Beleidsregels Twents Protocol Asbest 2010 Artikel 0 Dit artikel moet nog worden gesplitst Twents Protocol Asbest 2010 Definitief VersieC1.0 d.d. Juli 2010 Hulpverleningsdienst Regio Twente Nijverheidstraat 30 Postbus 1 400 , 75 0 0 B K ENSCHEDE autorisatie opstellers: Aarnink Bokdam Munsterhuis Reurink Kamphuis Venema Boerkamp versiegegevens versie: datum: omschrijving: 1 5 november 2008 Eerste versie. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 B 4.0 C1.0 8 december 2008 5 april 2009 9 april 2009 14 mei 2009 7 september 2009 23 november 2009 7 januari 2010 8 februari 2010 27 mei 2010 23 juli 2010 Commentaar verwerkt. Commentaar verwerkt en brieven bijgevoegd Commentaar verwerkt Commentaar verwerkt Commentaar verwerkt Commentaar teamleiders overleg HVD verwerkt Uitsplitsing document Nader verwerken 4e tranche Awb Tekstuele aanpassing GHOR Definitieve versie © Hulpverleningsdienst Regio Twente, 2010 INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 5 1 Doelstellingen 5 2 Uitgangspunten protocol 6 DEEL A: ALGEMEEN 2 Asbest en toepassingen 8 1 Situatieschets Asbestbrand 8 2 Branden met asbestcement 8 3 Branden met andere asbesthoudende materialen 8 4 Situatieschets asbestexplosie 9 5 Explosies van asbestcement 9 6 Explosies van losgebonden asbesthoudend materiaal(zoals spuitasbest en isolatielagen) 9 7 Andere incidenten met asbest 9 3 Werkwijze en opzet Twents protocol asbestbranden (TPA) 10 1 Opzet TPA 10 2 Fasering asbestbrand 10 3 Categorie-indeling Landelijk Plan van Aanpak Asbestbranden 10 4 Procedure GRIP 11 5 Koppeling GRIP met categorie-indeling Landelijk Plan van Aanpak 12 4 Betrokken instanties 13 1 Inschakeling betrokken partijen per categorie asbestbranden 14 5 Plan van aanpak 15 1Stappenplan CAT II en CAT III 15 6 Verantwoordelijkheden overige instanties 24 1Onafhankelijk asbestdeskundige 24 2Arbeidsinspectie 24 3Waterbeheerder 24 4Stichting Salvage 25 DEEL B : HULPVERLENINGSDIENSTEN 7 Taken en verantwoordelijkheden hulpverleningsdiensten 27 1Brandweer 27 2Politie 30 3GHOR 30 8 Asbestprocedure brandweer 31 1Inzetprocedure 31 2Controle en nazorg van personeel en materieel 31 9 Veiligheid 32 1Algemeen 32 2Beschermende maatregelen 32 3Metingen tijdens of na asbestbranden 33 4Nagaan aanwezigheid van asbest 34 DEEL C: GEMEENTE 10 Taken/verantwoordelijkheden Gemeenten 36 1Fase B: Tijdens de brand 36 2Fase C: Opruimen van asbestresten 37 3Fase D. Nazorg 39 11 Toelichting juridische aspecten gemeenten 40 1Inleiding 40 2Bestuursdwang algemeen 40 11.2.1Bestuursdwang in Algemene wet bestuursrecht 40 11.2.2 Maatregelen bij een asbestbrand 43 3Bestuursdwang bij een bedrijf (‘inrichting in de zin van de Wet milieubeheer’) 44 11.3.1Ongewoon voorval in de zin van titel 17.1 Wet milieubeheer 44 11.3.2 Milieuaansprakelijkheid op grond van titel 17.2 Wet milieubeheer 46 4Bestuursdwang overig 48 11.4.1 Algemene zorgplicht voor het milieu 48 11.4.2 Afvalstoffen 49 11.4.3 Bodembescherming 50 11.4.4 Zorgplicht op grond van de Woningwet 51 11.4.5 Opperbevel burgemeester bij brand 52 5Dwangsom 53 6Privaatrechtelijk kostenverhaal 54 11.6.1 Behartiger algemeen belang 54 11.6.2 Wegbeheerder en perceeleigenaar 55 7Toelichting begrippen 56 Bijlage 1: Gebruikte literatuur en belangrijkste afkortingen Bijlage 2: Instructie bevolking Bijlage 3: Voorbeeldbrieven Bijlage 4: Model werkplan Bijlage 5: Vaststelling van vrijkomen asbest 1 Inleiding Het vrijkomen van asbest als gevolg van brand kan leiden tot risico’s voor de volksgezondheid. Als gevolg van de grote hitte kunnen materialen waarin asbest is verwerkt knappen en/of breken waardoor grote hoeveelheden asbestvezels/asbeststof vrijkomen (primaire emissie). Verder kunnen flinters en brokstukken in de nabije omgeving van de haard terechtkomen waardoor additioneel vorming en verspreiding van asbestvezels