Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013De raad van de gemeente Purmerend; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. , nr. 1067706; gelet op de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); overwegende dat de gemeenteraad op grond van artikel 8 lid 1 onderdelen b en h van de WWB, artikel 35 lid 1 en b van de IOAW en artikel 35 lid 1 en b van de IOAZ bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de uitkering als bedoeld in artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 WWB en het verlagen en weigeren van de uitkering als bedoeld in artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ; B E S L U I T: vast te stellen de hierna volgende "Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013" Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1 Begripsbepaling 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.Deze verordening verstaat onder: uitkering: bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van de WWB alsmede een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ; bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB of, voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ; plan van aanpak: een plan waarin afspraken tussen gemeente en belanghebbende door de casemanager zijn vastgelegd bij de start van het re-integratietraject, gebaseerd op gevoerde gesprekken en eventueel aanvullend onderzoek, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces of deelname aan sociale activiteiten; belanghebbende: degene die uitkering ontvangt of heeft ontvangen in de periode waarop de afstemmingswaardige gedraging betrekking heeft. Artikel2 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel3 Afzien van een verlaging 1.Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel4 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging De verlaging wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het toepassen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Artikel5 Berekeningsgrondslag 1.Als grondslag voor de berekening van de verlaging geldt de bijstandsnorm. 2.Bij een belanghebbende jonger dan 21 jaar vindt de verlaging die wordt toegepast ook plaats op de aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Hoofdstuk2Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel6 Gedragingen Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37 IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB, indien van toepassing. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 WWB respectievelijk 38 lid 1 IOAW en artikel 38 lid 1 IOAZ. het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c WWB, artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAZ. Derde categorie: het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 4 van 17 onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; Artikel7 Hoogte en duur van een verlaging 1.De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 6, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 2.Het college kan bij een gedraging van de eerste categorie afzien van het verlagen van de bijstand en volstaan met een schriftelijke waarschuwing, als in de voorafgaande twee jaar geen sprake is geweest van een andere verwijtbare gedraging. Hoofdstuk3Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel8 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien een belanghebbende een beroep doet op uitkering op grond van de WWB wegens het verliezen van het recht op een voorliggende voorziening, wordt een verlaging opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.Indien een belanghebbende een beroep doet op uitkering op grond van de WWB omdat zijn recht op een toereikend geachte voorliggende voorziening wordt verrekend met een hem opgelegde boete, wordt een verlaging opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 3.Indien een belanghebbende een beroep doet op uitkering op grond van de WWB omdat hij onverantwoord snel zijn vermogen heeft ingeteerd, wordt de duur en hoogte van de verlaging afgestemd op de hoogte van het te snel ingeteerde vermogen. 4.In een situatie als bedoeld in artikel 20 eerste lid onderdeel a en b van de IOAW of artikel 20 tweede lid onderdeel a en b van de IOAZ, wordt de afstemming vastgesteld op: een blijvende weigering van uitkering zover het verloren of niet behouden inkomen meer bedraagt dan de uitkeringsnorm per maand; een blijvende verlaging van het deel van de uitkering wat gelijk is aan het verloren of niet behouden inkomen zover dit minder bedraagt dan de uitkeringsnorm per maand. Artikel9 Zeer ernstige misdragingen Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of in zijn opdracht werkzame personen, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel10 Niet nakomen van overige verplichtingen Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de WWB niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging opgelegd van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Hoofdstuk4Samenloop en recidive Artikel11 Samenloop van gedragingen Indien er sprake is van meerdere verwijtbare gedragingen, zoals bedoeld in deze verordening, die zich tegelijk voordoen, wordt in beginsel alleen de verlaging uit de hoogste categorie toegepast. Artikel12 Recidive 1.Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 2 of 3, artikel 8 lid 1 of artikel 9 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de duur van de verlaging verdubbeld 2.Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 1, artikel 8 of artikel 10 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de hoogte van de verlaging verdubbeld. Hoofdstuk5Slotbepalingen Artikel13 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening. Artikel14 Onvoorziene omstandigheden In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel15 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel16 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: "Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013". Artikel17 Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na die van publicatie. 2.De "Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012" en de "Afstemmingsverordening IOAW / IOAZ 2010" worden op deze datum ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 30 mei 2013de loco-griffier, A. B. Visser de voorzitter, D. BijlToelichting Algemene toelichting Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Tot 1 januari 2010 bestond voor het college de verplichting om in het kader van de IOAW en de IOAZ bij bepaalde overtredingen van uitkeringsgerechtigden een maatregel of boete op te leggen met toepassing van het (rijks) Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ. Met ingang van 1 januari 2010 is het opleggen van een maatregel omgezet in een bevoegdheid en is de bestuurlijke boete in de IOAW en IOAZ komen te vervallen. Dit heeft geleid tot de op 26 mei 2011 vastgestelde Afstemmingsverordening IOAW / IOAZ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.