Verordening commissie bezwaarschriftenDe raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Dalfsen; ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 april 2010, nummer 47; gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb); b e s l u i t: vast te stellen de “Verordening commissie bezwaarschriften” Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen; commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften; college: college van burgemeester en wethouders. Artikel2.Inleidende bepaling commissie 1.Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. 2.De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van: een wettelijk voorschrift inzake belastingen, leges of de Wet waardering onroerende zaken; rechtspositionele en andere regelingen betreffende het personeel in dienst van de gemeente Dalfsen. Artikel3.Samenstelling van de commissie 1.De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden. 2.De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. 3.De voorzitter en de leden worden door het college, na de raad te hebben gehoord, benoemd, geschorst en ontslagen. 4.De commissie regelt de vervanging van de voorzitter. 5.De voorzitter en de leden ontvangen een door het college vast te stellen vergoeding. Artikel4.Secretaris 1.De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen ambtenaar. 2.Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris aan. Artikel5.Zittingsduur 1.De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te worden. 2.De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college. 3.De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. Artikel6.Ingediend bezwaarschrift 1.Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend. 2.Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld. 3.De commissie draagt zorg voor bevestiging van ontvangst van het bezwaarschrift. Hierbij wordt vermeld dat de commissie over het bezwaar zal adviseren. Artikel7.Bemiddeling 1.Na ontvangst van het bezwaarschrift vindt zoveel als mogelijk bemiddeling plaats, voordat de zaak aan de commissie wordt voorgelegd. 2.Vanuit het secretariaat van de commissie worden hiertoe de nodige handelingen verricht. 3.Als één van de belanghebbenden niet akkoord gaat met bemiddeling of de resultaten daarvan, wordt het bezwaarschrift, met de daarbij behorende stukken, zo spoedig mogelijk ter advisering in handen van de commissie gesteld. Artikel8.Uitoefening bevoegdheden De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie: artikel 2:1, tweede lid; artikel 6:6, voor wat betreft het stellen van een termijn aan de indiener; artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie; artikel 7:4, tweede lid; artikel 7:6, vierde lid. Artikel9.Vooronderzoek 1.De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen. 2.De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan kosten zijn verbonden die een bedrag van € 500,- te boven gaan, is vooraf machtiging van het college vereist. Artikel10.Hoorzitting 1.De voorzitter van de commissie bepaalt plaats, datum en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen. 2.De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb. 3.Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan. Artikel11.Uitnodiging zitting 1.De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit. 2.Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken de datum en/of het tijdstip van de zitting te wijzigen. 3.De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor de datum van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld. 4.De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste tot en met het derde lid. Artikel12.Quorum Voor het houden van een zitting is vereist dat naast de voorzitter, dan wel zijn plaatsvervanger, tenminste één lid van de commissie aanwezig is. Artikel13.Niet-deelneming aan de behandeling De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen. Artikel14.Openbaarheid zitting 1.De zitting van de commissie is openbaar. 2.De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet. 3.Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. Artikel15.Schriftelijke verslaglegging 1.Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Algemene wet bestuursrecht bestaat in de regel uit een digitale geluidsopname. 2.De secretaris maakt op basis van de geluidsopname een schriftelijke samenvatting van het besprokene wanneer een belanghebbende hierom verzoekt, het bestuursorgaan dat nodig acht voor zijn besluitvorming of wanneer een gerechtelijke instantie daarom verzoekt in geval van een (hoger) beroepsprocedure. Artikel16.Nader onderzoek 1.Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek houden. 2.De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden toegezonden. 3.De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek. 4.Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Artikel17.Raadkamer en advies 1.De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar uit te brengen advies. 2.De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies. 3.Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter. 4.Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt. 5.Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift. 6.Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend. Artikel18.Uitbrengen advies en verdaging 1.Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in artikel 14, en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. 2.Een afschrift van het advies wordt, gelijktijdig met het uitbrengen ervan, toegezonden aan belanghebbenden. 3.Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig de beslissing te verdagen. 4.Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de belanghebbenden een afschrift. Artikel19.Jaarverslag De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. Artikel20.Intrekking oude regeling De ‘Verordening bezwaarschriftencommissie’, vastgesteld op 19 januari 2001 (in werking getreden op 22 februari 2001) en gewijzigd op 9 mei 2005 (in werking getreden op 31 augustus 2005), wordt bij de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Artikel21.Inwerkingtreding Deze verordening treedt daags na publicatie in werking. Artikel22.