Beleidsregel verblijfsontzegging APVParagraaf1Juridische grondslag Op zoek naar literatuur en jurisprudentie over de “verblijfsontzegging” blijkt, dat deze maatregel al langer wordt toegepast. In een aantal, met name grotere gemeenten, wordt deze bevoegdheid gebruikt als een middel in de strijd tegen de overlast die vooral van drugsgebruikers wordt ervaren. Over het gebruik van dit middel in het kader van het voorkomen danwel bestrijden van overlast van jeugdigen is niet veel bekend. Ook blijkt, dat deze maatregel soms wordt toegepast met artikel 172 lid 3 Gemeentewet als grondslag, soms op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De Gemeentewet Artikel 172, lid 3, van de Gemeentewet luidt: ”de burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde”. Deze, in artikel 172, lid 3, Gemeentewet, beschreven bevoegdheid wordt wel de “lichte bevelsbevoegdheid” genoemd. De burgemeester is bevoegd, bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde. Er hoeft nog geen wettelijk voorschrift te zijn geschonden en er hoeft ook nog geen noodsituatie te zijn of te dreigen. Bij de parlementaire behandeling van dit artikel is opgemerkt dat, gezien de verantwoordelijkheid van de burgemeester, dit artikel zich verzet tegen delegatie aan andere organen. Het derde lid heeft betrekking op situaties waarin enerzijds niet zonder meer feitelijk geconstateerd kan worden dat overtreding van wettelijke openbare-ordevoorschriften plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust, dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan kan worden gesproken. Deze bevoegdheid is gericht op de voorkoming en bestrijding van allerlei ordeverstoringen op openbare plaatsen (door samenscholingen, oploopjes, acties, manifestaties, etc.). Bij gebruik van deze bevoegdheid mag de burgemeester niet afwijken van de Grondwet, niet afwijken van de formele wet (bijv. de Wet openbare manifestaties) en geen inbreuk maken op de APV. Deze bevoegdheid kan dus alleen worden gebruikt in gevallen waarin geen inbreuk op hogere regelingen behoeft te worden gemaakt. Is dat wel het geval, dan komt het noodbevel van artikel 175 Gemeentewet in beeld. Bevelen, zoals bedoeld in artikel 172, lid 3, Gemeentewet hebben naar hun aard een éénmalige en onmiddellijke werking. Wordt een burgemeester geconfronteerd met een (dreigende) verstoring van de openbare orde, dan zal hij zich op de hoogte dienen te stellen van de zich concreet aandienende situatie en, na beoordeling, zal zijn handelen moeten worden gebaseerd op: artikel 172, lid 2, Gemeentewet, indien er sprake is van overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde; artikel 172, lid 3, Gemeentewet, indien niet zonder meer feitelijk geconstateerd kan worden dat overtreding van strafrechtelijke normen plaatsvindt, terwijl er toch sprake is van een situatie die uit een oogpunt van een aanvaardbaar niveau van orde en rust in de lokale samenleving ongewenst is en waartegen moet worden opgetreden; artikel 175 (noodbevel) en 176 (noodverordening) Gemeentewet in gevallen van lokale noodtoestand. Relatie Algemeen Plaatselijke Verordening In de “Algemene Plaatselijke Verordening” (hierna de APV) worden tal van zaken, met name op het gebied van openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte geregeld. Maatregelen ter voorkoming van overlast, in vele opzichten, vallen hier ook onder. In het driehoeksoverleg Land van Cuijk van 13 juni 2005 zijn de uitbreiding van de APV-bepalingen ten aanzien van drugsgebruikende jeugd in relatie tot overlast en de opname van het artikel “gebieds-/verblijfsontzeggingen” afgestemd. Het artikel met betrekking tot de verblijfsontzegging luidt als volgt: “Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door of namens de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.“ Indien een gemeenteraad de APV wijzigt en met een artikel, dat een verblijfsontzegging mogelijk maakt vaststelt, zou de conclusie kunnen zijn, dat de burgemeester op basis van twee gronden, artikel 172 lid 3 Gemeentewet en het desbetreffende artikel uit de APV een verblijfsontzegging kan opleggen. In de jurisprudentie is echter bepaald, dat het subsidiariteitsbeginsel, dat in acht genomen moet worden bij de toepassing van artikel 172, lid 3, van de Gemeentewet, met zich mee brengt, dat de toepassing van die, aanvullend bedoelde, “lichte” bevelsbevoegdheid, achterwege behoort te blijven als de burgemeester voldoende andere adequate middelen ter bereiking van hetzelfde doel ten dienste staan. De rechter acht het van belang, dat de APV is vastgesteld door de gemeenteraad, een democratisch gelegitimeerd orgaan, en duidelijk kenbaar is voor alle burgers, hetgeen uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op bindende internationale verdragen steeds de voorkeur