BELEIDSREGELS MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2012 VOORSCHOTENHoofdstuk 1 Beoordeling van te bereiken resultaten Resultaat 1: Een schoon en leefbaar huis Inleiding Tot een schoon en leefbaar huis behoort het zwaar en licht huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het overigens schoonhouden van de ruimten die onder de compensatieplicht vallen. Deze ruimten zijn die ruimten die - op het niveau sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Niveau sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Afwegingskader Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen dan wel oplossingen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld het gebruik van de glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden. Is sprake van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner kan bijdragen aan het huishouden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, kan het college compenseren met een individuele voorziening. Deze voorziening kan in twee categorieën worden verstrekt: categorie A en categorie B. In de regel wordt categorie A geïndiceerd. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig heeft bij het organiseren van taken of tijdelijk bij het aanleren van taken, kan (al dan niet tijdelijk) categorie B worden geïndiceerd. Bij één of meerdere combinaties van te behalen resultaten wordt altijd de hoogste categorie ingezet voor alle noodzakelijke resultaten. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Voor het bepalen van de omvang van voorziening wordt als norm aangehouden de systematiek zoals vermeld in het “protocol Hulp bij het huishouden gemeente Voorschoten”. Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in hele en halve uren. Het resultaat: beschikken over een schoon en leefbaar huis, als individuele voorziening, kan door het college in natura en via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. Hiervoor zijn bedragen per uur vastgesteld. Daarbij moet altijd vast staan dat het te bereiken resultaat gerealiseerd zal worden, zodat er sprake is van compensatie. In het Besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat geen zelfstandig recht ontstaat. Dit kan in twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Dan kan op naam van de verzorgde hulp plaats vinden, De tweede situatie betreft het niet toekomen aan het schoonmaken van het eigen huis. Dan zou de verzorgde i.p.v. hulp in natura een pgb kunnen aanvragen en dat kunnen gebruiken om de mantelzorger te betalen, die op zijn beurt met dat geld hulp in eigen huis kan bekostigen. Resultaat 2: Goederen voor primaire levensbehoeften Inleiding In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De compensatieplicht is beperkt tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Niet hieronder vallen de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Het is heel normaal dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door één maal per week de grote voorraad in huis te halen. Daar kan de Wmo bij aansluiten door uit te gaan van één maal per week boodschappen. Indien mogelijk wordt daarbij gebruikgemaakt van boodschappendiensten. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. Voor de kleine boodschappen is in de gemeente ook een rijdende winkel aanwezig. Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In sommige situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden. Afwegingskader Onder dit resultaat worden de boodschappen voor levens- en schoonmaakmiddelen, die dagelijks nodig zijn, en zo nodig de bereiding van maaltijden gerekend. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een boodschappenservice, die beschikbaar is gesteld door de supermarkten. Als het gaat om het bereiden van maaltijden kan bekeken worden of vormen van maaltijdvoorziening (Tafeltje Dekje en Apetito) of het gebruik maken van kant en klare maaltijden mogelijk en bruikbaar zijn. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwonendheid zal naar de concrete feiten beoordeeld moeten worden. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Hier kan wel voor geïndiceerd kunnen worden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem kan het college compenseren met een individuele voorziening. Deze voorziening kan in twee categorieën worden verstrekt: categorie A en categorie B. In de regel wordt categorie A geïndiceerd. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig heeft bij het organiseren van taken, kan (al dan niet tijdelijk) categorie B worden geïndiceerd. Bij één of meerdere combinaties van te behalen resultaten wordt altijd de hoogste categorie ingezet voor alle noodzakelijke resultaten. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is. Voor het bepalen van de omvang van voorziening wordt als norm aangehouden de systematiek zoals opgenomen in het “Protocol hulp bij het huishouden gemeente Voorschoten". Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in hele en halve uren. Het resultaat: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, als individuele voorziening, kan door het college in natura als ook via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. Hiervoor zijn bedragen per uur vastgesteld. Daarbij moet altijd vast staan dat het te bereiken resultaat gerealiseerd zal worden, zodat er sprake is van compensatie. In het Besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet - als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het college kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins. Resultaat 3: Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Inleiding De dagelijkse kleding en linnengoed moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent het wassen, drogen van kleding en linnengoed en in bepaalde situaties strijken van kleding. En soms gaat het om een los naadje of knoopje. