Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; Gelet op artikel 18a, zevende lid, artikel 51, tweede lid, artikel 54, derde lid, tweede volzin, artikel 58, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, artikel 59, artikel 60, tweede, derde, vijfde en zesde lid, artikel 60a, eerste, tweede, derde en vierde lid en artikel 60c van de Wet werk en bijstand, artikel 17, derde lid, artikel 20a, zevende lid, artikel 25, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, artikel 26, artikel 28, eerste, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid en artikel 29a van respectievelijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, alsmede artikel 4:81, artikel 4:98, artikel 4:113 en artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t: vast te stellen de Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013 HOOFDSTUK1ALGEMEEN Artikel1– Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; bestuurlijke boete: een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom indien sprake is van een verwijtbare schending van de inlichtingenplicht; bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; fraudevordering / verwijtbare vordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de WWB en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ; WWB: de Wet werk en bijstand. Artikel2- Invulling van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering, niet zijnde ten onrechte verstrekte uitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting. In dat kader: a.herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend (artikel 54 lid 3 tweede volzin van de WWB en artikel 17, lid 3 van de IOAW en IOAZ); maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar toekomt op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de WWB alsmede artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ. Artikel3- Uitzondering voortvloeiende uit de jurisprudentie 1.Van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b wordt afgeweken op grond van de zes maanden jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van het college om teveel verstrekte uitkering terug te vorderen in tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op een signaal van een cliënt waaruit het college concreet zou moeten afleiden dat teveel of ten onrechte uitkering werd verstrekt. Na ontvangst van dit signaal heeft het college nog zes maanden om daarop actie te nemen. Het deel van de uitkering dat na zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, mag het college niet terugvorderen. Dit is niet van toepassing als belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden. 2.Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 beperkt het college bij een geringe overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd, de terugvordering tot het bedrag dat niet zou zijn verleend, indien de belanghebbende de beperkte overschrijding wel tijdig zou hebben doorgegeven. HOOFDSTUK2GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING Artikel4– Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering / geheel afzien van boete in geval van dringende redenen Het college kan besluiten – geheel of gedeeltelijk - af te zien van terugvordering, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 58 lid 8 van de WWB en artikel 25 lid 7 van de IOAW en IOAZ). Het college kan besluiten geheel af te zien van een bestuurlijke boete, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 18a, lid 7 WWB en artikel 20a lid 7 van de IOAW en IOAZ). Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale of financiële consequenties voor de belanghebbende door de (terug)vordering. Artikel5- Kruimelbedragen Bij kruimelbedragen wordt onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-verwijtbare vorderingen. Indien de uitkering is beëindigd, geldt het volgende. Bij een niet-verwijtbare vordering ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 100,-- per kalenderjaar niet te boven gaat. Voor elke fraudevordering wordt de debiteur aangeschreven en aangemaand. Dit geldt ook voor geringe bedragen. Reageert de debiteur bij een fraudevordering lager dan € 50,-- ook niet op de aanmaning en komt hij binnen een jaar na de aanmaning niet terug in de uitkering, wordt van verdere invordering afgezien. Artikel6- Bruto en netto vorderingen 1. Netto Hoofdregel is dat ten onrechte verstrekte bijstand netto wordt teruggevorderd tijdens het lopende kalenderjaar. 