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie bezwaarschriften. Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare) vergadering van 31 mei 2010.De raad voornoemd,de voorzitter, de griffier,mr. W.P.M. Urlings H.C. LankmanAldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen in zijn vergadering van 1 juni 2010.Het college voornoemd,de burgemeester, de secretaris-directeur,mr. W.P.M. Urlings drs. H. ZwartAldus besloten door de burgemeester van de gemeente Dalfsen op 1 juni 2010, De burgemeester voornoemd,mr. W.P.M. UrlingsToelichting AlgemeenDeze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften door een onafhankelijke adviescommissie. De gemeente Dalfsen heeft sinds haar herindeling in 2001 een onafhankelijke commissie die adviseert over ingediende bezwaarschriften. Ook de voormalige gemeenten Nieuwleusen en Dalfsen werkten al met een onafhankelijke adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting zijn zo veel mogelijk onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de behandelingsprocedure. BestuursorgaanSinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 19 maart 2003 (LJN AF6023) is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De raad, het college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap over de wijze waarop de commissie haar adviestaak jegens hen uitoefent. De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan. Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt ingediend of indien er een klacht wordt ingediend. Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. De commissie dient te beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht. Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten. Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als geheel, een commissielid of de voorzitter, maar ook klachten over de secretaris moeten worden afgedaan door de commissie zelf. Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale Ombudsman. Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de gehele commissie hierover afspraken te maken. Wet dwangsom en beroepOp 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, onderdeel van de Awb, in werking getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is deze wet op twee punten van belang. Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend, maar vanaf het moment dat de bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen waarbij er meerdere bezwaren tegen één besluit worden ingediend, het is nu mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim vijf weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste, waardoor het lastig was op tijd het eerste bezwaarschrift af te handelen. Daarnaast is de termijn voor het bestuursorgaan om te beslissen op een bezwaarschrift, indien er een commissie is, verlengd van 10 naar 12 weken. Verder is de termijn om de beslissing op het bezwaarschrift te verdagen verlengd van 4 naar 6 weken. Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen. De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen goed inrichten, zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De bezwaarschriftencommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden gemaakt tussen bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen van de ambtelijke organisatie; voor het bestuursorgaan is het van belang dat de commissie rekening houdt met de vergadercyclus van bijv. het college en dat adviezen op tijd worden aangeleverd. Artikelsgewijze toelichting op de Modelverordening commissie bezwaarschriftenIn de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de gemeente (de raad, het college en de burgemeester), ieder voorzover het hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat alleen de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen. Artikel 1. BegripsbepalingIn dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb voorkomen. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn overgedragen. Artikel 2. Inleidende bepaling commissieIn de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan. In het tweede lid is aangegeven over welke bezwaarschriften de commissie niet adviseert. Daarbij gaat het om personeels-, belasting/leges- en WOZ-zaken. Deze bezwaarschriften hebben betrekking op een zo specifieke materie, dan wel worden hierover zulke grote aantallen bezwaarschriften ingediend, dat het wenselijk is daarvoor een andere methodiek van afdoening te hanteren. Over de twee laatstgenoemde zaken dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. Artikel 3. Samenstelling van de commissieHet eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 Awb. De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een adviescommissie: De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb) De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid, onder b, van de Awb) In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de raad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie. Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen collegebesluiten. Begin 2009 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de 'Staat van de dualisering' aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin wordt een stand van zaken geschetst rond het proces van dualisering in het lokaal bestuur. De staatssecretaris geeft hierin aan dat zij de mogelijkheid dat raadsleden lid kunnen zijn van een adviescommissie bezwaarschriften uit de Gemeentewet wil schrappen. De staatssecretaris vindt dit een onzuiver element in de verhouding tussen raad en college, omdat het geen raadswerk betreft. Raadsleden krijgen op deze manier indirect de kans om op de stoel van het bestuur te gaan zitten, terwijl de politieke verantwoording en controle via de raad hoort te lopen. In de gemeente Dalfsen is gekozen voor een adviescommissie die volledig bestaat uit leden die geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorganen