Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad gelet op artikel 5.1 van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012; Besluit vast te stellen: Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012 Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze nadere regels wordt verstaan onder: a. Adn: Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaariijke stoffen over de binnenwateren; b. afmeerboeien: ligplaats met het kenmerk dat het schip vanaf het achterschip op een of meer boeien kan afmeren, waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige havenafmeervoorzieningen; c. afmeerpalen: ligplaats met het kenmerk dat het schip op twee of meer palen kan afmeren, waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige havenafmeervoorzieningen; d. brandbare vloeistoffen: vloeistoffen met een vlampunt dat lager ligt dan of gelijk is aan 100 °C en die uitsluitend een brandbare eigenschap hebben; e. combinatietankschip: zeeschip, ingericht om afwisselend onverpakte vloeibare lading of droge lading te kunnen vervoeren; f. dampretourleiding: dampdrukvereffeningssysteem tussen de bij de directe overslag betrokken ladingtanks, waardoor de overslag emissieloos plaatsvindt; g. droogmaken: droogmaken: openstaande ladingtanks laten drogen of ventileren nadat deze met water zijn gewassen of op een andere wijze voldoende zijn schoongemaakt; h. ENI-nummer: ENI-nummer: uniek Europees scheepsidentificatienummer als bedoeld in artikel 2.18 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995; i. gasmeetcertificaat: meetcertificaat afgegeven door een gasmeetdeskundige, waarop minimaal de volgende gegevens worden vermeld: 1°. naam en contactgegevens van de opdrachtgever van de gasmeetdeskundige; 2°. naam en contactgegevens van de gasmeetdeskundige; 3°. naam en ligplaats van het schip; 4°. datum en tijdstip van de meting; 5°. bestrijdingsmiddel dat gemeten is en de grenswaarde van het bestrijdingsmiddel; 6°. nummer van de ruimen welke gemeten zijn en de daarbij behorende meetresultaten; 7°. of restanten van de bestrijdingsmiddelen aan boord zijn en zo ja, waar en hoe deze opgeslagen zijn en of deze van kentekens voorzien zijn; 8°. of en zo ja wanneer de restanten afgevoerd worden; 9°. gemaakte afspraken met de stuwadoor of de kapitein met betrekking tot de bestrijdingsmiddelen; 10°. plaats, datum en ondertekening door de gasmeetdeskundige; j. gasmeetdeskundige: diegene die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid ten aanzien van gasmeetdeskundige als bedoeld in de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden; k. grenswaarde: concentratieniveau van een gas, damp, aerosol, vezel of van stof in de lucht als bedoeld in artikel 4.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit; l. Havenverordening: Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012; m. IBC Code: IBC Code: International Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van IMO; n. IGC Code: International Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van IMO; o. IMDG Code: International Maritime Dangerous Goods Code; p. IMO: Internationale Maritieme Organisatie; q. inert: een zodanige atmosfeer dat bij vermenging met lucht geen explosief mengsel kan ontstaan, waarbij het volumepercentage zuurstof en koolwaterstofgas voldoet aan de relevante IMO verplichtingen; r. inrichting ; inrichting als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; s. kwetsbaar object: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, onderdeel I, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; t. MARPOL: International Convention for the Prevention of Pollution from Ships, 1973; u. oliehavengebied: een gebied dat door het college op grond van het bepaalde in artikel 3.11 van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012 als zodanig is aangewezen; v. open vuur: vuur, vonkvorming en elk opjaervlak binnen een afstand van 25 meter van een gevaariijke stof, dat een temperatuur heeft die gelijk is aan of hoger dan de minimum ontstekingstemperatuur van die stof; w. overslag: laden of lossen van lading in of uit een schip; x. Rclz: Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart; y. schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met het gasvrij, schoon-, of droogmaken van een tankschip, inclusief een voorwas; z. sloptank: tank aan boord van een schip bestemd voor het houden van al dan niet met water vermengde ladingrestanten van schadelijke, brandbare of andere gevaariijke vloeistoffen; aa. vlampunt: de minimumtemperatuur van de desbetreffende vloeistof waarbij er voldoende damp wordt afgegeven om gemengd met de omgevingslucht een ontvlambaar mengsel te vormen, bepaald met het toestel van Pensky-Martens; bb. voldoende vrij van ontsmettingsmiddelen: wanneer een gasmeetdeskundige schriftelijk heeft bevestigd dat alle houders met ontsmettingsmiddelen uit de lading zijn venwijderd en dat de concentratie van het toegepaste ontsmettingsmiddel beneden de grenswaarde ligt, waarbij meting is verricht op meerdere locaties in de vrije ruimte boven de lading en op een diepte van minimaal één meter in de lading in alle ruimen; cc. voorwas: voorwas als bedoeld in Marpol Annex II; dd. vluchtig organische stof: organische verbinding van antropogene aard met uitzondering van methaan, die bij 293,15 °K een dampspanning heeft van 1 kPa of meer of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft. Voor zover in het reglement begrippen voorkomen die zijn gedefinieerd in de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012, gelden die definities. Paragraaf2Oliehavengebieden Artikel2.1Toegelaten schepen in het oliehavengebied 1.Het is verboden zich met een schip in een oliehavengebied te bevinden, tenzij: het tankschip van de havenwerken gebruik maakt, heeft gemaakt of zal maken om te lossen, te laden, ladingtanks schoon te maken of te bunkeren; het een tankschip betreft dat dient te wachten; het een roei- of motorboot betreft die niet door een benzinemotor wordt voortbewogen en die tot de uitrusting van een schip als bedoeld in onderdeel a of b behoort, en daarvan geen ander gebruik wordt gemaakt dan voor het vervoeren van opvarenden naar en van een schip; de aanwezigheid van dat schip in de haven in verband met de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als bedoeld in onderdeel a of b, uit een oogpunt van de uitoefening van het scheepvaartbedrijf noodzakelijk is; het schip in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam; het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar of van havenwerken in een aangrenzend en buiten het oliehavengebied liggend gedeelte van de haven en uit de nabijheid blijft van in het oliehavengebied aanwezige schepen; het een dienstverlenend schip betreft; het een werkschip betreft waarvan de aanwezigheid in de haven noodzakelijk is in verband met onderhoudswerkzaamheden aan de haveninfrastructuur; of het een schip betreft dat baggerwerkzaamheden uitvoert. 2.De in het eerste lid bedoelde uitzonderingen zijn niet van toepassing op een pleziervaartuig of een zeilvaartuig. 3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 4.Van het binnenvaren van een oliehavengebied door een dienstverienend schip, werkschip of een schip dat baggerwerkzaamheden gaat uitvoeren, wordt aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Artikel2.2Bouw- en uitrustingsvoorschriften oliehavengebied 1.Het is verboden om zich: met een dienstverienend schip; met een bunkerschip, dat niet voldoet aan de eisen die het Adn stelt aan een binnentankschip van het type N; of met een werkschip; in een oliehavengebied te bevinden, tenzij het schip: een casco heeft dat volledig uit onbrandbaar materiaal bestaat; een elektrische installatie heeft die, conform het Adn, erkend veilig is uitgevoerd; verbrandingsmotoren gebruikt, niet zijnde benzinemotoren; een vonkenvanger heeft op de uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor; verwarming-, kook- en koeltoestellen heeft die werken op elektriciteit of een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger; aan dek een goed zichtbaar bord geplaatst heeft, krachtens artikel 3.32 van het Bpr met de strekking dat roken en open vuur verboden is; een accommodatie heeft die voldoende bescherming biedt tegen het binnendringen van gevaariijke gassen; en tijdens het verblijf in het oliehavengebied een in werking zijnde marifooninstallatie heeft waarop voortdurend op het betreffende VHF havenkanaal wordt uitgeluisterd. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.3Bedrijfsklaar hebben van een schip in het oliehavengebied 1.Het is verboden om met een schip in een oliehavengebied ligplaats te nemen zonder aan boord voldoende bekwaam personeel, materieel en voortstuwingsvennogen beschikbaar te hebben om het schip onmiddellijk te kunnen doen verhalen. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.4Afmeren zeetankschepen geladen met gevaarlijke stoffen 1.Het is verboden een zeetankschip met gevaariijke stoffen of een zeetankschip in een oliehavengebied zodanig af te meren dat het niet direct vooruit varend uit het havenbekken kan vertrekken, tenzij ligplaats wordt genomen bij een werf, bij een herstellingsinrichting of aan een afmeerboei. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.5Verbod open vuur en vonkvorming 1.Het is een ieder verboden om in een oliehavengebied of aan boord van een zich aldaar bevindend schip, open vuur te gebruiken of activiteiten te ondernemen tengevolge waarvan vonkvomning naar de buitenlucht optreedt of kan optreden, tenzij: voor het aansteken van een lasapparaat ten behoeve van het ondenwater lassen of branden en er voorafgaande aan het aansteken, door middel van een meting is aangetoond dat er geen brandbaar gas ter plaatse aanwezig is; of in een kombuis, waarvan de constructie, de plaats in het schip en het ventilatiesysteem het binnendringen van brandbaar gas voorkomt. 2.Het is verboden om zich met een schip in een oliehavengebied te bevinden met een vonkende uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor. 3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.6Verbod te roken 1.Het is een ieder verboden om te roken in een oliehavengebied. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien op een schip gerookt wordt in een: door de schipper of kapitein aangewezen ruimte die niet rechtstreeks van buiten toegankelijk is, gesloten is, en door een duidelijk opschrift is aangeduid als rookruimte; of woning of stuurhuis aan boord van een binnenschip dat voldoet aan onderdeel 7.2.4.74 van het Adn. Artikel2.7Plaatsen informatieborden Bij de toegang van een schip dat in een oliehavengebied is afgemeerd wordt doör middel van een goed te onderscheiden, in het Nederiands of Engels gesteld opschrift of afbeelding van gelijke strekking, duidelijk gemaakt dat roken, open vuur en toegang door onbevoegden verboden is. Paragraaf3Tankschepen buiten een oliehavengebied Artikel3.1Tankschepen met gevaarlijke stoffen buiten het oliehavengebied 1.Het is verboden om zich met een tankschip te bevinden op een ligplaats buiten het oliehavengebied, indien zich een gevaariijke stof als lading of ladingresidu aan boord bevindt, tenzij: het een binnentankschip betreft: 1°. dat beladen is of was met een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 °C of hoger, kaliumhydroxide, natriumhydroxide, zwavelzuur of fosforzuur; of 2°. waarvan de schipper heeft zeker gesteld dat alle (overige) ruimten binnen de ladingzone inclusief de sloptanks, leeg zijn van brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55 °C en de atmosfeer in deze tank(s) ten hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare gassen bevat en waarvan de tanks gesloten zijn; het een zeetankschip betreft dat beladen is of was met: 1°. een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 °C of hoger, kaliumhydroxide, natriumhydroxide, zwavelzuur of fosforzuur; of 2°. een brandbare vloeistof met een vlampunt lager dan 55 °C die zich niet bevindt in een direct aan de scheepshuid grenzende tank en de atmosfeer in deze tank ten hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare gassen bevat, - en door een gasdeskundige een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat de ladingsituatie van het zeetankschip in overeenstemming is met de in dit onderdeel gestelde voorschriften; - er uitsluitend overslag plaats vindt van de onder 1° genoemde stoffen; - tanks met gevaariijke stoffen gesloten blijven; en - er geen schoonmaakhandelingen van ruimten met gevaariijke stoffen plaatsvinden; het een combinatietankschip betreft dat geladen is of wordt met losgestorte bulklading in vaste vomn, waarvan: 1°. sloptanks brandbare ladingresiduen bevatten waarvan de atmosfeer ten hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare gassen bevat en die niet direct aan ladingruimten grenzen; 2°. alle overige ruimten in de ladingzone vrij zijn van brandbare vloeistoffen of - gassen; 3°. door een gasdeskundige een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat de tanks of ruimten van het combinatietankschip in overeenstemming zijn met de in dit onderdeel gestelde voorschriften 4°. de zich aan boord bevindende brandbare ladingresiduen niet worden overgeslagen; en 5°. ruimten leeg van brandbare ladingresiduen niet worden schoongemaakt; kortstondig ligplaats wordt genomen op een aangewezen autoafzetplaats om een auto onmiddellijk af te zetten of aan boord te nemen of bij een bunkerstation om onmiddellijk te bunkeren; het een ligplaats betreft die is aangeduid met een veri<eersteken als ligplaats voor schepen met gevaarlijke stoffen; of het een ligplaats betreft die is aangewezen conform artikel 3.10 van de Havenverordening. 2.Direct nadat een combinatietankschip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ligplaats buiten een oliehavengebied neemt, begint de gasdeskundige zijri onderzoek en worden ten spoedigste de gegevens van de afgegeven verklaring mondeling gemeld en gelijkdaaropvolgend schriftelijk bevestigd, aan de havenmeester. 3.Totdat is voldaan aan het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, worden de ruimen en ventilatieopeningen van de ruimen gesloten gehouden. 4.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 5.Van het innemen van een ligplaats als bedpeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, wordt aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Paragraaf4Behandeling van gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk Artikel4.1Behandeling van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk en gas 1.Het is verboden om overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen te laten plaatsvinden tussen een zeetankschip en een inrichting, tenzij voordat de overslag plaatsvindt wordt zorggedragen dat alle onderdelen van de zeevaart/terminal veiligheidscontrolestaat, als bedoeld in de ISGOTT, volledig en naar waarheid zijn ingevuld en door de verantwoordelijke personen van de bij de overslag van een gevaariijke of schadelijke stof betrokken inrichting en het zeetankschip zijn ondertekend. 2.Het is verboden om overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen te laten plaatsvinden tussen zeetankschepen onderling tenzij voordat de overslag plaatsvindt aan boord van de betrokken zeetankschepen wordt zorggedragen dat alle onderdelen van de zeevaart/zeevaart veiligheidscontrolestaat, als opgenomen in bijlage 1, volledig en naar waarheid zijn ingevuld, en door de verantwoordelijke personen van de bij de overslag van een gevaariijke of schadelijke stof betrokken tankschepen zijn ondertekend. 3.Het is verboden om overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen te laten plaatsvinden tussen een zeetankschip en een binnenvaarttankschip of tussen binnenvaarttankschepen onderling tenzij voordat de overslag plaatsvindt aan boord van de betrokken tankschepen wordt zorggedragen dat alle onderdelen van de zeevaart-binnenvaart/binnenvaart-binnenvaart veiligheidscontrolestaat, bedoeld in de ISGINTT, volledig en naar waarheid zijn ingevuld, en door de verantwoordelijke personen van de bij de overslag van een gevaariijke of schadelijke stof betrokken tankschepen zijn ondertekend. 