Verordening afstemming IOAW en IOAZ gemeente Peel en MaasDE RAAD VAN DE GEMEENTE PEEL EN MAAS Gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders Gelet op het bepaalde in artikel 147 en 149 van de Gemeentewet. Gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, onderdeel b en d en artikel 20 IOAW en IOAZ. Gehoord de beraadslagingen. BESLUIT Vast te stellen de volgende verordening: Verordening afstemming IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas Hoofdstuk1 Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas Raad: de raad van de gemeente Peel en Maas Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; Grondslag: de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde of zesde lid, IOAW en de grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAZ; Afstemming: het verlagen van de grondslag op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, , alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; Persoonlijk ontwikkelingsplan: een plan tussen belanghebbende en de gemeente met de bedoeling belanghebbende de kans te bieden zich verder te ontwikkelen. Ambities van belanghebbende en doelen in het kader van arbeidsinschakeling en sociale activering worden op elkaar afgestemd. Traject: een met belanghebbende overeengekomen, dan wel door het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid; uitkering: uitkering als bedoeld in artikel 9 van de wetten; Voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 34 eerste lid, onderdeel a van de wetten, zijnde een instrument binnen een persoonlijk ontwikkelingsplan dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen; De wetten: Wet IOAW en de Wet IOAZ; Artikel2Het verlagen van de uitkering 1.Als belanghebbende naar het oordeel van het college niet voldoet dan wel in onvoldoende mate, aan de verplichtingen, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de wetten, wordt overeenkomstig deze verordening de uitkering verlaagd. 2.De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Artikel3Berekeningsgrondslag De verlaging wordt opgelegd op de van toepassing zijnde grondslag. Artikel4Het besluit tot verlaging van de uitkering In het besluit tot opleggen van een verlaging wordt vermeld, de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden waarom een hogere of lagere verlaging wordt toegepast. Artikel5Afzien van verlaging van de uitkering 1.Het college ziet af van verlaging indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of; de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van verlaging indien het daarvoor zeer bijzondere individuele omstandigheden aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van verlaging wordt belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan onder vermelding van de redenen. Artikel6Ingangsdatum, tijdvak en recidive 1.De verlaging wordt met terugwerkende kracht toegepast, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag 2.Voor zover de uitkering over de afgelopen maand reeds is uitbetaald gaat de verlaging de eerst volgende kalendermaand in. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag. 3.De duur van de verlaging bedraagt minimaal één maand tenzij in de hoofdstukken 2 t/m 4 van deze verordening een afwijkende termijn is opgenomen 4.Indien belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan, opnieuw zijn verplichtingen verwijtbaar niet nakomt (recidive), worden de minimale termijnen, waarnaar in lid 3 wordt verwezen verdubbeld. 5.Bij derde en meer opvolgende verwijtbare gedragingen wordt het percentage van de verlaging verzwaard en wordt de duur waarnaar in lid 3 wordt verwezen telkens verlengd met één maand extra. 6.Indien blijkens verklaringen van belanghebbende direct en onmiskenbaar op voorhand vaststaat dat deze de opgelegde verplichting niet zal nakomen, wordt een verlaging opgelegd voor de duur dat niet aan deze verplichtingen is voldaan. 7.Een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt binnen een termijn van ten hoogste drie maanden heroverwogen. Artikel7Samenloop van gedragingen Indien belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging die verschillende schendingen van de verplichtingen inhoudt als genoemd in artikel 2, eerste lid, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van het hoogste percentage. Hoofdstuk2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en/of sociale activering of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel8Categorieën Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van hoofdstuk 3 van de wetten niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1.Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; het niet meewerken aan het gezamenlijk opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak, het persoonlijk ontwikkelingsplan, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de wetten het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel e van de wetten, tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen, scholing of zelfstandige participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de wetten; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 38 eerste lid van de IOAW/IOAZ;; Derde categorie: Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject. Artikel9De hoogte en duur van de verlaging Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde lid, wordt de verlaging als bedoelt in artikel 8 vastgesteld op: 10% van de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; 50% van de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie. Hoofdstuk3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden Artikel10Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Het college verlaagd, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, blijvend de uitkering, indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid verloren heeft en: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2.De hoogte van de verlaging is gelijk aan het door dit gedrag verloren bruto inkomen. Artikel11Niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Het college legt verlaagd blijvend de uitkering indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt, of weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. 2.De verlaging voor het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid wordt vastgesteld op 50% van de grondslag. 3.De verlaging voor het door eigen toedoen niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt vastgesteld op 100% van de grondslag. Hoofdstuk4 Overige gedragingen die leiden tot verlaging Artikel12Zeer ernstige misdragingen 1.Indien belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en medewerkers, onder omstandigheden die verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20 tweede lid van de wetten, wordt de uitkering verlaagd. 2.De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm van verbaal geweld,discriminatie of intimidatie op de volgende wijze vastgesteld:a. 50% van de grondslag gedurende 1 maand bij een eerste ernstige misdraging;b. 100% van de grondslag gedurende 1 maand bij een tweede ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige misdraging;c. 100% van de grondslag gedurende 2 maanden vanaf een derde ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige misdraging. 3.De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm van zaakgericht fysiek geweld, mensgericht fysiek geweld op de volgende wijze vastgesteld:a. 100% van de grondslag gedurende 1 maand bij een eerste ernstige misdraging;b. 100% van de grondslag gedurende 2 maanden bij een tweede ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige misdraging;c. 100% van de grondslag gedurende 3 maanden vanaf een derde ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige misdraging. 4.Van een ernstige misdraging in de zin van artikel 20, tweede lid van de wetten kan alleen sprake zijn als verwijtbaarheid is vastgesteld én dit gedrag in het normale menselijke verkeer onacceptabel is. Hoofdstuk5 Slotbepalingen Artikel13Hardheidsclausule 1.Het college kan ten gunste van belanghebbende in bijzondere situaties afwijken van het bepaalde in deze verordening, indien strikte toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard. 2.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. Artikel14Citeertitel, intrekken oude verordening en inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking. De “afstemmingsverordening IOAW en IOAZ”, zoals vastgesteld door de gemeente Peel en Maas op 14 juli 2011, wordt ingetrokken. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening afstemming IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas”. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van : 16-04-2013De raad van de gemeente Peel en Maas,de griffier, de voorzitter,drs. A.G. Joosten W.J.G. Delissen-van Tongerlo Algemene Toelichting Verordeningplicht Artikel 35, eerste lid onder b en d, IOAW en IOAZ legt de gemeenteraad de verplichting op bij verordening regels te stellen met betrekking tot: Onder b: het weigeren en verlagen van uitkering, bedoeld in artikel 20 (schending van verplichtingen, die aan het recht op uitkering zijn verbonden); Onder d: het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 38, twaalfde lid (uit houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, niet te willen nakomen en dit heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet). toelichting artikelsgewijs Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.