2. Invulling van de bevoegdheid tot brutering Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid tot brutering van de vordering. Dit betekent dat het college de vordering bruteert, voor zover de belasting en premies niet meer verrekend kunnen worden met de af te dragen loonbelastingen en premies volksverzekeringen (artikel 58 lid 5 van de WWB). Na het einde van het lopende kalenderjaar wordt de uitkering gebruteerd teruggevorderd. De vordering blijft netto, als: de ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kunnen worden verrekend met de afdrachten aan de belastingdienst en het UWV; b de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar en belanghebbende de vordering voldoet vóór het eind van het boekjaar; het terugvorderingsbesluit ná 15 november van het kalenderjaar wordt genomen. In een dergelijk geval wordt de vordering niet meteen het jaar erop gebruteerd, maar het kalenderjaar daarna; naar aanleiding van een administratieve fout wordt teruggevorderd en de belanghebbende redelijkerwijs kon weten dat hij teveel uitkering ontving (artikel 58 lid 2 sub e WWB in combinatie met artikel 58 lid 6 WWB). HOOFDSTUK3INVORDERING Artikel7- Geen schorsende werking bij een bezwaarschrift Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:16 van de Awb heeft indiening van een bezwaar- of beroepschrift tegen de terugvordering of boete geen schorsende werking. Bij een lopende uitkering wordt de verrekening met de uitkering - hangende de bezwaar- of beroepprocedure - gecontinueerd. Bij een beëindigde uitkering wordt de getroffen aflossingsregeling gecontinueerd. Artikel8– Verrekening in geval van lopende uitkering 1. Invulling van de bevoegdheid tot verrekening Voor niet-verwijtbare vorderingen maakt het college gebruik van de bevoegdheid om tot verrekening met de uitkering over te gaan (op grond van artikel 60 lid 3 WWB en artikel 28 lid 3 IOAW en IOAZ). Verrekening met uitkering van Capelle aan den IJssel Bij een lopende uitkering wordt zowel de fraudevordering als de niet-verwijtbare vordering alsmede de boete verrekend met de uitkering. De omvang van de afloscapaciteit wordt gesteld op het voor beslag vatbare bedrag. Eventueel relevant vermogen Bij het vaststellen van de betalingsverplichting op een fraudevordering moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering. c.Aflossing op leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen Voor leenbijstand in duurzame gebruiksgoederen geldt dat de leenbijstand wordt afgelost met het voor beslag vatbare bedrag via verrekening met de uitkering. Pseudoverrekening / verrekening met uitkering van andere gemeente, UWV of SVB Indien een debiteur een uitkering ontvangt van het college van een andere gemeente (dan het college dat kosten van bijstand terugvordert of een boete heeft opgelegd), kan het college van die andere gemeente op verzoek van het college de vordering rechtstreeks verrekenen met de uitkering van die andere gemeente (artikel 60a lid 1 van de WWB en artikel 28 lid 4 van de IOAW en IOAZ). Hiervoor is geen machtiging nodig van de debiteur. Op dezelfde wijze is verrekening van een vordering mogelijk met het UWV en de SVB als de debiteur van deze instanties een uitkering ontvangt (artikel 60a lid 2 en lid 3 van de WWB en artikel 28 lid 4 van de IOAW en IOAZ). Indien een debiteur bij een andere gemeente een uitkering ontvangt, dan wel bij het UWV of SVB een uitkering heeft op bijstandsniveau, wordt de afloscapaciteit gesteld op het voor beslag vatbare bedrag van de uitkering. Indien de uitkering hoger is dan de bijstandsnorm, wordt de omvang van de afloscapaciteit berekend zoals aangegeven in artikel 9. Een eventuele betalingsregeling die is getroffen met de debiteur wordt gerealiseerd door middel van verrekening met de uitkering van de andere uitkeringsinstantie. Pseudoverrekening bij recidiveboete Bij het ontvangen van een verzoek van een andere gemeente of SVB, om bij een in Capelle aan den IJssel wonende debiteur de recidiveboete gedurende 3 maanden volledig met de Capelse uitkering te verrekenen, zonder beslagvrije voet, zal het college toepassing geven aan de Capelse “Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Capelle aan den IJssel 2013”, op dezelfde wijze als debiteuren die van deze gemeente een recidiveboete opgelegd krijgen. Indien het college een debiteur, die in een andere gemeente woont en aldaar uitkering ontvangt, een recidiveboete oplegt, wordt de andere gemeente gevraagd de recidiveboete met de uitkering te verrekenen conform de Capelse “Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Capelle aan den IJssel 2013”. Beslagvrije voet Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel9- Aflossingsregeling bij beëindigde uitkering 1. Debiteur doet betalingsvoorstel Kan de debiteur de vordering niet in één keer terugbetalen, dan kan hij een voorstel tot terugbetaling doen. Met een betalingsvoorstel van de debiteur kan worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 3 jaar in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50,-- per maand bedraagt. Daarbij wordt marginaal getoetst of het voorstel redelijk is, gelet op de hoogte van het inkomen en de hoogte van de vordering. 2. College stelt omvang afloscapaciteit vast Indien de debiteur, bijvoorbeeld gelet op de hoogte van de vordering, geen voorstel doet waarmee de vordering binnen 3 jaar is afgelost, stelt het college de omvang van de afloscapaciteit vast aan de hand van de financiële situatie van de debiteur. 