kan optreden (secundaire emissie). Om de gezondheidsrisico’s van asbestbranden zoveel mogelijk in te perken is adequate afstemming noodzakelijk tussen alle betrokken instanties: Afstemming op het vlak van informatievoorziening en ten aanzien van taken en verantwoordelijkheden tussen operationele en ambtelijke diensten. Om deze reden hebben de betrokken instanties gekozen voor het opstellen van een Twents Protocol Asbestbranden (TPA) op regionaal niveau. In dit protocol wordt inzichtelijk gemaakt welke partijen waarvoor verantwoordelijk zijn en wat van de verschillende partijen verwacht wordt, om de gevolgen van een asbestbrand efficiënt en adequaat te bestrijden. Het Twents Protocol Asbestbranden bestaat uit vier delen, te weten: Deel A ALGEMEEN: Hierin wordt een beschrijving gegeven van de werkwijze en opzet van het protocol, een overzicht van de belangrijkste betrokken instanties en een stappenplan voor de diverse categorieën. Deel B HULPVERLENINGSDIENSTEN: Hierin wordt specifiek ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van alle hulpverleningsdiensten (brandweer, GHOR, politie). Deel C GEMEENTEN: Hierin wordt specifiek ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente. Het juridische aspect is hierbij een belangrijk punt. BIJLAGEN: De gebruikte literatuur en belangrijkste afkortingen worden beschreven in bijlage 1, terwijl in bijlage 2 tips worden gegeven over op welke wijze je de bevolking het beste kunt instrueren. In bijlage 3 zijn een 9-tal voorbeeldbrieven en modelbesluiten te vinden. Vervolgens zal in bijlage 4 het vaststellen van vrijkomen asbest worden toegelicht en tot slot is in bijlage 5 een model werkplan asbestverwijdering toegevoegd. Doelstellingen De samenwerkende handhavingpartners in de regio Twente willen op regionaal niveau op een gestructureerde en doelmatige wijze omgaan met de branden waarbij asbest in het spel is, door: Uniforme afspraken te maken met betrekking tot de handelwijze bij asbestbranden, gebaseerd op het Plan van Aanpak Asbestbranden van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 4e druk van november 2006. Afspraken vast te leggen in dit Twents Protocol Asbestbranden. Zorg te dragen voor de overname van deze afspraken door alle uitvoerende partijen in Twente. In 2010 op te treden conform het Twents Protocol Asbestbranden. Dit houdt in dat alle partijen conform hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden optreden zoals vastgesteld in het Twents Protocol Asbestbranden. Het waarborgen van veiligheid en gezondheid. Uitgangspunten protocol Het TPA is van toepassing voor alle gemeenten binnen de regio Twente en gaat uit van een breed gedragen uniforme aanpak bij alle betrokken instanties bij een asbestbrand op lokaal en regionaal niveau. De volgende fasen worden onderscheiden: Het bestrijden van de brand, stabilisatiefase. Het opruimen van de asbestresten, saneringsfase. Het verlenen van nazorg (voorlichting aan de bevolking, verslaglegging en evaluatie). Het protocol schenkt geen aandacht aan de preventieve benadering waarbij de nadruk ligt op het inventariseren van risicovolle objecten waarin asbest aanwezig is. Dit element zal in een vervolgtraject verder uitgewerkt moeten worden. Het protocol is gebaseerd op het Plan van aanpak Asbestbranden van de Ministeries van binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), uitgebracht in November 2006 Verder zijn verschillende reeds bestaande asbestprotocollen gebruikt (zie hiervoor bijlage 1). Het protocol is toegesneden op onderkende knelpunten uit regionale casuïstiek, interviews, onderzoeken en evaluatieverslagen en sluit aan bij Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdings Procedure (GRIP). Het protocol wordt gepresenteerd als raamwerk waarbij de noodzakelijke invulling en afstemming door betrokkenen