van de gemeente. Bij de beantwoording van de vraag voor welke samenstelling van de commissie wordt gekozen, moet voor ogen worden gehouden welk doel met de commissie wordt nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen die de commissie vormen in die mate vakkundig zijn dat er van de commissie goede adviezen te verwachten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die weten wat er speelt bij de desbetreffende overheid (oud-bestuurders), maar ook aan deskundigen op het gebied van geschillenbeslechting (juristen). De leden van de commissie moeten gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. De taak van de commissie is immers een bestuurlijke heroverweging, die naast de rechtmatigheidstoetsing, toetsing van de doelmatigheid omvat. Mogelijke voordelen externe commissie (juristen/deskundigen/oud-bestuurders): schijn van partijdigheid wordt vermeden; ontlasting van de werkdruk van het bestuursorgaan. Mogelijke nadelen externe commissie: de gevolgde procedure kan voor de burger op een rechtsgang lijken: in de meeste gevallen is er nog een rechtsgang in eerste aanleg mogelijk en in hoger beroep bij de onafhankelijke rechter. formalisering procedure: bestuurlijk direct betrokkenen hebben meer mogelijkheden om in de voorprocedure te komen tot praktische oplossingen dan een geheel onafhankelijke commissie. Dit nadeel verdwijnt als de vertegenwoordiger van het verwerend orgaan op de hoorzitting voldoende mandaat heeft gekregen om indien gewenst toezeggingen te doen. Door de bepaling in het derde lid delegeert de raad de benoeming, de schorsing en het ontslag van commissieleden aan het college, mits de raad hierover van tevoren is gehoord. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid van de commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de commissie die hierop actie zal ondernemen, het is immers een zelfstandig bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg hierover, wordt geschorst. Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door het college van leden van een bezwaarschriftencommissie (gepubliceerd in JB 2009, 216). De aanleiding voor het ontslag was een vertrouwensbreuk. Met name in de uitspraak van de Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk. Artikel 4. SecretarisHoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden. Artikel 5. ZittingsduurDeze bepaling spreekt voor zich. Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen. Artikel 6. Ingediend bezwaarschriftIn de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in de Awb aan de orde komen: Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5). De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:11): De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8). De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede lid). Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11). De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en met 6:15): Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij het bezwaarschrift is ingediend. In de verordening is bepaald dat de commissie zorg draagt voor de bevestiging van de ontvangst. Hierbij wordt ook vermeld dat de commissie over het bezwaar zal adviseren. Doorzendplicht (artikel 6:15). Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van het bezwaarschrift kan worden gedaan. Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren. Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het bestuursorgaan deze weg expliciet moet openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om een apart e-mail adres in te richten voor de ontvangst van bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard. Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid, zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april 2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van belanghebbende. Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes weken (artikel 7:10). Artikel 7 BemiddelingVanaf 2013 wordt alternatieve geschilbeslechting toegepast bij ingekomen bezwaarschriften. Er worden gesprekken gevoerd waarbij alle belanghebbenden en (vertegenwoordigers van) het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen aanwezig zijn. Deze gesprekken kunnen alleen plaatsvinden als alle belanghebbenden hiermee instemmen. De ervaring leert dat in deze gesprekken soms oplossingen bereikt worden, die binnen de formele bezwaarschriftenprocedure niet goed mogelijk zijn (bijvoorbeeld een aanvrager die aanpassingen in een bouwplan doorvoert). Vanuit het secretariaat van de commissie wordt voor deze gesprekken een gespreksleider gefaciliteerd. Bemiddeling sluit aan bij het project "Prettig contact met de overheid" van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarin gesteld wordt dat ‘de informele aanpak’, als pro-actieve en oplossingsgerichte aanpak, een voorwaarde is voor behoorlijk bestuur is en daarbij ook nog leidt tot een meer efficiënte en effectieve overheid (www.prettigcontactmetdeoverheid.nl). Bemiddeling sluit ook aan bij het initiatiefwetsvoorstel "bevordering van mediation in het bestuursrecht" waarin wordt gezegd dat een gerechtelijke procedure wellicht wel de meest bekende, maar niet altijd de meest geschikte manier van geschiloplossing is. Volgens dit wetsvoorstel is de doelstelling van mediation om vanuit de belangen van partijen te komen tot een gezamenlijk gedragen en voor ieder van hen optimaal resultaat. Uitgangspunt van de diverse in wetgeving opgenomen oplossingsmethodes voor geschillen zou moeten zijn dat bij voorkeur die methode wordt gekozen die het meest effectief en efficiënt is, zo min mogelijk kosten meebrengt en waarbij zoveel mogelijk verantwoordelijkheid bij de partijen zelf wordt gelaten. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 727, nr. 3, p. 1-2). Hoewel het wetsvoorstel vooral regels geeft voor de toepassing van (formele) mediation geldt deze doelstelling ook voor andere vormen van alternatieve geschilbeslechting. Als een (van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.