3.Omvang afloscapaciteit bij niet-verwijtbare vordering Voor de debiteur wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op 10% van de uitkeringsnorm (inclusief vakantietoeslag) die van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 50% van de draagkracht. Omvang afloscapaciteit bij fraudevordering en boete Voor de debiteur wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op 10% van de uitkeringsnorm (inclusief vakantietoeslag) die van toepassing zou zijn als een uitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 75% van de draagkracht. Eventueel relevant vermogen Bij het vaststellen van de betalingsverplichting van een fraudevordering en een boete moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering. 5.Beslagvrije voet. Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 6. Beslagvrije voet vervalt Wanneer de debiteur nalaat inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet. Dit is bepaald in artikel 60 lid 6 van de WWB en artikel 28 lid 6 van de IOAW en IOAZ. Artikel10- Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting 1. Door de gemeente Bij een te verwachten wijziging in de omstandigheden van de debiteur, bijvoorbeeld als een andere vordering geheel is afgelost of als de hoogte van de inkomsten gewijzigd zou kunnen zijn, doet het college opnieuw onderzoek naar de afloscapaciteit. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. De debiteur wordt hiervan in kennis gesteld bij beschikking. In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking. 2. Op verzoek van belanghebbende Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen. Binnen acht weken na ontvangst van dit verzoek neemt het college hierover een besluit en deelt dit met een beschikking aan belanghebbende mee. Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen. Artikel11- Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting 1.Indien de belanghebbende de schuld niet betaalt, niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, wordt belanghebbende eerst aangemaand. De gemeente hanteert daarbij de termijnen zoals deze zijn genoemd in de Algemene wet bestuursrecht. 2.Wanneer de aanmaning ook niet tot betaling leidt, wordt – indien van toepassing - een overeengekomen aflossingsregeling ingetrokken en wordt de vordering ingevorderd bij dwangbevel door middel van beslaglegging. 3.Beslaglegging gebeurt ofwel rechtstreeks door de gemeente door beslag te leggen op loon of uitkeringen, of door inschakeling van de deurwaarder. Artikel12– Rente en kosten Indien wordt overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 11, wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. Artikel13– Inningsvolgorde van afboeken vorderingen 1. Volgorde van afboeken vorderingen Indien sprake is van verrekening met de uitkering, wordt eerst de boete ingevorderd, zolang de debiteur uitkering ontvangt. Indien de debiteur geen uitkering meer ontvangt en er geen andere schuldeisers zijn, wordt voorrang gegeven aan invordering op de boete. Indien de debiteur geen uitkering meer ontvangt en er zich andere schuldeisers aandienen, wordt voorrang gegeven aan de terugvordering. Is sprake van verschillende bijstandsvorderingen, wordt – na invordering van de boete - het eerst afgeboekt op de oudste vordering. afboeken op kosten Bedragen die door de gemeente geïnd worden, worden eerst afgeboekt op de kosten die de gemeente heeft moeten maken om te innen. Dit betreft de kosten als vermeld in artikel 12 van deze beleidsregels. Artikel14- Hoofdelijke aansprakelijkheid Bij gezinsbijstand, of indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden/partners had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven wegens schending van de inlichtingenverplichting, zijn beide partners hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering. HOOFDSTUK4KWIJTSCHELDINGSBELEID Artikel15– Kwijtschelding openstaande vorderingen bij het voldoen aan de betalingsverplichtingen Kwijtschelding niet-verwijtbare vorderingen Het college scheldt het restant van de vordering op verzoek kwijt, indien de belanghebbende: gedurende een periode van 60 maanden (5 jaar) aangesloten volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, of gedurende 5 jaar niet (volledig) aan de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft voldaan. Indien aan de in lid 1 vermelde voorwaarden wordt voldaan, kan slechts één maal per vijf jaar tot kwijtschelding worden besloten. Kwijtschelding fraudevorderingen Het college scheldt het restant van een fraudevordering op verzoek kwijt, indien de belanghebbende: gedurende een periode van 120 maanden (10 jaar) aaneengesloten volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, of gedurende 10 jaar niet (volledig) aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald (artikel 58 lid 7 sub a en b van de WWB en artikel 25 lid 6 sub a en b van de IOAW en IOAZ). Geen kwijtschelding fraudevordering Als de debiteur tijdens de duur van de aflossingsperiode opnieuw de informatieverplichting schendt (en dus fraudeert), wordt