nog moet plaatsvinden. Het protocol heeft enkel betrekking op het vrijkomen van asbest als gevolg van brand. De verwoorde processen kunnen echter ook nuttig zijn bij andere asbestcalamiteiten. TWENTS PROTOCOL ASBEST DEEL A ALGEMEEN Asbest en toepassingen Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen (serpentijn of amfibool) opgebouwd uit fijne vezels. Door de gunstige eigenschappen van asbest (sterkte, buigzaamheid, isolerende eigenschappen, bestand tegen hoge temperaturen, zuren en logen), zijn de toepassingen legio. De genoemde eigenschappen, in combinatie met geringe kosten van asbest, leidden vlak na de oorlog tot toepassing van asbest op grote schaal, vooral in de bouw. In Nederland is ruim 80% van de asbest verwerkt in cementproducten (o.a. golfplaten en waterleidingbuizen). Daarnaast is het mineraal toegepast in rem- en frictiemateriaal, als isolatiemateriaal, als hittebestendig textiel, in brandwerende platen, in onderlagen van vloerbedekkingen en in pakkingen en filters van de chemische- en voedingsmiddelenindustrie. Geschat wordt dat er zo'n 3.500 producten zijn waarin asbest is verwerkt. Situatieschets Asbestbrand Omdat asbest bestand is tegen zeer hoge temperaturen, blijven bij een asbestbrand de eigenschappen van de vezels behouden. Pas boven de 1200 ˚C verandert asbest van structuur en verliezen de vezels hun gevaarlijke eigenschappen voor het longweefsel van mensen. Bij een brand worden deze temperaturen maar zelden bereikt. Bij een standaardbrand is de temperatuur na 1 uur ongeveer 900 ˚C. Asbestcement zal al voor het bereiken van deze temperatuur in flinters uiteenspatten. Bij asbestbranden gaat het in de meeste gevallen om brand in gebouwen waarin asbestcement is verwerkt, maar er zijn natuurlijk ook branden waarin een hoofd- of bijrol wordt gespeeld door spuitasbest, losse isolatielagen, asbesthoudende vloerbedekking, enz. De problemen die de diverse materialen met zich meebrengen verschillen sterk. U vindt ze hieronder op een rij: Branden met asbestcement Asbestcement bevindt zich vaak op het dak (meestal golfplaten) en aan de gevels en wanden (vlakke platen) van het brandende gebouw. Asbestcementplaten kunnen als gevolg van de snelle opwarming knappen (exploderen), hetgeen bijna altijd gepaard gaat met typerende reeksen harde knallen, als van een mitrailleur. Bij het knappen van asbestcementplaten komen losse asbestvezels en flinters asbestcement in de lucht vrij (primaire emissie). In de omgeving neergekomen losse asbestvezels en flinters asbestcement kunnen secundaire emissies veroorzaken. Branden met andere asbesthoudende materialen Brandwerend board op basis van amosiet/bruine asbest (bijvoorbeeld van het type Nobranda2 of Pical) blijft intact en gebonden op zijn plaats. Er treedt geen primaire vezelemissie op. Brandwerend board op cellulosebasis (Internit): de in de plaat verwerkte cellulosevezels verbranden en er treedt geen explosie op. Het resterende plaatmateriaal blijft gebonden en op zijn plaats. Er treedt nauwelijks primaire vezelemissie op. Spuitasbest: ongebonden materiaal, wordt zowel in de directe omgeving van de brandhaard, als via de pluim in een wijdere omgeving uitgestoten. Is door zijn losgebondenheid een sterke bron van primaire en secundaire emissie, zowel in de directe omgeving van de brandhaard als op de plekken in de omgeving waarin vlokken spuitasbest zijn neergeslagen. Isolatielagen: zeer losgebonden materiaal, met ongeveer dezelfde emissiekarakteristieken als spuitasbest. Vloerbedekking met asbesthoudende onderlaag: ongeveer dezelfde karakteristieken als spuitasbest, met dien verstande dat de vrijgekomen hoeveelheid aanzienlijk geringer zal zijn. Situatieschets asbestexplosie Een met een asbestbrand min of meer vergelijkbare situatie vormt de zogeheten “asbestexplosie”, waarbij een asbesthoudend(