4.In de situaties, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt: tijdens de overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof en zolang door het betrokken tankschip ter plekke ligplaats wordt ingenomen door de betrokken inrichting of tankschepen het gestelde in de veiligheidscontrolestaten, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, nageleefd; de overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof onmiddellijk gestopt ais het respectievelijk voor ieder bij de overslag betrokken inrichting of het betrokken tankschip gestelde in de veiligheidscontrolestaten, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, niet wordt nageleefd. 5.Tijdens de rechtstreekse overslag tussen tankschepen van een gevaarlijke of schadelijke stof wordt gebruik gemaakt van een tussen betrokken ladingtanks aangesloten dampretourieiding indien het overslag betreft van: een gevaarlijke of schadelijke stof die ingevolge de IBC Code of het Adn vervoerd moet worden in een tank met een aansluiting voor een dampretourieiding of gesloten vervoerd moet worden; een vloeistof als bedoeld in bijlage 2; een vluchtig organische stof; of een andere vloeistof dan bedoeld onder a, b of c, die geladen wordt in een ladingtank, die leeg en ongereinigd van een stof is als bedoeld onder a, b of c. 6.Indien de ladingtanks, als bedoeld in het vijfde lid, van het lossende schip ingevolge nationale of internationale wetgeving inert dienen te zijn, is deze verplichting ook van toepassing op de in het vijfde lid bedoelde ladingtanks van het ladende tankschip. 7.Het is verboden om tussen twee tankschepen onderling een gas als bedoeld in de IGC Code of het Adn over te slaan. 8.Het is een ieder verboden om een gevaarlijke of schadelijke stof te behandelen of schoon te maken, indien onmiddellijk ingrijpen in die handelingen niet mogelijk is. 9.De vaste aansluitpunten voor ladingslangen van bij de overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof betrokken vaartuigen worden over een zo kort mogelijke afstand aan elkaar verbonden. 10.Het is verboden om een gevaarlijke stof: te behandelen, tenzij de vaste scheepsladingleiding wordt gebruikt; of uit een schip of een scheepstank te pompen, tenzij de vaste scheepslospomp wordt gebruikt. 11.Het is verboden een gevaarlijke of schadelijke stof als bedoeld in het vijfde lid, onder a, b of c, niet-gesloten te behandelen. 12.Het college kan van de in het vijfde en zesde lid opgenomen verplichtingen en van de in het zevende, tiende en elfde lid gestelde verboden ontheffing verienen. 13.Van de rechtstreekse, onderiinge overslag van een gevaariijke of schadelijke stof in bulk tussen tankschepen als bedoeld het tweede en derde lid, wordt aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Paragraaf5Schoonmaken van scheepsruimten die een gevaarlijke of schadelijke stof bevatten Artikel5.1Wassen en schoonmaken van ladingtanks 1.Het is verboden om ruimten van een zeetankschip schoon te maken die resten van stoffen bevatten als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder a, b of c, tenzij: de ruimten vari het tankschip gesloten worden schoongemaakt en tijdens het schoonmaken geen gas of damp naar de buitenlucht uittreedt anders dan kortstondig bij aanvang van het droogmaken van de ruimten en het zeetankschip daartoe is ingericht en het schoonmaken plaatsvindt overeenkomstig het schoonmaakhandboek, bedoeld in MARPOL; het tankschip ligplaats heeft langszij een inrichting die beschikt over een door het bevoegd gezag verieende vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het uitvoeren van het schoonmaken en die inrichting de van de schoonmaakwerkzaamheden afkomstige dampen in ontvangst neemt. 2.Het is verboden om na afloop van het gesloten schoonmaken de ruimten van het zeetankschip, bedoeld in het eerste lid, onder a, te openen of droog te maken, wanneer er schepen langszij liggen, tenzij de ruimten restanten bevatten van gevaariijke stoffen: die noch giftig, noch brandbaar zijn; die tevens brandbaar zijn en de tankatmosfeer zich onder twintig procent van de onderste explosiegrens bevindt; die tevens giftig zijn en de tankatmosfeer zich onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevindt; of die zowel brandbaar zijn, waarbij de tankatmosfeer zich onder twintig procent van de onderste explosiegrens bevindt, als giftig zijn, waarbij de tankatmosfeer zich onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevindt. 3.Het is verboden om ruimten van een tankschip dat vloeibare gassen vervoert schoon te maken, tenzij het schip ligplaats heeft langszij een inrichting die beschikt over een door het bevoegd gezag krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verieende vergunning voor het uitvoeren van het schoonmaken en die inrichting de restanten van de vloeibare gassen in ontvangst neemt. 4.Het is verboden om ruimten van een zeetankschip te wassen met ruwe olie, tenzij: gebruikt materiaal en uitrusting voldoet aan de regels omtrent Inert gas systems zoals die zijn opgenomen in de International Code for Fire Safety Systems uitgegeven door de IMO; en het wassen met ruwe olie wordt verricht in overeenstemming met de in onderdeel a genoemde code. 5.Het college kan het schoonmaken van tankschepen met stoffen als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder a, b of c, beperken of verbieden, indien de atmosferische omstandigheden zodanig zijn dat door het vrijkomen van die stoffen in die omstandigheden gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. 6.Het college kan van de in het eerste lid, tweede en vierde lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 7.Van het wassen of schoonmaken, bedoeld in het eerste lid, onder a of het vierde lid wordt aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Paragraaf6Langszij meren bij tankschepen Artikel6.1Verbod langszij meren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen 1.Het is verboden langszij een zeetankschip, geladen met of leeg van gevaarlijke stoffen, af te meren, tenzij; door een bunkerschip, mits het schip ten minste voldoet aan de eisen die het ADN stelt aan een binnentankschip van het type N; door een dienstverlenend schip, zijnde een binnentankschip, mits het schip ten minste voldoet aan de eisen die het Adn stelt aan een binnentankschip van het type N; door een dienstverlenend schip, niet zijnde een dienstverlenend schip als bedoeld in onderdeel b of een bunkerschip, dat niet voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel a, mits het schip wordt afgemeerd buiten de ladingzone van het zeetankschip; door roei- of motorboten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, mits deze worden afgemeerd buiten de ladingzone van het zeetankschip; door een schip als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, mits dit alleen plaats vindt tijdens en in verband met aankomst, vertrek of verhalen van het zeetankschip; door tankschepen, betrokken bij de rechtstreekse ladingoverslag met het zeeschip, mits er aan beide zijden van het zeetankschip maximaal 1 schip in de breedte wordt afgemeerd; of door een schip, dat in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam, mits 1°. dit noodzakelijk is in het kader van haar taakuitoefening; en 2°. het schip afmeert buiten de ladingzone van het zeetankschip, tenzij de bouw en uitrusting van dit schip het toelaat om binnen de ladingzone af te meren. 2.Het is verboden om met een schip ligplaats te nemen of te hebben langszij een tankschip dat betrokken is bij de overslag van een gas als bedoeld in de IGC Code of het ADN, tenzij op grond van artikel 4.1, twaalfde lid, door het college een ontheffing is verleend. 3.Het is verboden om met een schip ligplaats te nemen of te hebben langszij een zeetankschip tijdens het wassen met ruwe olie van ruimten van dat zeetankschip, tenzij het een binnentankschip betreft dat tenminste voldoet aan de eisen die het ADN stelt aan een binnentankschip van het type N; 4.Het is verboden om met een schip ligplaats te nemen of te hebben langszij een zeetankschip, dat bezig is met het schoonmaken van stoffen als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder a, b of c, anders dan het wassen met ruwe olie, tenzij: door een dienstverlenend schip als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat waswater als gevolg van een voorwas als bedoeld in Marpol Annex II of ladingresiduen als bedoeld in Marpol Annex I of II ovemeemt; of door ten hoogste twee tankschepen die betrokken zijn bij de ladingoverslag met het zeetankschip, indien het schoonmaken, bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling, gesloten plaatsvindt. 5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6.Van het langszij afmeren van een bunkerschip als bedoeld in het eerste lid, onder a of c of een dienstverienend schip als bedoeld in het eerste lid, onder b of c of het vierde lid, onder a, wordt aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Artikel6.2Bouw- en uitrustingsvoorschriften langszij meren bij tankschepen 1.Het is verboden om; met een dienstverienend schip af te meren langszij een tankschip geladen met of leeg van gevaariijke stoffen; met een bunkerschip, dat niet voldoet aan de eisen die het ADN stelt aan een binnentankschip van het type N, af te meren langszij een tankschip geladen met of leeg van gevaariijke stoffen; tenzij het schip: 1°. een casco heeft dat volledig uit onbrandbaar materiaal bestaat 2°. een elektrische installatie heeft die, conform het Adn, erkend veilig is uitgevoerd; 3°. verbrandingsmotoren gebruikt, niet zijnde benzinemotoren; 4°. een vonkenvanger heeft op de uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor; 5°. verwarming-, kook- en koeltoestellen heeft die werken op elektriciteit of een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 °C of hoger; 6°. aan dek een goed zichtbaar bord geplaatst heeft, krachtens artikel 3.32 van het BPR met de strekking dat roken en open vuur verboden is; 7°. een accommodatie heeft die voldoende bescherming biedt tegen het binnendringen van gevaariijke gassen; en 8°. tijdens het verblijf in het oliehavengebied een in werking zijnde marifooninstallatie heeft waarop voortdurend op het betreffende VHF havenkanaal wordt uitgeluisterd. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Paragraaf7Vergunning afgifte en in ontvangst nemen van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen Artikel7.1Aanvraag van een vergunning Bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 4.6 van de Havenverordening worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: gegevens van het bedrijf van de aanvrager en de naam en functie van de aanvrager; een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van het desbetreffende bedrijf; de relevante bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht afgegeven vergunningen en ontheffingen; de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen die onder de werking van de vergunning vallen, waaronder ten minste de capaciteit en de geschiktheid ervan; en de soorten schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen, waarop de aanvraag betrekking heeft. Paragraaf8Verlenen van een erkenning aan bootliedenorganisaties Artikel8.1Erekenning bootliedenorganisatie Het college verieent een erkenning voor een bootliedenorganisatie, indien deze: voorzien is van een geldig ISO 9001, 9002 of daannee vergelijkbaar certificaat; beschikt over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld; aantoont dat regelmatig overieg plaatsvindt met nautische dienstverleners in de haven omtrent de werkwijze en procedures bij meren en ontmeren; aantoont dat, om de continuïteit van de adequate dienstveriening te waarborgen, wordt voldaan aan de mogelijkheid om in volcontinudienst, per uur, ten minste 3 zeeschepen afzonderlijk, in verschillende situaties voor wat betreft afmeting, scheepstype en locatie, te kunnen meren of ontmeren, met behulp van daartoe gekwalificeerd personeel; en aan de bootlieden een legitimatiebewijs verstrekt dat is voorzien van een goedgelijkende pasfoto en dat ten minste vermeldt: - 1°. de naam, geboorteplaats en geboortedatum van de bootman; - 2°. de met goed gevolg behaalde opleiding Bootman, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, met vermelding van de datum van diplomaverstrekking; en - 3°. de naam van de bootliedenorganisatie waarbij de bootman is aangesloten. Paragraaf9Verplichtingen waaraan bootmannen moeten voldoen Artikel9.1Beroep en verplichtingen bootman 1.Het beroep van bootman wordt uitsluitend uitgeoefend door degene die: de opleiding Bootman, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van registratiecode CREBO- 93030, met goed gevolg heeft afgesloten; in een andere lidstaat van de Europese Unie met goed gevolg een opleiding tot bootman heeft afgesloten die gelijkwaardig is aan de opleiding Bootman, mits diegene de Nederiandse taal voldoende machtig is; of in de zeven aansluitende kalenderjaren voorafgaand aan de uitoefening van het beroep van bootman ten minste vier jaar ervaring heeft opgedaan als zelfstandig bevoegd bootman in een of meer havens binnen de Europese Unie, en diegene: - 1°. in een haven die met de situatie in het Noordzeekanaalgebied te vergelijken is, ervaring heeft met het meren en ontmeren op boeien, op ruim water met hoge golfslag en op sterk stromend getijdenwater; - 2°. de Nederiandse taal voldoende machtig is; en - 3°. naar het oordeel van de erkende bootliedenorganisatie waar hij te werk gesteld wordt of werkzaam is, een gelijkwaardig niveau van kennis en vaardigheden zeker is gesteld; en is aangesloten bij een erkende bootliedenorganisatie als bedoeld in artikel 8.
- 2.De bootman is tijdens de werkzaamheden voorzien van een geldig legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 8.1, onderdeel e, en toont het op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. Paragraaf10Schepen waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld Artikel10.1Met ontsmettingsmiddelen behandelde lading 1.Het is verboden met een schip geladen met bulklading in vaste vorm ligplaats te nemen of zich op een ligplaats te bevinden, indien de lading is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan met het doel de lading te ontsmetten, tenzij; aan de havenmeester een gasmeetcertificaat is overgelegd waaruit blijkt dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van ontsmettingsmiddelen; of tijdens en na het afmeren geen operationele handelingen worden uitgevoerd en de ruimen en ventilatieopeningen van de ruimen gesloten worden gehouden, indien het schip onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddel of wanneer de gegevens hierover niet bekend zijn. 2.Nadat een schip als bedoeld in het eerste lid is afgemeerd, wordt een onderzoek uitgevoerd door een gasmeetdeskundige, indien: geen gasmeetcertificaat aanwezig is; of dit naar het oordeel van de havenmeester noodzakelijk is. 3.De gasmeetdeskundige start het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, direct nadat het schip is afgemeerd en stelt naar aanleiding van dat onderzoek een gasmeetcertificaat op. 4.Van het gasmeetcertificaat, bedoeld in het derde lid, wordt direct na afgifte aan de havenmeester een afschrift verzonden. 5.Indien na het onderzoek, bedoeld in het derde lid blijkt dat een schip onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen, is het voor een ieder verboden om operationele handelingen uitte voeren of de ruimten te ventileren, tenzij de havenmeester een door de gasmeetdeskundige opgesteld schriftelijk plan van aanpak heeft goedgekeurd, welk plan van aanpak in ieder geval bevat: de voorgenomen operationele handelingen met schip en lading gedurende de periode dat het schip zich op een ligplaats bevindt; de wijze waarop de veiligheid van schip en omgeving wordt gewaarborgd, met in achtneming van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in onderdeel a; en de geplande frequentie en meldingswijze van metingen om de concentratie van het toegepaste ontsmettingsmiddel te bepalen. 6.Nadat het plan van aanpak, bedoeld in het vijfde lid, door de havenmeester akkoord is bevonden, is een ieder verplicht zich hieraan te houden. 7.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 8.De gegevens van het gasmeetcertificaat, bedoeld in het derde lid, worden aan de havenmeester gemeld conform artikel 11.