geen kwijtschelding voor de fraudevordering verleend. Kwijtschelding van een fraudevordering geschiedt slechts eenmalig. Bij een volgende fraudevordering bij dezelfde belanghebbende zal kwijtschelding niet meer aan de orde zijn. Geen kwijtschelding boete 6.Opgelegde boetes kunnen niet worden kwijtgescholden. Wel kan het college ingevolge artikel 18a, lid 7 WWB en artikel 20a lid 7 van de IOAW en IOAZ van verdere invordering van een boete afzien in geval van dringende redenen. Belemmeringen voor kwijtschelding 7.a. Het op basis van dit artikel genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Indien de verstreken tijd tussen het tijdstip waarop kennis wordt genomen van de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking en de datum waarop het kwijtscheldingsbesluit kenbaar werd gemaakt 5 jaar of meer bedraagt, wordt afgezien van een besluit tot intrekking. Kwijtschelding wordt niet verleend indien de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, of deze mogelijkheid alsnog blijkt te bestaan. Vorderingen die voortvloeien uit het Bbz 2004 komen niet in aanmerking voor kwijtschelding. Als de debiteur beschikt over vermogen, dus als het geheel van bezittingen en schulden, inclusief de schulden aan het college, positief is, is er geen aanleiding om tot kwijtschelding van vorderingen over te gaan. Van een problematische schuldsituatie is dan geen sprake, de schuld kan zonder bezwaar worden afgelost. Dit geldt voor zowel verwijtbare als niet-verwijtbare vorderingen. e.De voorwaarden voor kwijtschelding gelden per vordering afzonderlijk. Artikel16– Het afkopen van vorderingen Niet-verwijtbare vordering Van een niet-verwijtbare vordering kan – op verzoek van de debiteur – van verdere terugvordering worden afgezien indien hij: tenminste 2 ½ jaar overeenkomstig de vastgestelde betalingsregeling op de vordering heeft afgelost en een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restvordering, in één keer aflost, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de debiteur en diens leeftijd. De betaling moet plaatsvinden binnen 6 weken nadat de gemeente met het verzoek tot afkopen heeft ingestemd. Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen, komt het besluit tot afkoop te vervallen. Fraudevorderingen Van een fraudevordering kan – op verzoek van de debiteur – van verdere terugvordering worden afgezien indien hij: tenminste vijf jaar overeenkomstig de vastgestelde betalingsregeling op de vordering heeft afgelost en een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restvordering, in één keer aflost, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de debiteur en diens leeftijd en; niet opnieuw met een fraudevordering is geconfronteerd als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting; De betaling moet plaatsvinden binnen 6 weken nadat de gemeente met het verzoek tot afkopen heeft ingestemd. Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen, komt het besluit tot afzien te vervallen. Belemmeringen bij afkoop 5.a. Het op basis van dit artikel genomen besluit om akkoord te gaan met het verzoek tot afkopen van de vordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Indien de verstreken tijd tussen het tijdstip waarop kennis wordt genomen van de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking en de datum waarop het besluit tot afzien van de vordering kenbaar werd gemaakt 5 jaar of meer bedraagt, wordt afgezien van een besluit tot intrekking. Een verzoek tot afkopen van een vordering wordt afgewezen indien de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, of deze mogelijkheid alsnog blijkt te bestaan. Vorderingen die voortvloeien uit het Bbz 2004 komen niet in aanmerking voor afkoop. Als de debiteur beschikt over vermogen, dus als het geheel van bezittingen en schulden, inclusief de schulden aan het college, positief is, is er geen aanleiding om akkoord te gaan met het verzoek tot afkopen van een vordering. Van een problematische schuldsituatie is dan geen sprake, de schuld kan zonder bezwaar worden afgelost. Dit geldt voor zowel fraudevorderingen als niet-verwijtbare vorderingen. De voorwaarden voor het afkopen van een vordering gelden per vordering afzonderlijk. Artikel17- Geen mogelijkheid tot incasso bij zowel niet-verwijtbare als verwijtbare vorderingen Wanneer gedurende 5 jaar bij niet-verwijtbare vorderingen, en 10 jaar bij fraudevorderingen, niet op een vordering is afgelost en de debiteur naar verwachting niet zal gaan aflossen, wordt ambtshalve besloten tot het afboeken van de vordering. Dit is aan de orde in geval dat: de debiteur niet traceerbaar is en een periodiek adres- en/of inkomensonderzoek niet tot invorderingsmogelijkheden heeft geleid; de debiteur in het buitenland woont en als gevolg daarvan incasso niet tot succes heeft geleid. Artikel18– Maximale aflossingsperiode van leningen voor duurzame gebruiksgoederen 1.Hoogte aflossingsbedrag De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag wordt als volgt vastgesteld: voor personen met een periodieke bijstandsuitkering wordt de aflossingsverplichting bepaald op het voor beslag vatbare bedrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8; indien belanghebbende geen uitkering (meer) ontvangt, geldt dat de aflossing op de wijze wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 9. Voorwaarde buiten invorderingstelling De belanghebbende komt in aanmerking voor buiten invorderingstelling van het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen als: gedurende tenminste 36 maanden (3 jaar) aaneengesloten aan de aflossingsverplichting is voldaan, of gedurende 3 jaar niet (volledig) aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald. Het buiten invorderingstelling van de restantschuld na 36 maanden gebeurt ambtshalve. 3. Verlenging termijn De termijn van 36 maanden wordt verlengd als een belanghebbende niet gedurende 3 jaar aaneengesloten heeft afgelost, bijvoorbeeld wegens het tussentijds betalen van een boete, en na de onderbreking de aflossing op de leenbijstand wordt voortgezet tot de periode van 36 maanden is bereikt. Meerdere leenbijstanden Indien leenbijstand wordt verleend terwijl op dat moment nog op een eerder verleende leenbijstand wordt afgelost, wordt de aflossing op de oudste leenbijstand voortgezet. Tegelijkertijd dient bij het verlenen van de nieuwe leenbijstand te worden besloten om de aflossing hierop voor de duur van de reeds lopende aflossing op nihil te stellen. Nadat tot buiten invorderingstelling van het restant van de oudste leenbijstandvordering is overgegaan of de leenbijstand is afgelost, dient aansluitend te worden afgelost op de nieuwe leenbijstand. Voor de maximale aflossingsperiode van 36 maanden op de nieuwe leenbijstand tellen dan de maanden waarover de aflossing op nihil werd gesteld, wel volledig mee. Geen buiten invorderingstelling Er wordt niet tot een buiten invorderingstelling, als in dit artikel bedoeld, overgegaan indien: geen, onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt over het inkomen, waardoor het college de hoogte van de aflossingsverplichting op een te laag bedrag heeft vastgesteld; de belanghebbende verwijtbaar nalatig blijft binnen een jaar bewijsstukken te overleggen (zie beleidsregels bijzondere bijstand), waardoor de rechtmatigheid van de verstrekking niet kan worden vastgesteld; de belanghebbende binnen een jaar na bijstandsverlening niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed. Artikel19– Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek 1.Kwijtschelding Het college besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de WWB en artikel 29a van de IOAW en IOAZ (geen schuldregeling bij schending informatieverplichting) tot medewerking aan een schuldregeling indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de overige schuldeisers van gelijke rang. Geen kwijtschelding / geen schuldregeling Het eerste lid is niet van toepassing indien: de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte bij het Openbaar Ministerie is gedaan; de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48, lid 2, aanhef en onder b van de WWB); de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. Intrekken besluit medewerking Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien: niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid, of de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. HOOFDSTUK5SLOTBEPALINGEN Artikel20- Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking een dag nadat ze op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Artikel21– Overgangsbepalingen Lopende terugbetalingsregelingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven in stand, ongeacht of het een fraudevordering of een niet-verwijtbare vordering betreft. Bij een noodzakelijke herziening van de betalingsverplichting, die zich voordoet bij ex-cliënten, wordt bij de bepaling van de omvang van de afloscapaciteit toepassing gegeven aan de bepalingen van deze beleidsregels. Een normwijziging van de uitkering valt niet onder een herziening van de betalingsverplichting. Bij een debiteur die de uitkering uitstroomt, wordt bij de bepaling van de omvang van de afloscapaciteit toepassing gegeven aan de bepalingen van deze beleidsregels. Bij debiteuren die op het moment van de inwerkingtreding van deze regels de opgelegde betalingsverplichting niet nakomen, wordt toepassing gegeven aan de nieuwe bepalingen. Voor het vaststellen van de mogelijkheid van het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een vordering gelden de meest gunstige beleidsregels. Artikel22- Intrekking oude beleidsregels In verband met de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels worden de volgende beleidsregels per gelijke datum ingetrokken: de beleidsregels terugvordering van bijstand onder de Wet werk en bijstand 2005 (Richtlijn B125), collegebesluit van 3 augustus 2004; gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid / gemeentelijk