Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2013 Raadsbesluit * DE RAAD DER GEMEENTE EPE gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van *; gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, h en i, 8a en 18 van de Wet werk en bijstand, artikelen 35, eerste lid, onderdeel b,c en d, en 20, tweede lid van de IOAW, alsmede de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c en d en 20, tweede lid van de IOAZ; B E S L U I T : vast te stellen de Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2013. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Epe; WWB: de Wet werk en bijstand; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers IOAZ : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; uitkering: bijstand op grond van de WWB, alsmede een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ; bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB of, voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ; benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag beroep is gedaan door een belanghebbende; maatregel: het tijdelijk verlagen van de uitkering; recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de WWB; beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2. De begripsbepalingen van de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz, de Algemene wet bestuursrecht en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten zijn op deze verordening en de daarop berustende bepalingen van toepassing Artikel 2 Het opleggen van een maatregel 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz of de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2. De oplegging van een maatregel houdt in de verlaging van de uitkering met een bepaald percentage daarvan dan wel het korten van een bepaald bedrag op de uitkering, in beide situaties gedurende een bepaalde periode. 3. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 3 Berekeningsgrondslag 1. De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dan wel schending van één van de verplichtingen, genoemd in WWB of in de Bbz de bijzondere bijstand bestemd is voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en verleend wordt aan zelfstandigen, die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen. Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, het hiermede corresponderende bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm, het door toepassing van artikel 9, vijfde lid te korten bedrag en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel 5 Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit kan zowel schriftelijk door middel van een verklaring als mondeling. 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken; of in bijzondere situaties geen enkele twijfel bestaat over het vaststellen van de ernst van de gedraging en/of de mate van verwijtbaarheid. Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 3. Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden uitgevoerd omdat de uitkering wordt beëindigd, kan het nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd indien de belanghebbende binnen een termijn van zes maanden opnieuw uitkering ontvangt. 4. Voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die uitkering. 5. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen heroverwogen. Artikel 8 Samenloop van gedragingen 1. Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. 2. Er is sprake van samenloop van gedragingen als twee of meer gedragingen tegelijkertijd worden geconstateerd en de gedragingen binnen een periode van 30 dagen plaats hebben gevonden. Hoofdstuk 2. Maatregel in verband met plicht tot arbeidsinschakeling en behoud van arbeid Artikel 9 Indeling in categorieën Gedragingen van een belanghebbende die als schending van één van de verplichtingen, bedoeld in artikelen 9, 9a, 10a, 41 en 44a WWB respectievelijk artikelen 37 en 38 IOAW, alsmede artikel 37 en 38 IOAZ, alsmede het niet behouden van arbeid, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie:het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. Derde categorie: gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling; het in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de WWB, indien van toepassing; het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ‘s rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid van de WWB; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de WWB, respectievelijk artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAZ, niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de WWB respectievelijk 38, eerste lid, van de IOAW en artikel 38, eerste lid van de IOAZ; Vierde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet meewerken aan een vastgesteld trajectplan. Vijfde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde deeltijdarbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde deeltijdarbeid. Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel 1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op: 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de vierde categorie, behoudens bij uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ,waarbij de duur een maand bedraagt; een éénmalig bedrag ter hoogte van de laatste twee maanden gederfde inkomsten dan wel het gemiddelde van de te verwachten inkomsten bij gedragingen van de vijfde categorie. 2. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder a t/m c en de duur van de maatregel als bedoeld onder d en e worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 3. Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de hoogte of de duur van de maatregel reeds is verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde of hogere categorie. Bij een overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee sancties opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. Hoofdstuk 3. Maatregel in verband met andere gedragingen dan schending van de inlichtingen- en arbeidsverplichtingen Artikel 11 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b van deze verordening, wordt afgestemd op het benadelingsbedrag, met inbegrip van het onverantwoord bestede vermogen. 2. Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,--: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,--: 20% van de bijstandsnorm gedurende eenmaand; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde benadelingscategorie of een hogere benadelingscategorie. Bij een overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de hoogste van de twee sancties verdubbeld opgelegd. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 4. Rekening houdend met de bepaling van de artikel 7, vijfde lid, wordt de duur van de maatregel als bedoeld in het derde lid nogmaals verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds is verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde of hogere benadelingscategorie. Bij een overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee sancties opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. 