- 9.In geval van overslag van lading die onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen, wordt door de stuwadoor aan de havenmeester een melding gedaan als bedoeld in artikel 11.
- Paragraaf11Melden Artikel11.1Melding ligplaats nemen bunkerschip en dienstverlenend schip 1.Voorafgaand aan het ligplaats nemen om te bunkeren of een dienst te verlenen worden door de schipper van een bunkerschip of een dienstverienend schip de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de naam van het bunkerschip of dienstverienend schip; de namen van de schepen die gebunkerd worden of waaraan een dienst wordt verleend; de voorgenomen ligplaats; de uit te voeren werkzaamheden; en de verwachte verblijfsduur. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.2Melding bunkeren of overpompen van brandstofolie of smeerolie 1.Direct voorafgaand aan het in artikel 4.8 van de Havenverordening bedoelde bunkeren of het onderiing overpompen van brandstofolie of smeerolie tussen bunkerschepen, wordt, door de schipper van het brandstofolie of smeerolie pompende bunkerschip, aan de havenmeester gemeld: de namen van de bij het bunkeren of onderling overpompen betrokken schepen; de ligplaats waar het bunkeren of overpompen zal plaatsvinden; de soort en hoeveelheid brandstofolie of smeerolie die gebunkerd of gepompt gaat worden; en het tijdstip van aanvang van bunkeren of overpompen. 2.Direct na afloop van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, wordt het tijdstip van beëindiging daarvan aan de havenmeester gemeld. 3.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.3Melding gebruik ankers Hetvoornemen om een anker te gebruiken als bedoeld in artikel 4.11 van de Havenverordening wordt gemeld op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.4Melding afzien gebruik diensten bootman Het voomemen om af te zien van het gebruik van de diensten van een bootman als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid en tweede lid, onder a en e, van de Havenverordening wordt ten minste één uur voorafgaand aan de aankomst of het vertrek gemeld op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.5Melding verrichten van werkzaamheden 1.Indien een schip geen ligplaats heeft op of bij een Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunning houdende scheepswerf of herstellingsinrichting, worden voorafgaand aan de in artikel 4.14 van de Havenverordening bedoelde werkzaamheden, de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de naam en roepnaam van het schip; de ligplaats van het schip tijdens de werkzaamheden; de datum, tijdstip van aanvang en duur van de werkzaamheden; de aard van de werkzaamheden; de plaats of plaatsen aan boord waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; of een Veiligheids- en Gezondheidsveri<laring is afgegeven door een gasdeskundige; de uitvoerder van de werkzaamheden; en of het schip blijvend kan beschikken over zijn hoofdvoortstuwingsvermogen 2.Direct na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden wordt het tijdstip van beëindiging daarvan aan de havenmeester gemeld. 3.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.6Melding binnenvaren oliehavengebied 1.Voorafgaand aan het binnenvaren van een oliehavengebied door een dienstverienend schip, werkschip of een schip dat baggerwerkzaamheden gaat uitvoeren als bedoeld in artikel 2.1 wordt aan de havenmeester gemeld: de voorgenomen ligplaats; de uit te voeren werkzaamheden; en de verwachte verblijfsduur. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.7Melding ligplaats buiten oliehavengebied 1.Voorafgaand aan het ligplaats nemen buiten het oiiehavengebied door een tankschip als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: indien het een zeeschip betreft de naam en de roepnaam; indien het een binnenschip betreft de naam en het Rijnvaartnummer of ENI-nummer; de voorgenomen ligplaats van het schip; en van de voorgenomen activiteiten aan boord van het schip: - 1°. de datum, het tijdstip van aanvang en de duur; en - 2°. de aard van de voorgenomen activiteiten. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.8Melding van rechtstreekse overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk tussen vrachtschepen onderling 1.Voorafgaand aan de rechtstreekse, onderiinge overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof in bulk tussen tankschepen als bedoeld in artikel 4.1, tweede en derde lid, worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de namen en de roepnamen van de bij de overslag betrokken zeetankschepen; de namen en de Rijnvaartnummers of ENI-nummers van de bij de overslag betrokken binnenvaarttankschepen; de correcte technische naam en de hoeveelheid van het product dat overgeslagen wordt; en het tijdstip van aanvang en de verwachte duur van de rechtstreekse overslag. 2.Na afloop van de rechtstreekse, onderiinge overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof in bulk tussen tankschepen als bedoeld in artikel 4.1, tweede en derde lid, wordt het tijdstip van beëindiging daarvan aan de havenmeester gemeld. 3.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gedaan door de kapitein of schipper van het schip dat rechtstreeks op een afmeerboei, aan afmeerpalen of een ligplaats is afgemeerd. 4.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.9Melding wassen of schoonmaken van ladingtanks 1.Voorafgaand aan het in artikel 5.1, eerste lid, onder a en het vierde lid, bedoelde wassen of schoonmaken worden de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de naam van het schip; de datum en het tijdstip van aanvang van wassen of schoonmaken; de ligplaats gedurende het wassen of schoonmaken; de ruimten van het schip die worden gewassen of schoongemaakt; de chemische of technische benaming van de stoffen die de schoon te maken ruimten bevatten of laatstelijk hebben bevat; en de methode van wassen of schoonmaken die wordt toegepast. 2.Direct na afloop van het in het eerste lid bedoelde wassen of schoonmaken wordt het tijdstip van beëindiging daarvan aan de havenmeester gemeld. 3.Het tijdstip van aanvang van een volgens Marpol Annex II verplichte voorwas wordt ten minste 2 uur voor aanvang van het voonwassen aan de havenmeester gemeld. 4.De melding, bedoeld in het eerste lid, is niet vereist indien het uitsluitend droogmaken betreft. 5.De meldingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.10Melding langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen 1.Voorafgaand aan het langszij afmeren bij een tankschip met gevaariijke stoffen door een dienstverienend schip of een bunkerschip als bedoeld in artikel 6.1 wordt aan de havenmeester gemeld: de voorgenomen ligplaats; de uit te voeren werkzaamheden; en de verwachte verblijfsduur. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.11Melding met ontsmettingsmiddelen behandelde lading 1.De gegevens van het afgegeven gasmeetcertificaat, bedoeld in artikel 10.1, worden zo spoedig mogelijk aan de havenmeester gemeld. 2.In geval van overslag van lading die onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen worden de volgende gegevens ten minste één uur voor aanvang van de overslag aan de havenmeester gemeld: de voorgenomen datum, tijd en duur van de overslag; de naam van het zeeschip, de ruimen en de hoeveelheid die uit dat zeeschip overgeslagen gaat worden; en de naam van het schip waarin de lading wordt overgeslagen en de bestemming van dat schip. 3.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.12Melding combinatietankschip 1.Van een combinatietankschip dat gelost of geladen wordt met losgestorte bulklading in vaste vorm worden naast de melding op grond van de Rclz tevens de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de aanwezigheid van brandbare vloeistoffen of restanten daarvan van voorgaande ladingen; de stuwage van eventuele ladingrestanten van brandbare vloeistoffen; en het zuurstofpercentage van de geïnertiseerde tankatmosfeer, boven de in onderdeel b genoemde ladingrestanten. 2.De rnelding, bedoeld in het eerste lid vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.13Melding laden gevaarlijke of schadelijke stoffen in verpakte vorm 1.Het voornemen tot het laden van een gevaarlijke of schadelijke stof in verpakking aan boord van een zeeschip wordt ten minste drie uur voorafgaande aan het laden aan de havenmeester gemeld overeenkomstig bijlage 1 behorende bij de RCLZ. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.14Melding verrichten van rechtstreekse overslag van losgestorte bulklading in vaste vorm 1.Indien schepen geen ligplaats hebben op of bij een inrichting worden voorafgaand aan de rechtstreekse overslag tussen schepen onderiing van droge lading door de stuwadoor de volgende gegevens aan de havenmeester gemeld: de namen en de roepnamen van de bij de overslag betrokken zeeschepen; de namen en de Rijnvaartnummers of ENI-nummers van de bij de overslag betrokken binnenvaartschepen; de ligplaats van het schip tijdens de overslag; de datum, het tijdstip van aanvang en de verwachte duur van de overslag; de naam van het bedrijf dat de overslag uitvoert en de namen van de schepen die de overslag feitelijk uitvoeren; en de aard van de lading en de hoeveelheid. 2.Na afloop van de rechtstreekse overslag tussen schepen onderiing, bedoeld in het eerste lid, wordt het tijdstip van beëindiging daarvan aan de havenmeester gemeld. 3.De meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid vinden plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.15Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade 1.Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken voor het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Artikel11.16Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen 1.Degene door wiens toedoen een voonwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat: daarvan onmiddellijk melding wordt gedaan aan de havenmeester; en de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt venwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. 2.De melding, bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt plaats op een door de havenmeester aan te geven wijze. Paragraaf12Ligplaats nemen ten opzichte van kwetsbaar object Artikel12.1Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen in verpakking 1.Het is verboden met een schip dat geladen is met een in bijlage 3 genoemde gevaariijke stof in verpakking ligplaats te nemen binnen een in bijlage 3 genoemde afstand van een kwetsbaar object, tenzij wordt gehandeld in overeenstemming met bijlage
- 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Paragraaf13Slotbepalingen Artikel13.1Inwerkingtreding Deze nadere regels treden in werking met ingang van 1 juli
- Artikel13.2Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als Havenreglement Noordzeekanaalgebied
- Toelichtingbij het havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012 algemeen Het Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012 (hiema: Havenreglement) is gebaseerd op artikel 5.1 van de Regionale havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012 (hierna: Havenverordening). In dit artikel van de Havenverordening is bepaald met betrekking tot welke onderwerpen het college nadere regels stelt of kan stellen. In het Havenreglement wordt invulling gegeven aan deze nadere regels. De nadere regels betreffen op hoofdlijnen de volgende onderwerpen: technische en operationele voorschriften voor schepen; nadere regels met betrekking tot het aanvragen van een vergunning of het verlenen van een erkenning; de nadere uitwerking van de meldingsverplichtingen op grond van de Havenverordening. Het kenmerk van deze nadere regels is, dat zij een uitvoerend karakter hebben en dat zij een operationele invulling geven aan de in de Havenverordening opgenomen kaders op het gebied van ordening, veiligheid en milieu. toepassingsbereik Het Havenreglement is van toepassing binnen de haven, zoals gedefinieerd in de Havenverordening. Artikelsgewijze toelichting ln dit deel van de toelichting wordt, voor zover noodzakelijk, per artikel een nadere toelichting gegeven. § 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In dit artikel zijn de omschrijvingen neergelegd van de begrippen die in het Havenreglement worden gehanteerd. Naast deze begrippen gelden de begripsomschrijvingen van artikel 1.1 van de Havenverordening. Brandbare vloeistoffen Dit zijn vloeistoffen met een vlampunt dat lager ligt dan of gelijk is aan 100 °C en die uitsluitend een brandbare eigenschap hebben. Dit houdt in dat deze vloeistoffen daarnaast bijvoorbeeld niet bijtend, oxiderend, giftig of infectueus zijn, Gasdeskundige en gasmeetdeskundige Dit zijn twee verschillende begrippen. Een gasdeskundige bepaalt middels het meten van de concentraties van bepaalde stoffen in ruimtes, die leeg zijn van bepaalde gevaariijke stoffen of deze ruimtes veilig betreden kunnen worden en of er veilig gewerkt kan worden. De basis van zijn bevoegdheid ligt in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Een gasmeetdeskundige richt zich specifiek op metingen van restanten van gebruikte ontsmettingsmiddelen. De basis van zijn bevoegdheid ligt in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Grenswaarde In de definitie van het begrip grenswaarde wordt ven/vezen naar artikel 4.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hierin wordt nader beschreven op welke wijze een grenswaarde van een stof wordt vastgesteld en op welke wijze deze waarde moet worden geïnterpreteerd om de gezondheid van een mens niet in gevaar te brengen. De daadwerkelijke grenswaarde van een bepaalde stof is geregeld via artikel 4.