← Nederland

Kadernota Jeugd in Tel 2013-2016 (Utrechtse Heuvelrug)

Kadernota Jeugd in Tel 2013-2016Inleiding Jeugd in Tel. Waarom hebben we voor deze titel gekozen? Daarvoor hebben we twee redenen. De eerste is dat jeugd en jongeren een aanzienlijke doelgroep vormen binnen onze gemeente en dat ze daarom meetellen. De tweede reden is dat we ons jeugdbeleid meetbaar willen maken. Dit sluit aan bij de wens van de gemeenteraad om beter te kunnen sturen op beleid. Deze titel Jeugd in Tel hebben we niet zelf bedacht. De inspiratie komt van Kinderen in Tel, een samenwerkingsverband van twaalf organisaties, waaronder Unicef en Jantje Beton, die de leefsituatie van de jeugd per provincie en gemeente in beeld brengen. Daarmee willen ze gemeenten helpen een goed jeugdbeleid te voeren op basis van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Kinderen in Tel brengt tweejaarlijks een Databoek uit, en het laatste Databoek is juni 2012 verschenen. Behalve cijfers van 2009 en 2010 van elke gemeente, staat er ook een ranglijst van gemeenten op jeugdbeleid. Onze gemeente staat op de 312de plaats, waarbij u moet weten dat de gemeente die nummer 1 staat het slechtst scoort en nummer 415 het beste. Onze gemeente scoort dus redelijk goed. Evaluatie jeugdbeleid in 2011 Vorig jaar hebben we ons jeugdbeleid geëvalueerd en heeft u de evaluatienota in juli 2012 vastgesteld (zie bijlage). Voor ons jeugdbeleid formuleerden wij in de Kadernota jeugd 2008-2011 ‘Pimp my Heuvelrug’ twee hoofddoelen: Jongeren redden zich op hun 23e jaar zelfstandig in de maatschappij; Jongeren groeien op in een geborgen, veilige, inspirerende omgeving die aantrekkelijk is om in te wonen en te blijven wonen. Uit de evaluatie blijkt dat we veel van de geplande acties uit de Kadernota 2008-2011 hebben gerealiseerd. Tevreden achterover leunen doen we echter niet, want we willen nog meer doelen realiseren. Jeugdbeleid2013-2016: positief en preventief Het jeugdbeleid is nu toe aan een verlenging. Dat zal om een beleidsarme verlenging gaan, zo staat het in het collegeprogramma 2010-

  1. De doelstellingen blijven grotendeels ongewijzigd en vooral de acties worden geactualiseerd en bijgesteld. In deze verlengde kadernota jeugd integreren we de nota onderwijs 2008-2012 en de beleidsnotitie jeugd- en jongerenwerk 2008-2011, waarbij we hier en daar accenten zullen verleggen. De wettelijke taken die wij als gemeente hebben blijven we natuurlijk uitvoeren. Dan doelen we op de taken op het gebied van de leerplicht, leerlingenvervoer, onderwijsachterstandenbeleid, onderwijshuisvesting, handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen, openbaar onderwijs en de basistaken jeugdgezondheidszorg. Ons jeugdbeleid valt beleidsmatig onder de brede Wmo-visie die eerder dit jaar is vastgesteld. Deze Wmo-visie kent als belangrijke doelen het versterken van zelfredzaamheid, sociale samenhang en participatie. Die Wmo-doelen zijn ook in deze kadernota jeugd terug te vinden. We formuleren in deze kadernota doelen en acties die jongeren kansen geven om zich te ontwikkelen tot zelfstandige, gezonde en betrokken inwoners. We willen jongeren ook meer de ruimte geven om mee te denken over het gemeentelijk jeugdbeleid. Als beleid meer aansluit bij de belevingswereld van jongeren zal het meer kans van slagen hebben. Preventie is in ons jeugdbeleid het kernwoord. Door te voorkomen dat jongeren een achterstand oplopen in het onderwijs en voortijdig de school verlaten willen we bereiken dat jongeren een startkwalificatie hebben waarmee ze een betere overgang kunnen maken naar werk. Door jongeren en ouders bewust te maken van de schadelijkheid van alcoholgebruik en van het belang van een gezonde leefstijl bereiken we dat jongeren gezonde volwassenen worden. Door vroegtijdig te signaleren kunnen we jongeren met hulp- of zorgvragen toe leiden naar de juiste zorgstructuur. Dit wordt des te belangrijker als in 2015 met de transitie van de jeugdzorg de taken en verantwoordelijkheden van de provincie naar de gemeenten overgaan. Nieuw financieel kader Bij de verlenging van het jeugdbeleid spelen de bezuinigingen uit het collegeprogramma 2010-2014 en de kerntakendiscussie van voor de zomer onontkoombaar een rol. Met dit nieuwe financiële kader zullen we onze doelen en acties moeten bijstellen. Het speelruimtebeleidsplan bijvoorbeeld kan na de bezuinigingen niet meer zoals gepland worden uitgevoerd en een voorstel tot bijstelling wordt daarom op dit moment voorbereid. Ook zullen we ons wat betreft de vrije tijdsbesteding als gemeente meer terugtrekken, omdat de subsidies voor jongerenactiviteiten grotendeels zijn geschrapt. Door de regierol te nemen stimuleren we wel dat jongeren zelf activiteiten gaan initiëren en uitvoeren. De bezuiniging op het jongerenwerk, die voortvloeit uit het collegeprogramma 2011-2014 en die we aanzienlijk hebben kunnen beperken, heeft tot gevolg dat het jongerenwerk minder uren overhoudt voor het locatie-gebonden en ambulant jongerenwerk. De belangrijke preventieve functie van het jongerenwerk kan daardoor (noodgedwongen) minder ingezet worden. In het afgelopen jaar zijn combinatiefuncties ingezet. De buurtsportcoaches en cultuurcoaches hebben, ook in preventieve zin, bijgedragen aan gemeentelijke doelen op diverse terreinen: gezondheid (meer bewegen en gezonde leefstijl), vrije tijd (meer activiteiten voor jongeren), sport, onderwijs (sociale samenhang en vergroten ontwikkelingskansen kinderen). Als deze combinatiefuncties in 2013 worden verlengd, kunnen deze een aanvulling vormen op het preventieve werk van het jongerenwerk, waarbij samenwerking en afstemming met het jongerenwerk van belang is. Raadpleging In 2012 hebben enkele jongeren een nieuwe jongerenraad opgericht, de Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug (JRUH) i.o.. De JRUH heeft contact gezocht met de gemeente en zowel advies uitgebracht over de Kadernota jeugdbeleid 2008 – 2011, als over de verlengde (concept)Kadernota jeugdbeleid. De adviezen zijn in deze verlengde Kadernota meegenomen. (zie verder hoofdstuk Participatie) Een concept van deze kadernota is ook voorgelegd aan scholen, kinderopvang en jongerenwerk. Voor deze kadernota hebben we de jongeren zelf ook geraadpleegd. In een tijdsbestek van enkele weken stelden we in overleg met Welnúh- jongerenwerk een enquête op en de jongerenwerkers van Welnúh en de leden van de Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug (JRUH) zorgden voor de verspreiding van de vragenlijst. Ondanks de bescheiden opzet van deze enquête geven de resultaten een beeld van hoe jongeren over onze gemeente denken. Bij de betreffende onderdelen van de nota geven we de resultaten van de enquête weer. (zie ook hoofdstuk Participatie) Verder vond op 29 november 2012 een dialoogavond van de raad met maatschappelijke organisaties plaats over de Kadernota. Ook de Wmo-raad heeft een advies uitgebracht. Terecht wijzen de WMO-raad en de JRUH erop dat bij de totstandkoming van deze nota ouders niet zijn geraadpleegd. Dit is echter wel gebeurd op deelgebieden. Recente voorbeelden daarvan zijn het betrekken van ouders bij het project Alcohol en jeugd via de medezeggenschapsraden van scholen en bij het realiseren van een jeugdhonk in Maarn. Overigens is in het verleden het raadplegen van ouders veelal een moeizaam proces gebleken. Wij willen niettemin de betrokkenheid van ouders in de beleidsperiode op deze en andere manieren verder vormgeven. Leeswijzer We beginnen de nota met een beschrijving van de doelgroep en de twee hoofddoelen van het jeugdbeleid en geven een totaaloverzicht van alle doelen en acties voor de komende beleidsperiode in de Doelenboom jeugdbeleid 2013-
  2. In de daaropvolgende hoofdstukken werken we de twee hoofddoelen verder uit en formuleren we beleidsdoelen en acties. We maken daarbij onderscheid tussen wat we al doen enerzijds en wat we gaan doen anderzijds. In hoofdstuk vindt u het financieel kader voor het jeugdbeleid in deze beleidsperiode. Effectdoelen en prestatiedoelen De beleidsdoelen formuleren we op twee niveaus, namelijk op effectniveau en op prestatieniveau, volgens de nieuwe werkwijze die we sinds kort ook gebruiken voor de programmabegroting. De effectdoelen geven aan welk effect wij in de maatschappij willen bereiken. Met de prestatiedoelen laten we zien welke prestatie we leveren om de beoogde effecten te bereiken. Zowel de effectdoelen als de prestatiedoelen formuleren we zo smart mogelijk, zodat de bijbehorende indicatoren vanzelf daaruit rollen. Effect-indicatoren en prestatie-indicatoren Met de effect- en prestatie-indicatoren kunnen we monitoren of en in hoeverre wij met onze prestaties/acties de gestelde doelen/effecten bereiken. Wanneer in de volgende hoofdstukken in de tabellen waarden voor de effect-indicatoren niet zijn ingevuld: Bevat het bestaande beleid nog geen streefwaarden en/of Ontbreekt het meetinstrument nog. Dit kan ook gelden voor de tabellen van de prestatie-indicatoren. Wanneer daar waarden niet zijn ingevuld dan: Is er nog informatie van derden nodig en/of Ontbreekt het meetinstrument nog. Doelenbomen In doelenbomen geven we de geformuleerde beleidsdoelen en acties schematisch weer. Elke doelenboom is genummerd volgens het nummer van het hoofdstuk, waarin deze staat. Doelgroep en hoofddoelen van het jeugdbeleid Doelgroep jeugdbeleid Het jeugdbeleid richt zich op kinderen en jongeren van min 9 maanden tot 23 jaar. Deze doelgroep omvat in totaal 12.716 personen (telling Burgerzaken, oktober 2012), wat bijna een kwart is van het totale inwonersaantal van circa 50.000 binnen onze gemeente. Een doelgroep in tel dus. De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug (JRUH) is van mening dat jongeren die niet in een uitzonderingspositie verkeren, in de nieuwe kadernota meer aandacht moeten krijgen, omdat de Kadernota jeugd 2008-2011 relatief weinig actiepunten bevat voor deze groep jongeren. De JRUH heeft overigens alle begrip voor de keuze die de gemeente maakt voor de doelgroep van zijn jeugdbeleid. Deze constatering van de Jongerenraad klopt. De gemeente wil bereiken dat jongeren zich op hun 23e jaar zelfstandig redden in de maatschappij. Jongeren die dat zelf kunnen, hebben geen ondersteuning nodig en vormen geen doelgroep van beleid. Dit neemt niet weg dat de gemeente aantrekkelijk wil zijn voor jongeren zodat zij in de Utrechtse Heuvelrug willen wonen en willen blijven wonen. Dat geldt voor alle jongeren, ook voor hen die zelfredzaam zijn. In de Kadernota jeugd 2013-2016 richten we ons dus, binnen de nieuwe financiële kaders, op alle jongeren. Op de dialoogavond van 29 november 2012 werd aandacht gevraagd voor jongeren met een functiebeperking. Dit is een doelgroep die inderdaad niet expliciet in de nota is benoemd, maar dit betekent niet dat de gemeente geen rekening houdt met deze groep jongeren. Jaarlijks sluit de gemeente een samenwerkingsovereenkomst met de stichting MEE Utrecht Gooi & Vecht, die informatie, advies en cliëntondersteuning biedt aan mensen met een beperking. In de samenwerkingsovereenkomst is apart aandacht voor op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen, waarbij stichting MEE samenwerkt in het CJG. In zijn advies geeft de WMO-raad aan de allochtone jeugd als doelgroep in de nota te missen. Het interculturalisatiebeleid binnen onze gemeente is versoberd. Veel voorzieningen zijn door de samenleving zelf opgepakt en voortgezet. We werken niet met doelgroepen, maar allochtone jongeren vallen wel degelijk onder de doelgroep van ons jeugdbeleid. Binnen het onderwijsachterstandenbeleid bijvoorbeeld (hoofdstuk 3) krijgt deze groep jongeren specifieke aandacht. Een ander voorbeeld is het Buurtcoachproject in Driebergen. Hoofddoelen jeugdbeleid We hebben in de afgelopen vier jaren veel van onze voornemens en plannen gerealiseerd voor de jongeren, zo kunnen we in de evaluatienota lezen. We hebben daarmee gewerkt aan het bereiken van onze twee hoofddoelen: Jongeren redden zich op hun 23e jaar zelfstandig in de maatschappij; Jongeren groeien op in een geborgen, veilige, inspirerende omgeving die aantrekkelijk is om in te wonen en te blijven wonen. Toch blijkt uit de enquête onder de jongeren dat de helft van hen onze gemeente niet aantrekkelijk vindt. Belangrijkste reden die ze daarvoor opvoeren is dat er te weinig te doen is voor jongeren, zoals uitgaansgelegenheden of activiteiten voor jongeren. De andere helft van de jongeren is wel positief over de Utrechtse Heuvelrug, dus we zijn op de goede weg. De (relatief) hoge plaats op de Kinderen in Tel ranglijst

(312e)bevestigt het beeld dat we met ons jeugdbeleid op de goede weg zijn. Globaal kunnen de beleidsdoelen die we formuleren in tweeën worden gedeeld. In de eerste plaats de doelen die bijdragen aan preventie en die de zelfredzaamheid van jongeren bevorderen. In de tweede plaats de doelen die onze gemeente aantrekkelijker maken voor jongeren. Op de volgende twee bladzijden vindt u twee doelenbomen die ons jeugdbeleid voor de komende vier jaren overzichtelijk samenvat. Doelenboom jeugdbeleid 2013-2016 (Hoofddoel 1) Doelenboom jeugdbeleid 2013-2016 (Hoofddoel 2) Opvang, educatie en werk Eerste hoofddoel van ons gemeentelijk jeugdbeleid is dat we willen dat de jongeren in onze gemeente zich op hun 23e jaar zelfstandig in de maatschappij redden. Onderwijs is daarbij natuurlijk een onmisbare factor. Ons onderwijsbeleid is gericht op het toerusten van jongeren tot zelfstandige inwoners (Nota onderwijs 2008-2012). Daarvoor is noodzakelijk dat onze jeugd naar school gaat en een startkwalificatie (diploma vwo, havo of mbo op niveau 2) behaalt en dat we achterstanden in het onderwijs zoveel mogelijk voorkomen en tegengaan. Dit doel willen we bereiken door in te zetten op vroeg- en voorschoolse educatie; voorkomen van uitval en; verbeteren van de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt. In de Kadernota jeugd 2008-2011 is in dit verband een vierde beleidsdoel geformuleerd, namelijk het ondersteunen van ouders met kinderen van 0 – 12 jaar bij de combinatie van werken en zorgen. Dit beleidsdoel hebben wij uit deze verlengde Kadernota geschrapt, omdat het geen onderdeel vormt van het jeugdbeleid. Dit is een verantwoordelijkheid van ouders en scholen. De gemeente ziet haar rol meer in het verbinden, ondersteunen en versterken van het netwerk rondom scholen. Voor- en vroegschoolse educatie Wat doen we al op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie? Met de nieuwe Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE 2010) is de wetgeving gewijzigd. Deze wijzigingen hebben we verwerkt in een integrale beleidsnota Onderwijsachterstanden/peuterspeelzalen, die begin 2012 is vastgesteld. Uitgangspunt van het beleid is om alle kwetsbare peuters (met dreigende achterstanden, danwel uit gezinnen met een minimum-inkomen) een gesubsidieerde plek te bieden in een peutergroep. VVE Met de uitbreiding van de doelgroepcriteria verwachten we een toename