Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 De raad van de gemeente Medemblik gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel 20 en artikel 35, eerste lid onder b van de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), artikel 20 en artikel 35 eerste lid onder b van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); B E S L U I T: Vast te stellen de: Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Hoofdstuk1Algemene bepaling Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: Wet werk en bijstand (WWB); IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de bijstand: algemene en bijzondere bijstand, als bedoeld in artikel 5, onderdeel b en d van de wet; de bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet; uitkering: de uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; grondslag: de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk IOAZ. maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid WWB; het verlagen van de uitkering op grond van de artikelen 20, tweede lid IOAW en 20, eerste lid IOAZ; het weigeren van de uitkering op grond van de artikelen 20, eerste lid IOAW of 20, tweede en derde lid IOAZ; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik; belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, waaronder begrepen de echtgenoot als bedoeld in artikel 3 IOAW en 3 IOAZ; jongere: de belanghebbende van 18 tot 27 jaar; werkervaringsplaats: plaatsing bij een organisatie of bedrijf voor het verrichten van activiteiten met behoud van uitkering. Hoofdstuk2.Het niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel2.Gedragingen van de eerste categorie 1.De maatregel wordt vastgesteld op twintig procent (20%) van de betreffende bijstandsnorm dan wel de grondslag bij een gedraging uit de eerste categorie. 2.Een gedraging uit de eerste categorie is: het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3 van de wet. het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende dan wel het niet tijdig laten verlengen van die registratie, zoals genoemd in artikel 37, eerste lid onder b IOAW en IOAZ. Artikel3.Gedragingen van de tweede categorie 1.De maatregel wordt vastgesteld op vijftig procent (50%) van de betreffende bijstandsnorm dan wel de grondslag bij een gedraging uit de tweede categorie. 2.Een gedraging uit de tweede categorie is het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden (re-integratie) voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering die gericht is op arbeidsinschakeling, evenals de verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; Artikel4.Gedragingen van de derde categorie 1.De maatregel wordt vastgesteld op honderd procent (100%) van de betreffende bijstandsnorm dan wel de grondslag bij een gedraging uit de derde categorie. 2.Een gedraging uit de derde categorie: het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen; het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen behorende bij een werkervaringsplaats; het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen gericht op directe arbeidsinschakeling via door de gemeente aangewezen organisatie; het door de jongere onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1 of artikel 55 van de wet, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43, lid 4 en 5 van de wet; het door de jongere niet naar vermogen trachten de mogelijkheden binnen ’s Rijks kas bekostigdonderwijs te onderzoeken, gedurende de termijn genoemd in artikel 41, vierde lid van de wet; het door de jongere niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak, als bedoeld in artikel 44a van de wet. Hoofdstuk3.Overige gedragingen Artikel5.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Ingeval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan kan aan de belanghebbende met bijstand een maatregel worden opgelegd. De maatregel wordt in afwijking van artikel 9a van deze verordening voor een afwijkende periode vastgesteld. 2.De maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt bij een beroep op bijstand voor levensonderhoud 100% van de bijstandsnorm voor de duur van de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer een beroep op bijstand doet c.q. heeft gedaan dan zonder deze gedraging het geval zou zijn geweest. 3.De maatregel bedoeld in het eerste lid bedraagt bij een beroep op bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 WWB: 100% van de kosten van de gevraagde bijzondere bijstand. 4.In afwijking van het gestelde onder lid 3 kan, in plaats van een maatregel, bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening worden toegekend, indien sprake is van zeer dringende redenen. Artikel6.Verlies van een voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke boete Indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening. Artikel7.Zeer ernstige misdragingen Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, wordt – onverminderd het elders in deze verordening bepaald - als verzwarende omstandigheid de duur van de maatregel die wordt toegepast, verdubbeld. Artikel8Overtreding verplichtingen Wet Inburgering (WI) Het college stemt de verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet af overeenkomstig de gedragingen en bijbehorende boetebedragen zoals genoemd in de Verordening Wet Inburgering gemeente Medemblik (artikel 37 WI). HOOFDSTUK4Termijnen Artikel9Periode van de verlaging De verlaging van de uitkering/bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet en artikel 35, eerste lid onder b van de IOAW/IOAZ, vindt bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2 t/m 4 van deze verordening plaats: voor de duur van één maand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging; voor de duur van twee maanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de datum van het laatst opgelegde besluit tot verlaging; het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de datum van het laatst opgelegde besluit tot verlaging, de uitkering/bijstand verlagen voor maximaal drie maanden; in afwijking van het genoemde onder a,b of c kan de hoogte van de verlaging en de periode anders worden vastgesteld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Artikel10Ingangsdatum en tijdvak 1.De verlaging van de bijstand of uitkering wordt toegepast met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging van de bijstand of uitkering aan de belanghebbende bekend is gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm dan wel grondslag. Als het gaat om toekenning van bijstand, wordt de verlaging van bijstand toegepast met ingang van de aanvangsdatum van bijstand. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging van de bijstand bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 in de toekomst worden opgelegd daar waar het gaat om een beëindiging. Hiervan wordt afgezien indien tussen de verwijtbare gedraging en de nieuwe toekenning een periode van een half jaar is verstreken. Artikel11Berekeningsgrondslag 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, dan wel op de grondslag. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB; het beroep op bijzondere bijstand het directe gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. HOOFDSTUK5Overige bepalingen Artikel12Samenloop van gedragingen 1.Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord Artikel13Heroverweging 1.Het college heroverweegt de verlaging voor een periode van drie maanden of langer, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot verlaging of voortzetting van de verlaging. 2.In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordelen burgemeester en wethouders of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening, beëindiging of voortzetting van de verlaging. 3.Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de verlaging het percentage van de verlaging verdubbelen en/of de duur verlengen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. HOOFDSTUK6Slotbepalingen Artikel14Hardheidsclausule In bijzondere gevallen wanneer onverkorte toepassing van deze verordening zou leiden tot een klaarblijkelijke hardheid op grond van specifieke individuele situaties, kan het college gemotiveerd beslissen om af te wijken van een of meer bepalingen van deze verordening. Artikel15Inwerkingtreding en intrekking Deze verordening treedt in werking na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de “Maatregelverordening IOAW en IOAZ” en “Afstemmingsverordening WWB 2012” zoals die respectievelijk op 3 januari 2011 en 24 mei 2012 door de raad is vastgesteld. Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik,gehouden op 2013.De griffier, De voorzitter,Toelichting Algemeen In de WWB, IOAW en IOAZ staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger om in zijn levensonderhoud te voorzien centraal. Als dit niet mogelijk is en er geen voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, kunnen zij aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente in de vorm van een uitkering. Dit brengt met zich mee dat de uitkeringsgerechtigde de plicht heeft zich in te zetten om onafhankelijk van de uitkering te worden. Deze wettelijke verplichtingen zijn dan ook vooral op dit doel gericht en worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke bijstandsnorm c.q. grondslagen IOAW en IOAZ en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde zijn verplichting niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Hoe ernstiger de gevolgen zijn voor de afhankelijkheid van inkomensondersteuning door de gemeente, hoe meer de uitkering wordt verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van verlaging. Gemeenten moeten zelf hun afstemmingsbeleid vormgeven. Afstemming betekent verlagen van de uitkering. De gemeente moet haar beleid op dit terrein vastleggen in een verordening. De afstemmingsverordening regelt lokaal de verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18 tweede en derde lid WWB en artikel 35, eerste lid onder b van de IOAW/IOAZ. Het is vanaf 1 januari 2013 niet langer mogelijk om een maatregel op te leggen die verband houdt met schending van de inlichtingenverplichting. In plaats daarvoor is de bestuurlijke boete gekomen. Dit is het gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2013 van de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving”. Wel blijft de mogelijkheid bestaan om het recht op bijstand op te schorten omdat er onvoldoende inlichtingen worden verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Artikelsgewijs Artikel 1 Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijvingen in de WWB, de IOAW en de IOAZ. In de verordening wordt het begrip “belanghebbende gebruikt. Dit begrip sluit aan bij artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De wet biedt verder de keuze om of de bijstand of de langdurigheidstoeslag te verlagen, echter aan verlaging van de langdurigheidstoeslag is een aantal bezwaren verbonden. De langdurigheidstoeslag wordt uitgekeerd als de belanghebbende hiervoor een aanvraag heeft ingediend en aan de voorwaarden voldoet. Het tijdstip van uitbetaling varieert dus per geval. Als de bijstand wegens verwijtbaar gedrag moet worden verlaagd, zou dat kunnen leiden tot een ongelijke behandeling. Het is mogelijk dat in het ene geval de langdurigheidstoeslag al is uitbetaald waardoor aan verlaging wordt ontkomen. Een optie is dan de verlaging met terugwerkende kracht op te leggen. Dit is echter alleen mogelijk als ook de gedraging zich in het verleden heeft voorgedaan (de bijstand kan immers niet worden verlaagd over een periode waarin aan alle verplichtingen is voldaan). Dit zou betekenen dat bij de uitvoering in iedere situatie de keuze zou moeten worden gemaakt tussen verlaging van de bijstand of de langdurigheidstoeslag dat vervolgens weer kan leiden tot een verschil in behandeling van overigens gelijke gevallen. Door de langdurigheidstoeslag niet onder verordening te laten vallen, is een gelijke behandeling beter gewaarborgd. Wel kan het verwijtbaar niet nakomen van de plicht tot arbeidsinschakeling gevolgen hebben voor een toekomstige aanspraak op de langdurigheidstoeslag, omdat de belanghebbende niet langer voldoet aan de voorwaarden. Binnen