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Kwetsbaar object Voor dit begrip wordt de begripsomschrijving gehanteerd zoals die is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat in dit reglement meer specifiek om de locatie ten opzichte waarvan bepaalde afstanden in acht dienen te worden genomen bij het ligplaats nemen van schepen met bepaalde gevaariijke stoffen. De bedoelde objecten zijn bijvoorbeeld scholen of grote kantoorgebouwen, waar zich gedurende een groot deel van de dag grote aantallen personen kunnen bevinden. Schoonmaken Ten aanzien van dit begrip wordt ter voorkoming van onduidelijkheden opgemerkt dat als schoonmaakhandeling tevens wordt aangemerkt het wassen van een schip met ruwe olie. Voorwas Na het lossen van bepaalde vloeibare ladingen, die confonn MARPOL annex 11 in grote mate vervuilend zijn voor het mariene milieu, mag een zeetankschip pas vertrekken uit de haven nadat de lading op een efficiënte wijze is gelost en de ladingresiduen zijn venwijderd door middel van een voorgeschreven schoonmaakprocedure. Dit proces wordt "voorwas" genoemd, naar het Engelse "prewash". § 2 Oliehavengebieden Artikel 2.1 Toegelaten schepen in het oliehavengebied Artikel 2.1 regelt het toelaten van schepen in een oliehavengebied. In de Regionale havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 (hierna: Rhv 2010) was bepaald dat het verboden is om meteen schip het oiiehavengebied binnen te varen tenzij men op grond van artikel 3.3.1 ligplaats diende te nemen Dit laatste betrof de tankschepen die op die ligplaatsen in het oliehavengebied kwamen laden of lossen. Voor overige schepen was het verboden om het oiiehavengebied in te varen, tenzij ontheffing was verieend. Hierdoor waren er veel ontheffingen nodig, vooral voorde categorie dienstverienende schepen. De voorschriften, die in de ontheffingen werden gebruikt, zijn in diverse artikelen in het Havenreglement opgenomen. Hierdoor verdwijnt een aanzienlijke hoeveelheid ontheffingen, maar wel met behoud van hetzelfde niveau van veiligheid. Artikel 2.1 vormt de basis van deze nieuwe opzet en bepaalt welke schepen zich in het oliehavengebied mogen bevinden. Het oliehavengebied dient dan wel door het college op grond van artikel 3.11 van de Havenverordening alszodanig te zijn aangewezen (zie definitie 'oliehavengebied'). In verband met de risico's die gevaariijke stoffen met zich meebrengen mogen in de oliehavengebièden alleen bepaalde schepen of activiteiten worden toegelaten. In de aanhef en onder a, is opgenomen dat gebruik gemaakt kan worden van het oliehavengebied door een schip dat van de havenwerken gebruik maakt, heeft gemaakt ofzal maken om te laden, te lossen, zijn ladingtanks schoon te maken of komt bunkeren. Hieronder vallen ook schepen die ligplaats nemen bij een in het oliehavengebied gelegen havenontvangstinstallatie om te komen schoonmaken of om waswater af te geven. Samen met onderdeel b van dit artikel behelst dit de tankschepen, die op basis van het Rhv 2010 ook al ligplaats konden nemen. Gelet op de stoffen aan boord van het tankschip is het niet altijd mogelijk om buiten het oliehavengebied af te meren. In onderdeel b is daarom bepaald dat een tankschip ook in het oliehavengebied mag verblijven om te wachten. In dat geval geschiedt het innemen van de ligplaats met instemming van de huurder, erfpachter of eigenaar van de ligplaats. In onderdeel c is bepaald dat een roei- of motorboot die behoort tot de uitrusting van een reeds in het oliehavengebied gemeerd liggend schip gebruikt mag worden indien deze niet voorzien is van een benzinemotor. Benzinemotoren brengen risico's met zich mee in verband met de kans op vonkvorming. Er zijn dieselmotoren die als buitenboordmotor zijn uitgevoerd en die voor gebruik in het oliehavengebied veilig zijn. In onderdeel d wordt gedoeld op de schepen van de bootlieden en slepers, die noodzakelijk zijn bij aankomst en vertrek van de zeeschepen. Onderdeel e betreft patrouillevaartuigen van diverse instanties. Onderdeel f bepaalt dat schepen het oliehavengebied mogen doorvaren, indien dat noodzakelijk is om hun bestemming te bereiken. Voorwaarde hierbij is dat ze ruim afstand houden ten opzichte van andere in de oliehavengebieden verblijvende schepen. Het BPR stelt hierbij nadere regels over passeerafstanden, zodat deze hier niet nader worden omschreven. In de onderdelen g en h zijn doelgroepschepen opgenomen, te weten: dienstverienende- en werkschepen. De reden hiervan is dat deze schepen betrokken kunnen zijn bij activiteiten in het oliehavengebied. Door het opnemen van deze schepen in dit artikel behoeven deze schepen geen ontheffing aan te vragen voor de toegang in het oliehavengebied. Verder is in onderdeel i opgenomen een schip dat baggenwerkzaamheden uitvoert. Het opnemen hiervan voorkomt dat voor het binnenvaren van een oliehavengebied telkens een ontheffing moet worden aangevraagd. Het tweede lid bepaalt dat de uitzondering voor het bevaren van de oliehavengebieden door plezieren zeilvaartuigen niet geldt, indien zij vallen onder één van de categorieën uit het eerste lid. Het is absoluut onaanvaardbaar dat deze schepen in de oliehavengebieden komen. Thans is dit verboden en handhaafbaar, leder schip dat een oliehavengebied binnenvaart, dient er beroepshalve te zijn en dient te voldoen aan de in dit Havenreglement gestelde gedragsregels (bijvoorbeeld het rookverbod, open vuur te hebben etc). Het tweede lid is van kracht naast artikel 3.7, tweede lid onder c van de Havenverordening. In die bijzondere gevallen, waarbij het toch noodzakelijk is om andere schepen toe te laten tot het oliehavengebied, biedt het derde lid van dit artikel de mogelijkheid tot ontheffing. In het vierde lid is een meldingsverplichting opgenomen voor de schepen uit het eerste lid onder g, h en i, aangezien deze voor een langere periode in het oliehavengebied zullen verblijven. Op deze wijze kan de havenmeester toetsen of dit veilig en verantwoord kan en wordt een actueel beeld verkregen van de operationele handelingen die plaatsvinden in het gebied. Artikel 2.2 Bouw- en uitrustingsvoorschriften oliehavengebied Artikel 2.2 is een nieuw artikel dat in het Havenreglement is opgenomen. In de Rhv 2010 werden de bouw- en uitrustingsvoorschriften voor schepen die op basis van de Havenverordening niet in het oliehavengebied waren toegelaten geregeld in een oritheffing. De in artikel 2.2 van het onderhavige Havenreglement genoemde voorschriften zijn van toepassing op dienstverienende- en werkschepen, indien deze zich in een oliehavengebied bevinden. Ook zijn zij van toepassing op bunkerschepen die niet voldoen aan de eisen die het ADN stelt aan een binnentankschip van het type N, indien deze schepen zich in het oliehavengebied bevinden. Hierbij kan met name worden gedacht aan bunkerschepen die smeerolie komen afleveren. Om vonken te voorkomen, wordt een vonkenvanger op de uitlaat van de motor voorgeschreven. Hieronder wordt mede verstaan technische toepassingen, die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, zoals bijvoorbeeld watergekoelde uitlaten. Artikel 2.3 Bedrijfsklaar hebben van een schip in het oliehavengebied De verplichtingen die zijn vermeld in het eerste lid zijn opgenomen om in het geval de veiligheid dit noodzakelijk maakt ervoor te zorgen dat ieder schip in het oliehavengebied onmiddellijk kan verhalen. Dit artikel schrijft dit voor alle schepen in het oliehavengebied specifiek voor, als invulling van de genoemde uitzondering in artikel 4.14 van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied
- Deze verplichting geldt te allen tijde. Het specifieke karaktervan het oliehavengebied maakt dit noodzakelijk. Voor zeetankschepen die geladen of leeg zijn van gevaariijke stoffen zijn de verplichtingen genoemd in het eerste lid al opgenomen in de Regeling vervoer gevaariijke stoffen (RVGZ) met zeeschepen. Hierbij wordt opgemeri<t dat de verplichtingen genoemd in het RVGZ van toepassing zijn ongeacht de ligplaats van het tankschip. Artikel 2.4 Afmeren zeetankschepen geladen met gevaarlijke stoffen Dit artikel regelt de afmeerrichting van zeetankschepen met gevaariijke stoffen. Bij een uitslaande brand op een haventerrein kan het in verband met de veiligheid noodzakelijk zijn om de aldaar afgemeerde tankschepen met spoed te verhalen. Om die reden is het nodig dat een tankschip zodanig wordt afgemeerd dat het direct na het ontmeren vooruit varend uit het havenbekken kan vertrekken. In geval van nood kan het tankschip op eigen kracht en zo snel mogelijk, zonder uitgebreide manoeuvres, wegvaren van het risicogebied . Het niet opvolgen van de verplichting om vooruit varend direct uit de haven te kunnen vertrekken is in dit artikel beperkt indien ligplaats wordt ingenomen bij een werf, bij een herstellingsinrichting of aan afmeerboeien; dan geldt die verplichting niet. Dit, aangezien bij een werf de aard van de werkzaamheden van een totaal ander karakter zijn dan bij ladinghandelingen en bij afmeren op een boei geen rechtstreekse veiligheidsrisico's uit de omgeving aanwezig zijn. Tankschepen kunnen in verband met reparatie bij een werf vaak niet met de kop naar zee liggen en kunnen aldaar wel gevaariijke stoffen aan boord hebben. Deze situatie moet uitgesloten worden van de gestelde verplichting. Door het artikel aan te vullen met het hierboven gestelde, zijn bijna alle denkbare, mogelijke situaties genoemd waarin een tankschip niet met de kop naar zee zal afmeren. Artikel 2.5 Verbod open vuur en vonkvorming De artikelen 3.2.1 (verbouwings-, herstel-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden) en 3.4.5 (rook en vuur), van de Rhv 2010 zijn samengevoegd, voor het oliehavengebied, in artikel 2.
- Als invulling van de genoemde uitzondering in artikel 4.14 van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012 geldt een algeheel verbod voor reparaties met heet werk; het specifieke karaktervan het oliehavengebied maakt dit noodzakelijk. Tevens zijn criteria opgenomen voor het aansteken van een lasapparaat in het oliehavengebied en is nader geregeld dat een schip zich niet in het oliehavengebied mag bevinden, indien er vonken uit een uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor van het schip komen. Indien toch een reparatie aan een schip, afgemeerd in een oliehavengebied, plaats moet vinden, waarbij zogenaamd "heet werk" noodzakelijk is, kan dat alleen op basis van een ontheffing. Deze mogelijkheid bestaat op basis van het derde lid. Voor de duidelijkheid wordt vermeld, dat reparaties met heet werk, die plaatsvinden aan de constructie van of op steigers gelegen in een oliehavengebied, welke steigers behoren tot een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning geldt, niet vallen onder de werking van dit artikel, omdat daar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorgaat. Artikel 2.6 Verbod te roken Roken in een oliehavengebied brengt een groot risico met zich mee. Het onderdeel roken is daarom in dit aparte artikel opgenomen. Roken in een oliehavengebied is voor een ieder verboden, tenzij aan boord van een schip in een door de schipper of kapitein aangewezen rookruimte. Deze rookruimte dient aan voorwaarden te voldoen. De rookruimte mag niet rechtstreeks van buiten toegankelijk zijn, moet gesloten zijn wanneer er gerookt wordt en moet door een duidelijk opschrift aangeduid zijn als rookruimte. Artikel 2.7 Plaatsen informatieborden Op grond van dit artikel dient bij de toegang van een schip dat in het oliehavengebied is afgemeerd een bord geplaatst te worden dat aangeeft dat roken, open vuur en toegang door onbevoegden verboden is. § 3 Tankschepen buiten een oliehavengebied Artikel 3.1 Tankschepen met gevaarlijke stoffen buiten het oliehavengebied Artikel 3.1 regelt onder welke voorwaarden tankschepen met gevaariijke stoffen buiten het oliehavengebied mogen liggen, indien zich een gevaariijke stof als lading of ladingresidu aan boord bevindt. Ladingresidu omvat hierbij tevens gasvormige ladingrestanten. Tankschepen (zowel zeetankschepen als binnentankschepen) kunnen grote hoeveelheden gevaariijke stoffen (waaronder ook gasvormige ladingsresiduen) aan boord hebben en dat kan grote risico's met zich meebrengen. Om de risico's van deze schepen zoveel mogelijk te beperken, zijn op basis van artikel 3.11 van de Havenverordening zogenaamde oliehavengebieden aangewezen. De oliehavengebieden zijn bekend gemaakt in een apart aanwijzingsbesluit met de daarbij behorende, zogenaamde oliehavenkaart. Uitgangspunt is dat tankschepen in principe in een oliehavengebied afmeren. Op dit uitgangspunt is een aantal in dit artikel opgesomde uitzonderingen mogelijk. De in het artikel opgenomen criteria werden voorheen in de ontheffing opgenomen. Door deze nu in het artikel op te nemen, zal het aantal gevraagde ontheffingen naar ven/vachting aanzienlijk afnemen. Indien een tankschip niet aan de criteria van dit artikel voldoet, dan is ligplaats nemen buiten het oliehavengebied verboden, tenzij op grond van het vierde lid ontheffing is verkregen. Het eerste lid, onderdeel c, stelt regels aangaande een combinatietankschip. Een combinatietankschip is gebouwd om afwisselend vloeibare of droge lading te ven/oeren. Er kunnen zich ten gevolge van dit afwisselend vervoer brandbare ladingresiduen in de sloptanks bevinden. Indien het combinatietankschip geladen is of wordt met losgestorte bulklading in vaste vorm, zal het schip buiten het oliehavengebied afmeren. Indien het combinatietankschip voldoet aan de criteria van dit artikel, kan na een melding als bedoeld in artikel 11.7 worden afgemeerd buiten het oliehavengebied. Indien het schip niet voldoet aan de gestelde criteria van dit artikel, is ligplaats nemen buiten het oliehavengebied verboden, tenzij een ontheffing wordt verieend op grond van het vierde lid. In verband met internationale verplichtingen ten aanzien van de dubbelwandigheid van de scheepsromp van combinatietankschepen is nagenoeg de hele wereld-combinatietanker-vloot niet meer geschikt voor het vervoer van aardolie. Deze schepen worden gesloopt of vervoeren nog uitsluitend droge bulklading. Bij werfbeurten worden meer en meer de olierestanten venwijderd en nemen de veiligheidsrisico's voor deze schepen af. De hele regeling aangaande combinatietankschepen is hierop aangepast en vereenvoudigd. Een melding als bedoeld in artikel 11.7 in samenhang met het gestelde in dit artikel en de handhaving van de regeling biedt voldoende garantie voor de havenveiligheid. Tankschepen met gevaariijke stoffen meren in principe af in het oliehavengebied. Zij kunnen op andere ligplaatsen afmeren, zoals bijvoorbeeld afmeeriaoeien en -palen. Het verbod op grond van het eerste lid, onderdeel f, geldt dan niet, indien deze ligplaatsen in een cöllegebesluit zijn aangemerkt als ligplaats conform artikel 3.10 van de Havenverordening. In het besluit van deze aangewezen ligplaatsen zijn per ligplaats beperkingen gesteld aan de activiteiten, waardoor de veiligheid is gewaarborgd. In het tweede lid is bepaald dat een gasdeskundige zijn onderzoek direct aanvangt na het afmeren van een combinatietankschip. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zo spoedig mogelijk na het afmeren bepaald moet worden of het schip aan de gestelde criteria voldoet. Indien dit niet het geval is, zal bekeken moeten worden of het schip ter plaatse kan blijven liggen of dat het dient te verhalen naar een alternatieve ligplaats om aldaar er voor te zorgen dat aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Op grond van artikel 1.10 van de Havenverordening is de kapitein verantwoordelijk voor het ten spoedigste mondeling (laten) melden van de resultaten van dit onderzoek en het schriftelijk (laten) bevestigen daarvan aan de havenmeester. Om de veiligheid te waarborgen direct na het afmeren en voordat het onderzoek als bedoeld in het tweede lid is afgerond, is in het derde lid van dit artikel bepaald dat er géén operationele handelingen plaats mogen vinden, totdat een gasdeskundige heeft vastgesteld, dat dit veilig kan. Voor het ligplaats nemen door tankschepen buiten een oliehavengebied geldt op grond van het vijfde lid een meldingsplicht. De nadere invulling van de melding is opgenomen in artikel 11.