- e)gebouw/installatie explodeert en het asbest zich over de omgeving verspreidt. De verspreidingskarakteristieken van asbestexplosies kunnen verschillen van die van een asbestbrand. Samenvattend valt over asbestexplosies het volgende te zeggen: Explosies van asbestcement • De verspreide stukjes zijn massief: ze hebben voor het merendeel dezelfde dikte als de oorspronkelijke plaat waaruit ze zijn losgeslagen. Er treedt dus nauwelijks flintervorming op. • Omdat er geen flintervorming optreedt, is het totale breukoppervlak aanmerkelijk kleiner dan dat van de bij een brand vrijkomende asbestcementflinters. • Omdat de primaire emissie aan inadembare vezels volgens onderzoek ongeveer evenredig is met het totale breukoppervlak , kan worden aangenomen dat de primaire emissie bij een explosie geringer is dan bij een “asbestbrand” van een vergelijkbaar oppervlak aan asbestcement. • Het verspreidingsgebied van de massieve stukjes wordt vooral bepaald door de drukgolf bij de explosie en in veel mindere mate door de windrichting en de windsnelheid. • Omdat de massieve stukjes veel compacter zijn dan de asbestcementflinters bij een asbestbrand, worden deze ook minder ver door de wind meegedragen. • De massieve stukjes worden minder gemakkelijk via schoeisel binnengelopen dan met flinters asbestcement het geval is. Explosies van losgebonden asbesthoudend materiaal (zoals spuitasbest en isolatielagen): • De volumineuze massa wordt door de explosie in kleine, lichte plukjes uiteengeslagen, die gemakkelijk door de wind kunnen worden meegevoerd. • De primaire emissie zal over het algemeen zeer hoog zijn, al zullen losse vezels zich snel in de omgevingslucht verdunnen. • Onder meer omdat de wind een belangrijke verspreidingsfactor vormt, is een korte termijn atmosferisch verspreidingsmodel redelijk toepasbaar om de omvang van het verontreinigde gebied vast te stellen (hierop wordt in de volgende hoofdstukken en bijlage 3 nader ingegaan). • De kans op secundaire emissie uit neergeslagen plukjes materiaal is bijzonder groot. • De kans op verspreiding van plukjes asbesthoudend materiaal (via bijvoorbeeld schoeisel naar woningen, kantoren, brandweerwagens, e.d.) is, vooral in natte toestand, bijzonder groot. Andere incidenten met asbest Naast brand en explosie kan asbest ook op ander manieren vrijkomen. Zo is bijvoorbeeld voor het vrijkomen van asbest bij storm geen specifiek plan van aanpak voorhanden Ook dit is een incident volgens het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Het huidige protocol is specifiek opgezet voor het vrijkomen van asbest bij brand. Het plan van aanpak biedt daarnaast echter veel informatie en aanknopingspunten over de acties die moeten worden ondernomen bij het vrijkomen van asbest als gevolg van andere incidenten. De stappen die moeten worden ondernomen hangen voor een belangrijk deel af van de zogenaamde verspreidingscategorie van de brand. Hiermee is het plan van aanpak opgezet vanuit de waargenomen verspreiding oftewel het effect. Indien bij andere incidenten de verspreiding van de asbest op dezelfde manier wordt ingedeeld kan voor een groot deel bij het plan van aanpak voor branden worden aangesloten. Daarnaast is het plan van aanpak met name gericht op het proces en de stappen die moeten worden ondernomen. Specifiek invulling is veelal afhankelijk van de onderhavige situatie. Bij het vrijkomen van asbest als gevolg van andere incidenten zal veelal hetzelfde proces volgen en dezelfde stappen worden genomen. Werkwijze en opzet Twents protocol asbestbranden (TPA) In dit asbestprotocol wordt in eerste instantie uitgegaan van de aanpak zoals beschreven in het landelijke Plan van aanpak Asbestbranden. Verder is aansluiting gezocht bij ‘GRIP’, de procedure voor regionale incidentenbestrijding die voor de regio Twente, op 