beleid met betrekking tot debiteuren terugvordering in het kader van de Abw, Ioaw en Ioaz; collegebesluit van 10 oktober 2000; lik-op-stuk-beleid inzake aflossing op verwijtbare schulden voor wat betreft de omvang van de afloscapaciteit en de regeling omtrent periodiek onderzoek naar aflossingsmogelijkheden;, collegebesluit 20 december 2005. beleidswijzer B 109, Looptijd lening; beleidswijzer B 110, Hoogte aflossing leenbijstand; beleidswijzer B 111, Matiging en opschorting leenbijstand; beleidswijzer B 112, Aanpassing aflossing leenbijstand; beleidswijzer B 113, Rente over leenbijstand; beleidswijzer B 122, Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering; beleidswijzer B 124, Moment van invordering; beleidswijzer B 125, Beleidsregels invordering, met uitzondering van de kopjes Afstemming met Schuldhulpverlening en Relatie met de Wet schuldsanering natuurlijke personen; beleidswijzer B 131, Frequentie debiteurenonderzoeken; beleidswijzer B 132, Procedure debiteurenonderzoek. Artikel23– Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering boete 2013”. Algemene toelichting op de beleidsregels Vanaf de inwerkingtreding van de WWB is terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand een aan het college toekomende bevoegdheid. Deze bevoegdheid is ook opgenomen in de IOAW en IOAZ. Het college heeft al vanaf de inwerkingtreding van de WWB als beleid dat zij altijd gebruik maakt van haar bevoegdheid tot herziening en/of intrekking van het recht op uitkering alsmede tot terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering. Dit geldt ook voor de IOAW en IOAZ. Met de inwerkingtreding van de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving” per 1 januari 2013 wordt de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Het gaat daarbij om vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte ontvangen uitkering in verband met schending van de inlichtingenplicht. Tevens introduceert de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving” voor de WWB, IOAW en de IOAZ de bestuurlijke boete bij schending van de inlichtingenplicht. De verplichting tot terugvordering dan wel het opleggen van een boete komt mede tot uiting in: een verplichting tot verrekening van deze vorderingen met een eventueel recht op algemene bijstand, een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ dan wel een Bbz-uitkering, en een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting en daarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd. Deze beleidsregels geven een invulling van de bevoegdheden van het college tot intrekking/herziening van het recht op uitkering, tot terugvordering en invordering van ten onrechte verstrekte uitkering, tot verrekening met de uitkering alsmede tot brutering van de vordering. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe de omvang van de aflosverplichting wordt vastgesteld en hoe het kwijtscheldingsbeleid is ingevuld. In dat kader zijn de diverse bestaande richtlijnen op het gebied van debiteurenbeleid beoordeeld in hoeverre deze gehandhaafd kunnen blijven dan wel aangepast moeten worden. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 – Begripsbepalingen Dit artikel vermeldt de afkortingen van de relevante wetten. Tevens wordt een definitie gegeven van de fraudevordering / verwijtbare vordering en van de inlichtingenplicht. De woorden fraudevordering en verwijtbare vordering betekenen hetzelfde. Vanwege de eenduidigheid in terminologie is er voor gekozen om in deze beleidsregels alleen te spreken over een fraudevordering. Artikel 2 - Invulling van de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering Het college heeft al vanaf de inwerkingtreding van de WWB als beleid dat zij altijd gebruik maakt van haar bevoegdheid tot herziening en/of intrekking van het recht op uitkering alsmede tot terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering, niet zijnde ten onrechte verstrekte uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht. Door de wetgever is verzuimd artikel 17 lid 3 van de IOAW en IOAZ zodanig aan te passen, dat herziening en intrekking een verplichting is bij schending van de informatieplicht. Deze omissie is onderkend en wordt binnen afzienbare tijd in de IOAW en IOAZ aangepast. Er is geen herzienings- of intrekkingsbesluit nodig in geval van bijvoorbeeld het achteraf toekennen van een WW-uitkering of het ontvangen van erfenissen. In deze situaties, als bedoeld in artikel 58, lid 2 onderdeel f, sub 1 en 2 van de WWB, kan worden volstaan met alleen een terugvorderingsbesluit. Artikel 3 - Uitzondering voortvloeiende uit de jurisprudentie Zesmaanden jurisprudentie In artikel 3 staat een algemene – binnen de jurisprudentie geformuleerde – uitzondering op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven. Het gaat hier om een situatie waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat het college, ongeacht de gehoudenheid tot terugvordering, dient af te zien van haar vaste