de WWB is het mogelijk dat activiteiten worden verricht met behoud van uitkering. Uitgangspunt is dat werkzoekenden die zich aanmelden voor een uitkering direct aan de slag kunnen. Zij krijgen daarbij begeleiding en ondersteuning in de vorm van korte cursussen e.d. Uitstroom naar regulier werk staat voorop. Indien de cliënt weigert mee te werken aan een werkervaringsplaats, kan een afstemming van de derde categorie plaatsvinden. Hoofdstuk 2 Bij de onderscheiden categorieën zijn de aard en zwaarte van de gedragingen gekoppeld aan een bepaald verlagingspercentage. Het genoemde percentage is het uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten worden meegewogen. Dat brengt met zich mee dat in individuele gevallen, gemotiveerd van dit percentage kan worden afgeweken. Dit betekent dat het percentage kan worden verlaagd of verhoogd en de periode verlengd of verkort. Artikel 2 De eerste categorie betreft verplichtingen tot een actieve opstelling van belanghebbenden om aan problemen te werken die mogelijke arbeidsinschakeling bemoeilijken. Het college kan op grond van paragraaf 6.3 van de WWB (artikelen 55 tot en met 57 WWB) nadere verplichtingen opleggen aan belanghebbende. Deze aanvullende verplichtingen moeten aan de belanghebbende per beschikking kenbaar worden gemaakt. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de verplichting om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject, de verplichting een medische behandeling te ondergaan of een budgetteringsplicht. Voorts geldt de verplichting ingeschreven te worden en te blijven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Dit staat in alle drie de wetten, te weten in artikel 9 eerste lid onder a WWB en 37 eerste lid onder b IOAW/IOAZ. Voor de laatste twee wetten geldt dat het alleen een verplichting is voor belanghebbenden die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan zijn aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Artikel 3 In de tweede categorie gaat het om verplichtingen die bijdragen aan het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Anders gezegd: de belanghebbende moet zich onthouden van gedragingen die het vergroten van zijn kansen op de arbeidsinschakeling belemmeren. Er wordt een actieve opstelling verlangd richting de arbeidsmarkt. Dat betekent dat men moet meewerken aan aangeboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen sociale activering. Voorts valt onder deze categorie de verplichting van belanghebbende alle medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn mogelijkheden op het terrein van arbeidsinschakeling, evenals de verplichting desgevraagd op de juiste datum en tijd en de juiste plaats te verschijnen op afspraken in het kader van zijn arbeidsinschakeling. Van onvoldoende medewerking is in elk geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt, het trajectplan niet wil ondertekenen of opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert. Daarnaast kan door het college een tegenprestatie worden verlangd voor de verleende uitkering. Het betreft hier het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Artikel 4 In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. In deze categorie gedragingen gaat het bijvoorbeeld om verwijtbaar ontslag, zoals een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering, of het zonder redelijk te verantwoorden, zelf ontslag nemen. Deze gedragingen kunnen ook betrekking hebben op het weigeren van een aangeboden dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, bepaalde of onbepaalde duur. Essentieel is dat door de werkweigering een concrete kans om geheel of gedeeltelijk, op korte of langere termijn, om zelfstandig in het bestaan te voorzien, wordt verminderd of zelfs verloren gaat. Deze gedragingen hebben tevens betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De belanghebbende is verplicht voldoende sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen en ook de reacties daarop. Hij/zij dient regelmatige contacten te hebben met uitzendbureaus. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij/zij uit eigen beweging tracht een baan te vinden. Met mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij geverifieerd kan worden dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Ook het bewust schrijven van negatieve sollicitatiebrieven of een negatieve of niet enthousiaste houding, in bijvoorbeeld een sollicitatiegesprek, is maatregelwaardig gedrag. Hij verkrijgt in dat geval immers door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid. Met een werkervaringsplaats wordt getracht de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, daarbij kan (sollicitatie)training, begeleiding en bemiddeling aangeboden worden. Ook werkprojecten met behoud van uitkering kunnen hieronder worden geschaard, bijvoorbeeld bij Op/Maat of een werkgever. Instrumenten voor directe arbeidsinschakeling zijn bijvoorbeeld work-first projecten zoals LBU (loon boven uitkering) of Werk Direct. Een ander instrument is een dienstverband met verloning vanuit een werkgever. Indien de werkzoekende niet bereid is zich te binden aan de afspraken hieromtrent, is dit maatregelwaardig gedrag. Een belanghebbende dient zich voldoende te conformeren aan verplichtingen verbonden aan gericht op directe arbeidsinschakeling. Dit kan immers tot zeer snelle bemiddeling of direct beschikbare banen leiden. Directe arbeidsinschakeling kan plaatsvinden via door de gemeente gecontracteerde organisaties. De gemeente heeft overeenkomsten afgesloten met re-integratiebedrijven die cliënten “direct” op reguliere functies bemiddelen. Ook worden er verloningsconstructies afgesproken met werkgevers en re-integratiebedrijven om moeilijk bemiddelbare mensen toch te plaatsen op een werkplek. Een jongere dient minimaal te beschikken over een startkwalificatie. Onder een startkwalificatie wordt verstaan, het minimale onderwijsniveau dat nodig is om kans te maken op duurzaam werk. Een startkwalificatie is een havo of vwo-diploma of een mbo-diploma vanaf niveau
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.