- § 4 Behandeling van gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk Artikel 4.1 Behandeling van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk en gas Dit artikel regelt in zijn algemeenheid de veilige en milieuverantwoorde behandeling van genoemde stoffen. Het beperken van emissies maakt een belangrijk onderdeel uit van dit artikel. Per lid van het artikel wordt nader inhoudelijk ingegaan op de strekking. Overigens geldt voor dit gehele artikel het uitgangspunt dat het schip centraal staat, waan/oor de opgenomen voorschriften gelden. Daarbij maakt het niet uit of het schip is afgemeerd op bijvoorbeeld een openbare ligplaats als bedoeld in artikel 3.10 van de Havenverordening of aan een afmeen/oorziening, die behoort tot een ligplaats van een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning geldt. De voorschriften zijn zo opgesteld dat zij aansluiten bij of aanvullend zijn op deze regelgeving. Het eerste lid van dit artikel regelt dat, voordat overslag van vloeibare gevaariijke óf schadelijke stoffen met een zeetankschip plaatsvindt, de voor de overslag verantwoorde personen (op een zeetankschip de kapitein en voo rde inrichting de exploitant) een veiligheidscontrolestaat nalopen en invullen. De hier bedoelde veiligheidscontrolestaat is de controlestaat zoals opgenomen in de International Safety Guide for Ojltankers and Terminals, of zoals nadien gewijzigd. De ISGOTT wordt uitgegeven door de International Chamber of Shipping (hierna: ICS / Oil Companies International Marine Forum (hiema: OCIMF) / International Association of Ports and Harbors. Deze internationaal bekende veiligheidscontrolestaat wordt wereldwijd gebruikt voor schip / wal overslag. Voordeel van het gebruik van deze internationaal bekende veiligheidscontrolestaat is dat scheepsofficieren van de zeetankvaart met het gebruik bekend zijn en wijzigingen automatisch worden aangebracht. De veiligheidsvoorschriften voor overslag tussen een binnentankschip en een inrichting zijn neergelegd in het Adn. Aanvullende regulering in dit reglement is voor dat type overslag niet nodig. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voordat overslag van vloeibare gevaariijke of schadelijke stoffen tussen zeetankschepen onderiing plaatsvindt de voor de overslag verantwoordelijke personen (op een zeetankschip de kapitein) een voorgeschreven veiligheidscontrolestaat nalopen en invullen door op de daartoe bestemde plaatsen hokjes af te vinken of aan te kruisen. De in dit lid bedoelde veiligheidscontrolestaat is opgenomen in Bijlage 1 bij dit Havenreglement Het derde lid van dit artikel bepaalt dat voordat overslag van vloeibare gevaariijke en schadelijke stoffen tussen een zeetankschip en een binnenvaarttankschip of tussen binnenvaarttankschepen onderiing plaatsvindt de voorde overslag verantwoordelijke personen (op een zeetankschip de kapitein en op een binnenvaarttankschip de schipper) een voorgeschreven veiligheidscontrolestaat nalopen en invullen door op de daartoe bestemde plaatsen hokjes af te vinken of aan te kruisen. De hier bedoelde veiligheidscontrolestaat is de controlestaat zoals opgenomen in de International Safety Guide for Inland Navigation Tank-barges and Temninals (hierna: ISGINTT), of zoals nadien gewijzigd. De ISGINTT wordt uitgegeven door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR ) en de OCIMF. In het vierde lid, onderdeel a, is bepaald dat na invulling van de veiligheidscontrolestaten de in de eerste drie leden opgenomen eisen tijdens de overslag en zolang het schip ter plekke ligplaats inneemt moeten worden nageleefd. Het naleven van de veiligheidscontrolestaten geldt dus niet alleen tijdens de overslag, maar ook zolang het betrokken tankschip ligplaats heeft Het is ook van toepassing op de betrokken inrichting, indien de tankschepen afgemeerd liggen bij een inrichting. In het vierde lid, onderdeel b, is bepaald dat de overslag tussen een tankschip en een inrichting of tussen tankschepen onderiing onmiddellijk gestopt dient te worden, indien het gestelde in de veiligheidscontrolestaten niet wordt nageleefd. In het vijfde lid is bepaald wanneer en bij welke stoffen rechtstreekse overslag van gevaariijke of schadelijke stoffen plaats moet vinden met gebruik van een dampretourieiding. De International Bulk Chemical Code schrijft aan zeetankschepen voor dat voor het ven/oer van bepaalde stoffen een tank met dampretouraansluiting op het schip aanwezig moet zijn. Het Adn bepaalt voor binnentankschepen dat bepaalde stoffen gesloten ven/oerd moeten worden. In deze internationale regelingen is echter niet expliciet voorgeschreven dat bij overslag een dampretourieiding daadwerkelijk moet worden gebruikt. De milieuveiligheid in de haven is erbij gebaat wanneer de betreffende leidingen tijdens overslag van deze gevaariijke of schadelijke stoffen worden gebruikt en om die reden wordt het gebruik en/an verplicht gesteld in het vijfde lid. Ook is in dat lid het gebruikvan dampretourieidingen voorgeschreven voor de overslag van stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken of stoffen die aanvullende risicobeheersende maatregelen behoeven. Dit zijn de stoffen die zijn opgenomen in bijlage
- De leidingen moeten dan gebruikt worden ter voorkoming van met name stankoveriast of risico voor de omgeving vanwege hun schadelijke aard. De laatste categorie waan/oor het gebruik van dampretourieidingen verplicht is gesteld, is de categorie van vluchtig organische stoffen. Ook in de afzonderiijke vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de inrichtingen (aan de wal) die milieugevaariijke stoffen behandelen, wordt gesloten behandeling van deze stoffen verplicht gesteld door de vergunningveriener, Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland. Door het opnemen van de verplichting in het vijfde lid is er geen verschil tussen overslag van ladingen van en naar een inrichting en tussen tankschepen onderling, ongeacht hun ligplaats. Ontheffing van dit voorschrift in het vijfde lid is mogelijk, indien op een andere wijze dan via de dampretouraansluiting emissie kan worden voorkomen. Gedacht kan worden aan innovatieve oplossingen, zoals bijvoorbeeld een drijvende dampverwerkingsunit. Met de voorschriften genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid met betrekking tot de overslag van schadelijke en gevaariijke stoffen in bulk is het mogelijk om overslag te laten plaatsvinden tussen twee tankschepen onderling, die onder andere zijn afgemeerd bij afmeerboeien of bij een inrichting. Zeetankschepen zijn de afgelopen decennia qua constructie steeds veiliger geworden. Hierdoor vindt de overslag plaats onder steeds veiligere omstandigheden. Het verplicht stellen van dampretoursystemen draagt bij aan een verbetering van het milieu. De overslag van schadelijke en gevaarlijke stoffen wordt onder voorwaarden toegestaan. Deze constructie heeft bovendien een verlaging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot gevolg, aangezien hiervoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. De voonwaarden zijn in algemene regels neergelegd. Het zesde lid is opgenomen om er voor te zorgen dat bij rechtstreekse overslag tussen een zeetankschip dat ingevolge internationale regelgeving verplicht is om inerte ladingtanks te hebben en een tankschip dat deze verplichting niet heeft er voor te zorgen dat dit schip ook inert is. Indien deze verplichting niet opgenomen wordt, zal bij rechtstreekse overslag het zeetankschip dat verplicht is inert te zijn gedurende de overslag niet meer inert zijn en dus niet meer voldoen aan de internationale regelgeving, omdat het een niet-inert mengsel van het andere schip ontvangt. Net als de mogelijkheid tot ontheffing van het bepaalde in het vijfde lid kan ook van het bepaalde in het zesde lid ontheffing worden verleend, indien er andere methoden of middelen beschikbaar zijn om de veiligheid te waarborgen. Het zevende lid verbiedt in beginsel de overslag van gassen tussen tankschepen onderling. Op grond van het twaalfde lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Een voorbeeld van een bijzonder geval is een zogenoemd binnen-buitenschip, dat na herkomst van zee met een lading gas moet doorvaren naar het achterland, maar dit niet kan vanwege een lage waterstand op de Rijn. In dat geval is het noodzakelijk om een deel van de lading over te slaan om een kleinere diepgang te verkrijgen. De verplichtingen genoemd in het achtste en negende lid zijn nieuw opgenomen in dit Havenreglement. Voorheen waren deze verplichtingen opgenomen in de ontheffing die werd verleend voor rechtstreekse overslag. Door ze in het Havenreglement op te nemen, zijn deze verplichtingen algemeen van toepassing. Het achtste lid is een algemene zorgplichtbepaling, die er voor zorg moet dragen dat tijdens alle operationele handelingen met gevaariijke of schadelijke stoffen zodanige omstandigheden aanwezig zijn, dat onmiddellijk kan worden ingegrepen bij verstoringen in dit proces. Het negende lid is opgenomen om te voorkomen dat bij overslag tussen tankschepen enorme lengtes aan elkaar gekoppelde slangen worden gebruikt. Door het opnemen van dit lid wordt de kans op lekkage tot een minimum beperkt Het tiende lid is opgenomen om er voor zorg te dragen dat bij het behandelen van gevaarlijke stoffen de vaste scheepspompen en -leidingen worden gebruikt. Het kan echter voorkomen dat een ontheffing van dit voorschrift noodzakelijk is, wanneer er bijvoorbeeld een storing optreedt in een ladingpomp van het schip. Om een noodlossing mogelijk te maken, zal in dat uitzonderlijke geval de veiligheid worden gewaarborgd door het stellen van nadere voorschriften of beperkingen in een ontheffing. Het elfde lid is nieuw en bepaalt dat de behandeling van een gevaariijke stof of schadelijke stof, die gevaar, schade of hinder kan veroorzaken op basis van de criteria in het vijfde lid onder a, b of c te allen tijde gesloten plaats dient te vinden. Hiermee wordt voorkomen dat er rechtstreekse emissies naar de buitenlucht plaats vinden tijdens enige behandeling van een gevaariijke of schadelijke stof. In het vijfde lid is dit specifiek al voor de overslag tussen tankschepen geregeld, maar dit lid spreekt over alle behandelingen, dus ook bijvoorbeeld tijdens het intern verpompen. Deze bepaling is mede van belang met het oog op artikel 6.1 van dit Havenreglement, omdat het belangrijk is dat er tijdens het langszij komen van andere schepen tijdens deze behandelingen géén dampconcentraties aanwezig zijn, die gevaar voor de veiligheid of gezondheid opleveren. Ontheffing van het bepaalde in het elfde lid zal alleen worden verleend in het geval er géén redelijke alternatieven zijn om de lading gesloten over te slaan. De term "gesloten" komt terug bij artikel 6.1 van dit Havenreglement. Het houdt in, dat er géén emissies naar de buitenlucht plaats vinden, behoudens in die gevallen waar door middel van technische voorzieningen, zoals pressure-vacuümvalves ter vooricoming van gevaariijke over- of onderdruk in de ladingtanks van het tankschip, gecontroleerde emissie plaats vindt. § 5 Schoonmaken van scheepsruimten die een gevaarlijke of schadelijke stof bevatten Artikel 5.1 Wassen en schoonmaken van ladingtanks Dit artikel regelt in zijn algemeenheid het veilig en milieuverantwoord schoonmaken van genoemde ruimten. Het beperken van emissies maakt een belangrijk onderdeel uit van dit artikel. Per lid van het artikel wordt nader inhoudelijk ingegaan op de strekking. De technische en operationele voorschriften voor het schoonmaken van binnentankschepen zijn geregeld in het Adn. Op basis van artikel 3.10 van de Havenverordening kan het college voor de binnenvaart een beperkt aantal locaties aanwijzen, waar de binnentankvaart schoon kan maken. Het college kan in aanvulling op het Adn nadere voorschriften en beperkingen stellen aan deze activiteit, indien deze plaatsvindt op de aangewezen ligplaats. De meeste leden van dit artikel betreffen derhalve het schoonmaken van zeetankschepen. Alleen het derde en vijfde lid van dit artikel, die gaan over respectievelijk het schoonmaken van gastankschepen en de bevoegdheid om bij bepaalde atmosferische omstandigheden het schoonmaken te beperken of te verbieden, betreffen zowel binnentankschepen als zeetankschepen. De opgenomen voorschriften voor het schoonmaken ven/angen het systeem van individuele ontheffingen uit de Rhv
- Een meldingsplicht op basis van het zevende lid zorgt voor een toetsingsmoment door de havenmeester of de schoonmaakoperatie veilig en verantwoord plaats kan vinden. Het eerste lid, onder a bevat een algemeen verbod op het schoonmaken van ladingtanks van zeetankschepen waarin stoffen als bedoeld in artikel 4.1 onder a, b of c zijn ven/oerd. Dit zijn die stoffen, die vanwege hun eigenschappen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken uit het oogpunt van veiligheid of geuroveriast. Het schoonmaken van deze ruimten mag alleen plaatsvinden als het schip zo is ingericht dat gesloten schoonmaken mogelijk is en vermeden wordt dat gassen of dampen ontsnappen. Slechts het onvermijdelijk laten ontsnappen van een klein restje gas bij het openen van de ruimten is toelaatbaar. Het eerste lid bepaalt ook dat gesloten schoonmaken alleen toegestaan is wanneer het schip ertoe is ingericht. Dit blijkt uit het schoonmaakhandboek, zoals dat in het MARPOL-Verdrag is voorgeschreven door de IMO. Een andere mogelijkheid is dat de betreffende ruimten worden schoongemaakt bij een inrichting die is ingericht voor het schoonmaken van dergelijke ruimten en die de dampen in ontvangst neemt. Het sluitstuk van het (gesloten) schoonmaken van ladingtanks wordt gevormd door het droogmaken of ventileren ervan door middel van het openzetten van deze tanks. Tijdens deze handeling mogen ten behoeve van de veiligheid geen andere schepen langszij ligplaats hebben, tenzij dit veilig geschiedt en de atmosfeer van de ladingtanks van het schoonmakende schip dat toelaat. Om die reden zijn in het tweede lid eisen gesteld aan het droogmaken en ventileren na gesloten schoonmaken. Het verbod in het derde lid betreft ladingtanks van tankschepen die vloeibare gassen bevatten. Deze tanks mogen uitsluitend worden schoongemaakt bij inrichtingen die in het bezit zijn van een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op grond waarvan het de inrichting is toegestaan om dergelijke ladingtanks schoon te maken. De inrichting dient de afvalstoffen in ontvangst te nemen. Het schoonmaken van dergelijke schepen brengt risico's met zich mee, die worden geminimaliseerd door het schoonmaken te laten plaatsvinden onder de goed gecontroleerde omstandigheden van een dergelijke inrichting. Het vierde lid van dit artikel bepaalt de voorwaarden waaronder het wassen met ruwe aardolie in de haven kan plaatsvinden. Hierin wordt verwezen naar de International Code for Fire Safety Systems uitgegeven door de IMO van de Verenigde Naties. Het gebruik van deze internationaal bekende Code is bekend bij scheepsofficieren van de zeetankvaart en wijzigingen worden automatisch aangebracht. In het vijfde lid is in zijn algemeenheid bepaald dat het schoonmaken van stoffen als bedoeld in artikel 4.1 onder a, b of c, hetgeen mede inhoudt het openen of ventileren van deze ruimtes na het schoonmaken, door het college kan worden beperkt of te verboden, indien atmosferische omstandigheden dit noodzakelijk maken. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen de havenmeester en de milieuautoriteiten op basis van afgegeven weercodes. Op grond van het zesde lid kan het college van de gestelde verboden, voor zover het betreft het schoonmaken van zeetankschepen, ontheffing verlenen, indien de omschreven activiteiten incidenteel toch noodzakelijk zijn. Hierbij valt te denken aan een situatie met defect scheepsmaterieel, zoals bijvoorbeeld een niet-werkende scheepspomp. In deze incidentele gevallen zullen via een ontheffing adequate maatregelen genomen worden om de veiligheid te waarborgen en de emissie zoveel als praktisch mogelijk te beperken. § 6 Langszij meren bij tankschepen Artikel 6.1 Verbod langszij meren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen Dit artikel regelt het ligplaats nemen langszij tankschepen geladen met of leeg van gevaariijke stoffen, teneinde een veilige situatie te waarborgen. Deze tankschepen kunnen zowel in het oliehavengebied ligplaats hebben als daarbuiten. Het normadressaat van dit artikel is de kapitein of schipper van het langszij komende schip. Dit neemt niet weg dat de schipper/kapitein van het tankschip waariangs langszij wordt gegaan ook zijn verplichtingen heeft, met name die op basis van de artikelen 4.1 en 5.
