Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Goeree-OverflakkeeDe raad van de gemeente Goeree-Overflakkee; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 januari 2013; gelet op artikel 8 lid 1c juncto artikel 30 van de Wet werk en bijstand en artikel 149 eerste lid van de Gemeentewet; Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb); het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee; commerciële overeenkomst: een schriftelijke, individuele huur-, onderhuur- of kostgangerovereenkomst naar een commerciële prijs, voorzien van schriftelijke bewijzen van betaling; commerciële prijs: een bedrag per maand dat tenminste gelijk is aan de maximale toeslag zoals benoemd in artikel 25 van de wet; verzorgingsbehoeftige: degene die voor beroepsmatige verzorging in een verzorgingstehuis of andere inrichting ter verpleging of verzorging is geïndiceerd. 2.De overige begrippen die in deze verordening worden gehanteerd, zijn ontleend aan de Wet werk en bijstand, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Inhoudelijk dient aan deze begrippen dezelfde betekenis en invulling te worden gehecht, als omschreven in paragraaf 1.1 Wwb. Artikel2-Reikwijdte De bepalingen van deze verordening beperken zich tot personen van 21 tot 65 jaar. De wet kent een aparte normensystematiek voor personen van 65 jaar of ouder, waarop de toeslagen en verlagingen niet van toepassing zijn. Artikel3Categorieën 1.Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2.De onderscheiden categorieën worden als volgt aangeduid: alleenstaande, als bedoeld in artikel 4 onder a van de wet; alleenstaande ouder, als bedoeld in artikel 4 onder b van de wet; gehuwden, als bedoeld in artikel 3 van de wet. Hoofdstuk2Criteria voor alleenstaanden en alleenstaande ouders Artikel4Medebewoners, kostgangers, onderhuur 1.De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag, indien er sprake is van bijstandsverlening aan een alleenstaande of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. De toeslag wordt bepaald op het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag. 2.De toeslag, als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder bepaald op het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag, indien in diens woning uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen hun hoofdverblijf hebben; in diens woning een ander, die de belanghebbende als verzorgingsbehoeftige verzorgt of die als verzorgingsbehoeftige door de belanghebbende wordt verzorgd, zijn hoofdverblijf heeft. 3.De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, in diens woning op grond van een commerciële overeenkomst een of meer kostgangers of onderhuurders hun hoofdverblijf hebben, bepaald op 50% van het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag. 4.De toeslag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, die zijn hoofdverblijf heeft in de woning van een ander, wordt bepaald op: het in artikel 25 van de wet genoemde maximum bedrag, indien er sprake is van een commerciële overeenkomst; geen toeslag, indien er sprake is van een niet als commercieel aan te merken overeenkomst of van het ontbreken van enige overeenkomst. 5.De bijstandsnorm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of alleenstaande ouder, zonder een commerciële overeenkomst in diens woning een of meerdere personen als medebewoner, kostganger of onderhuurder heeft wonen. Artikel5Het ontbreken van woonkosten De bijstandsnorm wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, niet verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder geen woonkosten heeft, als gevolg van: het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden; het niet bewonen van een woning. Hoofdstuk3- Criteria voor gehuwden Artikel6Medebewoning, kostgangers, onderhuur 1.Op de bijstandsnorm voor gehuwden vindt geen verlaging plaats, indien in hun woning een of meer niet ten laste komende kinderen hun hoofdverblijf hebben; in diens woning een ander, die de belanghebbende als verzorgingsbehoeftige verzorgt, of die als verzorgingsbehoeftige door belanghebbende wordt verzorgd, zijn hoofdverblijf heeft. 2.De bijstandsnorm voor gehuwden wordt verlaagd met 50% van het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag, indien in de woning van de belanghebbenden een of meer medebewoners, kostgangers of onderhuurders hun hoofdverblijf hebben. 