van het aantal VVE-peuters met 40%. Bij de telling van oktober 2012 waren er 67 VVE-peuters. Een toename van 40% betekent een totaal van circa 100 VVE-peuters. Op dit moment is er voldoende budget beschikbaar om aan alle peuters VVE te bieden. Opleiden van VVE-leidsters in peuterspeelzaalwerk en kinderopvang We hebben besloten om de leidsters van kinderopvanginstellingen die nog niet werken met VVE een eenmalige VVE training aan te bieden. Uit recent onderzoek is gebleken dat de resultaten van VVE samenhangen met de kwaliteit van de leidsters. Met het financieren van de VVE training geven we een impuls aan de kwaliteit van de kinderopvang. De training is in november 2012 gestart met 14 leidsters. Leesbevorderingsprogramma voor peuters Boekstart Regiobibliotheek Zout en Vitras voeren gezamenlijk het project BoekStart uit. Het project is gericht op baby’s vanaf 3 maanden en heeft als doel het bevorderen van (voor)leesroutine door ouders/verzorgers, bevorderen van spraak-taalontwikkeling van kinderen, beheersing Nederlandse taal en het voorkomen van taalachterstanden. Dit landelijk project is gestart in het najaar van 2011. Opstapje en Opstap Voor kinderen in de leeftijd van 2-6 jaar bieden we de gezinsgerichte stimuleringsprogramma’s Opstapje en Opstap aan. Het doel van Opstapje is het voorkomen van achterstand en uitval richting de start van de basisschool en het bevorderen van de lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen van 2 tot 4 jaar, door intensieve opvoedingsondersteuning. Het doel van Opstap is het voorkomen van achterstand en uitval op de basisschool. Extra taalondersteuning in schakelklassen Kinderen met een taalachterstand krijgen op basisschool De Valkenheuvel gedurende 1 jaar extra taalonderwijs aangeboden. Na afloop wordt bekeken of een kind door kan stromen naar een hogere groep of dat een kind de reguliere groep gaat volgen. Op basisschool de Meander op het AZC terrein bevindt zich een permanente schakelklas. Deze schakelklas ontvangt een subsidie voor de bekostiging van een onderwijsassistent. Buiten de schakelklassen in onze gemeente kunnen kinderen ook gebruik maken van de Internationale schakelklas in Utrecht. De gemeente biedt vervoer naar deze school en de kosten van het vervoer worden vergoed. Stimuleren gebruik minimaregeling peuterspeelzalen Gezinnen met een minimum-inkomen (110% van de bijstandsnorm) kunnen een beroep doen op de minimumregeling peuterspeelzalen en in aanmerking komen voor een vergoeding van de ouderbijdrage voor twee dagdelen per week. Vanaf 2013 geldt een eigen bijdrage. Hiermee willen we bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uit minima-gezinnen, door hen de kans te geven mee te doen in een groep met leeftijdgenoten. Wat komt er op ons af? Passend onderwijs Een school waar een leerling wordt aangemeld kan, na de invoering van de Wet Passend Onderwijs
(2014)geen leerling meer weigeren, maar moet een passende opleiding aanbieden. De scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs zijn georganiseerd in samenwerkingsverbanden. Komend schooljaar worden ondersteuningsprofielen van scholen aangeboden om ervoor te zorgen dat er voldoende onderwijsaanbod is voor alle leerlingen. Voor gemeenten is het belangrijk dat de samenwerkingsverbanden goede maatregelen treffen zodat er goede aansluiting is op de voorzieningen jeugdzorg, voldoende huisvesting aanwezig is en er ook daadwerkelijk passend onderwijs is. Afstemming tussen het onderwijs en de gemeenten is van belang in verband met de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten, invulling van de leerplichtfunctie, het leerlingenvervoer en het aanbod onderwijshuisvesting. Vooralsnog stelt het Rijk geen extra budget beschikbaar om eventuele gevolgen van deze wet voor de gemeenten op te vangen. Wat signaleren we?Uit cijfers van het Kinderen in Tel Databoek blijkt dat het percentage achterstandsleerlingen in onze gemeente stabiel is gebleven in 2010 ten opzichte van
  1. Voor de hele provincie Utrecht is het percentage wel gedaald in die periode. Met de scholen en de peutergroepen worden in 2013 convenant-afspraken gemaakt over aan te leveren managementinformatie, zodat we op langere termijn de VVE beter kunnen monitoren op kwantiteit en kwaliteit. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Percentage doelgroepleerlingen die eind groep 2 een hogere Cito-score heeft of een nader met scholen af te spreken andere meetmethode, Opgave scholen .. % (wordt in 2013 in convenant vastgelegd) Te bepalen na afspraak over nulwaarde Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 aantal geïndiceerde doelgroeppeuters 67 90 100 100 2 afspraken met basisscholen zijn gemaakt x 3 doelgroepcriteria zijn uitgebreid x 4 aantal gesubsidieerde VVE-peuterplaatsen in peuterspeelzaalwerk 60 75 80 80 5 aantal gesubsidieerde VVE-peuterplaatsen in kinderopvang 10 15 20 20 6 aantal peuterspeelzalen en kinderopvangcentra die VVE subsidie ontvangen 7 7 7 7 7percentage ouders dat deelneemt aan ouderparticipatie 50% 60% 75% 75% 8percentage warme overdrachten 100% 100% 100% 100% 9 Aantal deelnemers aan opleiding 17 - - - 10 aantal ondertekenaars van het convenant 14 14 14 14 Toelichting 3.1.1 100% doelgroepbereik Voor alle kinderen met taalachterstand en/of sociale of emotionele achterstanden moet een dekkend (100%) en volwaardig VVE-aanbod zijn. 3.1.2 Afspraken met basisscholen over VVE-resultaten Met de basisscholen die 10% of meer gewichtenleerlingen hebben maken we afspraken over de resultaten op het gebied van vroegschoolse educatie. Dat kan bijvoorbeeld zijn het aantal woorden dat kinderen minimaal moeten kennen aan het eind van groep 2, het percentage kinderen dat een niveau stijgt, of het aantal kinderen dat minimaal niveau C volgens de Cito-methode behaalt aan het einde van groep
  2. Deze afspraken leggen we vast in een convenant voor- en vroegschoolse educatie. 3.1.3 Uitbreiden van de doelgroepcriteria In de lijn met de Wet OKE worden, net als in de voorgaande beleidsperiode, alle gewichtenleerlingen tot de doelgroep gerekend. Deze criteria breiden we uit met alle kinderen van 2,5-4 jaar die op basis van risicofactoren tot de doelgroep worden gerekend. Risicofactoren liggen voornamelijk op het terrein van taalontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling. 3.1.4 Aanbieden van VVE in peuterspeelzalen kinderopvang Voorop staat dat er voor alle kinderen waarbij er sprake is van een taalachterstand en/of sociale of emotionele achterstanden een dekkend en volwaardig VVE-aanbod moet zijn. 3.1.5 Deelname ouders ouderparticipatieprogramma VVE Thuis Wij hebben er voor gekozen om aan alle doelgroepkinderen en hun ouders het VVE-Thuis programma aan te bieden. Dit programma is ontwikkeld door het Nederlands Jeugd Instituut speciaal voor ouders waarvan hun kind naar de VVE voorschool gaat. VVE Thuis wordt gebruikt naast het VVE programma Puk en KO en deelname voor de ouders is niet vrijblijvend. Het is een eenjarig programma bestemd voor de kinderen en hun ouders en richt zich expliciet op de taalontwikkeling van het kind. Doordat het programma aansluit bij het VVE programma op de voorschool, krijgt het kind op de voorschool dezelfde woordenschat aangeboden als thuis. 3.1.6 Doorgaande leerlijn van voor- naar vroegschoolse educatie Bij een doorgaande leerlijn gaat het om een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen door het onderwijs, in dit geval van voorschoolse educatie (peutergroep) naar vroegschoolse educatie (groep 1 en 2). De doorgaande leerlijn zorgt er voor dat kleuters beter voorbereid binnenkomen in groep 1 en dat er met vroegschoolse educatie beter kan worden voortgebouwd op wat er tijdens de voorschoolse periode al is gedaan. De verantwoordelijkheid van de vroegschoolse educatie ligt primair bij de schoolbesturen. Gemeenten en schoolbesturen zijn samen verantwoordelijk voor de doorgaande leerlijn. De afspraken hierover leggen we vast in een convenant. 3.1.7 Convenant Voor en Vroegschoolse Educatie De OKE wetgeving geeft een stimulans aan de kwaliteit en de opbrengsten van voor- en vroegschoolse educatie. Om dat te kunnen bereiken, is het van belang dat alle partijen die betrokken zijn bij de voor- en vroegschoolse educatie zoals het consultatiebureau, peuterspeelzalen, schoolbesturen en gemeente afspraken maken over de resultaten die met VVE worden nagestreefd. Bij VVE is het duidelijk dat de verantwoordelijkheid gedeeld wordt door de gemeente en de schoolbesturen. De gemeente is primair verantwoordelijk voor de voorschoolse periode, de schoolbesturen voor de vroegschoolse periode. In het convenant worden afspraken gemaakt over: inspannings- en resultaatafspraken informatieoverdracht organisatie (overlegstructuur) Voorkomen voortijdig schooluitval Wat doen we al om voortijdig schooluitval te voorkomen? Preventie via leerplicht Het leerplichtbeleid is erop gericht om jongeren te ondersteunen in de weg naar sociale, emotionele en economische zelfstandigheid. Dat vertaalt zich voor de invulling van de leerplichttaak bijvoorbeeld in een accent op preventie en zorg. Bij de uitvoering van de leerplichttaak werken we toe naar een sluitende aanpak, waarin verschillende organisaties, betrokken bij de zorg rond leerlingen, in samenhang met elkaar samenwerken. In deze netwerken in de dorpen rondom basisscholen zijn naast scholen en het Centrum voor Jeugd en Gezin de leerplichtambtenaar, het algemeen maatschappelijk werk en de politie belangrijke partners. Zo nemen de leerplichtambtenaren ook deel aan de ZAT’s netwerken en bezoeken zij de scholen om preventief melden te stimuleren. Lokale zorgstructuren Juni 2010 startte, gekoppeld aan het CJG, een zorgnetwerk 12+ waarin het bespreken van zorgen over jongeren van 12 tot 23 jaar centraal staat. In het netwerk zitten als vaste partners het CJG, het maatschappelijk werk, de GGD, politie, jongerenwerk en leerplicht. De scholen worden gericht uitgenodigd als signalen over één van hun leerlingen daar aanleiding toe geven. De zorgnetwerken worden door scholen en kernpartners van CJG goed bezocht. Dit geldt zowel voor het zorgnetwerk 12- als 12+. Hierbij is ook Bureau Jeugdzorg betrokken. Lokale Educatieve Agenda De opzet van de LEA ziet er als volgt uit: dorpsgewijs overleg brede scholen met basisscholen, peuterspeelzalen, kinderopvang en andere maatschappelijke organisaties (gericht op netwerksamenwerking rondom basisscholen, combinatie werken en zorgen); als nieuwbouw van een school in een dorp aan de orde is, vormt dit overleg de eerste groep waarin gesproken wordt over de functies die daarin worden ondergebracht; onderwijsachterstandenbeleid-werkgroep met bij de uitvoering betrokken kinderopvang/peuterspeelzalen, basisscholen (uitvoering OAB), consultatiebureau, Meander Omnium, bibliotheek; zorg (bestaande projectgroep CJG) met vertegenwoordigers van de basisscholen, v.o.-scholen, peuterspeelzalen en kinderopvang (zorgnetwerk rondom de jeugd), samen met in ieder geval de jeugdgezondheidszorg en het maatschappelijk werk; overleg met vo-scholen (uitbreiding bestaand overleg over veiligheid) (voorkomen voortijdig schoolverlaten en arbeidsmarktbeleid). Er is nog één keer per jaar breed LEA-overleg waarin de werkgroepen rapporteren. We zijn gestart in 2012 met de dorpsgerichte LEA-overleggen. De reacties van de schoolbesturen waren overwegend positief. Het overleg met vo-scholen gaan we nog doen. Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC U ZO) De wet RMC stelt ons ten doel het aantal voortijdig schoolverlaters te verminderen en alle jongeren een startkwalificatie te laten behalen. Dat is een diploma op HAVO/VWO of minimaal MBO niveau
  3. Voortijdig schoolverlaters zijn de jongeren die dit diploma niet bezitten en niet staan ingeschreven op een school. Uitgangspunt is dat jongeren met een startkwalificatie een goede basis hebben voor een plaats op de arbeidsmarkt. Onze gemeente participeert in het RMC subregio Utrecht Zuidoost (RMC UZO). De rijksgelden worden met name ingezet voor trajectbegeleiding en regionale leerplichtambtenaren die zich volledig richten op ROC-leerlingen. Regeling leerlingenvervoer Op 26 mei 2011 heeft de raad een nieuwe Verordening en Beleidsregels leerlingenvervoer Utrechtse Heuvelrug 2011 vastgesteld. Het doel van de wijzigingen was het realiseren van de bezuiniging op het leerlingenvervoer, die is opgenomen in het Collegeprogramma 2010-
  4. De nieuwe verordening is ingegaan in het schooljaar 2011-2012 en leidde tot de geraamde bezuiniging. Cultuurcoach De werkwijze van de cultuurcoach is ingebed in de middelbare scholen. Hierbij komen leerlingen van een bepaald leerjaar in aanraking met drama/theater en leren hierdoor technieken op het gebied van bijvoorbeeld houding, presentatie, maar ook gedrag en weerbaarheid. De cultuurcoach legt een verband tussen scholen en culturele veld, waarbij cultuur niet (zozeer) wordt gebruikt als doel opzich (dus leerlingen gaan naar een leuke voorstelling), maar waar cultuur wordt ingezet als middel om sociale, emotionele zaken aan te pakken. Denk aan rouwverwerking, tegengaan van pesten en omgaan met geld/schulden. (Zie ook hoofdstuk 5 Gezondheid) Wat komt er op ons af? Het kabinet wil voortijdig schoolverlaten verder terugdringen tot landelijk maximaal 25.000 nieuwe VSV-ers per 1 januari
  5. De landelijke doelstelling per 1 januari 2013 is 37.000 VSV-ers. Hiervoor hebben we de (mogelijke) gevolgen van de invoering van de Wet Passend Onderwijs voor gemeenten al genoemd. Deze wet is ook voor het voorkomen van voortijdig schooluitval relevant. Een kwetsbare groep vormen jonge mantelzorgers. Wij willen jonge mantelzorgers in het voortgezet onderwijs (12-18 jaar) bewust maken van hun rol als mantelzorger en hun extra ondersteuning bieden bij het vinden van de juiste balans tussen hun mantelzorgtaken en school of werk. Lokaal hebben we geen cijfers over de grootte van deze groep jonge mantelzorgers in onze gemeente. Uitgaande van het landelijk gemiddelde voor jongeren van 12 tot 18 jaar zou het naar schatting voor onze gemeente om een groep van ruim 1000 jonge mantelzorgers gaan. In 2013 voeren we een pilot uit (zie Wmo-nota). Wat signaleren we? In het Databoek KiT zien we voor onze gemeente een stijging op de indicatoren voortijdig schoolverlaters en werkloze jongeren in 2010, vergeleken met
  6. Voor het schooljaar 2010-2011 zien we in onze lokale cijfers een positieve ontwikkeling, omdat het aantal voortijdig schoolverlaters in dat schooljaar juist is gedaald van 78 naar 39 (Jaarverslag leerplicht 2010-2011).Voor het schooljaar 2011-2012 zien we een lichte stijging naar