gedragslijn. Het college heeft in deze niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzondering af te wijken. Het gaat meer specifiek om de zesmaanden jurisprudentie In het kort komt de zesmaanden jurisprudentie erop neer dat het college binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt. De zesmaanden jurisprudentie speelt niet indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Als voorbeeld kan worden genoemd de cliënt die op 1 januari doorgeeft dat haar jongste kind 18 jaar is geworden. Dan moet de norm gewijzigd worden van alleenstaande ouder naar de norm voor een alleenstaande. Indien per 1 september de normwijziging wordt doorgevoerd, kan alleen de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 1 januari tot 1 juli worden teruggevorderd. Voor het deel dat na 1 juli teveel aan bijstand is verstrekt, moet volgens de jurisprudentie van terugvordering worden afgezien. Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd De situatie kan bestaan dat betrokkene niet heeft gemeld dat hij over een vermogen is gaan beschikken dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Komt het college hierachter, dan kan zij in beginsel het recht op bijstand over de gehele periode van de overschrijding intrekken en alle bijstand terugvorderen. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien betrokkene de beperkte overschrijding van de vermogensgrens wel tijdig zou hebben gemeld. Daarbij is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hem, als hij wel aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan, tenminste over een deel van betreffende periode bijstand zou zijn toegekend. HOOFDSTUK 2 GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING Artikel 4 – Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering / geheel afzien van boete in geval van dringende redenen Het gaat niet om dringende redenen ten tijde van het ontstaan van de vordering. Dringende redenen slaan zowel op de fraudevordering als de niet-verwijtbare vordering. Indien sprake is van dringende redenen kan dit aanleiding zijn om de terugvordering te verlagen dan wel om van het opleggen van een terugvordering af te zien (artikel 58 lid 8 van de WWB en artikel 25 lid 7 van de IOAW en IOAZ). Ingevolge artikel 18a, lid 7 WWB en artikel 20a lid 7 van de IOAW en IOAZ kan het college afzien van (verdere) invordering van een boete ingeval van dringende redenen. Gedeeltelijk afzien van een boete kan volgens de WWB, IOAW en IOAZ niet. Wat dringende redenen precies zijn, laat zich niet precies omschrijven. Dit zal het college per geval apart moeten beoordelen. Dat het de (mede-)belanghebbende minderjarige gezinsleden ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de regel gerechtvaardigd zijn. Het moet dan om een zodanige bijzondere situatie gaan dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een dreigende ontruiming van een aangepaste woning terwijl in het gezin een ernstig gehandicapt kind woont. Artikel 5 - Kruimelbedragen Dit artikel is van toepassing in de situatie dat de uitkering is beëindigd. Bij een lopende uitkering worden namelijk alle vorderingen verrekend met de uitkering. Zie hiervoor artikel 8. Indien de uitkering is beëindigd, geldt bij kruimelbedragen het volgende. Bij een niet-verwijtbare vordering ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 100,-- per kalenderjaar niet te boven gaat. Het is vanaf 1 januari 2013 voor het college niet meer toegestaan om bij fraudevorderingen (bij bijstand vanaf 1 januari 2013) af te zien van terugvordering, ook al gaat het om een laag bedrag. Fraude mag niet lonend zijn en alle ten onrechte verstrekte bijstand moet worden terugbetaald. Om die reden moeten debiteuren altijd worden aangeschreven en aangemaand voor een vordering. Gelet op het kosten-baten aspect wordt bij een fraudevordering lager dan € 50,-- daarna als volgt gehandeld. Reageert de debiteur ook niet op de aanmaning en komt hij binnen een jaar na de aanmaning niet meer terug in de uitkering – in dat geval dient de vordering verrekend te worden met de uitkering - wordt gelet op het kosten-baten aspect van verdere invordering afgezien. Artikel 6 - Bruto en netto vorderingen 1.Netto Bijstand wordt netto uitgekeerd. De gemeente draagt hierover loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomenafhankelijke bijdrage af aan de Belastingdienst en het UWV. Deze kosten tezamen vormen ‘de kosten van bijstand’. Bij terugvordering tijdens het lopende kalenderjaar kan de gemeente de loonbelasting en premies nog verrekenen met de Belastingdienst en het UWV. Daarom kan ten onrechte verstrekte bijstand tijdens het lopende kalenderjaar netto worden teruggevorderd. 