← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Leusden 2013 (Leusden)

lege d.d. 7 mei 2013, nummer 202670; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Leusden 2013 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Be

. Artikel 2:15 APV Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Deze bepaling is misschien niet strikt noodzakelijk omdat er ook privaatrechtelijk, en, wanneer er sprake is van voorwerpen of beplanting op of aan de weg, op grond van de APV kan worden opgetreden. Maar het kan wel praktisch zijn, en in noodgevallen sneller in te zetten dan het privaatrecht. Bovendien is een geval denkbaar waarbij beplanting of voorwerp op privéterrein, op geruime afstand van de weg, toch het uitzicht belemmert en zo hinderlijk is voor het verkeer. Deze bepaling is daarom, na eerder te zijn geschrapt, weer opgenomen in deze APV. Artikel 2:24 APV Begripsbepaling Derde lid: hier stond een nadere begripsbepaling van een begripsbepaling in het tweede lid. Dat maakte de zaak onnodig ingewikkeld, en de tekst van het oude derde lid is nu toegevoegd aan het tweede lid. Zie overigens de nadere toelichting hierna. Artikel 2:28 APV Exploitatie Horecabedrijf In lid 5 is een verruiming op genomen. Toegevoegd zijn horeca gelegenheden in zorginstellingen. Daarnaast is in lid 6 de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester kan besluiten vrijstelling te verlenen van de verplichting om een horecaexploitatievergunning aan te vragen voor horecabedrijven die ook vallen onder de werking van de Drank- en Horecawet (doorgaans horecagelegenheden waar alcohol wordt geschonken). Hiermee wordt meer aangesloten bij het doel van de horecaexploitatievergunning als middel om de openbare orde en veiligheid te kunnen reguleren. Artikel 2:39-40 APV Speelgelegenheden en kansspelautomaten. Ter herinnering: Deze bepalingen zijn in 2010 aangepast vanwege wijzigingen in de Wet op de kansspelen. Artikel 2:44 APV Vervoer inbrekerswerktuigen Redactioneel aangepast en in overeenstemming gebracht met de delictsomschrijving in het Wetboek van strafrecht. Artikel 2:47, lid 1 onder b APV Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen De beperkte en verwarrende term “weggebruikers” is vervangen door het veel ruimere “gebruikers” (van de openbare plaats). Artikel 2:53 APV Bespieden van personen Deze bepaling is facultatief gemaakt. Hoewel dit artikel aanvullende werking heeft bij het Wetboek van Strafrecht, kan men zich afvragen af het hier om een gemeentelijke taak gaat. Artikel 2:57 APV Loslopende honden Dit artikel is inhoudelijk niet veranderd maar wel tekstueel herschreven. In juridische zin was er geen probleem met het bestaande artikel, maar onduidelijkheden in de formulering leidden tot vragen. Artikel 2:59 APV Gevaarlijke honden Technische wijziging vanwege naamsverandering ministerie. Daarnaast is het verouderde en niet bijzonder diervriendelijke tatoeëren van honden ter identificatie geschrapt. Artikel 2:60 APV Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Hier is een extra lid toegevoegd. Sommige, veelal grotere en stedelijke gemeenten gebruiken een bepaling tegen het voeren van hinderlijke of ongezonde dieren, doorgaans duiven. Uiteraard is dit facultatief. Gemeenten die de behoefte niet hebben of niet van zins zijn deze bepaling te handhaven, kunnen deze achterwege laten. Artikel 2:65 Bedelarij, (gereserveerd):

Artikel 2

:73 APV Consumentenvuurwerk Een overbodig zinsdeel (”van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd”) is geschrapt. Het nogal ouderwetse woord “bezigen” is vervangen door “gebruiken”. Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding, nieuw,

Artikel 3

:5 APV Gedragseisen exploitant en beheerder (seksinrichting) Tekstuele aanpassing. Een aantal verwijzingen naar bepalingen in andere wetten is geactualiseerd. Tweede lid: Aangepast vanwege de staatkundige verandering van het land. In het tweede lid sub b zijn de BES-eilanden ingevoegd. Artikel 3:13 APV Weigeringsgronden De afbakening tussen deze bepaling en artikel 1:8 was niet duidelijk. Dat is aangepast. Artikel 3:16 APV Overgangsbepaling Deze bepaling maakt al zo lang deel uit van de model APV dat het nauwelijks nog denkbaar is dat hier apart overgangsrecht nodig is. Artikel is geschrapt. Artikel 4:2 en 4:3 APV Collectieve en incidentele festiviteiten NB: Deze toelichting is opgenomen omdat hier geregeld naar wordt gevraagd, maar strikt gesproken hoort deze niet op deze lijst nu er geen sprake is van een wijziging. Artikel 2.19 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer is nog steeds niet in werking getreden. Strikt juridisch is het daarom merkwaardig dat er wel naar wordt verwezen. Maar nu dat een tamelijk academische kwestie is die niet tot praktische problemen kan leiden, en het nog steeds de verwachting is dat artikel 2.19 op enig moment in werking zal treden, is de bepaling niet gewijzigd. Artikel 4:6 APV Overige geluidhinder De formulering van het eerste lid is aangepast. Door een toevalligheid wekte de tekst de indruk dat er naar het reeds lang ingetrokken “Besluit toestellen en geluidsapparaten” werd verwezen. Artikel 4:6A Mosquito, nieuw,

Artikel 4

:7 Straatvegen, nieuw,

Artikel 4:13 APV Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Kleine tekstuele wijzigingen Artikel 4:17 APV Begripsbepaling kampeermiddel Kleine tekstuele wijziging Artikel 5:6 APV Kampeermiddelen ea. Termijn verlengd van 3 dagen naar 7 dagen,

. Artikel 5:8 APV Parkeren van grote voertuigen Nieuw: Vierde lid ingevoegd ter afstemming met art. 5:

  1. Dit omdat sommige campers tegenwoordig zo groot zijn dat ze onder de omschrijving van grote voertuigen vallen. Ook is de termijn van 7 dagen in overeenstemming met art. 5:
  2. Artikel 5:32 APV Crossterreinen Redactionele aanpassing. Overbodige begripsomschrijving geschrapt. Artikel 5:34 APV Verbod vuur te stoken Redactionele aanpassing. De vorige tekst bleek verwarring te wekken over de vraag wat onder het tweede lid was toegestaan. Enige bijzondere en nadere toelichtingen APV 2013: Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Algemeen In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. Men zou zelfs kunnen overwegen of regeling in de APV nodig is, en of uitwegen niet puur privaatrechtelijk zouden kunnen worden geregeld. Het is duidelijk dat dit voor veel gemeenten een zeer vergaande stap zou zijn. Er is daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Daarbij is wel een zogenaamde “noodrem” opgenomen: bij onacceptabele gevolgen kan het college de uitweg alsnog verbieden. Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Jurisprudentie Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977, 366 m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le Roy (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514 (De Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning Nuth I). Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV. (Wegverbreding) Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen. Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr.
  3. m.nt. HH. Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen); ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen)). Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr.
  4. Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. ARRS, 20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2 m.nt. EB. Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt. HH. Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model) APV. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05 12 1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH. Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB 1997, 369 m.nt. FM. ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is. Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt. HH. Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS 19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH. Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergun

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.