hebben met de zaak, waarop het opschrift, de aankondiging of afbeelding betrekking heeft, gelden de volgende voorwaarden: Met verwijzing naar het (op de APV 2010 gebaseerde) aanwijzingsbesluit d.d. 24 maart 2003, aangepast bij besluit d.d. 3 juli 2007, zijn op onderstaande locaties de hierboven genoemde reclameborden toegestaan: Tracé/weggedeelte Max. aantal reclameborden 1 Arnhemsestraat (Leuvenheim) / N348 2 borden 2 N348 / Oude Meengatstraat 2 borden 3 Kanonsdijk / Windheuvelstraat 2 borden 4 Eerbeekseweg / Hammelerweg 2 borden (was 1 bord) 5 Loenenseweg 2 borden 6 Hogeweg / Lageweg (noordzijde) 2 borden 7 Harderwijkerweg / Doonweg 2 borden (was 1 bord) 8 Gemeentelijke rotondes [8] (waaronder Zutphensestraat- Vulcanusweg-Het Stroomdal) Afhankelijk van aantal wegen dat op rotonde aansluit. Per locatie zijn maximaal 2 reclameborden toegestaan; Per rotonde is het maximaal toegestane aantal reclameborden gelijk aan het aantal wegen, dat aansluit op betreffende rotonde; De maximale afmetingen van een reclamebord bedragen 1,20m x 0,80m (bxh); De maximale hoogte van de reclameconstructie bedraagt 2,00m, gemeten vanaf aangrenzend maaiveld voor zover geen betrekking op reclame uitingen op rotonden; De maximale hoogte van de reclameconstructie op een rotonde bedraagt 1,00m; (De plaatsing van) de reclameborden op de rotonde hebben niet tot gevolg, dat er een verkeersonveilige situatie door ontstaat; De reclameborden zijn ondergeschikt in het landelijk gebied (onder meer qua kleurkeuze); De verlichting van de reclameborden is niet toegestaan; Voor overige - niet in het overzicht genoemde locaties – wordt in beginsel niet afgeweken van het bestemmingsplan. NB. De voorwaarden – welke betrekking hebben op de maximale duur en afmetingen – zoals opgenomen in de huidige APV 2010 worden ‘losgelaten’. Deze hele APV bepaling is komen te vervallen in de APV 2013. Voorts dient een omgevingsvergunningaanvraag te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Deze zijn beleidsmatig vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. [8] Zie tevens paragraaf 3.3. 3.1.3. Welstand / Nota Ruimtelijke KwaliteitOnlangs is de gemeente Brummen gestart met de voorbereiding van een nieuwe ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. In deze nota zijn/wordt onder meer welstandscriteria opgenomen voor reclame-uitingen. In dit kader wordt onderscheid gemaakt naar: reclame uitingen bij monumenten; reclame uitingen in woongebieden; reclame uitingen in winkelgebieden; reclame uitingen op recreatie en sportterreinen; reclame in het landelijk gebied; reclame op bedrijventerrein. De criteria zijn vervolgens uitgesplitst naar ‘algemeen’ en ‘specifiek’, waarbij de specifieke criteria ingaan op aantal, plaatsing, vormgeving en maatvoering. Voor wat betreft de criteria wordt verwezen naar de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. De hierboven genoemde zeven locaties bevinden zich grotendeels in een groene onbebouwde omgeving langs doorgaande (verbindings)wegen. Bij het bepalen van de (maximale) afmetingen voor vrijstaande reclameborden is zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de (welstands-)criteria, zoals omschreven in het hoofdstuk ‘Kleine Bouwwerken’ van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. 3.2.Locaties driehoeksreclameborden, spandoeken en maximum stelsel In de nieuwe APV 2013 is het vergunningstelsel ‘losgelaten’ voor het plaatsen van driehoeksreclameborden en spandoeken. In de plaats hiervan is een meldingsysteem ingevoerd. Concreet komt dit erop neer, dat slechts een melding hoeft te worden gedaan. De vereiste melding is nodig om dubbele ‘boekingen’ te voorkomen. Indien vanuit de gemeente niet binnen 10 werkdagen is/wordt gereageerd naar de indiener van de melding, mag worden aangenomen, dat de gemeente geen problemen heeft met het plaatsen van de reclameborden/spandoeken. Indien er sprake is van ‘dubbele boeking’ zal de gemeente contact opnemen met de ‘laatste’ melder om alternatieve oplossingen (i.c. andere locaties en/of tijden) aan te dragen. De in de praktijk gehanteerde locaties, waar driehoeksreclameborden/spandoeken geplaatst mogen worden, worden nadrukkelijk aangewezen. De locaties voor de driehoeksreclameborden zijn opgenomen in bijlage 3. In onderstaand overzicht zijn de locaties/adressen opgenomen waar spandoeken geplaatst mogen worden. Emperweg-Ganzekolk Empe Spankerenseweg-Eendrachtweg Leuvenheim Dorpsstraat-Slatweg Hall Kaniestraat-Voorsterweg Oeken Engelenburgerlaan-De Pothof Brummen Arnhemsestraat-De Pothof Brummen Zutphensestraat-Vulcanusweg Brummen Loubergweg-Lageweg-Stuijvenburchstraat Eerbeek Loenenseweg-Einthovenstraat Eerbeek Loubergweg-Coldenhovenseweg Eerbeek Hoevesteeg-Haarweg Tonden Arnhemseweg (tussen huisnummer 1 en 2) Brummen In beginsel wordt het principe “wie het eerst komt, die het eerst maalt” gehanteerd. Toestemming heeft maximaal betrekking voor/op 10 locaties, waar de driehoeksreclameborden geplaatst worden. Dit maximaal aantal wordt aangehouden voor borden ten behoeve van aangelegenheden die in de gemeente Brummen plaatsvinden. Voor borden ten behoeve van niet ‘Brummense’ aangelegenheden is maximaal 5 locaties ‘toegestaan’. Met betrekking tot de spandoeken wordt een maximum aantal aangehouden van 10 locaties, mits niet gelijktijdig voor hetzelfde evenement (resp. de zaak) ook reclameborden worden geplaatst. In die gevallen, dat een initiatiefnemer zowel reclameborden als spandoeken wilt (laten) plaatsen, wordt een maximum aantal van 10 (in totaliteit) aangehouden. Wil men bijvoorbeeld (in een en dezelfde periode) 8 driehoeksborden plaatsen, dan mag – voor zover gewenst - aanvullend nog 2 spandoeken worden opgehangen. 3.3.Geadopteerde rotondes In veel gemeenten is er de laatste jaren meer en meer een tendens van burgerparticipatie bij het groenbeheer. Er zijn bijvoorbeeld situaties bekend waar buurtbewoners het groen in hun straat onderhouden (met een bepaald budget van de gemeente). Het voorgaande heeft twee positieve effecten: kostenbesparing bij gemeenten (relatief) en meer betrokkenheid van de burger bij de openbare ruimte. Aan het voorgaande kan het onderhoud en beheer van rotondes door bedrijven toegevoegd worden. Tijdens de raadsbehandeling van de begroting 2013 is in dit kader een motie aangenomen, inzake het uitbesteden van inrichting en onderhoud van gemeentelijke rotonde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.