De raad van de gemeente Dronten,gelezen het voorstel van het college van 9 april 2013, No. B13.000292 gelet op artikel 147 lid 1 van de Gemeentewet; gelet op artikel 8, lid 1 onder b, en artikel 18, lid 2 van de Wet werk en bijstand; gelet op artikel 8, lid 1 onder h, en artikel 9a, lid 12 van de Wet werk en bijstand; gelet op artikel 8, lid 1 onder i, en artikel 60b van de Wet werk en bijstand; gelet op artikel 35, lid 1 onder b en artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; gelet op artikel 35, lid 1 onder d en artikel 38, lid 12 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; gelet op artikel 35, lid 1 onder b en artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gelet op artikel 35, lid 1 onder d en artikel 38, lid 12 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; gezien het advies van de raadscommissie van mei 2013; overwegende dat de raad regels bij verordening dient te stellen met betrekking tot het verlagen van de bijstand ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit de wet; overwegende dat de raad regels bij verordening dient te stellen met betrekking tot het verlagen van de bijstand indien het college de ontheffing voor een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar, heeft ingetrokken omdat uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen niet wil nakomen; overwegende dat de raad regels bij verordening dient te stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening van de bestuurlijke boete bij recidive; B E S L U I T: vast te stellen de hierna volgende “Afstemmingsverordening Sociale Zaken 2013” HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (WWB) met inbegrip van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten; raad: de gemeenteraad van de gemeente Dronten zeer ernstig misdragen: agressief, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens het college en bij de uitvoering betrokken personen dat in het normale menselijke verkeer als onacceptabel kan worden beschouwd; maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 18 lid 2 WWB, artikel 20 IOAW of artikel 20 IOAZ of van de bijzondere bijstand, als bepaald in artikel 3 van deze verordening ; uitkeringsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 en 3 van de WWB of de toepasselijke netto grondslag als bedoeld in artikel 5, lid 3 tot en met 6 van de IOAW / IOAZ; bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in de artikelen 12 en 35 van de WWB; traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door het college aan belanghebbende opgelegde, geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen van betaalde arbeid dan wel, in geval van een zorgtraject, op het verbeteren van de persoonlijke situatie; beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a lid 5 van de WWB; bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50 lid 1 WWB; verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60 lid 4 WWB en artikel 28 lid 4 IOAW / IOAZ. Artikel2.Afstemming 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd; 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen; 3.De maatregel kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop belanghebbende recht zou hebben gehad als er geen grond voor maatregel zou zijn geweest, gedurende de periode waarover de maatregel geëffectueerd wordt. Artikel3.Berekeningsgrondslag 1.De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing zijnde uitkeringsnorm, inclusief de toepasselijke gemeentelijke toeslag. 2.In voorkomende gevallen kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als de woonsituatie daartoe aanleiding geeft. Artikel4.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden en duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. In het geval dat in een periode van 12 maanden voor de huidige maatregel eveneens een maatregel is opgelegd, wordt indien er sprake is van recidive, dit eveneens meegedeeld. Artikel5.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 danwel artikel 54 van de WWB, artikel 13 IOAW en artikel 13 IOAZ; het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en van de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. 3.Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt met het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van inlichtingen gelijk gesteld, het geen gevolg geven aan een oproep voor een onderzoek dat in het kader van de wet noodzakelijk geacht kan worden, waaronder begrepen de medewerking aan een huisbezoek. Artikel6.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de WWB, ziet het college af van het opleggen van een maatregel als: a.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend; b.het college dringende redenen aanwezig acht. c.naar oordeel van het college kan worden volstaan met een waarschuwing bij verminderde verwijtbaarheid. 2.Als het college afziet van het opleggen van een maatregel wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7.Ingangsdatum maatregel 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden opgelegd met ingang van de datum waarop de maatregelwaardige gedraging is geconstateerd, als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3.De maatregel wordt niet ten uitvoer gebracht als de uitkering al is beëindigd. Artikel8.Samenloop 1.Als er sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. 2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. Artikel9.Recidive en cumulatie 1.De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien. 2.Indien de belanghebbende na de recidive volhardt in de gedraging kan het college voor langere tijd een maatregel opleggen en/of een maatregel hoger vaststellen. Wanneer de maatregel wordt opgelegd over meer dan drie maanden, heroverweegt het college dit besluit telkens binnen een periode van ten hoogste twee maanden. 3.Indien er sprake is van verschillende verwijtbare gedragingen die zich tegelijk voordoen, vindt in beginsel, onverminderd artikel 2 lid 2, cumulatie van de maatregelen plaats. HOOFDSTUK2.HET NIET NAKOMEN VAN DE PARTICIPATIEVERPLICHTINGEN Artikel10.Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende inhoudende het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 en artikel 55 WWB , artikel 37 IOAW of artikel 37 IOAZ, alsmede gedragingen bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het niet ingeschreven staan als werkzoekende bij het UWV werkbedrijf; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijdstip aanwezig te zijn, zonder tegenbericht. Tweede categorie: het, indien van toepassing, onvoldoende voldoen aan de verplichting om gedurende de wachttijd te zoeken naar mogelijkheden voor werk of scholing het onvoldoende meewerken aan een onderzoek met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een traject; het niet of onvoldoende meewerken aan het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid of het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; het niet of onvoldoende meewerken aan de aangeboden activiteiten of werkzaamheden in een traject waaronder begrepen het langer dan de afgesproken periode vakantie houden waardoor het traject niet kan worden gevolgd; het onvoldoende meewerken aan het evalueren van een traject; Derde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden of verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking; het beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als gevolg van het door eigen toedoen verliezen van arbeid in dienstbetrekking, waarbij sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel11.De hoogte en duur van de maatrege l De maatregel wordt vastgesteld op: 10 procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste categorie; 20 procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de tweede categorie; 100 procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de derde categorie. De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand. HOOFDSTUK3.OVERIGE GEDRAGINGEN Artikel12.Maatregel in verband met te snel interen van vermogen 1.Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB of artikel 20 IOAW of artikel 20 IOAZ, door te snel interen van vermogen, legt het college een maatregel op; 2.De maatregel bij een gedraging als bedoeld in het eerste lid bedraagt: a.bij te snel interen van minder dan € 2.300,00: 20% van de uitkeringsnorm gedurende 6 maanden; b.bij te snel interen van € 2.300,00 tot € 4.700,00: 20% van de uitkeringsnorm gedurende 9 maanden; c.bij te snel interen van € 4.700,00 tot € 11.700,00: 20% van de uitkeringsnorm gedurende 12 maanden; d.bij te snel interen van meer dan € 11.700,00: 20% van de uitkeringsnorm gedurende 18 maanden. Artikel13.Maatregel in verband met het niet gebruik maken van een voorliggende voorziening 1.Indien de belanghebbende door eigen toedoen geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening op de bijstand, of deze door eigen toedoen niet uitbetaald wordt wegens verrekening, legt het college een maatregel op voor de duur van de voorliggende voorziening. 2.De hoogte van de maatregel is voor a.een alleenstaande of alleenstaande ouder 20% van de norm voor een echtpaar plus de voor belanghebbende geldende toeslag b.een echtpaar zonder kinderen 60% van de norm voor een echtpaar c.een echtpaar met kinderen 40% van de norm voor een echtpaar. 3.Met uitzondering van de bepalingen in artikel 27 van de Wet werk en bijstand blijven verdere verlagingen achterwege. Artikel14.Zeer ernstige misdragingen 1.Als de belanghebbende zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40% van de uitkeringsnorm. 2.De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een maand. 3.Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven. 4.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd van 100 procent van de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met uitzondering van het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a. HOOFDSTUK4.BESCHERMING BESLAGVRIJE VOET BIJ VERREKENING WEGENS RECIDIVE Artikel15.Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit 1.Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de uitkeringsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet; 2.De verrekening als bedoeld in het eerste lid geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. Artikel16.Verrekenen met beslagvrije voet bij geen of onvoldoende bezit 1.Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de uitkeringsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet; 2.De verrekening als bedoeld in het eerste lid geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd; 3.Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de uitkeringsnorm; 4.Tot het inkomen, bedoeld in het derde lid, worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n en r WWB. Artikel17.Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet In afwijking van de artikelen 15 en 16 kan het college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: Aannemelijk is dat verrekening op de wijze bedoeld in de artikelen 15 en 16, zou leiden tot uithuiszetting van belanghebbende en diens gezin, of; Anderszins sprake is van dringende redenen. Artikel18.Eerder opgelegde bestuurlijke boetes De artikelen 15, 16 en 17zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a lid 1 WWB, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete. HOOFDSTUK5.SLOTBEPALINGEN Artikel19.Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule 1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel20.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking acht dagen na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2013; 2.Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening, wordt de Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en Bijstand 2010 met nummer B10.000632, vastgesteld door de raad op 24 juni 2010, ingetrokken; 3.Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening, wordt de Afstemmings- en fraudeverordening IOAW/IOAZ 2010 met nummer B10.000671, vastgesteld door de raad op 24 juni 2010, ingetrokken. Artikel21.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Afstemmingsverordening Sociale Zaken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.