Maatregelen en boeteverordening Wwb, Bbz, Ioaw, Ioaz gemeente Raalte De raad van de gemeente Raalte, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders 11 december 2012, gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet en artikel 8 eerste lid, onderdeel c, i en 30 van de Wet werk en bijstand, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer, evenals artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen: Besluit vast te stellen de: Maatregelen en boeteverordening Wwb, Bbz, Ioaw, Ioaz gemeente Raalte Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijving 1 Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2 In deze verordening wordt verstaan onder: a. belanghebbende: persoon met een uitkering ingevolgde de Wwb, Bbz, Ioaw of Ioaz b. bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c en d Wwb, voor zover sprake is van een Ioaw of Ioaz uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoelt in artikel 5 Ioaw respectievelijk artikel 5 Ioaz, grondslag in art. 78fWwb voor het Bbz c. bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet; d. benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als bijstand of uitkering op grond van respectievelijk de Wwb, Ioaw, Ioaz of Bbz 2004; e. bestuurlijke boete: boete als bedoeld in artikel 18a van de Wet werk en bijstand f. recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand; g. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte; h. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Raalte Hoofdstuk2MAATREGELEN Paragraaf2.1Algemene bepalingen maatregelen Artikel2Het opleggen van een maatregel 1 Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. 2 Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel3Berekeningsgrondslag 1 De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing zijnde norm. 2 In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet. 3 In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen. Artikel4Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: - de reden van de maatregel, - de duur van de maatregel, - het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, - het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, - indien van toepassing, de reden om af te wijken van een maatregel zoals opgenomen in deze verordening. Artikel5Horen van belanghebbende 1 Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2 Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet; of artikel 38, tweede lid, van het Bbz; of d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Artikel6Afzien van het opleggen van een maatregel 1 Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2 Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3 Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7Ingangsdatum en tijdvak 1 De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2 In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de bijzondere bijstand nog niet is uitbetaald. 3 Indien de maatregel als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast op de wijze zoals in artikel 7, eerste en tweede lid van deze verordening, kan de maatregel bij wijze van herziening worden opgelegd over de bijstand welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende, en aansluitende op, de maand dat belanghebbende maatregelwaardig gedrag heeft vertoond. Het bedrag dat als gevolg van de herziening van het recht op bijstand teveel is betaald, kan van belanghebbende worden teruggevorderd. 4 Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk drie maanden nadat de tenuitvoerlegging is begonnen, heroverwogen. 5 Een maatregel kan ook worden opgelegd totdat belanghebbende een tekortkoming heeft hersteld. 6 Er kunnen meerdere maatregelen worden opgelegd in een en dezelfde kalendermaand. Artikel8Samenloop van gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. Paragraaf2.2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel9Indeling in categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.