5. Indien geen benadelingsperiode of- bedrag kan worden vastgesteld, bedraagt de maatregel 20 % van de bijstandnorm gedurende een maand. Artikel 11a Maatregel bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van de boete In afwijking van het voorgaande artikel wordt, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingen-verplichting een maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening. Artikel 12 Zeer ernstige misdragingen 1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren, of medewerkers van andere organisaties die belast zijn met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van deze wetten, wordt een maatregel opgelegd. 2. Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel vastgesteld op: 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen personen en/of materiële zaken; 75% procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij bedreigingen geuit aan personen zoals bedoeld in het eerste lid; 50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij het uitoefenen van verbaal geweld, mondeling dan wel schriftelijk; 3. De duur van de opgelegde maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw zeer ernstig misdraagt. 4. De duur van de maatregel als bedoeld in het derde lid wordt nogmaals verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekend-making van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds is verdubbeld, opnieuw zeer ernstig misdraagt. Hoofdstuk 4. Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Artikel 13 Verrekening bestuurlijke boete Het college verrekent het openstaande boetebedrag gedurende de eerste drie maanden na het moment van dagtekening van het besluit tot oplegging van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt genomen. Artikel 14 Verrekenen met in achtneming beslagvrije voet Op verzoek van belanghebbende verrekent het college, in afwijking van het voorgaande artikel, de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet indien: aannemelijk is dat verrekening op de wijze, als bedoeld in het voorgaande artikel, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin of andere onaanvaardbare consequenties heeft voor eventuele minderjarige belanghebbende(n); anderszins sprake is van dringende redenen. Hoofdstuk 5. Handhavingsbeleid Artikel 15 Beleidskader en uitvoeringsplan De raad stelt ter nadere toelichting op deze verordening en in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 8a van de WWB, artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de IOAZ een beleidskader vast, waarin prioriteiten worden aangegeven in het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit kader omvat in elk geval: De prioriteiten in de handhaving De acties in de handhaving De prioriteiten in de fraudebestrijding De acties in de fraudebestrijding Het college stelt op basis van het beleidskader WWB jaarlijks een uitvoeringsplan Handhaving vast en zendt dit plan ter kennisname aan de raad. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 16 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van dag nadat de verordening is bekendgemaakt, onder intrekking van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 en de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ. Artikel 17 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2013. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 december 2013 De raad voornoemd, de voorzitter, Ir H. van der Hoeve MPA de griffier, V. Smit Nota-toelichting Algemene toelichting Algemene toelichting Met de volledige inwerkingtreding van de WWB kwam het systeem van boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet te vervallen. De WWB kende slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Met de intrekking van de Wet investeren in jongeren en de wijziging van de WWB per 1 januari 2013 is het tevens mogelijk om een uitkering in te trekken als een jongere ondubbelzinnig laat merken niet mee te werken aan de verplichting opgenomen in een plan van aanpak bedoeld in artikel 44a van de WWB. Dit is in feite ook een vorm van sanctie. Als gevolg van de invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) is voor de IOAW en de IOAZ een maatregelenverordening IOAW en IOAZ tot stand gekomen. Door invoering van de Wet BUIG kregen gemeenten meer beleidsruimte. In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en de IOAZ zo veel mogelijk aan te sluiten bij het afstemmingbeleid binnen de WWB. Aanleiding voor deze verordening is de invoering Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Met de vaststelling van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is met ingang van 1 januari 2013 de bestuurlijke boete opnieuw ingevoerd. Vanaf 1 januari 2013 kennen de WWB, IOAW en IOAZ naast de verlaging ook weer de bestuurlijke boete als handhavingsinstrument. Waren er tot voorkort twee verordeningen, met de invoering van genoemde wet is er voor gekozen, om tot één maatregelenverordening tot komen voor zowel de WWB, als voor de IOAW en IOAZ. Een bestuurlijke boete wordt opgelegd als een belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB en artikel 13, eerste lid, van de IOAW en IOAZ schendt. Het opleggen van een maatregel is in die situatie niet langer aan de orde. De bepalingen over het opleggen van een maatregel bij schending van de inlichtingenplicht zijn dan ook uit deze verordening geschrapt. In deze verordeningen worden geregeld: De Maatregel De term ‘maatregel’ Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. Zonder dat uitgangspunt los te laten, is er voor gekozen om het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden als het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet boeten en maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt. Wat voortdurend voor ogen moet worden gehouden is dat het opleggen van een maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, máár een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. Het verlagen van de bijstand In de verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd over de uitkeringsnorm (voor bijstand is dit de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud en valt dus buiten het toeslag systeem. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen en ouder. Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand al dan niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand het feit dat iemand zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen een rol spelen. Dit geldt dan vooral voor de plicht voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in het bestaan. De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel. De verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden. Regels voor misbruik Artikel 8a van de WWB, artikel 35, eerste lid, onderdeel c van de IOAW/IOAZ bepalen dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering als mede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB, IOAW, IOAZ. Er kan hiervoor worden aangesloten bij de maatregelenverordening. In artikel 15 van deze verordening is dit geregeld. Het Bbz Omdat het boete en maatregelenregime van de Algemene wet bestuursrecht sinds juli 2011 niet langer van toepassing is, is deze verordening ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Het gaat hier primair om de verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het volgende: De in artikel 9 en 10 van de WWB opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, derde lid Bbz). De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de WWB kunnen aan de partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de in van het Bbz, of fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Ten aanzien van de in hoofdstuk 3 van de verordening opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een maatregel van toepassing. Artikel 18, tweede lid van de WWB is onverkort van toepassing op het Bbz. Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan is het college bevoegd een maatregel op te leggen, omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoen na te komen, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Maar er zijn ook andere situaties denkbaar waarbij van tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening sprake kan zijn. Verrekening van de bestuurlijke boete Met het inwerkingtreden van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving heeft het college de plicht om een boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De hoogte is daarbij gelijk aan het bedrag dat teveel aan bijstand is ontvangen. Is er sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting (recidive) dan wordt de boete verhoogd tot 150%. Naast deze verhoging krijgt het college de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na oplegging van de boete bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. De WWB verplicht de gemeenteraad regels te stellen met betrekking tot het gebruik van deze bevoegdheid. Voor de IOAW/IOAZ is dwingend bij wet voorgeschreven dat voor maximaal 5 jaar de beslagvrije voet buiten werking wordt gesteld. Artikelgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen De begrippen die in deze verordening worden gebruikt sluiten aan bij de in de verordening genoemde wetten. Artikel 2 Het opleggen van een maatregel De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). De plicht tot arbeidsinschakeling en bestaat onder meer uit: - de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en - de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. - Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de belanghebbende. De Re-integratieverordening vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het toekenningsbesluit moeten worden neergelegd en voor een jongere in een plan van aanpak welke onderdeel uitmaakt van het toekenningsbesluit; De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: * het toestaan van huisbezoek; * het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Tweede lid De maatregelen worden in het algemeen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm gedurende een bepaalde periode. De enige uitzondering hierop is artikel 9, vijfde lid van de verordening. Derde lid In dit lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; sociale omstandigheden; bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Artikel 3 De berekeningsgrondslag Eerste lid In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke verhoging of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Voor de IOAW en IOAZ wordt de maatregel opgelegd over de toepasselijke grondslag. Tweede lid Voor 18 tot 21-jarigen die een lage jongerennorm WWB ontvangen, wordt indien noodzakelijk aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud verleend. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarnaast kan de bijzondere bijstand worden verlaagd als de bijstandsbehoeftigheid ontstaan is door eigen verwijtbare gedrag. Tenslotte kan nog de bijzondere bijstand worden verlaagd indien sprake is van een zelfstandige, voor de aangegeven kosten. Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Artikel 5 Horen van belanghebbende Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. In artikel 5 van de verordening wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel verplicht gesteld. In de volgende situaties wordt volstaan met een verzoek aan belanghebbende een schriftelijke verklaring (wel dan niet d.m.v. een voorgedrukt formulier) in te dienen: het niet dan wel niet tijdig indienen van het mutatieformulier; het niet dan wel niet tijdig indienen van het statusformulier; het niet dan wel niet tijdig indienen van documenten die nodig zijn voor de bepaling van het recht of dan wel de voortzetting van bijstand, zoals bankafschriften, salarisbewijzen, enz. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a. en b. zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Awb. Met de in onderdeel c. genoemde “derde” wordt bedoeld een van de reïntegratiebedrijven aan wie het college bepaalde werkzaamheden ter inschakeling van personen in de arbeid heeft uitbesteed. Tenslotte voor wat onderdeel d. betreft, kan het zijn dat in zeer bijzondere situaties waarin voor de dienst de ernst van de gedraging, maar vooral de mate van verwijtbaarheid absoluut duidelijk is, van het horen kan worden afgezien. Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is reeds geregeld in artikel 18, tweede lid WWB en artikel 20, derde lid van de IOAW/IOAZ. Rekening houdend met het feit dat het moeilijk is aan te geven welke specifieke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit, wordt door middel van individualiseringsoverwegingen, de verwijtbaarheid vastgesteld. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan zes maanden eerder hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e van de toenmalig Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Tweede lid Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Derde lid Het afzien van het opleggen van een maatregel dient in een beschikking te worden vastgelegd. Ten eerste omdat belanghebbende van deze beschikking kennis moet kunnen nemen en ten tweede omdat de toepassing van recidive mede gebaseerd moet zijn op een eerder afgegeven beschikking. Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak Eerste lid Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: 1. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.