  7. We blijven hiermee ruim onder de 82, het aantal dat op landelijk niveau voor onze gemeente als doel is gesteld. De landelijke DUO-cijfers wijken overigens af van onze lokale cijfers. Dit heeft te maken met problemen rondom de administratieve systemen, waarmee we de cijfers genereren. We gaan onderzoeken hoe we de administratieve ondersteuning kunnen verbeteren. In de evaluatie van de Kadernota jeugd 2008-2011 komt als belangrijk punt naar voren dat we de jongeren zonder startkwalificatie beter in beeld willen brengen en hun aantal terugbrengen. In opdracht van het ministerie van OC&W is een regionale probleemanalyse voortijdig schoolverlaten gemaakt. Hierdoor is meer helderheid over de oorzaken van voortijdig schoolverlaten en de benodigde inzet voor de komende jaren. Uit de analyse van de cijfers en de aanpak van de afgelopen jaren komen een aantal aandachtsgebieden naar voren, waar het RMC UZO komende periode mee aan de slag gaat. De thema’s zijn onder meer overbelasting, studiekeuzeproblemen, ongediplomeerde uitstroom vmbo, verzuim en ouderbetrokkenheid. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Aantal voortijdig schoolverlaters VSV-monitor 140 82 Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal vsv-ers naar school teruggeleid 18 20 22 24 2 Aantal verzuimmeldingen 400 375 325 300 3 Aantal dossiers leerplicht 470 450 425 400 Toelichting 3.2.1Vsv-ers teruggeleiden naar school Het probleem van schooluitval doet zich bij onze gemeente met name voor als de leerlingen eenmaal op het ROC en de MBO zitten. Voor het probleem van schooluitval zet het RMC de volgende activiteiten in: Aanmelding in beeld: Dit is een project gericht op het in beeld houden van jongeren die met een diploma het vmbo verlaten, maar hiermee nog geen startkwalificatie hebben. Zij worden extra gemonitord via het programma Integrip, waarin vmbo’s, ROC’s en leerplichtambtenaren samenwerken. Hiermee zijn jongeren goed in beeld. Preventieproject overgang VMBO-MBO (VOROC-procedure); Creëren van opvangklassen voor vsv-ers en meerdere instroommomenten in het MBO; Versterken en ontwikkelen van Zorg Advies Teams (ZAT’s) en verzuimbeleid; Trajectbegeleiding RMC; Stimuleren oudercontacten met ROC’s. Daarnaast stimuleert het Ministerie de ROC’s door de prestatiemiddelen van € 2.500 per voortijdig schoolverlater minder uit te betalen. 3.2.2 Versterken maatschappelijk netwerk rondom scholen Naast de dorpsgerichte opzet van de LEA willen we deze overleggen inbedden in de werkwijze van het dorpsgericht werken en/of woonservicegebieden. Onze aanname is dat het verbreden van de netwerken rondom scholen leidt tot minder schooluitval, maar dit kunnen wij niet meetbaar maken. 3.2.3 Verminderen van het aantal verzuimmeldingen Bij het bestrijden van schoolverzuim wordt onderscheid gemaakt tussen absoluut en relatief schoolverzuim. Absoluut verzuim treedt op wanneer een leerplichtige leerling niet is ingeschreven bij een erkende school of onderwijsinstelling. Wanneer een leerplichtige leerling die bij een school is ingeschreven, zonder geldige reden lestijd verzuimt is er sprake van relatief verzuim. In het schooljaar 2011-2012 zijn er 475 zaken in behandeling genomen, een forse stijging ten opzichte van de 231 zaken in 2010-
  8. De stijging zit voornamelijk in het aantal “relatief verzuim” en de 18+ers die ook meegeteld zijn. De samenhang tussen verzuim en voortijdig uitvallen van leerlingen is steeds meer onder de aandacht bij de scholen. Belangrijk hierbij is natuurlijk wel dat scholen meer en sneller verzuim moeten melden. De veronderstelling is dat minder verzuim leidt tot minder voortijdig schooluitval van jongeren. Dit geldt wat ons betreft ook ten aanzien van het onderwijsachterstandenbeleid, dat wil zeggen dat het voorkomen van achterstand bijdraagt tot minder voortijdig schooluitval. Verbeteren overgang onderwijs naar arbeidsmarkt Wat doen we al om de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt te verbeteren? Maatschappelijke stages Jongeren hebben met maatschappelijke stages de gelegenheid om ervaring op te doen met vrijwilligerswerk op een manier die voor jongeren aantrekkelijk is. Bovendien kan dit de werkgelegenheid (vooral binnen de maatschappelijke sector) voor jongeren bevorderen en stimuleert en faciliteert het een ondernemende en initiatiefrijke houding bij jongeren. Ook de jongeren zien het belang en de voordelen van maatschappelijke stages voor hun eigen ontwikkeling in, zo blijkt uit de enquête waar ruim drie kwart van de jongeren aangeeft maatschappelijke stages belangrijk te vinden. Jongerenloket Vanaf januari 2012 is de WIJ (Wet Investering in Jongeren) vervangen door de Wet Werk en Bijstand (WWB). Als een jongere zich meldt bij het Jongerenloket voor een inkomensvoorziening, krijgt de jongere een zoektermijn van 4 weken. Zij ontvangen in die periode geen enkele vorm van begeleiding. Na de zoektermijn kunnen de jongeren begeleiding krijgen, indien zij zich voldoende hebben ingespannen om zelf een opleiding of baan te vinden. Als er een jongere een WWB-uitkering aanvraagt, wordt er onder andere gekeken of de jongere een startkwalificatie heeft. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan wordt er van hem of haar verwacht deze wel te behalen. Bij het Jongerenloket komen over het algemeen jongeren die 18 jaar of ouder zijn. Zij zijn op grond van de wet niet meer verplicht om onderwijs te volgen. Omdat het toch van belang is om een startkwalificatie te behalen worden ze doorverwezen naar het RMC. Het is dan aan de jongere zelf om een afspraak te maken. Momenteel loopt er een discussie over de wijze waarop en de mate waarin de RSD de dienstverlening aan de doelgroep jongeren pleegt. Daarin zal ook een visie worden geformuleerd op de toekomst van het Jongerenloket. Werkcoachproject WerkUH In 2011 is op verzoek van en in samenwerking met Welnúh-jongerenwerk een project WerkUH opgestart om een specifieke groep jongeren extra begeleiding te geven en ze te stimuleren naar school of werk. Welnúh constateerde een toenemende vraag en behoefte van jongeren aan informatie over het zoeken naar werk, solliciteren, brieven en cv’s opstellen, een gesprek voeren met een werkgever. Het gaat om een zogenaamd lokaal initiatief, dat wordt uitgevoerd door de RSD. De doelgroep zijn jongeren die door het jongerenwerk worden aangedragen, omdat zij denken dat ze een extra steuntje in de rug nodig hebben. Na anderhalf jaar kunnen we de conclusie trekken dat het werkcoachproject duidelijk in een behoefte voorziet. In 2011 heeft de werkcoach 25 jongeren begeleid naar werk, vrijwilligerswerk of studie en in 2012 gaat het om een groep van 33 jongeren, waarvan 5 nog begeleiding krijgen (Jaarverslag werkUH 2012, december 2012). Jobstap Een voorbeeld om meer werkplekken te stimuleren binnen onze gemeente is het project Jobstap. Dit is een experiment gericht op jongeren met een Wajong-uitkering. Samen met Jobstart en het UWV wordt het bestand Wajongeren doorgelicht om te kijken of zij actief naar werk of een werkervaringsplaats begeleid kunnen worden. Het streven is om de begeleiding naar werk (nu nog via UWV) en de individuele begeleiding (nu nog via AWBZ) door één persoon te laten doen. Inmiddels is de eerste jongere bij Jobstap in traject genomen. Voorlichting jongerenwerk over wonen, werk en inkomen Doordat de jongerenwerkers jongeren veel in hun vrije tijd ontmoeten, hebben ze een bijzondere band en een vertrouwensrelatie met de jongeren. In individuele gesprekken kan het jongerenwerk de jongeren leiden naar professionele zorg of naar bijvoorbeeld de werkcoach. Ook door vormings- en voorlichtingsactiviteiten te organiseren op thema’s die jongeren bezighouden ondersteunt het jongerenwerk de jongeren om zelfredzaam te worden. De JRUH ziet voor het jongerenwerk met name een belangrijke rol in het stimuleren van jongeren bij het zoeken naar werk. (zie ook hoofdstuk 5 Gezondheid) Wat komt er op ons af? De maatschappelijke stages worden gefinancierd vanuit het rijk en door scholen. Inmiddels is in het regeerakkoord (oktober 2012) opgenomen dat de wettelijk verplichte maatschappelijke stages per 2015 (voor scholen vanaf schooljaar 2015/2016) worden afgeschaft. De RSD richt zich als gevolg van de bezuinigingen vooral op de meer kansrijke cliënten/jongeren. Dit leidt ertoe dat eventuele ondersteuning van de minder kansrijke jongeren moet komen vanuit lokale projecten in combinatie met WMO-voorzieningen. Wat signaleren we? Uit cijfers van het UWV blijkt dat de jeugdwerkloosheid in onze regio (Midden-Utrecht) is afgenomen ten opzichte van het afgelopen jaar. Wel is het aantal plaatsingen (gerealiseerde stage- en leerwerkbanen) fors teruggelopen en verwacht men knelpunten in het aanbod van praktijkplaatsen voor bepaalde beroepsgroepen (Basiscijfers Jeugd regio Midden-Utrecht, juni 2012). De JRUH adviseert om voorlichting op middelbare scholen te stimuleren over het zoeken naar werk, solliciteren en het opstellen van een cv. Scholen kunnen deze drie elementen eenvoudig verwerken in het huidige lesprogramma. De elementen sluiten namelijk aan op verschillende vakken, zoals Nederlands, Engels en Management & Organisatie. Dit advies brengen we in het LEA-overleg in. Jongeren staan terughoudender tegenover het doen van vrijwilligerswerk. Slechts een derde van de respondenten van de enquête zou zelf vrijwilligerswerk willen doen. Een derde doet liever geen vrijwilligerswerk, omdat het geen geld oplevert. En de overigen weten het niet. Het jongerenwerk ervaart in de praktijk dat jongeren als ze eenmaal actief zijn zeker de meerwaarde van vrijwilligerswerk zien. Volgens de JRUH hebben jongeren niet zoveel tijd en moeten ze daarom prioriteiten stellen. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Percentage werkloze jongeren RSD Nader te onderzoeken Nader te bepalen 2 Percentage jongeren zonder startkwalificatie RSD/RMC 1% 0,5% Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal maatschappelijke stages 580 600 620 2 Aantal jongeren begeleid door het Jongerenloket 50 50 3 Aantal jongeren begeleid door het Werkcoachproject 20 25 30 35 4 Aantal leer/werk stageplekken binnen gemeentelijke organisatie 2 3 4 5 5 Aantal leer/werk stageplekken buiten gemeentelijke organisatie Nnb Toelichting 3.3.1 Maatschappelijke stages Het wegvallen van de financiering van de maatschappelijke stages door het rijk gaat in per schooljaar 2015-
  9. Wij onderschrijven het belang van de maatschappelijke stages en hebben daarom al op korte termijn (januari 2013) overleggen gepland met betrokken partijen op lokaal en regionaal niveau om een gezamenlijk oplossing te vinden en de maatschappelijke stages ook voor de toekomst te borgen. 3.3.2Ondersteuning van jongeren via Jongerenloket en Werkcoachproject WerkUH Het werkcoachproject wordt vanwege de succesvolle resultaten in 2013 verlengd. Voor het project is het beschikbare budget lager dan voorheen, wat gevolgen heeft voor de uitvoering. Met de werkcoach maken we nadere afspraken over bijstelling van het project. Overigens blijkt uit het laatste jaarverslag van de werkcoach dat jongeren, die al eerder in een traject zijn begeleid, in een aantal gevallen zelfredzaam zijn geworden en hun eigen weg naar werk vinden. 3.3.3 Stimuleren van meer stageplekken/ banen bij werkgevers Wij zijn er voorstander van dat jongeren op actieve wijze kennismaken met de arbeidsmarkt. Daarnaast streven we naar het stimuleren van maatschappelijk betrokken ondernemen en wij als gemeentelijke organisatie hebben daar een voorbeeldfunctie in. We promoten, binnen en buiten de gemeentelijke organisatie, het in dienst nemen van of het bieden van leerwerkplekken aan uitkeringsgerechtigden in het kader van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat wij dat ook doen voor jongeren uit deze doelgroep en dat zij ook in aanmerking moeten kunnen komen voor een leer/werkstage bij onze gemeente. Opvoeden en beschermen Het Centrum voor Jeugd en Gezin Utrechtse Heuvelrug (CJG) is sinds 15 februari 2010 geopend. Het CJG richt zich op gezinnen met vragen over opvoeden en opgroeien, die informatie en advies zoeken bij een professional en soms ook lichte hulp. Het CJG is bedoeld voor jongeren en ouders van kinderen en jongeren in de leeftijd van min 9 maanden tot en met 23 jaar. Daarnaast richt het CJG zich ook op de mensen, al dan niet professionals, rondom de gezinnen, die zorgen hebben over gezinnen en die overleg zoeken over de vraag of een gezin hulp nodig heeft. Het CJG organiseert dat mensen met zorgen voor kinderen en gezinnen met elkaar in contact komen. Dat gebeurt via de Verwijsindex en zorgnetwerken. Waar nodig biedt het CJG zorgcoördinatie. Belangrijk uitgangspunt van het CJG bij de verheldering van de zorg- of hulpvraag is juist het versterken van eigen kracht. Daarnaast is 1 gezin-1 plan het uitgangspunt. Ruim een jaar na de opening van het CJG (juli 2011) verscheen het rapport ‘Samenwerking in ontwikkeling, één jaar Centrum voor Jeugd en Gezin Utrechtse Heuvelrug’. Het rapport is een advies voor de doorontwikkeling van het CJG in onze gemeente en geeft richting om de opzet van het CJG te verbeteren en in te spelen op trends en landelijke ontwikkelingen. Wat komt er op ons af? De transitie jeugdzorg De overgang per 2015 van de verantwoordelijkheden die de provincie heeft op grond van de Wet op de Jeugdzorg naar de gemeenten is zo’n belangrijke landelijke ontwikkeling. Het gaat om de taken die nu worden uitgevoerd door Bureau Jeugdzorg en om het tweedelijns zorgaanbod. Al deze taken op het gebied van de jeugdzorg worden overgeheveld naar de gemeente: de transitie van de jeugdzorg. Het Centrum voor Jeugd en Gezin speelt daarbij een belangrijke rol als toegangspoort tot de jeugdzorg. Die toegangspoort moet zorgen voor kortere lijnen bij het bepalen van de behoefte aan zorg en voor vraaggerichte inkoop van zorg. Met het oog op deze ontwikkelingen heeft de gemeente ervoor gekozen de aansturing van de centrale coördinatiefunctie binnen het CJG onder te brengen binnen de gemeentelijke organisatie. Op deze manier kan de gemeente haar regierol effectiever en efficiënter oppakken. Naast de overheveling van taken wil de regering ook het financieringssysteem wijzigen. Dit betekent dat de gemeente ook voor de opdracht staat om de systematiek van de jeugdzorg te transformeren. In onze ogen gaat het om de volgende verschuiving: Vóór transformatie Na transformatie De komst van de Jeugdzorg naar de gemeenten is ingegeven door landelijke bezuinigingen. Gemeenten moeten dezelfde, liefst betere, zorg bieden met minder middelen. Des te meer reden om het CJG te ontwikkelen tot een dusdanig succesvolle werkwijze dat de meeste zorg in preventieve sfeer gegeven kan worden, waardoor indicatiestelling en doorverwijzing naar zwaardere (2e lijns-) zorg, en daarmee dure trajecten, alleen bij uitzondering aan de orde zijn. Verbinding jeugdzorg met jeugdgezondheidszorg De gemeente Utrechtse Heuvelrug is van mening dat de jeugdgezondheidszorg bij één partij moet komen (nu 0-4 jaar Vitras en 4-19 jaar GGD). In dit stadium is er echter onvoldoende onderzoek verricht naar de inrichting van de hele keten jeugdgezondheidszorg, jeugdmaatschappelijk werk en jeugdzorg om een keuze te kunnen maken. Regio Zuidoost Utrecht (de gemeenten Bunnik, De