- In het bijzonder wordt gewezen op artikel 4.1, vijfde en elfde lid en artikel 5.1, eerste en tweede lid. In het eerste lid is in zijn algemeenheid bepaald welke schepen uitgezonderd zijn van het verbod en aan welke minimale veiligheidsvoorwaarden moet worden voldaan. Deze veiligheidsvoonwaarden hebben onder meer betrekking op de locatie van afmeren (binnen of buiten de ladingzone), de bouwen uitrustingseisen en de maximale afmeerbreedte van het aantal schepen. In het tweede, derde en vierde lid zijn verbijzonderingen opgenomen ten opzichte van het eerste lid, die verband houden met de activiteiten van het schip, waarlangs ligplaats genomen moet worden. Het tweede lid bepaalt dat er geen schepen ligplaats mogen nemen langszij tankschepen die betrokken zijn bij de overslag van een gas als bedoeld in de IGC Code of het ADN. De reden hiervan is dat de gevaarseigenschappen van gassen dermate groot zijn dat het gedurende de overslag van deze ladingen verboden is om voor andere schepen langszij ligplaats te nemen. Een uitzondering is gemaakt voor de rechtstreekse overslag van gas tussen twee gastankschepen. Het derde lid staat toe, dat slechts één schip mag afmeren langszij een zeetankschip, dat bezig is met het wassen met ruwe olie. Het af te meren schip moet een binnentankschip zijn, dat voldoet aan het ADN, waardoor een voldoende veiligheidsniveau aanwezig is. Het vierde lid regelt het langszij ligplaats nemen bij zeetankschepen, als bedoeld in artikel 4.1 onder a, b of c, die schoonmaken, anders dan met ruwe aardolie. Onderdeel a bepaalt dat er een dienstverienend tankschip langszij een zeetankschip ligplaats mag nemen dat bezig is met het uitvoeren van een voorwas als bedoeld in Marpol Annex 11 of dat ladingresiduen als bedoeld in Marpol Annex 11 overneemt. Aan het langszij komende tankschip hoeven geen nadere eisen gesteld te worden. Reden hiervan is dat het schip geschikt moet zijn om de ladingresiduen te mogen vervoeren en dus qua constructie gelijk is aan het zeetankschip. Onderdeel b van het vierde lid heeft betrekking op het gewijzigde artikel 4.4 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Voorheen verbood voornoemde regeling elke vorm van werkzaamheden aan dek en ladingzones van een tankschip dat zich bezighoudt met het schoonmaken. Veel tankschepen die gevaariijke en schadelijke stoffen vervoeren, hebben intussen een constructie waarbij ladingtanks volledig gesloten schoongemaakt kunnen worden en er geen gevaar is wanneer andere werkzaamheden aan dek of in andere ladingtanks plaatsvinden. Om die reden is de Arbeidsomstandighedenregeling aangepast in die zin dat het onder voorwaarden toegestaan is dat andere werkzaamheden op het schip plaatsvinden tijdens het gesloten schoonmaken van ladingruimten. Aanvullend daarop wordt in dit Havenreglement toegestaan dat aan een tankschip dat gesloten schoonmaakt ten hoogste twee tankschepen afmeren, die betrokken zijn bij de ladingoverslag. Hierdoor kan flexibeler worden omgegaan met het toekennen van ligplaatsen aan tankschepen in de haven. In het vijfde lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen, waardoor in bijzondere gevallen ook andere type schepen dan vermeld in het eerste lid toestemming kunnen krijgen om langszij te komen. In het zesde lid is voor de bunkerschepen en dienstverlenende schepen een meldingsverplichting van het langszij komen opgenomen, zodat de havenmeester kan toetsen of het langszij afmeren veilig en verantwoord kan plaatsvinden. Artikel 6.2 Bouw- en uitrustingsvoorschriften langszij meren bij tankschepen Artikel 6.2 is een nieuw artikel dat in het Havenreglement is opgenomen en is vergelijkbaar met artikel 2.
- Het artikel is nodig, omdat tankschepen met gevaariijke stoffen ook buiten een oliehavengebied ligplaats kunnen hebben en gelijke veiligheidsomstandigheden moeten worden gecreëerd. In de Rhv 2010 werden de bouw- en uitrustingsvoorschriften voor schepen die niet langszij waren toegelaten geregeld in een ontheffing. De in artikel 6.2 van het onderhavige Havenreglement genoemde voorschriften zijn van toepassing op dienstverlenende schepen. Ook zijn zij van toepassing op bunkerschepen die niet voldoen aan de eisen die het ADN stelt aan een binnentankschip van het type N. Hierbij kan met name worden gedacht aan bunkerschepen die smeerolie komen afleveren. Om vonken te voorkomen, wordt een vonkenvanger op de uitlaat van de motor voorgeschreven. Hieronder wordt mede verstaan technische toepassingen, die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, zoals bijvoorbeeld watergekoelde uitlaten. § 7 Vergunning afgifte en in ontvangst nemen van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen Artikel 7.1 Aanvraag van een vergunning Aan de aanvrager van een vergunning (voorheen "aanwijzing" genoemd, maar die term strookt niet met de juridische status, namelijk die van vergunning, een beslissing op een aanvraag) van een bedrijf met ontvangstvoorzieningen wordt een formulier gezonden waarop is vermeld welke gegevens in ieder geval bij de aanvraag dienen te worden overgelegd. De gegevens komen overeen met de inhoud van het genoemde formulier. Deels betreft het overleggen van gegevens, zoals een inzamelvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Deels dient de aanvrager bepaalde zaken te specificeren, zoals de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen en de soorten afvalstoffen voor welke de aanvraag wordt ingediend. § 8 Verlenen van een erkenning aan bootliedenorganisaties Artikel 8.1 Erkenning bootliedenorganisatie Dit artikel bevat de voonwaarden voor erkenning van een bootliedenorganisatie. Het bedrijf moet voorzien zijn van een ISO-certificaat en beschikken over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld. Ook draagt het bedrijf zorg voor regelmatig overleg met andere nautische dienstverleners in de haven, zoals loodsen en havensleepdiensten. Het bedrijf draagt verder zorg voor een goede kwaliteit en kwantiteit van het personeel en het materieel, teneinde adequate diensten te kunnen verlenen. Dit houdt in dat in volcontinudienst, per uur, ten minste drie zeeschepen afzonderiijk in verschillende situaties wat betreft afmeting, type en locatie kunnen worden vast- of losgemaakt Tot slot verstrekt het bedrijf legitimatiebewijzen aan bootlieden. § 9 Verplichtingen waaraan bootmannen moeten voldoen Artikel 9.1 Beroep en verplichtingen bootman Dit artikel regelt de voonwaarden voor de uitoefening van het beroep bootman. Alle eisen die worden gesteld aan het uitoefenen van het beroep bootman zijn in dit artikel opgenomen. De bootman moet ofwel een opleiding Bootman, vastgesteld door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder toekenning van registratiecode CREBO-93030, met goed gevolg hebben afgesloten, dan wel in een andere Europese lidstaat een opleiding tot bootman met goed gevolg hebben afgesloten die gelijkwaardig is aan de opleiding Bootman of over relevante ervaring beschikken. In die gevallen laatste twee gevallen dient de bootman de Nederlandse taal voldoende machtig te zijn. Tevens moet de bootman te allen tijde zijn aangesloten bij een erkende bootliedenorgansatie. In het tweede lid is bepaald dat de bootman voorzien moet zijn van een legitimatiebewijs dat de bootman op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken, moet kunnen tonen. Bedrijven of personen kunnen van deze bepaling gebruik maken voor het controleren van de bootman. Voor toezichthouders is deze bevoegdheid tot controle geregeld in artikel 5:20 van de Awb. § 10 Schepen waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld Artikel 10.1 Met ontsmettingsmiddelen behandelde lading Dit artikel regelt het ligplaats nemen of het zich bevinden op een ligplaats met een schip waarvan de lading buiten Nedériand met ontsmettingsmiddelen is behandeld, de zogenaamde "fumigation in transit". De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is op deze ontsmettingen niet van toepassing. In dit artikel wordt gesproken over het begrip "schip". Het artikel is dus van toepassing op zowel zee- als op binnenschepen. Hierdoor wordt de bepaling in overeenstemming gebracht met de bestaande praktijk. Het innemen van een ligplaats of het zich bevinden op een ligplaats met lading die met ontsmettingsmiddelen is behandeld, is in principe verboden, tenzij aan bepaalde voonwaarden wordt voldaan. Het in onderdeel a van het eerste lid bedoelde gasmeetcertificaat kan zijn verkregen doordat een gasmeetdeskundige op de rede van IJmuiden of tijdens de vaart op het Noordzeekanaal, voor een zeeschip, of tijdens de vaart op het Amsterdam-Rijnkanaal of het Afgesloten IJ of het Noordzeekanaal voor een binnenschip, onder weg de metingen heeft verricht. Indien het meten voor het ligplaats nemen niet mogelijk is, kan een schip afmeren onder de voorwaarden als genoemd in het eerste lid, onder b. De redactie van het eerste lid houdt tevens rekening met schepen die in het buitenland zijn beladen met aldaar (in de silo) aan de wal ontsmette lading, die in de haven wordt gelost. Deze lading kan eveneens bepaalde risico's met zich meebrengen. Voorts is dit lid beperkt tot schepen, geladen met bulklading in vaste vonn. Hierdoor worden alle containerschepen van de toepassing uitgesloten. Deze schepen hebben containers als lading onder gas aan boord en zouden dus allemaal gemeten dienen te worden of een ontheffing dienen te krijgen, hetgeen niet wenselijk is. Het onder gas staan van te vervoeren containers is in de IMDG-Code geregeld, inclusief de etikettering. Opgemerkt wordt, dat een schip, dat bijvoorbeeld geladen is met gegaste losse balen cacao, valt onder de werking van dit artikel; deze lading wordt in dit verband gezien als bulklading in vaste vorm. In het tweede lid is bepaald dat direct nadat een schip waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld, is afgemeerd een onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien het schip is afgemeerd onder de voorwaarde als genoemd in het eerste lid, onder b. De reden hiervan is dat het onbekend is wat de concentratie is van het ontsmettingsgas in de lading. Zolang dit niet bekend is, kan de havenmeester niet bepalen of de veiligheid en het milieu in de haven in het geding zijn. Ook dient er een meting uitgevoerd te worden, indien dit naar het oordeel van de havenmeester noodzakelijk is, bijvoorbeeld, indien er een lange tijd zit tussen de meting en het afmeren of de meteorologische omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat een nieuwe meting noodzakelijk is. In het derde lid is bepaald dat de meting, bedoeld in het tweede lid direct na afmeren plaats vindt. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zo spoedig mogelijk na het afmeren bepaald moet worden of de veiligheid en het milieu in de haven in het geding zijn. Indien dit niet het geval is, zal bekeken moeten worden of het schip ter plaatse kan blijven liggen of dat het dient te verhalen naar een alternatieve ligplaats om aldaar de lading te ventileren en de concentratie van het ontsmettingsmiddel zodanige waarden krijgt dat de genoemde belangen te allen tijde gegarandeerd zijn. In het vierde lid is bepaald dat een afschrift van het gasmeetcertificaat moet worden opgestuurd aan de havenmeester. Op grond van artikel 1.10 van de Havenverordening is de kapitein verantwoordelijk om hiervoor zorg te (laten) dragen. In het vijfde lid is aangegeven wanneer een schip kan gaan lossen. Er dient een door een gasmeetdeskundige opgesteld plan van aanpak te zijn. In het plan van aanpak wordt beschreven welke maatregelen, gedurende de periode dat het schip onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen, getroffen moeten worden om de veiligheid op het schip en voor de omgeving te waarborgen. Het plan dient goedgekeurd te zijn door de havenmeester. Dit plan van aanpak beschrijft gedurende de periode dat de lading onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen, de te treffen maatregelen om de ordening, veiligheid en milieu op het schip en voor de omgeving te waarborgen. In het achtste lid is bepaald dat de resultaten van het onderzoek moeten worden gemeld aan de havenmeester. Op grond van artikel 1.10 yan de Havenverordening is de kapitein verantwoordelijk voor het ten spoedigste mondeling (laten) melden van de resultaten van dit onderzoek en het schriftelijk (laten) bevestigen daarvan. Op grond van het negende lid is overslag van lading die onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen meldingsplichtig. De melding is nader uitgewerkt in artikel 11.