verdient. De Gemeentewet, hoewel op zichzelf als wet in formele zin natuurlijk bij uitstek kenbaar en democratisch gelegitimeerd, volstaat in dit verband met het toekennen van een niet verder ingevulde bevoegdheid aan de burgemeester, waarvan de concrete invulling in de praktijk aan zijn inzicht is overgelaten. Naar aanleiding van de jurisprudentie over de verblijfsontzegging zijn nog een aantal conclusies te trekken: een verblijfsontzegging mag niet disproportioneel zijn. Gelet op de inbreuk die de burgemeester maakt op het recht van bewegingsvrijheid van een persoon, dient de burgemeester eerst na te gaan of minder verstrekkende maatregelen tot een oplossing kunnen leiden; In artikel 184, lid 1, Wetboek van Strafrecht is sprake van het niet voldoen aan een bevel gedaan “krachtens wettelijk voorschrift”. Bij een strafrechtelijke vervolging terzake van dit artikel, dient de rechter te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven alsmede, indien terzake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen het desbetreffende bevel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt door een beroep op de bestuursrechter te doen. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat van een rechtmatig bevel sprake is. De strafrechter kan dus niet uitgaan van de bestuurlijke juistheid van de besluiten, wanneer deze niet zijn aangevochten. Dit geldt temeer waar het gaat om bevelen die de vrijheid beperken. (Opmerking MvE: samenvattend: indien geen bezwaar is ingediend tegen het besluit m.b.t. de verblijfsontzegging, moet de strafrechter toetsen of het gegeven bevel rechtmatig is). De APV is niet onverbindend en kan worden beschouwd als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht. In het geval dat de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd geldt, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, het volgende. Is het desbetreffende bevel onherroepelijk door de bestuursrechter vernietigd, dan dient de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uit te gaan. Is het desbetreffende bevel door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten dan staat zulks er in beginsel aan in de weg, dat de strafrechter het verweer, dat het wettelijk voorschrift niet verbindend is of het bevel onrechtmatig is, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken. De strafrechter gaat, in beginsel, uit van de door de Voorzieningenrechter of de bestuursrechter in de bestuurlijke procedure genomen beslissing. De gebiedsontzegging is een maatregel gericht op het handhaven van de openbare orde, niet het college van burgemeester en wethouders maar de burgemeester is daartoe bevoegd. Artikel 12 lid 3 IVBPR staat toe, dat het recht om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen wordt beperkt, mits bij de wet voorzien in het belang van, onder meer, de openbare orde. Dezelfde beperkingsmogelijkheid geldt voor het recht op verplaatsingsvrijheid voorzien in artikel 2 van het vierde protocol bij het EVRM. De APV kan zo’n wettelijke voorziening zijn, die is gegeven in het belang van de openbare orde. Er zijn inmiddels diverse (verschillende) uitspraken verschenen over de vraag of de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van een verblijfsontzegging mag mandateren. Omdat bij eerdere bespreking van dit onderwerp in het driehoeksoverleg al door de burgemeesters is aangegeven, dat zij deze bevoegdheid, mede gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel, niet willen mandateren, wordt op de (on)mogelijkheid van mandaat in deze notitie niet nader ingegaan. Gelet op het voorgaande, wordt in deze notitie verder alleen uitgegaan van het opleggen van een verblijfsontzegging op basis van het betreffende artikel in de APV. De verblijfsontzegging in het kader van de bevoegdheid van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet, wordt hier buiten beschouwing gelaten. Paragraaf2Het opleggen van een verblijfsontzegging In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het daadwerkelijk opleggen van een verblijfsontzegging op basis van de APV. Bij het opleggen van een verblijfsontzegging is er sprake van het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Het besluit tot het opleggen van een verblijfsontzegging is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) en dient daarom aan de daarvoor gestelde procedurele vereisten te voldoen. De doelgroep Wie kan er voor een ontzegging in aanmerking komen? Gelet op de formulering van het artikel, kan iedereen een ontzegging worden opgelegd. De ontzegging moet echter wel worden opgelegd in het belang van de openbare orde of zedelijkheid. Deze twee gronden zijn genoemd in het artikel en dus mag een ontzegging dan ook alleen op basis van deze twee gronden worden opgelegd. De ontzegging geldt voor de wegen en plaatsen alsmede voor de tijdstippen die door de burgemeester in de ontzegging zijn aangegeven. Het verbod zich daar te bevinden geldt voor een periode van ten hoogste twaalf weken. Er moet sprake zijn van een zodanige overlast dat de openbare orde en/of zedelijkheid op een bepaalde plaats in het geding is. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat er regelmatig een groep jeugd bij elkaar komt zonder dat dit problemen geeft. Dan mengt er zich iemand in de groep, die zich bezig houdt met de handel in gestolen goederen en het verkopen van drugs. De aanwezigheid van deze persoon in de groep is niet wenselijk. Omdat het niet de bedoeling is de gehele groep te verplaatsen maar slechts de aanwezigheid van die ene persoon te voorkomen, kan aan die persoon, in het belang van de openbare orde of zedelijkheid, een verblijfsontzegging worden opgelegd. Duidelijk moet zijn, dat er niet meteen tot het opleggen van een gebiedsontzegging wordt overgegaan en dat dit ook niet mogelijk is. Aan het opleggen van een gebiedsontzegging zal al het nodige vooraf zijn gegaan, zoals bijvoorbeeld gesprekken met de jongerenwerker, buurtcoördinator of jeugdagent van de politie. Zie hiervoor ook hetgeen is beschreven onder “waarschuwing”. Voorbereiding van het besluit Het besluit tot het opleggen van de verblijfsontzegging moet zorgvuldig worden voorbereid (art. 3:2 Awb). De politie verzoekt de burgemeester om een verblijfsontzegging op te leggen. Omdat het gaat om een autonome bevoegdheid van de burgemeester, kan de burgemeester ook zelf besluiten om een verblijfsontzegging op te leggen. De burgemeester neemt het besluit op basis van een behoorlijk dossier. Hij beschikt over feiten die zijn vastgesteld door politieambtenaren. Processen-verbaal van de overtredingen van betrokkene liggen ten grondslag aan de verblijfsontzegging. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de openbare orde in het aangegeven gebied in het geding is door de aanwezigheid van betrokkene. Het is daarbij niet doorslaggevend of de strafbare feiten op straat plaatsvinden, maar er moet wel een relatie met de openbare orde en veiligheid zijn. Strafbare feiten kunnen zich bijvoorbeeld ook in een horeca-inrichting afspelen. Het kan gaan om overtredingen op basis van de APV (bijv. het artikel “samenscholing en ongeregeldheden”), maar ook om strafbare feiten zoals bijvoorbeeld genoemd in de Opiumwet, Wet Wapens en Munitie en Wetboek van Strafrecht (zie onder andere artikel 453 Wetboek van Strafrecht “openbare dronkenschap”). Het besluit kan niet worden gebaseerd op mondelinge klachten. Wel kunnen mondelinge klachten aanleiding geven tot het instellen van nader onderzoek. Het besluit mag wel mede gebaseerd zijn op verklaringen zoals overlastmeldingen. Tot de voorbereiding of dossiervorming kan ook behoren dat er eerst een waarschuwing wordt gegeven. In de Awb is niet de verplichting tot het vooraf waarschuwen opgenomen maar toch wordt een waarschuwingsplicht aangenomen als het bestuur voornemens is om een maatregel te treffen die de burger kan schaden en de burger zelf de noodzaak tot het treffen van de maatregel kan wegnemen. Waarschuwing Voordat daadwerkelijk tot een besluit voor verblijfsontzegging wordt overgegaan, wordt betrokkene eerst gewaarschuwd. Met deze waarschuwing wordt uitdrukkelijk NIET de vooraanschrijving van de verblijfsontzegging bedoeld. Bij de vooraanschrijving is er al een daadwerkelijk voornemen tot het opleggen van een ontzegging, bij het geven van een waarschuwing is dit nog niet aan de orde. Een waarschuwing kan schriftelijk door de gemeente gebeuren maar ook mondeling door de politie. Van een mondelinge waarschuwing door de politie wordt een aantekening gemaakt in een proces-verbaal of in een dag/nachtrapport. Belangrijk is in ieder geval dat ergens geregistreerd staat dat betrokkene (met vermelding van dag, tijdstip, plaats en door wie) is gewaarschuwd. Deze waarschuwing dient, in geval van het opleggen van een verblijfsontzegging, in het dossier te worden vermeld. Het dient uit het dossier duidelijk te zijn, dat de betrokkene, door de waarschuwingen van de politie had kunnen weten, dat bij het continueren van zijn overlastgevend gedrag, de burgemeester over kan gaan tot het opleggen van een verblijfsontzegging. Als de betrokkene minderjarig is, is het verstandig dat ook de ouder(s)/voogd(en), voorzover bekend, worden ingelicht. De politie kan de jongere voor de keus stellen dit zelf te doen of het door de politie te laten doen. Ook hierbij is het van belang van de inhoud van deze gesprekken een aantekening te maken in het dossier. Indien de gemeente een schriftelijke waarschuwing naar de betrokkene stuurt, kan een afschrift hiervan naar de ouder(s)/voogd(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.