Bilt, Wijk bij Duurstede, Zeist en Utrechtse Heuvelrug) heeft gekozen voor uitstel van de keuze voor inrichting van de jeugdgezondheidszorg en meer onderzoek te doen naar de relatie met onder andere de jeugdzorg. Passend onderwijs Daar waar de gemeente per 1 januari 2015 verantwoordelijk wordt voor de jeugdzorg, is vanaf 1 augustus 2014 het onderwijs verantwoordelijk voor het bieden van een passende onderwijsplek aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Deze twee trajecten hebben alles met elkaar te maken, maar zijn nog niet volledig op elkaar afgestemd. Er vindt afstemming plaats met de directeur van de drie samenwerkingsverbanden voor basisonderwijs binnen onze regio (Kromme Rijn, ZorgGebundeld en De Bilt). Met het voortgezet onderwijs is er nog geen afstemming. Wat signaleren we? In de huidige jeugdzorg zien wij een aantal knelpunten. De transformatie biedt gelukkig kansen om deze knelpunten aan te pakken. Met onze acties in deze beleidsperiode willen wij de knelpunten aanpakken en kantelen naar verbeterpunten. Er is geen totaaloverzicht van jeugd in zorg De verschillende financieringsstromen binnen de huidige jeugdzorg zorgen ervoor dat er geen totaaloverzicht is van de jeugd in zorg. Met de transformatie worden de financieringsstromen gebundeld: de (financiële) verantwoordelijkheid voor de zorg voor jeugd gaat over naar de gemeenten. Omdat we het Centrum voor Jeugd en Gezin inrichten als toegangspoort tot de zwaardere jeugdzorg, krijgen we een totaalbeeld van wat er in onze gemeente speelt. Kosten zijn onbeheersbaar Met de transitie en transformatie gaat ook een bezuinigingsslag gemoeid, terwijl de kosten van de zwaardere jeugdzorg flink oplopen. Binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin zetten wij meer in op preventie en lichte hulpverlening door de hulp meer naar voren te halen. Wij verwachten dat daardoor de vraag naar zwaardere en duurdere gespecialiseerde zorg op termijn afneemt. Tegelijkertijd moeten we er rekening mee houden dat er een (relatief kleine) groep is en zal blijven, die altijd gebruik zal blijven maken van de zwaardere jeugdzorg. Nu is er een directe toegang naar zwaardere zorg, waarbij het lokale netwerk niet is ingeschakeld. Er is teveel bureaucratie / er zijn teveel wachtlijsten Minder regeldruk zorgt ervoor dat de professional meer tijd heeft voor het daadwerkelijk verlenen van hulp en ook motiveert het de professional. Dit doen we bijvoorbeeld door het naar voren halen van lichte ambulante hulpverlening en het lokaal inzetten van gezinsbegeleiders voor gezinnen met een complexere hulpvraag. De gezinsbegeleider is een generalist die vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt ingezet. Hij/zij heeft vier taken:
(1)gesprek aangaan
(2)eigen kracht van het gezin versterken
(3)oplossen van vragen in het gezin
(4)indien nodig doorverwijzen. De eerstelijns gezinsbegeleider is niet bedoeld als een zorgcoördinator, als een extra laag of extra schakel. De eerstelijns gezinsbegeleider kan zelf naar eigen inzicht ‘doorpakken’. De kracht van hulpvragers en hun omgeving wordt onderbelicht In de jeugdzorg wordt vaak gesproken óver jongeren en hun ouders. Maar ouders en jongeren kunnen in veel gevallen zelf goed aangeven wat goed voor hen is en hebben zelf voldoende kracht om te werken aan de oplossing voor hun probleem. Om die eigen kracht aan te wenden moet niet óver, maar mèt de hulpvragers gesproken worden. Binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt tijdens een ronde-tafel-gesprek nooit zónder de hulpvragers gesproken. Er is onvoldoende samenwerking tussen organisaties in de jeugdzorg en andere sectoren De verkokerde inrichting van de jeugdzorg draagt niet bij aan efficiënte en effectieve hulpverlening. Uitgaande van het gezin centraal gaan we de mogelijkheden verkennen om de aanpak 1 gezin- 1 plan te optimaliseren. Alleen integraliteit zorgt ervoor dat het gezin centraal staat. Cijfers nog beperkt beschikbaar November 2012 heeft provincie Utrecht de nieuwe Factsheet jeugdzorgprovincie Utrecht uitgebracht. Hierin staan de meest recente cijfers. Veelal zijn de cijfers alleen bekend op provinciaal niveau. Hieronder vindt u uit de factsheet twee tabellen met cijfers op gemeentelijk niveau. Tabel 1 laat de nieuwe instroom van jeugdigen zien per taak van Bureau Jeugdzorg, onderscheiden naar de gemeente van inschrijving van de jeugdige binnen de regio Utrecht Zuidoost. Het gaat om de gemeente waar de jeugdige is ingeschreven op het moment van aanmelding. Tabel 1 Nieuwe instroom bij Bureau Jeugdzorg
(2011)gemeente Start TGJ Start JB Start JR De Bilt 101 14 8 Bunnik 25 3 3 Utrechtse Heuvelrug 194 20 9 Wijk bij Duurstede 87 14 2 Zeist 232 33 16 Totaal Utrecht Zuidoost 639 84 38 Totaal provincie Utrecht 4847 636 417 Tabel 2 laat het aantal kinderen zien dat provinciaal geïndiceerde jeugdzorg ontvangt. Tabel 2 Aantal kinderen dat provinciaal geïndiceerde jeugdzorg ontvangt gemeente aangemeld uitgestroomd In zorg eind 2011 De Bilt 50 44 52 Bunnik 14 11 26 Utrechtse Heuvelrug 78 65 101 Wijk bij Duurstede 36 28 52 Zeist 134 146 144 Totaal Utrecht Zuidoost 312 294 375 Totaal provincie Utrecht 1955 1863 2256 In de beleidsperiode gaan we meer onderzoeksgegevens verzamelen en bij de verdere beleidsvorming volgen we een participatief traject, waarbij we scholen, jongeren en ouders zullen betrekken. Financieel kader transitie jeugdzorg De transitie van de jeugdzorg gaat gepaard met een korting. De financiële randvoorwaarden zijn met de concept wettekst sterk verslechterd: de eerdere korting van het budget met €300 miljoen is zonder nadere onderbouwing opgehoogd met nog eens €150 miljoen. Hiermee komt de totale korting op €450 miljoen vanaf 2017. Dit is zo’n 15% van het totale budget en komt naast de bezuinigingen die de komende jaren voor de overheveling al worden doorgevoerd. In het kader van opvoeden en beschermen formuleren we het volgende beleidsdoel: -Terugbrengen van het aantal jongeren in de zware jeugdzorg. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Nieuwe instroom BJZ Factsheet jeugdzorg prov Utrecht 223
(2011)168 2 Aantal kinderen dat geïndiceerde zorg ontvangt Factsheet jeugdzorg prov Utrecht 101 (eind 2011) 75 3 overige cijfers over jeugd in zware zorg Add-jeugdmonitor nnb Nader te bepalen Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal jongeren dat hulp/zorg vraagt bij het CJG 2300 2500 2700 3000 2 Signalering en afstemming met nieuwe zorgnetwerken in onderwijs gerealiseerd X 3 Model voor alle hulpvragen lokaal via werkwijze eigen kracht en 1 gezin-1 plan gerealiseerd X 4 CJG ingericht op indicatievrij inzetten van middelzware zorg X 5 Regionaal model afstemming regionale cjg’s en regionale inzet zware zorg X Toelichting 4.1 Het aantal jongeren dat gebruik maakt van de zware zorg is in 2016 met ¼ gedaald Zware jeugdzorg is de zorg die nu achter de poort van Bureau Jeugdzorg zit. Ook jongeren die met politie/justitie in aanraking komen krijgen een zwaar jeugdzorgtraject. Voor de nul-meting wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit de Add-jeugdmonitor. Aandachtspunt hierbij is dat we in 2016 op eenzelfde manier monitoren als bij de nulmeting. 4.1.1 Versterken van de informatie- en adviesfunctie binnen het CJG Zorg-/hulpvraag komt vanuit de ouder/jongere zèlf. De laagdrempelige, preventieve rol van het CJG geven we vorm op een manier dat het gemakkelijk toegankelijk en vertrouwd is voor de inwoners. Uit de enquête onder jongeren blijkt dat 45% van de jongeren niet weet wat het Centrum voor Jeugd en Gezin is en dat bijna 48% nooit bij het CJG is geweest. Dit laatste kan positief zijn, omdat kennelijk jongeren geen vragen of problemen hebben waar ze een CJG voor nodig hebben. Duidelijk is wel dat we de bekendheid van het CJG moeten vergroten. Dat doen we door meer de publiciteit op te zoeken en door de CJG-medewerkers meer te profileren en een gezicht te geven, waardoor het herkenbaarder wordt. We zetten in op verschillende (voorlichtings-) activiteiten rond het thema opgroeien en opvoeden. Het gaat om activiteiten voor ouders, jongeren en professionals. Voorbeelden in 2012 zijn de landelijke campagneweek ‘Week van de Opvoeding’ en een symposium over de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling voor professionals in de eerstelijns gezondheidszorg (huisartsen, fysiotherapeuten etc.). Daarnaast zoeken we mogelijk naar aansluiting bij het wijkteam. 4.1.2 Versterken van de signalering door afstemmen met nieuwe zorgnetwerken in onderwijs De zorg-/hulpvraag komt vanuit de signaleerder. De zorgnetwerken worden door de kernpartners van CJG (waaronder het jongerenwerk) goed bezocht. Dit geldt zowel voor het zorgnetwerk 12- als 12+. Hierbij zijn inmiddels ook Bureau Jeugdzorg en MEE betrokken. Aandachtspunten zijn het aansluiten van de scholen voor voortgezet onderwijs bij het 12+netwerk van het CJG en het maken van betere afspraken over de aansluiting CJG en huisartsen. Met het oog op het Passend onderwijs gaan we de signalering versterken door met de nieuwe zorgnetwerken van het onderwijs af te stemmen. 4.1.3 Een model voor alle hulpvragen (Eigen kracht en 1 gezin-1 plan) Tijdens het voeren van een gezinsgesprek wordt de hulpvraag geformuleerd. Eigen kracht van het gezin is uitgangspunt. Door het toepassen van de werkwijze van 1 gezin-1 plan bij multi-problemgevallen wordt de hulpvraag integraal geformuleerd en wordt het gezinsplan integraal opgepakt. Het doel is dat deze werkwijze steeds meer standaard toegepast wordt. In de toekomst kan er mogelijk een link worden gelegd met het wijkteam. 4.1.4 Het CJG inrichten op indicatievrij inzetten van middelzware zorg In het kader van de voorbereidingen op de transitie jeugdzorg heeft onze regio subsidie (maximaal € 50.000 per regio) aangevraagd bij de provincie Utrecht voor een pilot indicatievrije trajecten. Het gaat hierbij om eenvoudige ambulante zorg zonder indicatie, die naar voren wordt gehaald (nu worden die trajecten alleen ingezet met indicatie van Bureau Jeugdzorg). Het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt hiermee versterkt en medewerkers van het Centrum voor Jeugd en Gezin worden opgeleid om zelf te kunnen indiceren dan wel diagnosticeren. Deze indicatie/diagnose vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin dient integraal te zijn en kunnen we voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug mogelijk onderbrengen in de netwerken 12- en 12+. 4.1.5 Regionaal model ontwikkelen met goede afstemming tussen regionale CJG’s en regionale inzet zware zorg Na het indiceren/diagnosticeren door het Centrum voor Jeugd en Gezin volgt de inkoop van zorg. Het liefst willen wij dat ook snel kunnen inzetten, vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin. Daarvoor is het zogenaamde fichesmodel (pilot provincie) in voorbereiding. We willen het fichesmodel in combinatie met de indicatievrije trajecten inzetten, zodat we kunnen experimenteren met inkoop van zorg. Overleg hierover tussen onze regio en de provincie is in vergevorderd stadium. We bereiden samen met onze regiogemeenten een opdrachtomschrijving voor voor de aan te stellen projectleider indicatievrije trajecten/fiches. Gezondheid Jeugd en jongeren toerusten tot zelfstandige inwoners betekent dat ze niet alleen bij het opgroeien de juiste begeleiding en zorg krijgen en een opleiding volgen en afmaken, maar ook dat ze zich een gezonde levensstijl eigen maken. Preventie is daarbij een kernwoord. Door jongeren bewust te maken van alcoholgebruik als potentieel gezondheidsprobleem willen we voorkomen dat jongeren door een verkeerd alcoholgebruik zich niet staande kunnen houden in de samenleving. Uiteraard hebben ouders hierin ook een eigen verantwoordelijkheid voor de gezondheid van hun kinderen. Ons doel is het bevorderen van een gezonde leefstijl, zodat jongeren zich ontwikkelen tot gezonde volwassenen. Combinatiefuncties In onze gemeente loopt een pilot combinatiefuncties tot en met juli 2013, mede gefinancierd door de Rijksregeling Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties). Binnen deze regeling is 7,2 fte combinatiefunctionarissen gerealiseerd. In de zomer van 2012 vond de evaluatie van deze pilot plaats. De evaluatie geeft alle aanleiding om dit project voort te zetten, want de pilot is succesvol. Wat betreft de combinatiefuncties sport: er is een kwaliteitsimpuls gegeven aan het bewegingsonderwijs op de basisscholen, er zijn extra activiteiten voor leerlingen met beweegachterstanden gegeven, er heeft versterking van het kader van sportverenigingen plaatsgevonden en er is meer en betere samenwerking tussen sportaanbieders, scholen en buurt ontstaan. De inzet van de combinatiefunctionarissen cultuur (cultuurcoach) heeft geleid tot de uitbreiding van cultuurdeelname en culturele bewustwording onder de middelbare jeugd. Erg succesvol waren de vergroting van zelfvertrouwen van leerlingen (weerbaarheid), vergroting van veiligheid en sfeer in de groepen, de onderlinge samenwerking onder leerlingen (normen en waarden) en het zichzelf goed en zelfbewust kunnen presenteren voor een groep. Per 1 januari 2012 heeft het Rijk structureel een extra bedrag beschikbaar gesteld voor de Impuls. Voor deze extra middelen geldt een verbreding van de aandachtsgebieden. Voor deze combinatiefunctionarissen (nieuwe naam buurtsportcoach) geldt dat zij sport- en beweegaanbod organiseren en een combinatie maken tussen sport- en beweegaanbieders en een andere sector zoals onderwijs, cultuur, welzijn, gezondheid en bso/kinderopvang. De buurtsportcoach is werkzaam in minimaal twee sectoren. Door dit extra bedrag worden gemeenten in de gelegenheid gesteld om tot 140% van de huidige ruimte combinatiefuncties in te vullen. In onze gemeente is dit een extra 2,8 fte waardoor het totaal aantal te realiseren combinatiefuncties op 10,0 fte uitkomt. In 2013 gaan we aan de slag met het nieuwe sportbeleid. Voornemen is om sport minder een doel op zich, maar meer een middel te laten zijn, gericht op specifieke doelgroepen. Het accent komt te liggen bij mensen die niet of onvoldoende bewegen om allerlei redenen. Hierbij sluiten we aan bij beleidsvelden als gezondheid, ouderenbeleid en Wmo, maar ook jeugdbeleid. Buurtsportcoaches kunnen worden ingezet voor dit doel. De doelen van de uitbreiding van de Rijksregeling voor combinatiefuncties/buurtsportcoaches sluiten naadloos aan bij de doelen die geformuleerd zullen gaan worden in het nieuwe sportbeleid. Het jaar 2013 gaan we gebruiken om samen met lokale organisaties, breed te onderzoeken of we vanaf 2014 tot een financieel gedekt plan voor voortzetting van de combinatiefunctionarissen kunnen komen, ter uitvoering van het nieuwe sport- en cultuurbeleid. De doelen van de Rijksregeling voor combinatiefuncties/buurtsportcoaches sluiten niet alleen naadloos aan bij de doelen van het sportbeleid maar ook bij die van het jeugdbeleid. Wij willen jeugd en jongeren toerusten tot zelfstandige