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding en linnengoed kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding en linnengoed is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Afwegingskader De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding en linnengoed bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een wasserij of strijkservice als die in directe omgeving beschikbaar zijn.. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf door betrokkene van een wasmachine en/of droger. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwonendheid zal naar de concrete feiten beoordeeld moeten worden. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding zal het over het algemeen gaan om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan blijven liggen zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijke gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd kunnen worden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Deze voorziening kan in twee categorieën worden verstrekt: categorie A en categorie B. In de regel wordt categorie A geïndiceerd. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig heeft bij het organiseren van taken of tijdelijk bij het aanleren van taken, kan (al dan niet tijdelijk) categorie B worden geïndiceerd. Bij één of meerdere combinaties van te behalen resultaten wordt altijd de hoogste categorie ingezet voor alle noodzakelijke resultaten. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulpvragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Voor het bepalen van de omvang van de voorziening wordt als norm aangehouden de systematiek zoals vermeld in het Protocol hulp bij het huishouden. Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in hele en halve uren. Het resultaat: beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en linnengoed, als individuele voorziening, kan door het college in natura als ook via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. Hiervoor zijn bedragen per uur vastgesteld. Daarbij moet altijd vast staan dat het te bereiken resultaat gerealiseerd zal worden, zodat er sprake is van compensatie. In het Besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Wat betreft het strijken van kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Er zal met de mantelzorger rekening worden gehouden met het oog op dreigende overbelasting.Als er een indicatie wordt gesteld, gebeurt dat als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Deze voorziening kan dan niet - als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het college kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins. Resultaat 4: Het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Inleiding De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden, dat zij beide werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang enz. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan worden gedacht aan ouderschapsverlof of opvang door familie, kennissen en of vrienden uit het eigen netwerk.. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Deze individuele voorziening kan in twee categorieën worden verstrekt: categorie A en categorie B. Voor het opvangen van kinderen kan categorie B worden geïndiceerd. Bij één of meerdere combinaties van te behalen resultaten wordt altijd de hoogste categorie ingezet voor alle noodzakelijke resultaten. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Dat kan dus gaan om maximaal de gebruikelijke werktijden, plus de noodzakelijke reistijden. Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Resultaat 5: Wonen in een geschikt huis Inleiding Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning moet men rekening houden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is, kan het college compenseren. Het te bereiken resultaat "wonen in een geschikt huis” omvat de elementaire woonfuncties. Dit zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). AfwegingskaderUitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Voorwaarde is dat het een zelfstandige woonruimte betreft. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. De woonwagen / het woonschip mag evenwel niet ouder zijn dan tien jaar en moet een technische levensduur hebben van nog minimaal vijf jaar. De woonwagen / het woonschip moeten daarnaast nog minimaal vijf jaar op de standplaats / ligplaats kunnen blijven staan dan wel liggen. Tenslotte moet de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag bij de gemeente op de standplaats staan en moet de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit zijn van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Huisvestingswet. Allereerst beoordeelt het college of belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in de woning waar de problemen worden ondervonden. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de belanghebbende de meeste nachten doorbrengt. In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Het co-ouderschap zal d.m.v. een convenant/rechtelijke uitspraak moeten worden aangetoond. Een andere uitzondering is de situatie waarin belanghebbende in een AWBZ-instelling verblijft en er een voorziening aangevraagd wordt voor het bezoekbaar maken van de woning van ouders of van hun partner. Er is dan weliswaar sprake van één hoofdverblijf, namelijk de instelling, maar er wordt ook één woning zeer regelmatig bezocht, namelijk de woning van ouders of van de partner. De compensatieplicht gaat hier in beginsel niet verder dan dat de belanghebbende de woonruimte, de woonkamer, een slaapvoorziening (kan bed in woonkamer zijn) en het toilet moet kunnen bereiken en gebruiken. Het college beoordeelt de situatie die tot de problemen in het normale gebruik van de woning hebben geleid. Als de problemen een gevolg zijn van een verhuizing naar een niet geschikte woning (al dan niet vanuit een geschikte woning) en er zijn geen belangrijke redenen voor de verhuizing, is belanghebbende zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een oplossing voor deze problemen. Wanneer de ondervonden ergonomische belemmeringen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woning is er vanuit de gemeente ook geen compensatieplicht. Vervolgens beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan rekening worden gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtings-elementen in de woning. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem kan het college compenseren met een individuele voorziening. Wanneer de individuele voorzieningen een bedrag van € 10.000,- overstijgen, beoordeelt het college of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Hierbij kunnen de volgende aspecten aan de orde komen: • Gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger. • Frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week). • Al dan niet planbare zorg nodig • Al dan niet noodzaak voor voortdurende nabijheid. • Gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk (het verdwijnen/verkleinen van het sociale netwerk als gevolg van een verhuizing betekent vaak lastenverzwaring voor de mantelzorger). Nadat de noodzaak van een verhuizing is vastgesteld, kan het nog enige tijd duren voordat er een adequate woning vrijkomt. Het aanbrengen van eenvoudige, tijdelijke voorzieningen (zoals een een douchestoel in bruikleen) is mogelijk ais de situatie in de huidige woning zodanig is, dat er per direct enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Indien er direct grote aanpassingen nodig zijn en de verwachting is dat een nieuwe woning niet direct beschikbaar komt, dan dient opnieuw een afweging tussen aanpassen en verhuizen plaats te vinden. Er bestaat een uitzondering op dit uitgangspunt wanneer één of meerdere adequate woningen zijn geweigerd en er daarom langer in de oude, inadequate woning moet worden verbleven. Door het aanbieden van een andere adequate woning heeft de gemeente aan haar compensatieplicht voldaan. Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.' [NOOT: Een gemeente kan in overleg treden met woningcorporaties om hen te stimuleren mantelzorgwoningen te huur aan te bieden. Een gemeente kan er ook toe besluiten woningcorporaties subsidie te geven als bijdrage in de stichtingskosten van mantelzorgwoningen, die daarna te huur aangeboden worden, inclusief (tijdelijke) plaatsing.] De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Voor de plaatsingskosten van de mantelzorgwoning kan de gemeente besluiten (gedeeltelijk) subsidie te verlenen. Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Is dit niet mogelijk, dan moet de eigenaar zich bij overeenkomst verbinden aan de volgende voorwaarde om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming: indien binnen een periode van zeven jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woonruimte wordt verkocht, is de eigenaar/bewoner, die de tegemoetkoming heeft ontvangen, gehouden om binnen één week na het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De financiële tegemoetkoming die door de gemeente is verstrekt voor de aanpassing dient aan de gemeente te worden teruggestort: - voor het eerste jaar: 100% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het tweede jaar: 85% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het derde jaar: 70% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het vierde jaar: 55% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het vijfde jaar: 40% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het zesde jaar: 25% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; - voor het zevende jaar: 10% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. In principe worden alleen zelfstandige woonruimten aangepast. Gemeenschappelijke ruimten kunnen alleen worden aangepast indien het automatische deuropeners, hellingbanen, toegangsdeuren, drempelhulpen en vlonders, opstelplaatsen voor scootmobielen of rolstoelen bij de toegangsdeur van het woongebouw, extra trapleuningen en trapliften betreft. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Door de brancheorganisaties van de woningcorporaties is in 2001 gesteld dat een aantal ‘opplusmaatregelen’ worden gerekend tot het standaardpakket dat door corporaties wordt toegepast bij het renoveren of groot onderhoud. Het gaat hierbij dan met name om het ophogen van de galerijvloeren, het aanbrengen van kleine hellingbanen (drempel-hulpen), het aanbrengen van lichtere deurdrangers of elektrische deuropeners in flatgebouwen, het anti slip maken van badkamervloeren, het aanbrengen van verbeterde douches en het laag bedienbaar maken van ventilatieraampjes. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge artikel 7 lid 2 Wmo door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning, als financiële tegemoetkoming. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. In overleg met de Woningbouwvereniging kan hiervan worden afgeweken. Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de aanvrager/belanghebbende. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Sedert 1-8-2003 is, door aanpassing van het Burgerlijk wetboek (artikel 274), het mogelijk, mits dat in de afgesloten huurovereenkomst is bepaald, dat wanneer de gehandicapte de woning verlaat dan wel overleden is de woning vrijgemaakt moet worden voor een andere gehandicapte en onder aanbieding van een vergelijkbare vervangende woning de huur opgezegd kan worden. Het gaat hier dan uiteraard om woningen met ingrijpende aanpassingen. Indien de familie van de overledene niet akkoord gaat kan bij de rechter een vordering tot het vaststellen van een tijdstip waarop de huurovereenkomst zal beëindigen, worden ingediend. De Wanneer iemand extra kosten moet maken voor tijdelijke huisvesting, omdat zijn huidige woonruimte of zijn te betrekken woonruimte wordt aangepast, kan het college hiervoor een financiële tegemoetkoming verstrekken. Deze tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt voor de periode (maximaal 6 maanden) dat de woonruimte als gevolg van het aanpassen van deze ruimte niet bewoond kan worden en de belanghebbende voor dubbele woonlasten komt te staan. Belanghebbende is eerst zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van deze dubbele woonlasten. Het college kan aan de eigenaar van een woonruimte een financiële tegemoetkoming verstrekken voor het verwijderen van woningaanpassingen dan wel voor het beschikbaar houden van een aangepaste woonruimte. De financiële tegemoetkoming voor het beschikbaar houden van een aangepaste woonruimte wordt alleen verstrekt als er sprake is van verlies van huurinkomsten. Deze financiële tegemoetkoming kan maximaal voor de duur van zes maanden worden toegekend, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gelijk aan de noodzakelijk te maken huurkosten. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van verwijdering van een ingrijpende woningaanpassing waarvoor een overheidsbijdrage is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten. Het college kan eenmalig een financiële tegemoetkoming in de kosten voor woningsanering verstrekken. Hiervoor gelden wel een paar voorwaarden. Ten eerste moet een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege caraklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, zijn vastgesteld. Ten tweede moet de woningsanering zijn aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. Tenslotte moet bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking geen sprake zijn geweest van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de aanvrager op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van keuring en onderhoud. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie is opgenomen in het Besluit. Indien een voorziening als persoonsgebonden budget is verstrekt, zijn de kosten van keuring en onderhoud/reparatie in het persoonsgebonden budget als instandhoudingskosten meegenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie aan voorzieningen, die door de gemeente zijn verstrekt, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud/reparatie voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij wordt een afweging gemaakt of het verwijtbare/ te voorkomen kosten betreft. Bij voorzieningen die in natura in bruikleen zijn verstrekt, worden de kosten van onderhoud (onderhoudscontract) rechtstreeks uitbetaald aan de leverancier. Kosten van reparaties is een financiële tegemoetkoming aan de klant, eventueel doorbetaald aan de leverancier. Bij voorzieningen in eigendom worden kosten van onderhoud en reparatie vergoed in de vorm van een financiële tegemoetkoming aan de klant en eventueel op verzoek van klant doorbetaald aan de leverancier. Resultaat 6: Verplaatsen in- en om de woning Inleiding Verplaatsing in om en nabij de woning werd onder de Wvg aangeduid als: de rolstoel. Onder de Wvg werd met de rolstoel aanvankelijk bedoeld: de rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik. Zo was het ook in de gemeentelijke verordeningen geformuleerd. Daarnaast werd een sportrolstoel als - bovenwettelijke - voorziening verstrekt, over het algemeen in de vorm van een bedrag ineens. De rolstoel voor incidenteel gebruik, uiteindelijk onder de Wvg de meest verstrekte rolstoel, had eigenlijk geen plaats. Onder de Wmo is er een andere omschrijving. Het gaat dan om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat sluit op zich de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die nu juist daar niet voor bedoeld is, maar voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes. Deze rolstoel past daarmee meer onder resultaat 8 en kan ook als algemene voorziening verstrekt worden. Afwegingskader Het gaat om het zich verplaatsen in om en nabij de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele' gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen in principe niet onder dit te bereiken resultaat. De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt geschaard onder het achtste resultaat. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. In het Besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. Resultaat 7: Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Inleiding Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Een collectief vervoersysteem kan de prioriteit hebben, zodat de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits men rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Er wordt geen onbeperkte kostenloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er geen noodzaak zijn te compenseren omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt. AfwegingskaderOm voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke. Als het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte/de af te leggen vervoersafstand van de aanvrager/betrokkene uit bestaat. Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1 500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen dan wel verlagen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte voorziening zoals een scootmobiel, dan wel een eigen verplaatsingsmiddel meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers. Het aantal kilometers wordt dan met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsings-middel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Tenslotte kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden indien het gaat om kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Een dergelijk individueel vervoermiddel kan alleen worden verstrekt indien belanghebbende over een adequate stalling beschikt. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening. Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800 meter, kan het college beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is. Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor een (rolstoel)taxi of voor het gebruik van de eigen auto verstrekken. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan: - personen die tijdens de rit een noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen; - personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie; - personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is; - situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de cliënt. Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Wanneer mensen een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassingen. Deze aanpassingen kunnen betreffen: - de bediening en besturing van de auto; - het in en uit de auto komen; - de zithouding; - de verzorging van de gehandicapte; - het mee kunnen nemen van hulpmiddelen. Voorwaarden De finaciële tegemoetkoming voor de autoaanpassing wordt voor de periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De tegemoetkoming wordt alleen toegekend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbara vervoer of de taxi; of de belanghebbende maakt deel uit van een gezin van meer dan 2 personen, én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substatiële rol in de vervoersbeheofte van belanghebbende Dwz: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd. de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de belanghebbende; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er treedt waarschijnlijk geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. Ook aan de eigen autoi worden randvoorwaarden gesteld. Hij moet redelijk aan te passen en in goede staat zijn; de goedkoopst aan te pasen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen. De hoogte van de finaciële tegemoetkoming is afhankelijk van het inkomen van de belanghebbende/aanvrager. Bedraagt het inkomen minder dan het norminkomen als bedoeld in artikel 15 lid 3 van de Verordening, dan wordt de tegemoetkoming gebaseerd op de goedkoopst-compenserende oplossing. Bedraagt het inkomen meer dan het norminkomen, dan wordt de financiële tegemoetkomeing vastgesteld op maximaal drie jaarvergedingen van het basis Regiotaxi-budget. Voorzieningen kunnen door het college verstrekt worden in natura, een financiële tegemoetkoming of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de aanvrager/betrokkene als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger mede wordt vervoerd (vanwege de noodzaak tijdens het vervoer in te grijpen) zodat het vervoer van de mantelzorgerr als noodzakelijke begeleider gratis plaatsvindt (begeleiderspas, alleen van toepassing bij Collectief vraagafhankelijk vervoer). om in aanmerking te komen voor een begeleiderspas, moet belanghebbende in ieder geval een vergoeding ontvangen voor het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Daarnaast moet de begeleiderspas geschikt en langdurig noodzakelijk zijn en moet er een medische noodzaak voor begeleiding zijn. Deze medische noodzaak wordt in ieder geval aanwezig geacht, indien iemand a. in het bezit is van een begeleiderspas van de Nederlandse Spoorwegen (NS); of roelstoelgebonden is of woonachtig is in een verpleeghuis of verzorgingshuis of visueel gehandicapt is. Resultaat 8: Hebben van contacten en deelname recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten Inleiding Het laatste op grond van artikel 4 lid 1 Wmo genoemde resultaat is een heel algemene. Het gaat daarbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Afwegingskader Het college beoordeelt altijd eerst of andere, algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via het zevende resultaat opgelost kan worden. Het College draagt zorg voor de mogelijkheid van vrijwillige respijtzorg en draagt bij aan een goed afgestemd aanbod van professionele respijtzorg. Hoofdstuk 2 Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming. Eigen bijdrage en eigen aandeel. Inleiding Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan." Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat dat bereikt moet worden te bereiken. De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. En met de voorziening die betrokkene in natura krijgt, moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn. De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te bieden in de vorm van een persoonsgebonden budget, een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Na een wetswijziging die sinds 1 januari 2010 van kracht is, zijn er voor het persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden twee mogelijkheden om dit in te vullen. Conform artikel 6 Wmo moeten voorzieningen in natura en het persoonsgebonden budget ‘vergelijkbaar’ zijn. De keuze tussen beide vormen van verstrekking moet daarom zo uitgebalanceerd worden, dat burgers die kiezen voor één van beide mogelijkheden in een gelijkwaardige positie blijven ten opzichte van de burgers die de andere keuze maken. Burgers kunnen dan in alle vrijheid kiezen voor de manier van verstrekken die het beste past bij hun situatie en bij hun voorkeur. Dit heeft onder andere gevolgen voor de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget. De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontech-nische ingreep in of aan een woonruimte. Als het gaat om dergelijke ingrepen is de gemeente verplicht om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget zijn. Dat gaat immers rechtstreeks naar de aanvrager. Ook is soms sprake van een financiële tegemoetkoming voor vervoer door taxi- of rolstoeltaxi of met eigen auto. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en meestal los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal meestal niet op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Er kan eventueel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer. Afwegingskader
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.