3.De bijstandsnorm voor gehuwden, die hun hoofdverblijf hebben in de woning van een ander, wordt verlaagd met: het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag, indien er sprake is van een niet als commercieel aan te merken overeenkomst, dan wel van het ontbreken van een overeenkomst; geen verlaging, indien er sprake is van een commerciële overeenkomst. Artikel7Woonkosten De bijstandsnorm voor gehuwden wordt verlaagd met het bedrag dat in artikel 25 van de wet als maximumbedrag wordt genoemd, indien de gehuwden geen woonkosten hebben als gevolg van: het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten verbonden zijn; het niet bewonen van een woning. Hoofdstuk4Beoordeling commerciële prijs Artikel8Beoordeling commerciële prijs Het bedrag dat een belanghebbende per maand ontvangt of voldoet in verband met medebewoning, kostgangerschap of onderhuur wordt eenmalig getoetst aan het criterium "commerciële prijs", zoals benoemd in deze verordening. Zolang dit bedrag geen wijzigingen ondergaat, vindt geen nieuwe toetsing plaats. Wanneer partijen een wijziging van het bedrag overeenkomen, vindt een nieuwe toetsing plaats op grond van deze verordening. Hoofdstuk5Schoolverlaters Artikel9Schoolverlaters De bijstandsnorm wordt niet verhoogd met een toeslag gedurende de eerste zes maanden na het beëindigen van school, studie of studiefinanciering door een belanghebbende. Hoofdstuk6Cumulatie Artikel10cumulatie De uitkering van de alleenstaande bedraagt: tenminste het bedrag zoals genoemd in artikel 20, eerste lid, van de wet, tenzij sprake is van een verlaging van de uitkering op grond van de bepalingen van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Goeree-Overflakkee; ten hoogste het bedrag zoals genoemd in artikel 20 lid 1 van de wet, vermeerderd met het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag. De uitkering van de alleenstaande ouder bedraagt: tenminste het bedrag zoals genoemd in artikel 20, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een verlaging van de uitkering op grond van de bepalingen van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Goeree-Overflakkee; ten hoogste het bedrag zoals genoemd in artikel 20, tweede lid, van de wet, vermeerderd met het in artikel 25 van de wet genoemde maximumbedrag. De uitkering aan gehuwden bedraagt: tenminste 80% van het bedrag zoals genoemd in artikel 21, eerste lid, van de wet, tenzij sprake is van een verlaging van de uitkering op grond van de bepalingen van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Goeree-Overflakkee; ten hoogste het bedrag zoals genoemd in artikel 21, eerste lid, van de wet. Hoofdstuk7Slotbepalingen Artikel11Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in deze verordening voor zover toepassing ervan tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel12Onvoorziene omstandigheden In gevallen, de uitvoering betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders. Artikel13Intrekken oude regelingen De volgende verordeningen vervallen: de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Dirksland 2012; de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand Goedereede 2012; de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand Middelharnis 2012; de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB Oostflakkee 2012. Artikel14Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na haar bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel15Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Goeree-Overflakkee. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raadvan de gemeente Goeree-Overflakkee op 7 februari 2013.de griffier, de voorzitter,Drs. J. Mimpen C.A. KleijwegtToelichting Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Goeree-Overflakkee Algemene toelichting Norm, toeslag en verlaging Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. Norm Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB), te weten: gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon; alleenstaande ouders: 70% van het wettelijk minimumloon; alleenstaanden: 50% van het wettelijk minimumloon. Toeslag Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van het wettelijk minimumloon, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: alleenstaande ouders: 90% van het wettelijk minimumloon; alleenstaanden: 70% van het wettelijk minimumloon. De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van het wettelijk minimumloon, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53). Verlaging De WWB noemt de volgende verlagingen: * verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB); * verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); * verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB); * verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden (artikel 29 WWB). De toeslagenverordening In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen, voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de omvang van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan uitvoeren. Categorieën Artikel 30 WWB bepaalt dat de toeslagenverordening een categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. Uit het oogpunt van eenvoud is ook de werking van de verordening beperkt tot belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de toeslagenverordening). Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB niet afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB ook de verordening moet worden gewijzigd. In situaties waarbij meerdere personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, dient duidelijk te worden in welke verhouding een belanghebbende staat ten opzichte van de overige bewoners. Tussen hoofdbewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.