inwoners. De combinatiefuncties dragen niet alleen bij aan het terugdringen van beweegachterstand bij de jeugd, maar ook aan het vergroten van het zelfvertrouwen van jongeren en daarmee van hun weerbaarheid. Uit de pilot blijkt dat het welzijn van de jeugd met de inzet van combinatiefuncties wordt vergroot, en dat leidt ertoe dat de jeugd hun leefomgeving aantrekkelijk vindt om in te wonen en te blijven wonen. In aansluiting op het advies van de WMO-raad willen we voor de doelen van het gezondheidsbeleid voor de jeugd verwijzen naar de gezondheidsnota. We komen in 2013 met een integrale Welzijnsnota waarin we naast het gezondheidsbeleid, ook het sport- en cultuurbeleid integreren. In het kader van gezondheid binnen deze jeugdnota beperken we ons nu tot het volgende beleidsdoel: -Terugbrengen van alcoholgebruik door jongeren. Alcohol en jeugd Wat doen we al om alcoholgebruik onder jongeren terug te brengen? Op verschillende terreinen zijn al stappen gezet in de aanpak van alcoholmatiging. Zo hebben sportorganisaties in de gemeente afspraken gemaakt hoe om te gaan met alcoholmatiging tijdens sportfeesten en ook hoe ouders daarin betrokken kunnen worden. Gemeente, politie, het Openbaar Ministerie en Koninklijke Horeca Nederland hebben het horecaconvenant ondertekend. In het convenant zijn afspraken vastgelegd met het doel de veiligheid in de horeca te versterken en overlast te voorkomen. Preventief jeugd en jongerenwerk Het jeugd- en jongerenwerk heeft een belangrijke preventieve functie. Door vroegtijdig risico’s en problemen bij individuele jongeren te signaleren kunnen de jongerenwerkers jongeren in een vroeg stadium doorgeleiden naar hulpverlenende instanties, en daarmee voorkomen dat jongeren in zwaardere problemen en daarmee zware zorg terecht komen. Daarnaast organiseert het jeugd en jongerenwerk voorlichtings- en vormingsactiviteiten over veiligheidsrisico’s op het gebied van bijv. alcoholgebruik, loverboys en chatten. Voor de keuze van thema’s is er afstemming en zo mogelijk samenwerking met betrokken instellingen die in de regio op het thema deskundig zijn. Plan van aanpak Jeugd en alcohol 2012-2016 In 2012 is het plan van aanpak Jeugd en alcohol 2012-2016 vastgesteld. Dit Plan van aanpak richt zich op de drie beleidsterreinen die direct betrokken zijn bij jeugd en alcohol: Onderwijs en Jeugd, Gezondheid(szorg) en Openbare orde en veiligheid. Overige beleidsterreinen zullen indien nodig er ook bij betrokken worden. Per beleidsterrein zijn werkdoelen geformuleerd: Onderwijs en Jeugd: het gebruik als centraal thema bij jeugdigen aan de orde stellen, betrokkenheid van professionals vergroten, inzet van onderwijs en ouders vergroten, uitbreiding van voorzieningen vanuit jongerenwerk en alternatieven bieden voor (hang)jongeren en specifieke groepen probleemgebruikers. Gezondheidszorg: het gebruik als gezondheidsprobleem op de agenda krijgen, tegengaan van excessief gebruik, in beeld krijgen van specifieke probleemgebruikers, versterken afstemming jongerenwerk en hulpverlening en verbeteren van de toegang en aanbod van verslavingszorg en afstemming met 1e lijnszorg. Openbare orde en veiligheid: het bestrijden van (uitgaans)geweld en vernielingen (zie bijvoorbeeld horecaconvenant zoals getekend op 1 november 2011). Tevens het terugdringen van de verkoop van alcohol aan minderjarigen door supermarkten, horeca etc. Dit is ook opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Wat komt er op ons af? De nieuwe Drank- en Horecawet is per 1 januari 2013 in werking getreden. Gemeenten hebben daarna één jaar de tijd om de uitvoering van deze wet op orde te krijgen. De implementatie van de Drank- en Horecawet vraagt om een apart traject. Dit traject zal in een aparte werkgroep vorm krijgen. Voor een goede bestuurlijke en juridische basis denken we bijvoorbeeld aan een besluit van het gemeentebestuur om één hoofdlijn van beleid te hanteren, een up to date vergunningenbestand, een systeem dat een duidelijk en eenvoudig overzicht kan weergeven van afgegeven vergunningen, APV’s, relevante verordeningen; convenanten en afspraken met ‘verstrekkers’ van alcohol over commitment en handhaving en onderlinge afstemming met de buurgemeenten, omdat veel van onze jongeren daar naar school gaan en gebruik maken van de horeca daar. Wat signaleren we? In onze gemeente zien we in de verschillende dorpen een zorgelijke ontwikkeling omtrent het alcoholgebruik onder jongeren. De toename van het gebruik sluit aan bij het landelijke beeld. Het gebruik van alcohol op jonge leeftijd heeft ernstige gevolgen voor de hersenontwikkeling, het sociaal functioneren en het presteren op school. Jong beginnen met drinken van alcohol verhoogt de kans op alcoholproblemen op latere leeftijd. Naast de gevolgen voor de gezondheid van onze jongeren, is het gebruik van alcohol een belangrijke reden dat jongeren in aanraking komen met de politie doordat ze overlast veroorzaken. Alcoholgebruik jongeren in Utrechtse Heuvelrug Uit onderzoek van de GGD Midden-Nederland in 2012 in onze gemeente blijkt dat het aantal jongeren op het voortgezet onderwijs dat in de 4 weken voorafgaande aan het onderzoek alcohol heeft gedronken hoger is vergeleken met het regionaal gemiddelde (41% versus 38%). Opvallend is ook dat een groot deel van de jongeren al onder de 16 jaar alcohol heeft gedronken en ook zelf heeft gekocht. Binge drinken (= in een kort tijdsbestek meer dan 5 alcoholische dranken nuttigen) onder jongeren komt overeen met het regionaal gemiddelde (28% versus 27%). Opvallend is dat jongeren die al alcohol drinken ook veel drinken per keer. Op het basisonderwijs wordt door 42% van de bovenbouwleerlingen wel eens alcohol gedronken. Regionaal is dit 48%. Hoe komen ze eraan? 63% van de alcoholdrinkende jongeren (onder de 16 jaar) in de gemeente gaf aan zelf nooit alcohol te kopen, maar het te krijgen. Als jongeren alcohol kopen doen ze dit het meest frequent in de supermarkt. Opvallend is dat 37% van de alcoholdrinkende jongeren jonger dan 16 jaar zelf wel eens alcohol koopt, bijvoorbeeld in de slijterij, supermarkt of café. Wat vinden de ouders ervan? Bij 35% van de alcoholdrinkende jongeren onder de 16 keuren de ouders het goed of zeggen er niets van dat ze alcohol drinken. 37% van de ouders van alcoholdrinkende jongeren raadt het af, verbiedt het of vindt dat de jongere minder moet drinken. De ouders van 28% van de jongeren weten niet dat hun kind alcohol drinkt. In 2008 was dit percentage nog 13%, er wordt dus door meer jongeren stiekem gedronken. Er is een duidelijke relatie tussen de mate waarin ouders het drinkgedrag van hun kind goedkeuren en de leeftijd van de jongere: naarmate de jongere de 16 jaar nadert, des te vaker keurt de ouder het drinkgedrag van de jongeren goed. Ook is er een duidelijke relatie tussen de mate waarin de ouders het drinkgedrag goedkeuren en de hoeveelheid en frequentie van het alcoholgebruik van de jongere. De JRUH benadrukt het belang om ouders bewust te maken van hun verantwoordelijkheid bij het alcoholgebruik door hun kinderen, ook bij het uitgaan. Verhogen van de bewustwording zowel bij jongeren als bij ouders is in de hierna geformuleerde acties opgenomen. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde
(2012)Streefwaarde 2016 1 Percentage alcoholgebruik afgelopen vier weken beneden 16 jaar GGD-monitor 32 % (GUH) 28 % (regionaal) 22% (GUH) 2 Percentage alcoholgebruik afgelopen vier weken 13-17 jaar GGD-monitor 41 % (GUH) 38% (regionaal) 31% (GUH) 3 Percentage bingedrinken beneden 16 jaar GGD-monitor 19 % (GUH) 18% (regionaal) 9% (GUH) 3 Percentage bingedrinken 13–17 jaar GGD-monitor 28 % (GUH) 27% (regionaal) 18% (GUH) Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal campagnes gericht op het brede publiek 1 1 1 1 2 Aantal handhavingsactiviteiten op verkrijgbaarheid nnb 3 Aantal alcoholprojecten op basisscholen 6 6 6 6 Toelichting 5.1.1 Brede communicatie De boodschap zal breed uitgedragen moeten worden naar en zichtbaar zijn voor het brede publiek. We sluiten aan bij landelijke campagnes en maken gebruik van verschillende media. Door afspraken te maken met het werkveld (alcoholverstrekkers en zorgverleners) willen we meer draagvlak creëren. Ook voor de communicatie is afstemming wenselijk met andere gemeenten. 5.1.2Handhaving In een platform handhaving moeten gemeente, politie, Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) en het OM nauw samenwerken en afspraken maken over gezamenlijk inzet op omvang en werkwijze. De handhaving bij alcohol richt zich op verkrijgbaarheid (sport, supermarkten, uitgaanscircuit), meldingen van overlast over horeca en meldingen van gebruik in de openbare ruimte. 5.1.3Subsidiëren van alcoholprojecten op basisscholen De gedachte achter het cafetariamodel subsidies was dat gemeente en scholen tot één gedeeld pakket van aanbod in zorg en preventie zouden komen, waarbij scholen zelf zouden kunnen kiezen waarvoor ze de subsidie van de gemeente willen inzetten. Met ingang van 2013 is het budget gehalveerd en vanaf 2014 vervalt het cafetariamodel en gaan we in overleg met de scholen gezamenlijke projecten inkopen (bijv. alcoholvoorlichting of gezond omgaan met moderne media). In 2013 kopen wij bij de GGD alcohol en jeugdprojecten in ten behoeve van het schooljaar 2013-
  1. Wonen Het tweede hoofddoel van ons jeugdbeleid is dat jongeren in de Utrechtse Heuvelrug opgroeien in een geborgen, veilige omgeving die aantrekkelijk is om in te wonen en te blijven wonen. In de Woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2008 zijn geen specifieke doelen geformuleerd ten aanzien van starters. Uitgangspunt was dat maatregelen ten behoeve van mensen met lage inkomens ook ten goede komen van starters. Wat doen we al om de woonomgeving voor jongeren aantrekkelijker te maken? 30% sociale huurkoopwoningen in elk nieuwbouwproject Voor starters en jonge gezinnen blijven we inzetten op het bouwen van minimaal 30% sociale huur- koopwoningen in elk nieuwbouwproject. Er zijn een aantal woningbouwprojecten in voorbereiding, waarin de bouw van o.a. starterswoningen is gepland. Tot nu toe is, ondanks de crisis in de woningmarkt en het feit dat er te weinig woningen (inzet Woonvisie 2008 was: minimaal 135 woningen per jaar tot 2017) zijn gebouwd in de gemeente in de afgelopen jaren, in verhouding wel voldoende sociale woningbouw (minimaal 30%) gebouwd in de gemeente in de projecten die zijn opgeleverd tot en met
  2. Bouw woningen voor starters en lagere inkomens Er zijn geen specifieke afspraken over het aantal sociale koopwoningen dat gebouwd moet worden. In de prestatieafspraken voor 2008 -2014 tussen gemeente en corporaties is wel vastgelegd dat in opdracht van deze partijen jaarlijks 40 woningen voor starters en lagere inkomens worden gebouwd. Wat signaleren we? Het jongerenwerk ziet in de praktijk dat jongeren tijdens de middelbare schoolperiode aangeven dat ze in de gemeente willen blijven wonen, maar als ze eenmaal hun diploma hebben gehaald en gaan studeren, dan blijkt dat ze toch liever in de stad wonen. Voor werkende jongeren ligt dat anders. Die komen wel bij het jongerenwerk voor informatie en advies, omdat ze geconfronteerd worden met het beperkte aanbod aan betaalbare huizen binnen de gemeente. De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug heeft ervoor gepleit dat de gemeente het starterswoningen-probleem tot een ‘major issue’ maakt en de bouw van huisvesting voor starters stimuleert. De JRUH gaat de komende maanden aan de slag met het uitwerken van een actieplan ‘starterwoningen’. Op dit moment kan door hen niet worden aangegeven hoe groot de vraag is naar starterswoningen in ieder dorp, en of jongeren bereid zijn om ook in een ander dorp binnen de gemeente te gaan wonen. JRUH wil dit graag onderzoeken. Volgens de JRUH staat in ieder geval vast dat de vraag naar starterswoningen in Maarn en Leersum groter is dan het aanbod. De verwachting is dat dit in andere dorpen niet anders zal zijn. Stimuleren van de bouw van starterwoningen in alle dorpen is daarom gewenst. De JRUH gaat in 2013 na de afronding van het voornoemde actieplan starterswoningen met de gemeente overleggen over afstemming. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Toelichting Het effectdoel (Wat willen we bereiken?) en de prestatiedoelen (Wat gaan we daarvoor doen?) hebben we in deze doelenboom niet concreet geformuleerd. Ook hebben we geen effect- en prestatie-indicatoren geformuleerd. We stellen dit uit tot er een nieuwe Woonvisie is. Pas onlangs (januari 2013) is de evaluatie van de Woonvisie 2008 en de daarin genoemde acties vastgesteld. De eindconclusie is feitelijk dat er vier speerpunten van beleid zijn voor de komende tijd: Meer doorstroming in de voorraad sociale huurwoningen; Middeldure huur- en koopwoningen bouwen voor de ‘scheefwoners’; Levensloopbestendig bouwen; Klimaatvriendelijke maatregelen in de bestaande woningvoorraad en nieuwbouw. Eén van de acties is het organiseren van een woonforum, waarbij we een discussie voeren met de markt, het maatschappelijk middenveld en vertegenwoordigers uit de samenleving over bovengenoemde speerpunten. Deze discussie moet input leveren voor de actualisatie van de woonvisie en de maatregelen die nodig zijn om meer beweging te krijgen in de lokale woningmarkt. En we gaan ook nog dieper onderzoeken en een analyse maken van de actuele demografische ontwikkelingen, de nieuwe ontwikkelingen en de gevolgen van beleidsvoornemens van het regeerakkoord Rutte. Vrije tijdsbesteding Het tweede hoofddoel van ons jeugdbeleid is dat jongeren in de Utrechtse Heuvelrug opgroeien in een geborgen, veilige omgeving die aantrekkelijk is om als jongere daar je vrije tijd te besteden. In het kader van vrijetijdsbesteding formuleren we het volgende beleidsdoel: -Aantrekkelijker maken van de leefomgeving van jongeren. Aantrekkelijke leefomgeving Wat doen we al om de leefomgeving van jongeren aantrekkelijker te maken? Jongerenruimtes Belangrijk voor de aantrekkelijkheid van de gemeente voor jongeren zijn de jongerenruimtes in de vier grotere dorpen. Deze jongerenruimtes voorzien in een duidelijke behoefte, blijkt uit de grote aantallen die de ruimtes bezoeken. In deze ruimtes kunnen jongeren elkaar ontmoeten, ontspannen, zich ontplooien, sporten en bewegen. Samen met vrijwilligers en andere organisaties zorgt het jongerenwerk ervoor dat de ruimtes zo veelzijdig mogelijk gebruikt en optimaal benut worden. Mede door de jongerenruimtes is er minder overlast in de gemeente en hebben de jongeren een plek waar zij zich gewaardeerd en veilig voelen. Buurt- en cultuurcoach Daarnaast kunnen de buurtsportcoaches en cultuurcoaches zich verder inzetten voor de jeugd, wanneer de raad kiest voor het verlengen van de combinatiefuncties. (Zie hoofdstuk 5 Gezondheid) Kinderboerderij en Speelweken De Kinderboerderij is een ontmoetingsplaats voor jong en oud en een plaats waar mensen met een verstandelijke beperking werken en welkom