Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente WerkendamDe raad van de gemeente Werkendam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 18 maart 2013 aangaande de wijziging van de Toeslagenverordening WWB gehoord het advies van de commissie Inwoners d.d. 23 april 2013 besluit: vast te stellen de verordening: Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Werkendam Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de WWB; het college: het college van burgemeester en wethouders van Werkendam; de raad: de gemeenteraad van Werkendam; de gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c WWB; woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB; woonkosten: I. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag; II. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. III. indien belanghebbende inwonend is, het per maand betaalde kostgeld. Artikel 2. Doelgroep Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening uitsluitend indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn. Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de norm Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder) De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt: 20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een alleenstaande van 21 jaar: a. 10 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. b. 0 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een alleenstaande van 22 jaar: a. 15 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. b. 5% van de gehuwdennorm indien hij met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd; verzorgenden die de zorgbehoevende belanghebbende verzorgen; medebewoners die op het adres van belanghebbende zelfstandige woonruimte huren op basis van een commerciële huurovereenkomst; kinderen van 18 jaar of ouder met een eigen inkomen uit salaris of uitkering. Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de norm Artikel 4. Verlaging gehuwden 1. De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met één of meer anderen hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. 2. Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5. Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 WWB bedraagt: 1. 20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden; 2. 10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning wordt bewoond. Artikel 6. Verlaging algemene bijstand schoolverlaters 1. De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 WWB, bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm gedurende 3 maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten. 2. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een belanghebbende op wie artikel 3 lid 2 of 3 van toepassing is. Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 7. Anti-cumulatiebepaling De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt: 50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande; 70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder; 80 procent van de gehuwdennorm voor een gehuwden. Artikel 8. Inwerkingtreding en toepassingsbereik 1. Deze Toeslagenverordening treedt in werking op 15 mei 2013 en werkt terug tot en met 1 januari 2013. 2. De Toeslagenverordening WWB 2012-A, vastgesteld door de gemeenteraad van Werkendam op 25 september 2012, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2013. Artikel 9. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Werkendam. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van Werkendam van 14 mei 2013. De raad voornoemd, de voorzitter, de griffier, mw. drs. C.G.J. Breuer mr. I. Bakker Nota-toelichting Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Werkendam De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf 2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting verblijven. De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld. De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting verblijven te verlagen: het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden; de woonsituatie; de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding. Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven. Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Werkendam Artikel 1. Begrippen Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd. Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor gehuwden voor personen van 21 t/m de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 21 onderdeel c WWB. Lid 2 onderdeel e: woning Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB. Lid 2 onderdeel f: woonkosten Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Onder de ‘in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten’ wordt verstaan: De tot een bedrag per maand omgerekende som van het totaal van de onderstaande posten: - de rioolrechten; - het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelastingen; - de brand- en opstalverzekering; - het eigenaarsdeel van de waterschapslasten; - onderhoud eigenwoning conform richtlijn Nibud. Wanneer de belanghebbende inwonend is en kostgeld betaalt, wordt dit aangemerkt als een bijdrage in de woonkosten. Het moet dan wel om een reëel bedrag gaan. De betaling van het kostgeld moet aangetoond kunnen worden, bijvoorbeeld via een bankoverschrijving. Artikel 2. Doelgroep De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de leeftijdscategorie van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar. De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware ‘dubbel gekort’ worden als ook nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. Mocht evenwel het niet toepassing van de verordening op de jongerennorm van artikel 29 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te stellen. Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder) Lid 1 Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening. De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze verordening. Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening). Lid 2 en 3 Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het tweede lid is de toeslag geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het derde lid is de toeslag vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar. lid 4 In het vierde lid is geregeld dat zowel zorgeboevenden (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.