- Er is specifiek bepaald dat de stuwadoor voor deze melding verantwoordelijk is. Dit is in deze gevallen namelijk de partij die de overslag feitelijk uitvoert. §11 Melden In de opzet van het Havenreglement is en/oor gekozen om alle meldingen die op basis van de Havenverordening en het Havenreglement plaats moeten vinden, centraal op te nemen in deze paragraaf. De artikelen spitsen zich toe op het tijdstip en inhoud van de melding. Daarnaast is bepaald dat de havenmeester aangeeft op welke operationele wijze de melding plaats moet vinden. Alle meldingen vinden plaats bij één centraal loket de operationele uitwerking van de wijze waarop de melding plaats moet vinden, zal beschreven worden op de website van dat loket. Reden hien/oor is dat gelet op eventuele inhoudelijke veranderingen van bijvoorbeeld telefoonnummers en marifoonkanalen door de havenmeester snel ingespeeld kan worden op deze gewijzigde omstandigheden, zonder dat hiervoor het Havenreglement hoeft te worden aangepast. Via een kennisgeving aan de scheepvaart zal de betrokken doelgroep hierover worden geïnfonneerd. Deze methode van werken is bekend in de scheepvaartwereld. Er zijn twee soorten meldingen. De eerste soort zijn de meldingen die behoren bij de uitzonderingen van verboden handelingen. Een voorbeeld hien/an is artikel 4.14, derde lid, van de Havenverordening. Bij het ontvangen van deze melding zal de havenmeester toetsen of de voorgenomen gedraging in overeenstemming zijn metde beschreven uitzonderingen op het verbod. Is dit niet het geval, zal de schipper of kapitein van een schip dit worden meegedeeld. Het gevolg kan zijn dat de schipper of kapitein een ontheffing, zo die mogelijk is, aanvraagt. Ook kan een aanwijzing het gevolg zijn. De tweede soort meldingen zijn operationele meldingen die tot doel hebben de havenmeester op de hoogte te brengen van de activiteiten welke in de haven plaats vinden. Hierdoor beschikt de havenmeester te allen tijde over een actueel beeld. Een voorbeeld hiervan is de melding op basis van artikel 4.8, vijfde lid van de Havenverordening. Deze melding gaat vooraf aan het bunkeren van een zeeschip. Artikel 11.1 Melding ligplaats nemen bunkerschip en dienstverlenend schip ln verband met een actueel overzicht van de ligplaatsbezetting in de haven en een toetsing of het totaal aan afgemeerde schepen op een ligplaats mogelijk is in het kader van artikel 3.3 van de Havenverordening (beschikbare operationele ruimte) en er géén belemmering zal optreden ten opzichte van de overige scheepvaart, dienen de zogenoemde faciliterende schepen zich vooraf bij de havenmeester te melden. Deze melding door bunkerschepen zal praktisch gezien samenvallen met de verplichte meldingen uit artikel 11.2 en 11.
- Echter, de reden van de meldingen in 11.2 en 11.10 heefteen andere grondslag, respectievelijk die van milieu en veiligheid, tenwijl de melding in artikel 11.1 haar grondslag vindt in de nautische ordening. Daarnaast zal deze melding voor dienstverienende schepen praktisch gezien samenvallen met de melding als bedoeld in artikel 11.6 en 11.
- Echter, de meldingen in 11.6 en 11.10 hebben een andere grondslag, namelijk die van veiligheid bij het binnenvaren van een oliehavengebied of langszij afmeren bij tankschepen met gevaariijke stoffen, tenwijl artikel 11.1 haar grondslag vindt in de nautische ordening. Verderzullen dienstverienende schepen zich op basis van dit artikel altijd moeten melden, ook wanneer zij een dienst verienen aan een schip buiten het oliehavengebied of aan een schip, niet zijnde een tanker met gevaariijke stoffen. Bij de invulling van de meldingswijze zullen genoemde meldingen op een praktische wijze worden geïntegreerd tot één melding, zodat administratieve lasten beperkt blijven. Artikel 11.2 Melding bunkeren of overpompen van brandstofolie De meldverplichting aangaande het bunkeren van zeeschepen is uitgebreid met een meldplicht in verband met het overpompen van brandstofolie of smeerolie tussen bunkerschepen. De melding vindt plaats uit het oogpunt van milieubelangen, waarbij de havenmeester een actueel overzicht heeft van de bunkeroperaties in de haven. De bunkermelding zal praktisch gezien worden geïntegreerd met de melding als bedoeld in artikelen 11.1 en 11.
- Er bestaat ook een mogelijkheid dat de havenmeester van de verplichtingen vrijstelling verleent. Artikel 11.3 Melding gebruik ankers Drijvende kranen zijn vrijgesteld van het verbod om een anker te gebruiken, mits zij dit voornemen melden aan de havenmeester. Op die wijze kan de havenmeester toetsen of ankeren op de aangegeven locatie mogelijk is. Artikel 11.4 Melding afeien gebruik diensten bootman ln verband met de toetsing of het afzien van het gebruik van de diensten van een bootman veilig en verantwoord is, dient de kapitein van het betreffende zeeschip dit minimaal één uur voor vertrek van of aankomst op de ligplaats te melden aan de havenmeester. Daarnaast werkt de havenmeester nauw samen met de bootliedenorganisaties, zodat de planning van hun inzet zo optimaal mogelijk plaats kan vinden. Deze melding is in alle gevallen verplicht ten behoeve van de toetsing en om onduidelijkheid over het wel of niet gebruik maken van de diensten van een bootman te voorkomen. Artikel 11.5 Melding verrichten van werkzaamheden Dit artikel regelt een meldplicht voor een schip dat voomemens is om scheepsreparatiewerkzaamheden uit te voeren buiten een werf of herstellingsinrichting. Reparaties aan schepen bij een werf of herstellingsinrichting vallen, met uitzondering van het ligplaats nemen, buiten de werking van het Havenreglement. Deze meldplicht ven/angt het ontheffingenstelsel zoals dat gold onder het regiem van de Rhv 2010, voorzover de scheepsreparatie ten hoogste drie dagen duurt. Indien uit de melding blijkt dat de reparatie meer dan drie dagen duurt, kan de havenmeester op grond van het derde lid van artikel 4.13 van de Havenverordening ontheffing verlenen. Artikel 11.6 Melding binnenvaren oliehavengebied Deze meidverplichting is opgenomen, zodat de havenmeester uit oogpunt van veiligheid noodzakelijke kennis heeft van de aanwezigheid van dienstverlenende, bagger- of werkschepen in het oliehavengebied. De havenmeester is hierdoor op de hoogte van de aanwezigheid en de uit te voeren werkzaamheden in het oliehavengebied en kan toetsen of deze schepen voldoen aan de bouw- en uitrustingseisen en of de activiteiten veilig plaats kunnen vinden. Op bunkerschepen is deze melding niet van toepassing, omdat bunkerschepen uit veiligheidsoogpunt over het algemeen voldoen aan de uitrustingseisen voor een tankschip van het type N conform het ADN. Voor de paar uitzonderingen pp deze regel wordt dit onden/angen door de verplichte melding confonn artikelen 11.1 en 11.
- Voor de dienstverlenende schepen zal deze melding uit praktisch oogpunt eveneens samenvallen met de melding van artikel 11.1 en, indien van toepassing, met de melding van artikel 11.
- Artikel 11.7 Melding ligplaats tankschip buiten oliehavengebied Dit artikel regelt de meldplicht voor tankschepen geladen met of leeg van gevaariijke stoffen. De meldplicht geldt voor een binnentankschip dat voornemens is om ligplaats te nemen buiten een oliehavengebied en dat vanwege het gasvrij zijn gerechtigd is conform het Adn zijn kegelseinvoering (aanduiding gevaarlijke stoffen) weg te halen. Het regelt eveneens de meldplicht voor een zeetankschip dat voornemens is om ligplaats te nemen buiten het oliehavengebied en dat vanwege de minder gevaariijke aard van de lading of door het nemen van bepaalde veiligheidsmaatregelen, omschreven in artikel 3.1 van de Havenverordening, gerechtigd is dit te doen. Het betreft hier alleen die ligplaatsen, die niet voor deze tankschepen zijn aangewezen of normalerwijze zijn bedoeld. Deze meldplicht vervangt het ontheffingenstelsel zoals dat was opgenomen in de Rhv
- Artikel 11.8 Melding van rechtstreekse overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk tussen tankschepen onderling Dit artikel regelt een meldplicht voor schepen die voornemens zijn om gevaariijke of schadelijke stoffen rechtstreeks onderling over te slaan. Deze meldplicht maakte in de Rhv 2010 onderdeel uit van de ontheffing. Aangezien in het Havenreglement de rechtstreekse overslag van genoemde ladingen valt onder algemene regels en er geen ontheffing meer wordt verstrekt is een meldplicht opgenomen. Het melden dient te geschieden voorafgaand aan het innemen van ligplaats en na afloop van de overslag, zodat vooraf getoetst kan worden door de havenmeester of de overslag veilig kan plaatsvinden. Daarnaast kan worden geanticipeerd op het inzetten van toezicht. De melding achteraf is noodzakelijk ten behoeve van een actueel beeld van de operationele handelingen op die ligplaats. In het derde lid is bepaald dat het schip dat rechtstreeks op een afmeerboei, afmeerpalen, een steiger of een kade is afgemeerd de melding moet doen. Hierdoor is het duidelijk wie de melding moet doen. Artikel 11.9 Melding wassen of schoonmaken van ladingtanks Dit artikel regelt een meldplicht voor zeetankschepen die voornemens zijn om schoonmaakoperaties uit te voeren van de meest gevaariijke en schadelijke stoffen. Deze meldplicht maakte in de Rhv 2010 onderdeel uit van de ontheffing. Aangezien in het Havenreglement het schoonmaken en wassen valt onder algemene regels, is een meldplicht opgenomen. Het melden dient te geschieden voorafgaand aan en na afloop van het schoonmaken, zodat vooraf getoetst kan worden door de havenmeester of de operatie veilig kan plaatsvinden. Daarnaast kan worden geanticipeerd op het inzetten van toezicht. De melding achteraf is noodzakelijk ten behoeve van een actueel beeld van de operationele handelingen op die ligplaats. De verplichting in het derde lid om de verplichte voonwas binnen een bepaald tijdsbestek te melden, vloeit voort uit de verplichting uit het MARPOL-Verdrag om toezicht te houden op de voorwas. Op grond van het derde lid moet het tijdstip van aanvang van een verplichte voorwas ten minste twee uur voor aanvang van het voorwassen aan de havenmeester worden gemeld. In het vierde lid is een uitzondering opgenomen op de meldplicht Wanneer sprake is van droogmaken kan een melding achtenwege blijven. Dit vanwege het ongevaariijke karaktervan deze activiteit. Artikel 11.10 Melding langszij afmeren bij tankschepen met gevaarlijke stoffen Ten behoeve van een toetsing door de havenmeester of de betreffende schepen voldoen aan de bouw- en uitrustingseisen om veilig langszij deze schepen af te meren, alsmede de toetsing of zij in verband met de activiteiten van het betreffende zeetankschip juist op dat moment veilig langszij af kunnen meren, is deze melding ingevoerd. Deze melding zal voor bunkerschepen praktisch gezien samenvallen metde melding als bedoeld in artikelen 11.1 en 11.
- Voor dienstverienende schepen zal deze melding praktisch gezien samenvallen metde melding als bedoeld in artikel 11.1 en, indien van toepassing, met de melding van artikel 11.