zijn. De kinderboerderij biedt ook educatieve activiteiten en een informatiepunt op het gebied van natuur en milieu. In de gemeente worden in Driebergen en Doorn jaarlijks tijdens de zomervakantie een speelweek georganiseerd voor basisschoolkinderen. De gemeente subsidieert deze speelweken. Popfestival Koninginnenacht en Oud en Nieuw feesten Sinds 2010 organiseert stichting Heuvelrugpop Rockin’ with the Royals, een popfestival op Koninginnenacht. Jaarlijks wordt op oudjaarsavond op verschillende plekken binnen onze gemeente vreugdevuren georganiseerd. Ook vindt in dit verband een feest plaats in de Binder in Leersum. Deze feestelijke activiteiten zijn aantrekkelijk voor jongeren en dragen tegelijkertijd bij aan het tegengaan van overlast. In de Kadernota jeugd 2008-2011 zijn voor het stimuleren en realiseren van extra activiteiten voor jongeren incidentele subsidiemiddelen vrijgemaakt. Er werd echter niet of nauwelijks gebruik van gemaakt. Bij de kerntakendiscussie zijn deze middelen als gevolg van de bezuinigingen grotendeels geschrapt. Alleen de financiële ondersteuning voor het organiseren van een popfestival tijdens Koninginnenacht en de Oud- en nieuwfeesten zijn gehandhaafd, met name uit oogpunt van veiligheid en openbare orde. Bibliotheek De bibliotheek organiseert diverse activiteiten voor de jeugd. Binnen het basispakket biedt de bibliotheek boeken, muziek, films en tijdschriften aan voor jeugdleden. De bibliotheek is gericht bezig om jongeren van passende informatie te voorzien. Daarnaast biedt de bibliotheek een scholenpakket aan, waarbij de jeugd uit de groepen 3 en 6 een groepsbezoek brengen aan de bibliotheek, evenals de leerlingen uit de brugklassen. In het kader van jeugdactiviteiten organiseert de bibliotheek: de kinderboekenweek, de voorleeswedstrijd, kinderjury (basisschoolleerlingen) en jonge jury (middelbare scholieren) en de nationale voorleesdagen. Vanuit de bibliotheek wordt het culturele programma in de Cultuurhuizen vorm gegeven, waarbij ook specifieke aandacht is voor jeugdvoorstellingen. Sportverenigingen en scouting De leefomgeving voor de jeugd en jongeren is aantrekkelijker wanneer er voldoende verenigingen zijn waar ze georganiseerd kunnen sporten en bewegen. Daarom subsidieert de gemeente sportverenigingen en ook de scouting, die voor deze doelgroep activiteiten organiseert. Uit de enquête onder de jongeren blijkt dat driekwart van hen tevreden is over de sportmogelijkheden binnen hun dorp. Speelplaatsen Tijdens de kerntakendiscussie is besloten het aantal speelplaatsen te halveren. Het vastgestelde Speelruimtebeleidsplan voorzag juist in een groei van het aantal speelplaatsen. Momenteel worden in overleg met de Jongerenraad uitgangspunten gedefinieerd voor de bezuiniging op speelplaatsen. Deze uitgangspunten liggen meer op het uitvoerende vlak. Het college hanteert de vastgestelde uitgangspunten vervolgens bij het verminderen/omvormen van speelplaatsen. Het accent van het gewijzigde speelruimtebeleidsplan zal vooral liggen op speelplekken bij woonwijken met geen of kleine tuinen en voorzieningen op wijkniveau. Jeugdsportfonds Uit cijfers van de afgelopen jaren blijkt dat het aantal aanvragen voor het Jeugdsportfonds is toegenomen van 24 in 2009 naar 43 in 2012 (telling september 2012). We gaan de bekendheid van het Jeugdsportfonds verder vergroten via de sociale media. Daarnaast heeft het jongerenwerk hierin al een rol en zal het jongeren op het bestaan van het fonds wijzen. Jeugdcultuurfonds,Participatieregelingvoor de jeugd en vergoeding internetabonnement De gemeente kent sinds 2010 vanuit het minimabeleid de mogelijkheid om vergoeding aan te vragen voor contributie van bijvoorbeeld muziek- of theaterles en/of de aanschaf van kostuumkleding en/of instrumenten. Deze vergoeding uit het Jeugdcultuurfonds is bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar. Ook is het mogelijk voor gezinnen met een minimuminkomen om op basis van de Participatieregeling voor de jeugd vergoeding aan te vragen van kosten voor bibliotheek, bioscoop, museum, scouting, sport, vervoer, schoolkamp enz. De Participatieregeling geldt voor kinderen tot 18 jaar. Onze gemeente kent ook een vergoeding voor een internetabonnement. Gezinnen met schoolgaande kinderen vanaf groep 8 tot 18 jaar komen in aanmerking voor een vergoeding. Deze regelingen bieden de mogelijkheid aan kinderen uit gezinnen met een minimum-inkomen in hun vrije tijd bezig te zijn met culturele of recreatieve activiteiten. In samenwerking met de cultuurcoach willen we de bekendheid van deze regelingen vergroten. Wat komt er op ons af? De bibliotheek heeft te maken met beperktere middelen als gevolg van de bezuinigingen en het is daarom de vraag of de activiteiten die de bibliotheek organiseert voor de jeugd in stand kunnen blijven. De kans is reëel aanwezig dat de instelling zich moet beperken tot het basispakket. De bezuinigingen treffen ook de Cultuurnota. Het budget daarvoor wordt vanaf 2014 gehalveerd. Dit heeft mogelijk gevolgen voor het voortbestaan van de cultuurcoach. Scholen in het voortgezet onderwijs zullen, indien ze de inzet van de cultuurcoach niet willen kwijtraken, meer budget beschikbaar moeten stellen. Gezien het feit dat de middelen in het algemeen schaarser worden, zullen we meer samenwerking tussen maatschappelijke organisaties moeten bevorderen. Sportverenigingen hebben al aangegeven meer maatschappelijk actief te willen zijn. Wat signaleren we? De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug adviseert de gemeente om jaarlijks een groots jongerenfestival mogelijk te maken, waarmee de gemeente aantrekkelijker wordt voor jongeren. De Jongerenraad verwacht niet zozeer financiële ondersteuning van de gemeente, maar vooral een positieve houding en het meedenken over een geschikte locatie en over de organisatie van zo’n festival. De gemeente vindt het positief dat de JRUH een jongerenfestival wil organiseren en is bereid mee te denken. Financiële ondersteuning is echter binnen het huidige financiële kader niet haalbaar. Ruim 80% van de jongeren die meegewerkt hebben aan de enquête vindt het belangrijk dat er jongerencentra zijn in onze gemeente. Dit geldt ook voor jongeren die er zelf niet komen, want van de respondenten zegt 50% wel eens in een jongerencentrum te zijn geweest. Ongeveer 65% van de jongeren is tevreden over het jongerencentrum in zijn of haar eigen dorp. Hieruit kunnen we concluderen dat jongerencentra duidelijk in een behoefte voorzien. Dit blijkt ook uit de bezoekersaantallen die het jongerenwerk registreert. (2010: 11.827; 2011: 12.461) Het merendeel van de geënquêteerde jongeren (ruim 55%) is tevreden over de activiteiten die voor jongeren worden georganiseerd, maar tegelijkertijd is ruim 40% niet tevreden. Van deze laatste groep valt op dat dit met name jongeren betreft die niet in het jongerencentrum komen en die niet tevreden zijn omdat er voor zover zij weten geen of nauwelijks activiteiten voor jongeren worden georganiseerd. Kennelijk zijn er buiten de jongerencentra geen of onvoldoende activiteiten die voor jongeren interessant zijn. Op de vraag of ze zelf willen meehelpen om een activiteit te organiseren antwoordt ongeveer een derde met ja en nog een derde met misschien. Van degenen die niet willen meehelpen met organiseren van activiteiten geeft een derde aan geen tijd te hebben. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Percentage jongeren dat de gemeente aantrekkelijk vindt voor jongeren Enquête Circa 50% Circa 65% Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal dagdelen openstelling jongerenruimtes in 5 dorpen 17 20 20 20 2 Aantal door jongeren zelf uitgevoerde activiteiten 4 5 6 7 3 Aantal organisaties dat jeugdactiviteiten organiseert (naast jongerenwerk) 40 40 40 40 4 Aantal gerealiseerde speelruimtes en speelmogelijkheden op basis van (aangepast) SRBP 70 60 45 35 5 Aantal speeltoestellen 460 350 290 230 6 Aantal beweegplekken voor oudere jongeren op basis van aangepast SRBP 22 18 13 11 7 Aantal aanvragen voor het Jeugdsportfonds 60 70 80 90 8 Aantal aanvragen voor het Jeugdcultuurfonds 15 20 25 30 9 Aantal aanvragen Participatieregeling 371 380 10 Aantal aanvragen vergoeding internetabonnement 47 50 Toelichting 7.1.1 Jongerenruimtesinvijf dorpen Met inzet van een projectgroep bestaande uit ouders, buurtbewoners, betrokken Maarnaars en het jongerenwerk is het gelukt in de Twee Marken ruimte te vinden voor een jeugdhonk voor de jongere jeugd (12 tot 17 jaar). Dit is mede mogelijk geworden dankzij verlaging van de huurprijs door het bestuur van de Twee Marken. Begin april 2013 gaat de jongerenruimte officieel open. Veiligheid Bij veiligheid wordt snel gedacht aan overlast die de omgeving ervaart wanneer jongeren elkaar in de openbare ruimte ontmoeten. Ook in de Kadernota jeugd hebben we de afname van het aantal herhaalde meldingen van overlast door jongeren als beleidsdoel opgenomen, waarbij we beogen de veiligheid van de omgeving (meestal volwassen buurtbewoners) te bevorderen. Doelgroep van jeugdbeleid zijn echter de jongeren! Hoe staat het met hun veiligheid binnen onze gemeente? Als de jongeren zich veilig voelen, zullen ze onze gemeente ook eerder aantrekkelijk vinden en zich daardoor meer betrokken voelen bij hun leefomgeving. Daarbij gaat het niet alleen om sociale veiligheid, maar ook om veiligheid in het verkeer en fysieke veiligheid. Jongeren hebben uiteraard ook een belangrijk eigen aandeel in het bevorderen van veiligheid door zich bijvoorbeeld verkeersveilig te gedragen. De doelen van veiligheid en jeugdbeleid overlappen elkaar dus. De wederzijdse inzet vanuit beide beleidsvelden kan elkaar versterken. Handhaving bij overlast door jongeren kan preventief werken. In het kader van schoolveiligheid worden bijvoorbeeld Halt op Maat lessen over digipesten op de SGM door de gemeente gesubsidieerd. Andersom kunnen acties vanuit het jeugdbeleid leiden tot minder overlast. Het jongerenwerk is daarbij een belangrijke samenwerkingspartner. In het kader van veiligheid formuleren we de volgende beleidsdoelen: Bevorderen van een veilige omgeving voor jongeren op school, op straat en thuis; Bevorderen dat jongeren elkaar veilig en op een aangename manier op straat kunnen ontmoeten. Veilige omgeving op school, op straat en thuis Wat doen we al om een veilige omgeving voor jongeren te realiseren? Convenant veilige scholen De gemeente heeft met het Revius, de SGM, de Sprong, Beukenrode en Schoonoord en de politie het Convenant veilige scholen ondertekend. In deze overeenkomst maken betrokken partijen afspraken over de veiligheid in en om de school. Zaken als diefstal, vernieling, fysieke en verbale agressie, pesten en seksuele intimidatie zijn in het convenant geregeld. Veel scholen hebben ook een pestprotocol. Ook het CJG organiseert bijeenkomsten over digipesten. Jongleren in het verkeer Het project richt zich op kinderen van 0-4 jaar én hun ouders. Jonge kinderen zien alles en imiteren het gedrag van hun ouders. Daarom is het belangrijk dat ouders in het verkeer het goede voorbeeld geven. De kinderen en hun ouders zijn goed te bereiken via kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. De kern van dit programma bestaat uit één of meerdere verkeers-themaweken voor de kinderen en een informatiebijeenkomst voor de ouders. Voor de kinderen en hun begeleiders op de kinderopvang is een materialenkist ontwikkeld met lesmateriaal die betrekking heeft op het verkeer. In 2009 is dit project opgestart bij Peuter Speelzaal Dikkertje Dap in Driebergen. De ervaringen tot nu toe zijn positief. Utrechts Veiligheidslabel en Kwaliteitskeurmerk verkeersveiligheid Het Utrechts VerkeersveiligheidsLabel (UVL) richt zich op verkeersveiligheid op basisscholen. Scholen die zich aanmelden, krijgen deskundig advies van een UVL-adviseur over de mogelijke verbeteringen op het gebied van verkeersonderwijs en verkeersveiligheid. Het advies mondt uit in een ‘Actieplan UVL’ om het label te behalen. Scholen die met het actieplan aan de slag gaan, kunnen het felbegeerde Label verdienen: hét kwaliteitskeurmerk dat aangeeft dat verkeersveiligheid op school alle aandacht krijgt die zij verdient. Na het behalen van het label wordt iedere drie jaar getoetst of de school nog labelwaardig is. Dit was tot en met 2012 iedere twee jaar. Na labeling kunnen alle scholen gebruik maken van het praktische verkeersproject Streetwise van de ANWB (onder voorbehoud van beschikbaarheid). Dit is een tweejaarlijks programma voor alle groepen van de basisschool, dat hoog wordt gewaardeerd en door scholen graag wordt ingezet. Veel scholen organiseren zelf jaarlijks voor groep 8-leerlingen het verkeersexamen om hen voor te bereiden op het fietsen naar de middelbare school. Acht basisscholen in onze gemeente hebben het Utrechts Veiligheidslabel. Drie scholen werken aan het verkrijgen van het label. Eén school is zich aan het oriënteren. Voortgezet veilig Het project Voortgezet veilig is gericht op middelbare scholieren en bestaat uit lesmodules die scholen naar eigen voorkeur kunnen bestellen. De modules voor schooljaar 2013 - 2014 zijn: Op weg naar school, knelpunten school-thuisroutes (VIA), 1e en 2e leerjaar; Dode Hoek en Geluidsdragers (Edcomm), 1e en 2e leerjaar; Echte vrachtwagen (VVN), 1e en 2e leerjaar (alternatief voor module B1); Alcoholbril, en gordelsimulator (Edcomm), 2e en 3e leerjaar. N.B. In deze les wordt meer dan voorheen de nadruk gelegd op de negatieve effecten van het gebruik van alcohol. Afvalrace en remweg (Edcomm),1e en 2e leerjaar; Power of Control, 1e tot 6e leerjaar. Speelplaatsen De gemeente is verplicht op basis van de Warenwet Attractiebesluit Speeltoestellen (WAS) toe te zien op de veiligheid van speeltoestellen. Wij vullen dit concreet in door jaarlijks drie inspecties uit te voeren: twee visuele inspecties van de toestellen en één grote inspectie van de gehele speelplaats. Deze inspecties houden wij bij in een logboek. En waar nodig nemen we maatregelen om de veiligheid van de speelplaatsen en –toestellen te waarborgen. Schoolzwemmen azc-school en minimaregeling zwemlessen We kiezen ervoor schoolzwemmen niet te subsidiëren met uitzondering van de azc-school. (In Doorn is te weinig capaciteit voor gymnastiekonderwijs. Zolang dat het geval is wordt schoolzwemmen bekostigd). Wel is in het minimabeleid een regeling getroffen voor de kosten van zwemlessen voor kinderen uit minimagezinnen. Het is immers van belang dat kinderen kunnen zwemmen om te voorkomen dat ze verdrinken. We hebben geen cijfers voor kindersterfte als gevolg van verdrinking. In het KiT Databoek 2012 is kindersterfte wel één van de indicatoren waarop gemonitord wordt. Het gaat daarbij om het aantal kinderen in de leeftijd van 1 tot en met 14 jaar dat sterft ongeacht de oorzaak, per 100.000 kinderen in die leeftijd. Voor onze gemeente is er volgens de KiT-gegevens een stijging van de kindersterfte, waarbij het cijfer voor 2010 is gemaakt op basis van het aantal sterfgevallen van 2006 tot en met