2.Invulling van de bevoegdheid tot brutering Bij terugvordering van ten onrechte verleende bijstand over voorgaande jaren vordert het college deze bruto terug van de belanghebbende. Het bedrag van de brutering kan niet eerder worden berekend dan na het einde van het kalenderjaar. De IOAW en IOAZ zijn bruto-uitkeringen. Terugvordering op grond van die wetten is altijd bruto, ook tijdens het lopende kalenderjaar. Sinds 1 januari 2013 kan niet meer de door het college betaalde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) van de betrokkene worden teruggevorderd. Dit is bepaald in artikel 42 lid 5 van de Zvw. Het college kan de achteraf gezien ten onrechte betaalde inkomensafhankelijke bijdrage op verzoek terugkrijgen van de Belastingdienst. Teruggave debiteur De debiteur kan voor teruggave van de door bruto terugvordering teveel betaalde loonheffing en premies een verzoek indienen bij de belastingdienst. Een dergelijk verzoek kan echter pas gehonoreerd worden voor zover de debiteur in een betreffend jaar ook daadwerkelijk (een deel van) zijn terugvorderingsschuld aan de gemeente heeft voldaan. Hiervoor kan de debiteur een schriftelijke opgave van de gemeente vragen. 3.De vordering blijft in bepaalde situaties netto Dit artikel vermeldt een aantal situaties wanneer een vordering netto blijft. Dit doet zich onder meer voor bij een administratieve vergissing. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende. In artikel 58 lid 6 van de WWB is geregeld dat bij een administratieve vergissing niet mag worden teruggevorderd als de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het terugvorderingsbesluit. Een voorbeeld van een administratieve vergissing doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente twee keer dezelfde betaling aan dezelfde persoon heeft gedaan. Een andere situatie dat een vordering netto blijft, is als het belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Dat doet zich voor als een besluit tot terugvordering ná 15 november van een jaar wordt genomen. HOOFDSTUK 3 INVORDERING Op 1 juli 2009 is de vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden. Bij de vierde tranche is onder meer een titel toegevoegd die betrekking heeft op bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4). Met de bestuursrechtelijke geldschulden is een algemene regeling op het gebied van betaling en invordering van geldschulden aan en door bestuursorganen in de Awb gevoegd. De vierde tranche Awb is bij de invordering van de terugvordering en boete leidend. Daarna volgen de specifieke regelingen omtrent invordering in de WWB, IOAW, IOAZ en het Bbz 2004. Uitgangspunt invordering Eigenlijk is het uitgangspunt dat de vordering in één keer moet worden terugbetaald. In de praktijk blijkt dit vrijwel altijd onmogelijk te zijn en kan een betalingsregeling worden getroffen. Bij een lopende uitkering kan meteen tot verrekening worden overgegaan. Bij een beëindigde uitkering moet de debiteur hiertoe gegevens overleggen, zoals bijvoorbeeld afschriften van (spaar)rekeningen, waaruit blijkt dat hij geen vermogen heeft. De gemeente heeft regels welk bedrag de debiteur ten minste elke maand moet terugbetalen. In het besluit tot betaling van een terugvordering of boete worden tevens de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting vermeld. Ook wordt in het besluit vermeld dat met nieuw aangegane schuldverplichtingen geen rekening zal worden gehouden bij het vaststellen van de omvang van de afloscapaciteit op de vordering aan de gemeente. Artikel 7 - Geen schorsende werking bij een bezwaarschrift De invordering van het teruggevorderde bedrag aan uitkering of het bedrag aan opgelegde boete wordt niet geschorst nadat een bezwaar- of beroepschrift is ingediend (artikel 6:16 van de Awb). Dit geldt zowel bij een lopende uitkering als bij een beëindigde uitkering. Het college gaat meteen na het nemen van het besluit tot terugvordering dan wel tot oplegging van de boete over tot verrekening met het recht op uitkering in het kader van de WWB, IOAW of IOAZ. Is de uitkering beëindigd en is er een aflossingsregeling getroffen, dan heeft een bezwaar- of beroepschrift ook in die situatie geen schorsende werking, ongeacht of het bezwaar of beroep is gericht tegen de terugvordering, tegen de boete dan wel tegen de aflossingsregeling. Voorheen was het beleid dat de invordering van de terugvordering werd opgeschort tot op het bezwaar was beslist. Artikel 8 - Verrekening in geval van lopende uitkering 1.Het beleid van deze gemeente was altijd al dat gebruik werd gemaakt van verrekening met de uitkering, zoals aangegeven in de wet, ongeacht de ontstaansgrond van de terugvordering. Voor fraudevorderingen die betrekking hebben op na 1 januari 2013 uitbetaalde bijstand en voor opgelegde bestuurlijke boetes is het verrekenen met de uitkering verplicht gesteld (artikel 60, lid 4 WWB en artikel 28 lid 2 IOAW en IOAZ). Bij niet-verwijtbare vorderingen maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid om tot verrekening met de uitkering over te gaan (ingevolge artikel 60 lid 3 WWB en artikel 28 lid 3 IOAZ en IOAZ). In het besluit tot terugvordering dan wel tot oplegging van de boete wordt de belanghebbende meteen mededeling gedaan over de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.