15 oktober 2007, is vastgesteld. GRIP is te gebruiken bij grote branden, incidenten met gevaarlijke stoffen, grootschalige technische hulpverlening en overige incidenten, waarbij een leidinggevende van een van de betrokken diensten behoefte heeft aan gestructureerde coördinatie. De procedure kan door elke leidinggevende van politie, GHOR, of brandweer in een CoPI worden opgestart. Opzet TPA In het TPA staan alle acties die na het uitbreken van een asbestbrand uitgevoerd moeten/kunnen worden, beschreven aan de hand van een stroomschema en stappenplan met uitgebreide toelichting. Bij een asbestbrand is het centrale uitgangspunt dat de blootstelling van mens en omgeving aan asbest zoveel en zo snel mogelijk voorkomen moet worden. Dit betekent dat bij brand maatregelen tegen verspreiding van en de blootstelling aan asbest moeten worden genomen. Asbest dat door een brand in de omgeving is verspreid, moet worden opgeruimd. De schaalgrootte en de aard van de acties die ingezet worden, zijn sterk afhankelijk van de omvang van de asbestverspreiding en de locatie. Bij asbestbranden wordt op basis van de aard en omvang een onderverdeling gemaakt volgens het landelijke Plan van aanpak Asbestbranden. Deze indeling heeft invloed op de mate waarin betrokken instanties worden ingeschakeld. Fasering asbestbrand De acties tijdens een asbestbrand zijn omwille van de overzichtelijkheid in fasen onderverdeeld. Fase A is hier weggelaten omdat het protocol geen aandacht schenkt aan de preventieve benadering. In het landelijke plan van aanpak (Plan van aanpak Asbestbranden van de Ministeries van binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), uitgebracht in November 2006 )wordt dit wel meegenomen. Fase B : Bestrijden van de brand Fase B bevat acties die plaatsvinden na het uitbreken van de brand, totdat de brand onder controle is. De acties zijn gericht op het blussen van de brand en het nemen van maatregelen om verspreiding van asbest en de blootstelling van mens en omgeving aan asbest tijdens de brand zoveel mogelijk te voorkomen. Fase C : Opruimen van asbestresten Fase C bevat acties die plaatsvinden vanaf het moment dat de brand onder controle is tot het moment waarop alle asbestresten zijn opgeruimd. De acties zijn met name gericht op het opruimen van het bij de brand vrijgekomen asbest. Fase D : Nazorg Fase D bevat de acties die plaatsvinden nadat alle asbestresten zijn opgeruimd. Het betreft met name afsluitende voorlichting, financiële afwikkeling, strafrechtelijk onderzoek, rapportage en evaluatie. Tabel 1: Overzicht van fasen zoals gebruikt in het plan van aanpak asbestbrand Categorie-indeling Landelijk Plan van Aanpak Asbestbranden Om de schaalgrootte van de aanpak van een asbestbrand te bepalen, wordt de brand in een van de volgende drie categorieën ingedeeld: Categorie-indeling Reikwijdte incident I Het vrijgekomen asbest blijft beperkt tot in het gebouw / terrein. II Het vrijkomen van asbest buiten gebouw / terrein, maar niet in woon-, werk- of recreatiegebied. III Er is sprake van verspreiding van asbest buiten het terrein in woon-, werk of recreatiegebied. Tabel 2: Categorie-indeling volgens Plan van aanpak Asbestbranden, 2007 Omdat de schaalgrootte van de uit te voeren acties per categorie sterk uiteenloopt, is het zaak de categorie van de brand zorgvuldig te bepalen. Voor alle categorieën is een procedureschema opgesteld. De taken en verantwoordelijkheden van de betrokken organisaties worden in hoofdstuk 5 per categorie en fase uitgewerkt. Procedure GRIP Binnen de rampbestrijding vindt opschaling over het algemeen plaats via de zogenaamde Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdings Procedure (GRIP) Indien een leidinggevende, bij het proces van opschalen, behoefte heeft aan gestructureerde coördinatie wordt in de regio Twente de