  3. Gebruik Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Beroepsgroepen die te maken kunnen krijgen met geweld in afhankelijkheidsrelaties, worden (naar verwachting per 1 juli 2013 wettelijk verplicht om met een meldcode te gaan werken (Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling). De verplichte meldcode betreft alle geweld in afhankelijkheidsrelaties: kindermishandeling, huiselijk geweld, seksueel geweld, ouder(en)- mishandeling, eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking. Het doel van de verplichte meldcode is dat instellingen vaker, sneller en adequater ingrijpen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. In 2011 hebben de kernpartners van het Centrum voor Jeugd en Gezin hun personeel geschoold op toepassing van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Het CJG heeft hiervoor ook de RAAKPROOF-award ontvangen. RAAK staat voor Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling. In 2012 organiseerde het CJG een symposium over de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling voor de eerstelijnsgezondheidszorg. Wat signaleren we? Resultaten onderzoek veiligheidsgevoelens jongeren (2008-2009) Van november 2008 tot en met mei 2009 vond een onderzoek plaats in onze gemeente naar de (on)veiligheidsgevoelens van jongeren van 8 tot 23 jaar. ‘Jeugd & Veiligheid’ wordt in het Integraal Veiligheidsplan benoemd als één van de prioriteiten. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van enquêtes die zijn verspreid via basisscholen (jongeren van 8 tot 12 jaar) en via internet (jongeren van 12 tot 23 jaar). Van de 24 basisscholen, hebben 6 scholen hun medewerking verleend. Hierdoor zijn 290 enquêtes ingevuld binnen de leeftijdsgroep van 8 tot 12 jaar. Er zijn bijna 7000 jongeren van 12 tot 23 jaar per brief uitgenodigd om mee te doen aan het onderzoek, waarvan 1319 jongeren de enquête daadwerkelijk hebben ingevuld. Onder jongeren van 8 tot 12 jaar is gebleken dat: 61,3% van hen wordt gepest. 6,1% van de jongeren is één of meerdere malen aangevallen met een wapen en 40% van de jongeren ontevreden is over het aantal speelplaatsen binnen de gemeente. Onder jongeren van 12 tot 23 jaar is: 23,0% wel eens in aanraking geweest met de politie. één op de vijf jongeren is wel eens gepest. Bijna de helft van de jongeren gebruikt alcohol en/of drugs. 3,8% van de jongeren draagt een wapen op zak. 8,9% is weleens bedreigd en aangevallen (3,2%) met een wapen Bijna 9% voelt zich onveilig tijdens het uitgaan. 62% is niet bekend met de jeugdhonken. Bijna de helft van de jongeren geeft aan dat er één of meerdere plekken zijn waar ze liever niet komen. Onder beide leeftijdscategorieën voelen jongeren zich niet veilig bij: verkeer dat (te) hard rijdt. Duisternis is een volgend punt dat veel jongeren angstig maakt. Hangjongeren vormen zowel in de ogen van ouderen als jongeren een probleem als het gaat om veiligheidsgevoelens. Tot slot waren jongeren over het algemeen zeer tevreden over de buurt waarin ze wonen. Het gemiddelde cijfer dat de gemeente krijgt voor haar veiligheid, is een 7,
  4. Een herhaling van dit onderzoek is vooralsnog voor de komende jaren niet gepland. Cijfers over (verkeers)veiligheid Over verkeersveiligheid zijn er cijfers beschikbaar, maar deze zijn niet erg betrouwbaar. De oorzaak ligt in het feit dat er niet goed geregistreerd wordt. Alleen de registratie van ernstige verkeersongelukken is redelijk betrouwbaar. De raad voor het openbaar bestuur zegt over prestatiemeting bij veiligheid het volgende: ”veiligheid is als product te gecompliceerd en te meervoudig voor prestatiemeting, omdat de organisatie meer proces dan productgeoriënteerd is, veiligheid als product te sterk is vervlochten met andere terreinen en een kwalitatief begrip als veiligheid niet goed in prestatie-indicatoren is te vatten”. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde
(2009)Streefwaarde 2016 1 Gemiddeld rapportcijfer door jongeren voor veiligheid gemeente UH 7,4 8 Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal projecten verkeersveiligheid 6 6 8 8 2 Aantal aanvragen vergoedingsregelingzwemlessen 40 40 3 Aantal organisaties die de Meldcode gebruikt 10 15 25 35 Toelichting 8.1.1Projecten verkeersveiligheid De komende periode zetten we twee nieuwe projecten in: het project ‘Leerstof 49cc’ en een rijvaardigheidstraining voor jonge bestuurders. Pilotproject Leerstof 49 cc: Jonge brom- en snorfietsers die een ernstige verkeersovertreding hebben begaan, kunnen in het project Leerstof 49 cc een programma met praktijklessen en groepsdiscussies volgen, als alternatief voor een forse geldboete. Samen met het Openbaar Ministerie (OM) en politie wordt er gekeken naar de mogelijkheid dit project landelijk door bureau HALT uit te laten voeren. Bureau HALT ontwikkelt landelijk een methode en een procedureschema dat vervolgens per regio gebruikt kan worden. We streven ernaar dat in 2013 een pilot start in de provincie Utrecht. De gemeente Utrechtse Heuvelrug wil graag voor deze pilot in aanmerking komen. Rijvaardigheidstraining: Jonge beginnende automobilisten (18-23 jaar) hebben vier maal zoveel kans op een ongeval als ervaren bestuurders. Het risico van mannen is zelfs zes maal zo groot. Met het behalen van het rijbewijs is nog niet alles geleerd en ervaren. Het project wil jongeren die net hun rijbewijs hebben gehaald met een cursusdag de risico’s van verkeersonveilig gedrag in de praktijk laten ervaren. Het doel van deze dag is dat ze zich bewuster worden van hun eigen beperkingen en als gevolg daarvan hun rijstijl aanpassen. 8.1.3 Gebruik Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Het voornemen is om in de subsidievoorwaarden van de gemeentelijk gesubsidieerde organisaties, die werkzaam zijn binnen het CJG, op te nemen dat zij de wet Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling toepassen zodra deze van kracht is. Veilig ontmoeten op straat Wat doen we al zodat jongeren elkaar veilig op straat kunnen ontmoeten? Ambulant jongerenwerk In de ambulante uren jongerenwerk stimuleert Welnúh jongeren om hun vrije tijd actief en zinvol te besteden. Ook ondersteunen de jongerenwerkers de jongeren als zij bijvoorbeeld ontmoetingsplekken willen realiseren. Het jongerenwerk brengt de verschillende groepen uit de verschillende kernen in kaart en heeft daarover met gemeente, politie en andere bij jongeren betrokken partijen regelmatig contact en overleg, onder meer in de actieteams. Door de vertrouwensband met de jongeren kunnen de jongerenwerkers hen aanspreken op hun verantwoordelijkheid, waardoor er een prettige relatie kan ontstaan met hun omgeving. Het jongerenwerk zorgt ervoor dat het verblijf van jongeren in de buitenruimte zo goed mogelijk verloopt, maar zonder te handhaven. Actieteams Iedere zes weken vindt er een afstemmingsoverleg plaats tussen gemeente, politie, corporaties en jongerenwerk. Doel hiervan is het signaleren, bespreken en interpreteren van meldingen/zorgelijke situaties en gestalte geven aan de groepsaanpak van overlast gevende jeugd. Iedere kwartaal wordt naar aanleiding van de bevindingen uit het actieteam een bijeenkomst gehouden met de portefeuillehouders jeugd en veiligheid, jongerenwerk en de adviseurs veiligheid en jeugd, zodat eventuele beleidsmatige veranderingen tijdig worden besproken en ingezet. De veiligste ontmoetingsplekken zijn daar waar de jeugd bijeenkomt in jongerenruimtes of in verenigingsverband. Het advies van het actieteam is om jongeren juist daar zoveel mogelijk naar toe te begeleiden. Buurtcoaches Driebergen De buurtcoaches in Driebergen (niet te verwarren met de buurtsportcoaches) zijn nu voor het tweede jaar actief en surveilleren in de avonduren in hun wijk. Ze vormen dan een aanspreekpunt voor de jeugd en motiveren de jeugd om zich netjes te gedragen. De tijden waarop zij actief zijn, zijn bij de politie bekend. Ook tijdens evenementen in Driebergen, zoals de wielerronde, de dodenherdenking en oud en nieuw, zijn ze preventief aanwezig. Ze organiseren regelmatig ook activiteiten, zoals voetbaltoernooien. De buurtcoaches zijn sleutelfiguren tussen gemeente, politie en ouders van de overlastgevende jeugd. Wat signaleren we? De JRUH adviseert om ouders zo veel mogelijk te betrekken bij de ordehandhaving na afloop van feesten. Bij feesten van HC Doorn voorkomt dit een hoop overlast en vernieling. Jongeren misdragen zich, ook als ze onder invloed zijn van alcohol, minder snel voor de ogen van hun eigen ouders of ouders van medejongeren. Uit recent onderzoek van kennisinstituut Movisie (Politie en jongerenwerk, december 2012) blijkt dat lokaal jeugdbeleid steeds vaker wordt ontwikkeld op basis van politie-informatie. Aan de praktijkkennis van jongerenwerkers wordt onvoldoende waarde gehecht. De onderzoekers pleiten juist voor gebruik van beide informatiebronnen. Die conclusie onderschrijven wij. Voor ons gemeentelijk jeugdbeleid maken we gebruik van de informatie en professionele inbreng van beide beroepsgroepen. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Aantal groepen hinderlijk/overlastgevend/crimineel IVP 5
(2010)2 2 Mate van overlast jeugd IVP Binnen top 4 leefbaarheidsmonitor UH
(2010)Buiten top 4 leefbaarheidsmonitor UH 2014 Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1Aantal uren ambulant jongerenwerk in 7 dorpen 48 48 48 48 2 Aantal keren toepassen van individuele aanpak 7 7 7 7 3 Aantal analyses van de groepen 2 2 2 2 4 Interventies groepsaanpak geïmplementeerd Nnb Toelichting 8.2.1Ambulant jongerenwerk Inzetbaarheid van het ambulante jongerenwerk is minder geworden als gevolg van de bezuinigingen. Samenwerking met en inzet van vrijwilligers en ouders wordt steeds belangrijker. Recent voorbeeld is Maarn, waar ontmoeting tussen volwassen buurtbewoners en jongeren heeft geleid tot beter begrip voor elkaars wensen en behoeften. Overigens hebben we de geplande bezuinigingen voor het jongerenwerk aanzienlijk kunnen beperken. Daarnaast hebben wij de uren voor het jongerenwerk in Maarn uitgebreid en zijn combinatiefuncties ingezet die zich ook bezighouden met het activeren van jongeren. 8.2.2 Actieteams Zowel politie als jongerenwerk onderscheiden drie soorten jeugdgroepen: Hinderlijke jeugdgroep: Deze groep hangt wat rond in de buurt, is af en toe luidruchtig aanwezig en trekt zich niet zoveel aan van de omgeving. Soms loopt het wel eens uit de hand en zijn er kleine schermutselingen, maar dat is doorgaans snel in de kiem gesmoord en vaak meer toeval dan gepland. Ook maakt de groep zich incidenteel schuldig aan kleine vernielingen. Een beperkt aantal jongeren maakt zich soms schuldig aan (veelal lichte) gewelds- en (in mindere mate) vermogensdelicten. Over het algemeen is het een groep die nog voldoende ‘autoriteitsgevoelig’ is en aangesproken kan worden op zijn gedrag. Overlastgevende jeugdgroep: Deze groep is wat nadrukkelijker aanwezig, kan af en toe provocerend optreden, valt omstanders wel eens lastig (uitschelden of zelfs intimideren), vernielt regelmatig allerlei zaken en laat zich veel minder gelegen liggen aan andere mensen. Geweldsgebruik wordt niet geschuwd en de groepsleden zijn ook minder goed te corrigeren. Ook de lichtere vormen van criminaliteit waar de groep zich schuldig aan maakt, worden doelbewuster gepleegd en de groep is ook meer bezig om te zorgen dat ze niet gepakt wordt. Criminele jeugdgroep: Deze groep bestaat (in ieder geval voor een deel) uit jongeren die behoorlijk op het criminele pad zijn geraakt. Ze zijn al vaker met de politie in aanraking gekomen. Kenmerkend voor dergelijke groepen is dat ze meer en meer criminaliteit plegen voor het financiële gewin in plaats van voor de kick of het aanzien. Deze jongeren scoren ook hoog op de delicten waar de andere twee typen groepen ook hoog op scoren. De feiten zijn echter ook ernstiger en ze schrikken ook niet terug voor het gebruik van geweld. Binnen het actieteam is de afspraak gemaakt met de politie dat jongeren die meerdere malen overlast op straat bezorgen thuis bezoek kunnen verwachten van de wijkagenten. Participatie Inspraak van jongeren in de lokale politiek of in beleid dat voor hen van belang is zal de positie van jongeren versterken. Het biedt ze de kans om zich te ontplooien tot burgers die op een positieve, onafhankelijke, verantwoordelijke en kritische manier bijdragen aan een democratische, duurzame en tolerante samenleving. Wanneer wij jongeren betrekken bij de ontwikkeling van beleid komt dit de kwaliteit van ons beleid ten goede. Als beleid aansluit bij de belevingswereld van jongeren zal het meer kans van slagen hebben. Als jongeren zich vertegenwoordigd en serieus genomen voelen, vergroot dit het draagvlak voor politiek en beleid. Kortom, een win-win situatie voor gemeente en jongeren. Bij de evaluatie van de kadernota lukte het niet de jongeren zelf te raadplegen. In de oorspronkelijke opzet hadden we het jeugdbeleid kunnen evalueren samen met het Jongerenplatform PPIT. Het PPIT is echter in 2010 opgeheven, omdat er geen leden meer waren. De evaluatie was daarom op onze eigen observaties en die van de betrokken maatschappelijke partijen gericht. Dit betekent niet dat er sinds 2010 geen sprake is van jongerenparticipatie. Die participatie heeft alleen een andere invulling gekregen. Wat doen we al aan participatie van jongeren? Jeugdgemeenteraad Jaarlijks wordt door de gemeente een jeugdgemeenteraad georganiseerd voor de leerlingen van groep 7 en/of