- Artikel 11.11 Melding met ontsmettingsmiddelen behandelde lading Deze meldingsbepaling bestaat uit twee onderdelen. In het eerste lid is bepaald, dat de gegevens van het afgegeven gasmeetcertificaat zo spoedig mogelijk aan de havenmeester worden gemeld, zodat de havenmeester een actueel beeld heeft van de veiligheidssituatie rondom dit schip. Uit artikel 10.1 volgt, dat de kapitein verantwoordelijk is voor het (laten) melden van deze gegevens. In het tweede lid zijn de meldingsgegevens opgenomen van de overslag van lading, die onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen. Op deze wijze verkrijgt de havenmeester uit veiligheidsoogpunt inzicht in de actuele situatie van het zeeschip, maar ook van de schepen waarin deze lading wordt overgeslagen. Uit artikel 10.1 volgt, dat de stuwadoor verantwoordelijk is voor het doen van deze melding. Artikel 11.12 Melding combinatietankschip Deze meldverplichting is een aanvulling op de melding op grond van de RCLZ voor een combinatietankschip dat losgestorte bulklading in vaste vonn lost of daarmee geladen wordt. De melding omvat de eventuele aanwezigheid van brandbare vloeistoffen of restanten daan/an van voorgaande ladingen, de stuwage en het zuurstofpercentage van de geïnertiseerde tankatmosfeer boven de brandbare ladingrestanten. Aan de hand van deze melding kan getoetst worden of het combinatietankschip voldoet aan artikel 3.1, eerste lid, onder c. Voldoet het combinatietankschip hieraan, dan kan het ter ladingbehandeling afmeren buiten het oliehavengebied. Artikel 11.13 Melding laden gevaarlijke of schadelijke stoffen in verpakte vorm ln artikel 10.07 van het Binnenvaartpolitiereglement is de verplichting opgenomen om vóór vertrek van een zeeschip dat in dat artikel genoemde gevaariijke of schadelijke stoffen in verpakking vervoert, bepaalde gegevens te melden aan de bevoegde autoriteit van de betreffende haven. In de Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart is neergelegd welke gegevens gemeld moeten worden en aan wie gemeld moet worden. In artikel 11.13 isde aanvullende verplichting opgenomen om ten minste drie uur voor aanvang ook melding te maken van het voornemen tot het laden van bovengenoemde stoffen. Met deze kennis kan rekening worden gehouden met het toewijzen van ligplaatsen in de nabijheid van het zeeschip dat geladen wordt met de genoemde stoffen in verpakte vorm. Ook is de melding van belang voor de toepassing van de Zoneringsregeling verpakte gevaarlijke stoffen, die is opgenomen in bijlage
- Artikel 11.14 Melding verrichten van rechtstreekse overslag van losgestorte bulklading in vaste vorm ln de Rhv 2010 was een verbod opgenomen van laden en lossen van losgestorte bulklading in vaste vorm. Of en de voonwaarden waaronder een bedrijf losgestorte bulklading in vaste vorm mag overslaan, is thans geregeld via de vergunningplicht op grond van de Watenwet. Het oude verbod is daarom uit de Havenverordening geschrapt. In plaats daan/an is een meldplicht opgenomen, zodat de havenmeester op de hoogte is van welke operaties wanneer uitgevoerd worden. Artikel 11.15 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade Artikel 11.15 bevat de verplichting voor schepen om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. Een voorbeeld hien/an is het niet functioneren van de inert gas installatie op een tankschip. De bepaling is van toepassing op alle schepen. Dit artikel is een aanvulling op de meldingsartikelen van het RVGZ. Het RVGZ is alleen van toepassing op zeeschepen met gevaariijke stoffen. Artikel 11.16 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen Opgrond van artikel 11.16 dient aan de havenmeester onmiddellijk melding teworden gedaan van het te water raken van stoffen of voorwerpen, in verband met de veiligheid en het eventuele belemmeren van de vaarweg. Het opnemen van een verbod is niet noodzakelijk in verband met de werkingssfeer van de Watenwet, het BPR en andere gemeentelijke regelgeving. Vervolgens dient de stof of het voorwerp - voor zover mogelijk - onmiddellijk te worden verwijderd. § 12 Ligplaats nemen ten opzichte van kwetsbaar object Artikel 12.1 Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen in verpakking Nieuw in het Havenreglement is een zoneringsregeling voor schepen geladen met gevaarlijke stoffen in verpakking. Geregeld is dat het verboden is met een schip dat geladen is met een in bijlage 3 genoemde gevaarlijke stof in verpakking ligplaats te nemen binnen een in bijlage 3 genoemde afstand van een kwetsbaar object, tenzij gehandeld wordt in overeenstemming met de in Bijlage 3 opgenomen bepalingen. In Bijlage 3 is een overzichtelijk schema opgenomen. Uit dat schema blijkt duidelijk welke afstand tot een kwetsbaar object bij het toekennen van een ligplaats in acht moet worden genomen, indien een bepaalde hoeveelheid stoffen uit de IMDG-Code, aangegeven met unieke VN-nummers, zich in verpakte vorm aan boord van het schip bevindt. Verwezen wordt verder naar de toelichting bij Bijlage
- § 13 Slotbepalingen Bijlage 1 Zeevaart/ zeevaart veiligheidscontrolestaat Te gebruiken voorafgaande aan de onderiinge overslag van gevaarlijke en schadelijke stoffen tussen zeetankschepen. In deze controlestaat worden operationele afspraken vastgelegd over onder andere hoeveelheden, pompsnelheden en communicatie. Beide verantwoordelijke partijen ondertekenen de checklist, zodat voorafgaande aan de operatie duidelijke afspraken zijn gemaakt en taken zijn toegekend. Bijlage 2 Stank of hinder veroorzakende stoffen of stoffen die aanvullende risicobeheersende maatregelen behoeven De in deze bijlage genoemde lijstvan stankstoffen bevat een aantal stoffen die aanvullende risicobeheersende maatregelen behoeven. Deze laatst genoemde stoffen betreffen onder andere benzeen, benzeenhoudende mengsels met meer dan 10% benzeen, terpentijn, formaldehyde en styreen. Deze stankstoffen vallen niet onder de werking van artikel 4.1, vijfde lid, onderdeel a of c. Door deze stoffen op te nemen in bijlage twee kan, indien nodig verwezen worden naar deze bijlage en staat de mogelijkheid open om in de toekomst daarvoor vatbare stoffen eveneens onder deze lijst te plaatsen. De op deze lijst geplaatste stankstoffen kunnen ook in zeer kleine concentraties leiden tot stankoveriast in de omgeving. Bijlage 3 Zoneringsregeling verpakte gevaarlijke stoffen ln deze bijlage is een schema opgenomen waaruit kan worden afgeleid welke afstand tot een kwetsbaar object in acht moet worden gehouden, wanneer een schip met een bepaalde hoeveelheid gevaariijke stoffen in verpakking aan boord ligplaats wil nemen in de haven. De gevaariijke stoffen zijn aangeduid met de internationale codes op grond van de IMDG-Code van de IMO. Bij het toekennen van ligplaatsen wordt rekening gehouden met deze zogenoemde zoneringsregeling. Bijlage1behorende bij artikel 4.1, tweede lid, van het Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012 Boord-boord controlestaat zeevaart-zeevaart DE ZEEVAART / ZEEVAART VELIGHEIDSCONTROLESTAAT THE SEAGOING VESSEL / SEAGOING VESSEL SAFETY CHECKLIST ALGEMEEN Het is verboden om een overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen te laten plaatsvinden tussen tankschepen ondaling tenzij, voordat de overslag plaatsvindt aan boord van de betrokken tankschepen, wordt zorg gedragen dat alle onderdelen van de zeevaart/zeevaart veiligheidscontrolestaat volledig en naar waarheid zijn ingevuld en de zeevaart/zeevaart veiligheidscontrolestaat door de verantwoordelijke personen van de bij de overslag van een gevaarlijke of schadelijke stof betrokken tankschepen is ondertekend. In de hierboven beschreven situatie moet, tijdens de overslag van een gevaariijke of schadelijke stof en zolang door de betrokken tankschepen ter plekke ligplaats wordt ingenomen, door de betrokken tankschepen het gestelde in de veiligheidscontrolestaat worden nageleefd; De overslag van een gevaariijke of schadelijke stof moet onmiddellijk gestopt worden als het gestelde in de veiligheidscontrolestaat niet wordt nageleefd. GENERAL lt is prohibited to transfer dangerous or noxious substances from one tanker to another unless all parts of the ship/ship safety checklist have been completed in full and truthfully, and signed by the persons responsible from the tankers involved in the transfer of a dangerous or noxious substance, before the transfer takes place on board the tankers involved. In the situation described above, the tankers involved must comply with the terms of the safety checklist during the transfer of a dangerous or noxious substance and for as long as the tankers involved are moored at that spot. The transfer of a dangerous or noxious substance must be halted immediately if the terms of the safety checklist are not complied with. BELANGRIJKE OPMERKING: In geval van verschil of onduidelijkheid tussen de Engelse tekst en de Nederlandse tekst is de Nederlandse tekst doorslaggevend. IMPORTANT NOTE: In the event of any conflict or inconsistency between the terms of the English text of the Port Regulations and the Dutch text, the Dutch text shall prevail. TOELICHTING VOOR GEBRUIK: De volgende toelichting is toegevoegd om de gezagvoerders van de schepen in hun gedeeld gebruik van de zeevaart / zeevaart veiligheidscontrolestaat te ondersteunen. De verantwoordelijkheid en de afrekenbaarheid van de bepalingen in de zeevaart / zeevaart veiligheidscontrolestaat zijn toegewezen in het document. Eenmaal ondertekend, geeft dit een minimale basis voor veilige ladinghandelingen door een uitwisseling van kritische informatie. Alvorens de werkzaamheden aan te vangen dienen alle van toepassing zijnde voorschriften ovenwogen te worden en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor naleving gezamenlijk of individueel teworden geaccepteerd. Het accepteren van de verantwoordelijkheid wordt aangegeven door het afvinken/invullen van de witte vakjes bij de betreffende voorschriften, in de kolom "zeeschipl" door de kapitein van het eerst afgemeerde schip en in de kolom "zeeschip 2" door de kapitein van het laatst afgemeerde schip, en het uiteindelijk ondertekenen van de verklaring aan het eind van de veiligheidscontrolestaat. De verantwoordelijke officieren van de tankers dienen de voorschriften die vallen onder de verantwoordelijkheid van de tanker, persoonlijk te verifiëren. Tijdens het uitvoeren van deze verificatie dienen de verantwoordelijke officieren zich ervan te overtuigen dat de voorschriften aan beide zijden van de werkzaamheden zijn opgevolgd. GUIDELINES FOR USE The following guidelines have been appended to assist the ship's masters in their joint use of the Seagoing Vessel/Seagoing Vessel Safety Checklist. The responsibility and accountability with respect to the provisions of the Seagoing Vessel/Seagoing Vessel Safety Checklist are assigned in the document. Once signed, this provides a minimum basis for safe cargo handling by the exchange of critical information. Before operations commence, it is required that all relevant provisions be considered and that the accompanying responsibility for compliance be accepted, either jointly or singly. To indicate acceptance of responsibility, the captain of the seagoing vessel that moors first must tick or fill in the empty boxes alongside the relevant provisions in the column 'ship 1' and the captain of the seagoing vessel that moors last must do the same in the column 'ship 2' and then they must both sign the declaration at the end of the Safety Checklist. The Responsible Officers of the tankers should personally check all considerations lying within the responsibility of the tanker. In fulfilling these responsibilities, the responsible officers should assure themselves that the requirements on both sides of the operations are fulfilled. Opbouw van de Checklist De zeevaart / zeevaart veiligheidscontrolestaat bestaat uit vier delen, de eerste twee delen (Deel "A" en "B") gaan over de overslag van vloeistoften in bulk en zijn van toepassing op alle ladinghandelingen. Deel A geeft de noodzakelijke fysieke controlepunten en deel B geeft de controlepunten die door middel van mondeling overieg geverifieerd dienen te worden. Deel "C" bevat additionele voorschriften die van toepassing zijn op handelingen met vloeibare chemicaliën in bulk en in deel "D" staan additionele voorschriften die van toepassing zijn op vloeibaar gemaakte gassen in bulk. Voor het veilig uitvoeren van de handelingen is het noodzakelijk dat alle van toepassing zijnde voorschriften ovenwogen worden en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor naleving gezamenlijk of individueel wordt geaccepteerd. Indien een voorschrift niet van toepassing is op het schip of de geplande handelingen, dient dit te worden genoteerd ("n.v.t.") in het betreffende vakje. Hoewel de veiligheidscontrolestaat bedoeld is voor overslaghandelingen, is het aan te bevelen gelijksoortige controles, voor zover van toepassing, uit te voeren en de lijst in te vullen, indien een tanker zich aanmeldt bij een ligplaats voor tankreiniging. Structure of the Checklist The Seagoing Vessel/Seagoing Vessel Safety Checklist comprises four parts, the first two of which (Parts 'A' and 'B') address the transfer of 'Bulk Liquids' and are applicable to all operations. Part 'A' identifies the required physical checks and Part 'B' Identifies elements that are verified verbally. Part 'C' contains additional considerations relating to the transfer of 'Bulk Liquid Chemicals'; those for 'Bulk Liquefied Gases' are Included In Part 'D'. If the operations are to be earned out safely, all relevant requirements niust be considered and the accompanying responsibility for compliance be accepted, either jointly or singly. If a particular provision Is considered Inapplicable to the ship, or to the planned operation, a note to this effect ("n.a.') must be entered in the check box. While the Seagoing Vessel/Seagoing Vessel Safety Checklist is based upon cargo handling operations, it is recommended that the same practice. If applicable. Is adopted when a tanker presents itself at a berth for tank cleaning. Codering van de bepalingen De aanwezigheid van de letters "A", "P" of "R" in de kolom met de titel "Code" geeft het volgende aan: A ("Agreement"): Dit geeft aan dat het betreffende voorschrift tot stand moet komen door het maken van een afspraak of het volgen van een procedure. Deze afspraak of procedure moet worden vastgelegd in het opmerkingenvak onder de betreffende bepaling op de checklist, of de afspraak of procedure moet op een door beide partijen geaccepteerde andere manier worden vastgelegd en gecommuniceerd. P ("Permission") Dit geeft aan dat, indien het voorschrift niet bevestigd kan worden, de handelingen niet plaats mogen vinden zonder toestemming van de plaatselijke autoriteit. R ("Re-check") Dit geeft aan dat betreffende voorschriften een her-controle moeten krijgen met een tussen beide partijen afgesproken regelmaat en interval zoals weergegeven in de verklaring aan het eind van de checklist. De gezamenlijke verklaring mag niet ondertekend worden voordat alle partijen de voorschriften onder hun toegewezen verantwoordelijkheid hebben gecontroleerd en hebben geaccepteerd. De aanwezigheid van de getallen en de letter "H" in de eerste en laatste kolom geeft het volgende aan: Nummer: Dit nummer geeft aan dat het betreffende voorschrift is gebaseerd op de aanbevelingen uit de ISGOTT. Het getal komt overeen met het betreffende checklist-item in de ISGOTT. H ("Haven") Dit geeft aan dat de betreffende voorschriften opgenomen zijn in het kader van risicobeheersing binnen de haven. Er is getracht om zoveel als mogelijk uniformiteit te verkrijgen tussen de zeevaart/zeevaartveiligheidscontrolestaat in dit reglement en de zeevaart/terminal veiligheidscontrolestaat, als bedoeld in de ISGOTT. Hierdoor komt het voor dat in de nummering van de vragen in de zeevaart/zeevaart veiligheidscontrolestaat nummers ontbreken. Dit zijn de vragen uit de zeevaart/tenninal veiligheidscontrolestaat welke betrekking hebben op de terminal. Deze zijn vanzelfsprekend weggelaten uit de zeevaart/zeevaartveiligheidscontrolestaat. Coding of Items The letters 'A', 'P' or 'R' In the column entitled 'Code' indicate the following: A ('Agreement'). This Indicat