GRIP procedure gebruikt. De GRIP procedure is een uniforme procedure die gebruikt kan worden om de acties op basis van het Plan van aanpak verder uit te breiden en te structureren. De GRIP procedure onderscheidt de coördinatiefase GRIP 1 t/m 4. De gemeente wordt hierbij geïnformeerd volgens de regionale afspraken. GRIP-coördinatiealarm Reikwijdte incident Routine Normale dagelijkse werkwijze operationele diensten 1 Bronproblemen 2 Bron en effectproblemen 3 Bevolkingsproblemen 4 Bevolkingsproblemen meerdere gemeenten, evt. schaarste middelen Tabel 3 : Gecoördineerde R egionale Incidentenbestrijdingsp rocedure (GRIP), 2007 Koppeling GRIP met categorie-indeling Landelijk Plan van Aanpak Bij gebruik van de GRIP procedure in navolging op het Plan van aanpak ligt de volgende koppeling het meest voor de hand. Categorie-indeling volgens Plan van Aanpak Mogelijke opschalingsfase conform de GRIP procedure Handelwijze I routine Normaal optreden, Afzetten terrein, Sanering II routine of 1 Normaal optreden, Afzetten terrein, Sanering Evt. opschalen conform GRIP III 1 t/m 4 Snelheid geboden, werken volgens protocol: GRIP procedure in werking Tabel 4 : Koppeling categorie-i ndeling Plan van aanpak en GRIP procedure Betrokken instanties De belangrijkste organisaties in de regio Twente bij een asbestbrand en hun taken: Organisatie Taken Hulpverleningsdienst Twente ( OVD-B) Hulpverleningsdienst Twente (GHOR); Lokale Brandweer Advies over/hulp bij vaststelling vrijkomen asbest Indeling van de brand in categorie I, II of III Adviseert door middel van de gezondheidskundig adviseur Gevaarlijke stoffen (G-AGS) Bestrijden van de brand (zie bijlage 4) en aangeven wanneer bij de brand (vermoedelijk) asbest vrijkomt Gespecialiseerd laboratorium Analyse van materiaalmonsters en omgeving op de aanwezigheid van asbest Lokale Politie (milieucontactambtenaren); Afzetten verspreidingsgebied en nemen van verkeersmaatregelen; strafrechtelijke afwerking. Afstemming met afdeling Gemeentewerken is noodzakelijk. Gemeente; B&W Gemeentelijke diensten (afd. milieu, bouw- en woningtoezicht en voorlichting) Geven van voorlichting (afhankelijk van GRIP) Coördinatie van opdrachtverlening opruimen Stellen van eisen aan uitvoering Eindcontrole na opruimwerkzaamheden Aansprakelijkstelling, bestuursdwangaanzegging en aanschrijving en opvragen zienswijze hierover Waterschap Bescherming van het zuiveringsproces en de kwaliteit van het oppervlaktewater GGD Twente Adviseren t.a.v. gezondheidsrisico’s en te treffen maatregelen Eigenaren, huurders, exploitanten en beheerders Opdrachtverlening tot opruimen van in de omgeving vrij- en neergekomen asbest VROM Inspectie Houdt toezicht op milieuwet en regelgeving en uitvoerende bestuursorganen. Coördineerde rol bij grotere milieu incidenten Rijkswaterstaat Beheer van rijkswegen Toezicht en treffen van maatregelen op voorkoming verontreiniging oppervlaktewateren (rijkswateren) Verzekeringsexperts, verzekeraars etc. Afhandeling van schade en opruimingskosten, aansprakelijkheidsregeling Stichting Salvage Bemiddeling met verzekeraars Onafhankelijke asbestdeskundige Adviseren over risico’s, te treffen maatregelen, over verder uit te voeren onderzoek en over eindcontrole na opruimen Gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf Efficiënt en effectief opruimen van in de omgeving vrij- en neergekomen asbest Overige diensten indien noodzakelijk: Arbeidsinspectie 2. Provincie Inspectie Milieuhygiëne Oost Instemming, advies, informatie Toezicht op de naleving van voorschriften inzake beroepsmatige blootstelling aan asbest Indien bevoegd gezag en bij gemeentegrensoverschrijdende branden Toezicht op milieu, wet- en regelgeving Coördinerende rol bij grotere milieu-incidenten Inschakeling betrokken partijen per categorie asbestbranden Het aantal bij een asbestbrand