  1. Het doel van de jeugdgemeenteraad is deze jongeren kennis te laten maken met de gemeente en de lokale democratie. Het is de bedoeling, dat de leerlingen aan de hand van een thema plannen bedenken en deze later in een jeugdgemeenteraadsvergadering presenteren en verdedigen. Bij het opstellen van de plannen worden de leerlingen door de gemeente ondersteund. Vanuit de raad worden de leerlingen geholpen met de presentatie en de verdediging van hun plan. Het winnende plan wordt vervolgens uitgevoerd. Enquête In september 2012 hebben wij in overleg met het jongerenwerk Welnúh een enquête opgesteld. Deze enquête is bedoeld om te onderzoeken wat jongeren vinden van het gemeentelijk jeugdbeleid. We hebben vooral vragen gesteld over de jongerenvoorzieningen die er binnen onze gemeente zijn en of jongeren daarover tevreden zijn. Welnúh jongerenwerk en de JRUH hebben de enquête verspreid onder de jongeren die de jongerenruimtes bezoeken en jongeren op school. 115 ingevulde vragenlijsten hebben we binnen twee weken terug ontvangen. De vragenlijst is met name ingevuld door jongeren in de leeftijd van 11 tot 23 jaar. Het totaal aantal jongeren in die leeftijdsgroep is 7.274 (telling oktober 2012). Dit betekent dat we zo’n 1,5 % van de jongeren hebben bereikt. De resultaten van de enquête moeten in die verhouding worden bezien. De resultaten van de enquête zijn in diverse hoofdstukken van de verlengde Kadernota jeugdbeleid, waar de resultaten betrekking op hebben, verwerkt. Het onderzoek levert een beeld op hoe jongeren over onze gemeente denken. Over het algemeen zijn de jongeren redelijk tevreden over de voorzieningen die er voor hen zijn. Iets minder tevreden zijn ze over de activiteiten die voor jongeren worden georganiseerd (te weinig vinden ze) en over de ontmoetingsplekken voor jongeren (12 tot 23 jaar). Ander aandachtspunt is het beperkt aantal betaalbare woningen voor jongeren in onze gemeente. Tenslotte vindt ongeveer de helft van de geënquêteerde jongeren de Utrechtse Heuvelrug een aantrekkelijke gemeente. De andere helft vindt hun gemeente dus niet aantrekkelijk, met als voornaamste reden dat er te weinig te beleven valt voor jongeren. Wat signaleren we? De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug timmert ondanks zijn korte bestaan flink aan de weg en heeft al meermalen en op verschillende beleidsterreinen advies uitgebracht. Dit is een positieve ontwikkeling die wij als gemeente zeker willen ondersteunen, ook financieel. Voor ondersteuning heeft de JRUH gevraagd om een vast contactpersoon binnen de gemeente. Hiervoor is de beleidsmedewerker jeugdbeleid de meest voor de hand liggende keuze. Door regelmatig contact (bijv. per kwartaal) kan de gemeente ondersteuning bieden bij het borgen van de continuïteit van de jongerenraad. Ook kan de gemeentelijke contactpersoon met de JRUH afspraken maken over onderwerpen, waarop de jongerenraad een advies kan uitbrengen. Uiteraard liggen er voor de JRUH ook mogelijkheden voor ondersteuning van en samenwerking met het jongerenwerk van Welnúh. Voor de toekomstige beleidsopdrachten aan Welnúh zullen we met de instelling overleggen hoe we deze ondersteunende taak van het jongerenwerk meenemen. Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat willen we bereiken? Effect-indicatoren: Omschrijving Bron Referentiewaarde of nulwaarde Streefwaarde 2016 1 Aantal jongeren die betrokken zijn bij het ontwikkelen van beleid dat op hen gericht is 140 1000 Wat gaan we daarvoor doen? Prestatie-indicatoren: 2013 2014 2015 2016 1 Aantal overleggen van de JRUH met de gemeente 4 4 4 4 2 Aantal jeugdgemeenteraadsvergaderingen 1 1 1 1 3 Aantal onderzoeken via nieuwe media 1 1 1 1 4 Aantal enquêtes onder jongeren 1 Toelichting 9.1.1 Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug i.o. (JRUH) is in 2012 van start gegaan en is een eigen initiatief van een groep van circa 15 enthousiaste middelbare scholieren. Zij hebben als doel om de gemeente gevraagd en ongevraagd te adviseren over onderwerpen die jongeren aangaan. Zij zijn na de zomer met een kennismakingsronde gestart onder meer bij collegeleden en raadsfracties. De JRUH heeft zijn adviesfunctie direct opgepakt en een advies geformuleerd op de Kadernota jeugdbeleid. Ook over de evaluatie van de Woonvisie heeft de jongerenraad een advies geformuleerd. 9.1.3 Nieuwe media In het verleden hebben we met het gebruik van nieuwe media al goede ervaringen opgedaan bij het onderzoek naar de veiligheidsbeleving door jongeren, dat werd uitgezet via Hyves. In de komende beleidsperiode willen we dat weer toepassen. Dat kunnen we vanuit de gemeente zelf doen. De jongerenwerkers en de JRUH begeven zich ook regelmatig op Facebook. Via deze voor jongeren laagdrempelige ingangen zijn jongeren mogelijk nog beter benaderbaar. Het was de bedoeling de enquête die we in september hebben verspreid via de Jongerenraad ook op Facebook uit te zetten. De JRUH heeft er bij nader inzien vanaf gezien, omdat zij de vragen van de enquête onvoldoende interessant vonden voor hun ‘achterban’ om op Facebook te plaatsen. 9.1.4 Enquête onder jongeren We gaan de hiervoor genoemde enquête regelmatig herhalen om de tevredenheid van jongeren globaal te kunnen peilen en de enquêteresultaten ook te bespreken met het jongerenwerk en de Jongerenraad. De enquête moet dan wel een bredere groep jongeren bereiken. Wellicht kunnen we aansluiten bij bestaande onderzoeken onder scholieren, zoals de GGD die periodiek uitzet (Schoolkracht). Ook is een combinatie met een voorgenomen uitgebreid onderzoek onder jongeren in verband met de transitie jeugdzorg goed denkbaar. Monitoring Eén van de belangrijkste conclusies uit de evaluatie van de Kadernota jeugd 2008-2011 in 2011 is dat we heldere meetpunten gaan formuleren om beleid te monitoren in overleg met uitvoerende partners. Daarvoor is nodig dat de gemeente eerst zelf de maatschappelijke effecten die ze wil bereiken meetbaar formuleert. Dat hebben we in de voorgaande hoofdstukken gedaan door bij elk beleidsdoel effect- en prestatie-indicatoren te benoemen. Het is daarbij de kunst om de beleidsdoelen zo smart mogelijk te formuleren, zodat de indicatoren er vanzelf uit rollen. Geen eenvoudige opdracht, omdat niet alles wat we willen bereiken in meetbare doelen te vatten is. Het werken met concreet geformuleerde doelen en dito indicatoren is een werkwijze die eerder dit jaar als experiment is toegepast op twee programma’s van de gemeentelijke begroting 2013 en die voor het opstellen van beleidsnota’s goed bruikbaar is. De methode sluit goed aan bij de wens die de gemeenteraad heeft uitgesproken (onder meer) bij de behandeling van de gemeentelijke visie op welzijn om de maatschappelijke effecten van beleid meetbaar te maken, zodat de raad beter kan sturen op beleid. Deze verlengde Kadernota jeugd 2013-2016 is één van de eerste beleidsnota’s die we op deze manier opstellen. Voor alle effect- en prestatie-indicatoren die in de vorige hoofdstukken zijn genoemd hebben we cijfers nodig. Alleen dan kunnen we tellen en meten of we onze beleidsdoelen en de maatschappelijke effecten die we onszelf stellen, hebben bereikt. Die cijfers kunnen we deels zelf verzamelen (bijv. via een enquête), maar voor het grootste deel zijn we afhankelijk van andere bronnen. We noemen er een aantal: VVE-monitor; VSV-monitor; Add-jeugdmonitor; GGD-monitor; Politie-cijfers; Registratiecijfers van gesubsidieerde instellingen; RSD-cijfers; Woningbouwcorporatie-cijfers; Kengetallen MEE Utrecht, Gooi & Vecht; Data Kinderen in Tel. De tweejaarlijkse Databoeken van Kinderen in Tel zijn extra interessant omdat we willen weten hoe onze gemeente het qua jeugdbeleid doet vergeleken met andere gemeenten, waarbij we de 415de plaats op de KiT-ranglijst zo dicht mogelijk willen benaderen! We kunnen natuurlijk ook leren van gemeenten die verder zijn dan wij op bepaalde onderdelen van het jeugdbeleid. Vanaf 2013 verzamelen we de cijfers voor de effect- en prestatie-indicatoren van de geformuleerde beleidsdoelen en afhankelijk van de cijfers doen we voorstellen tot bijstelling van doelen en acties voor een effectiever beleid. Het financiële kader Voor het financiële kader van deze verlengde Kadernota jeugd zijn van belang de bezuinigingen die in het Collegeprogramma 2010-2014 zijn opgenomen en de bezuinigingen die bij de kerntakendiscussie in de eerste helft van 2012 zijn vastgesteld. Bezuinigingen In het Collegeprogramma 2010-2014 zijn in programma 7 Onderwijs, onderwijshuisvesting en jeugdbeleid bezuinigingen gepland op: leerlingenvervoer, kinderopvang, jeugd- en jongerenwerk en fasering speelplaatsenplan. De bezuinigingen uit de Kerntakendiscussie betreffen voor het jeugdbeleid: de subsidieregeling scholen (cafetariamodel), het speelruimtebeleidsplan, en de subsidies jeugdactiviteiten. Leerlingenvervoer In het voorjaar van 2011 is de Verordening leerlingenvervoer 2011 vastgesteld, samen met de Beleidsregels
  2. Daarin is de regeling versoberd, met als doel de geplande bezuiniging te realiseren. Door de invoering in het schooljaar 2011-2012 kon eerder dan gepland, al in 2011, een bezuiniging worden gerealiseerd. Doordat de nieuwe regeling pas laat bekend werd en een overgangsregeling geldt voor minima, zal het volledige effect pas in het najaar van 2012 bekend zijn. Rond de jaarwisseling van 2011 en 2012 is een nieuwe aanbesteding van het vervoer met taxibusjes uitgevoerd. Dit gebeurt evenals vijf jaar geleden samen met een aantal regiogemeenten. Volgens een eerste schatting levert de aanbesteding een besparing van ruim € 100.000 op. Kinderopvang De bezuiniging op de kinderopvang is gerealiseerd door herschikking van bestaande budgetten voor kinderopvang. Jeugd- en jongerenwerk De bezuiniging op het jeugd- en jongerenwerk is ingevuld in samenspraak met Welnúh-jongerenwerk. Als eerste stap is besloten het zoeken naar een jongerenruimte in Maarn te stoppen. Verder besloten we december 2011 af te zien van de dure locatie voor een jongerenruimte in het Cultuurhuis in Doorn en in plaats daarvan de jongerenruimte in sporthal Steinheim te huisvesten. We volgen de lijn dat de tot nu toe niet ingezette subsidie voor jeugd- en jongerenwerk (die gereserveerd stond voor een jongerenruimte in Maarn en voor de meerkosten van de jongerenruimte in het cultuurhuis in Doorn) mede ingezet wordt voor de te realiseren bezuiniging. Daarmee is de bezuinigingstaakstelling voor Welnúh-jongerenwerk vanaf 2013 teruggebracht tot € 32.
  3. In overleg met de welzijnsinstelling hebben we ervoor gekozen deze bezuiniging te realiseren door een tijdelijk contract binnen het jongerenwerk niet te verlengen en het beheer van de DJOI in Driebergen te beëindigen. Onze hoop om in ieder geval de omvang van het ambulante jongerenwerk op het huidige peil te houden is niet vervuld, want na de herschikking van de resterende uren jongerenwerk zijn de ambulante uren in Amerongen, Driebergen en Leersum naar beneden bijgesteld. In Doorn en Maarn zijn de ambulante uren wel gehandhaafd. Naar aanleiding van overlastincidenten met jongeren in Maarn is medio 2012 besloten toch een jongerenruimte in Maarn te realiseren voor de jongere jeugd. De jongerenruimte start begin april 2013 in de Twee Marken. De kosten voor de urenuitbreiding van het jongerenwerk en de huur van de ruimte in het dorpshuis zijn voor 2013 gefinancierd uit het CJG-budget. Speelruimte De bezuiniging op het speelplaatsenplan werd in 2012 opgevangen binnen de middelen voor onderhoud. Als gevolg van de kerntakendiscussie wordt vanaf 2013 het exploitatiebudget voor speelplaatsen gehalveerd tot een bedrag van € 30.000,-. De redenering is dat een daling van het aantal kinderen met 20% en een groene uitnodigende omgeving deze halvering aanvaardbaar maken. Aanpassing van het eerder vastgestelde speelruimtebeleidsplan is wel noodzakelijk en momenteel in voorbereiding. Vanaf 2014 zal een deel van deze bezuiniging door formatiereductie gerealiseerd moeten worden. Ook de vervangingskredieten worden vanaf 2013 gehalveerd. De vervangingsinvesteringen bedragen dan nog € 62.
  4. Het destijds extra beschikbaar gestelde investeringsbudget voor uitbreiding van de speelplaatsen is geheel komen te vervallen. Cafetariamodel onderwijssubsidies Het budget voor het cafetariamodel is met ingang van 2013 gehalveerd en vanaf 2014 vervalt het cafetariamodel en gaan we in overleg met de scholen gezamenlijke projecten inkopen (bijv. alcoholvoorlichting of gezond gebruik moderne media). Jeugdactiviteiten Bij de kerntakendiscussie zijn de subsidies op jeugdactiviteiten, namelijk scouting, het Driebergs Dorpsfeest (Driepop), incidentele jongerenactiviteiten en de kinderboerderij verlaagd. De gedachte achter deze bezuiniging is dat coproductie in de vorm van fondswerving en sponsoracties deze vermindering kan compenseren. Daarnaast kent ons minimabeleid verschillende voorzieningen waar kinderen en jongeren uit gezinnen met een laag inkomen een beroep op kunnen doen, waardoor ze toch kunnen deelnemen aan allerlei activiteiten. Ontwikkelingen Werkcoachproject WerkUH Het werkcoachproject WerkUH financieren wij tot nu toe uit het 10% van het lokale werkdeel WWB van onze gemeente. Door het succes van dit project gaan we het structureel opnemen in het jeugdbeleid. Inzet CJG-gelden De inzet van gezinscoaching blijkt zeer effectief om gezinnen weer in hun eigen kracht te zetten, zodoende zal een deel van het budget worden aangewend voor extra gezinscoaching. Dit betreft tevens een experiment waarbij gezinscoaches worden ingezet bij gezinnen die in aanraking zijn gekomen met politie/justitie. FinanciëleondersteuningJongerenraad De Jongerenraad Utrechtse Heuvelrug (JRUH) vraagt om een structureel bedrag van maximaal 2500 per jaar, waarop de Jongerenraad aanspraak kan maken, als de JRUH het nodig heeft. Eventuele financiële ondersteuning van de Jongerenraad stimuleert hen om actief te blijven voor de jongeren van onze gemeente. In het onderstaande overzicht is inzichtelijk gemaakt wat we inzetten voor het jeugdbeleid en hoe de bekostiging plaatsvindt. Actie 2013 2014 2015 2016 Toelichting Opvang, educatie en werk Onderwijsachterstanden Onderwijsachterstanden (hieronder valt oa psz AZC, Opstapje, Opstap) 457.080 457.080 457.080 457.080 Waarvan doeluitkering OAB € 349.993 Peuterspeelzalen kleine kernen 50.000 50.000 50.000 50.000 Uitvoering inspectie kinderopvang door GGD 60.250 60.250 60.250 60.250 Maatwerk GGD. Uitvoering logopedie screening door GGD 25.036 0 0 0 M.i.v. 2014 is het contract met de GGD opgezegd. Dat wil zeggen dat miv schooljaar 2013/2014 geen screening meer plaatsvindt op de scholen. Minima regeling peuterspeelzalen 2.500 2.500 Budget minimabeleid dat tot 2015 is vastgesteld. Voorkomen uitval Leerplicht 12.460 12.460 12.460 12.460 Bestemd voor inhuur en voor geautomatiseerde systemen. Leerplicht kwalificatieplichtigen Doeluitkering, regionaal, wordt verstrekt aan Zeist. RMC voortijdig schoolverlaten Doeluitkering, regionaal, wordt verstrekt aan Zeist. Leerlingenvervoer 560.000 560.000 560.000 560.000 Verstrekkingen aan inwoners en inkoop plaatsen taxibusjes. Subsidie zorg, gezondheid, veiligheid en kunst 41.969 41.969 41.969 41.969 Subsidiebeleidsregel basisscholen Netwerk scholen-maatschappelijke partners Inzet ambtelijke uren voor LEA-werkgroep dorpsgericht Aansluiting arbeidsmarkt en maatschappij Jongerenloket Doeluitkering RMC, regionaal, wordt verstrekt aan Zeist. Maatschappelijke stages 15.000 15.000 15.000 15.000 Subsidie Welnúh Werkcoachproject WerkUH 31.462 Budget jgz (voorlopig voor een jaar) Opvoeden en beschermen Front office: uniform takenpakket 542.212 542.212 542.212 542.212 Budget jgz, waarvan subsidie Vitras: 405.507 (jgz uniform) Front office: Licht zorgaanbod (o.a. stevig ouderschap, prenatale zorg) 87.366 87.366 87.366 87.366 Budget jgz Jgz 4-19 GGD 313.005 313.005 313.005 313.005 GGD (incl huur onderzoekruimte schoolartsen) Beheerskosten digitaal dossier jgz GGD 85.450 85.450 85.450 85.450 Budget jgz Beheerskosten VIR 19.747 19.747 19.747 19.747 Contract met aanbieder en regionale ondersteuning. Budget jgz DCJG Website 11.715 11.715 11.715 11.715 Budget jgz Informatie en advies CJG 16.700 16.700 16.700 16.700 Budget jgz Communicatie/PR CJG 10.000 10.000 10.000 10.000 Budget jgz Mid office: applicatie CJG-WMOned 3.000 3.000 3.000 3.000 Budget jgz Back office: gezinscoac

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.