betrokken diensten, instanties, bedrijven en personen kan sterk uiteenlopen. Wie er uiteindelijk allemaal betrokken zullen worden hangt af van de categorie indeling en lokale afspraken over aanpak van asbestbranden. De volgende tabel bevat een globaal overzicht van diensten, instanties, bedrijven en personen die per categorie asbestbrand betrokken zijn. Betrokken diensten/ personen Cat. I Cat. II Cat. III Lokale Brandweer altijd altijd altijd Lokale Politie (milieucontactambtenaren); meestal altijd altijd Gemeente altijd altijd altijd Waterschap mogelijk mogelijk mogelijk GGD Twente niet mogelijk altijd Hulpverleningsdienst Twente (GHOR) niet mogelijk altijd Eigenaren, huurders, exploitanten en beheerders altijd altijd altijd VROM Inspectie mogelijk mogelijk mogelijk Rijkswaterstaat niet mogelijk mogelijk Verzekeringsexperts, verzekeraars etc. altijd altijd altijd Onafhankelijke asbestdeskundige mogelijk mogelijk mogelijk Gespecialiseerd laboratorium altijd altijd altijd Gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf altijd altijd altijd Arbeidsinspectie mogelijk mogelijk mogelijk Provincie mogelijk mogelijk mogelijk Inspectie Milieuhygiëne Oost mogelijk mogelijk mogelijk Stichting salvage mogelijk altijd altijd Tabel 5 : Indi catief overzicht van betrokkenen per cate gorie asbestbrand Plan van aanpak Stappenplan CAT II en CAT III Fig. 1 Globaal overzicht van fasen en acties bij asbestbranden De stappen worden niet perse chronologische doorlopen. Het kan nodig zijn een bepaalde actie uit een latere fase eerder uit te voeren. Voorts zullen veel acties binnen een fase elkaar in tijd overlappen. Het stappenplan voor het optreden bij asbestbrand staan in de hierna volgende tabellen. Per fase is aangegeven welke acties plaatsvinden, wie eerst verantwoordelijk voor de uitvoering is en in welke paragrafen en bijlagen meer informatie over de desbetreffende actie gevonden kan worden. De tekst volgend op de tabellen geeft een korte toelichting op de kern waar het per stap om draait. De acties zijn omwille van de overzichtelijkheid genummerd. Veel acties zullen echter gelijktijdig moeten plaatsvinden (met name in fase B), terwijl het ook mogelijk is dat een actie met een hoger nummer eerder moet plaatsvinden dan een actie met een lager nummer. In het stappenplan wordt er steeds vanuit gegaan dat er inderdaad asbest is vrijgekomen. Zolang het vermoeden bestaat dat er asbest is vrijgekomen, maar nog geen zekerheid is, is het aan te bevelen toch het stappenplan te volgen. Zodra duidelijk wordt dat er geen asbest is vrijgekomen, vervallen de verdere op asbest gerichte stappen. De acties in het stappenplan zijn in beginsel gericht op alle categorieën asbestbranden. In de kolom opmerkingen is aangegeven welke acties alleen voor een bepaalde categorie gelden. Stappenplan in fase B (Bestrijding van de asbestbrand) Tabel 6 : Stappenplan in fase B (bestrijding van de asbestbrand) Actie Stap Eerstverantwoordelijke: Adviseur / ondersteuning Opmerkingen Bij vermoeden van Asbestbrand waarschuwen AGS en WVD/MPL, procedure asbestbrand starten en bij repressie emissie voorkomen B1 Brandweer Deel brand in in categorie I,II,III B2 Brandweer (OVD-AGS) Waarschuw andere diensten en onafhankelijk deskundigen B3 Brandweer Afhankelijk van de omvang van de brand. Bereid COPI uit of schaal op conform de grip B4 Brandweer Overweeg op te schalen ( conform de GRIP) B5 Brandweer Vanaf GRIP 2 is het ROT en in ieder geval een basiszetting van het BT/crisisteam actief. Stel definitief vast of asbest vrijkomt B6 Brandweer, gemeente Bepaal het verspreidingsgebied B7 AGS en/of MPL brandweer, gemeente en onafhankelijke asbestdeskundige Waarschuw bevolking voor primaire emissie B8 Gemeente 1e maal voorlichting. Doen we alleen bij een categorie III brand. Zet terrein van de brand en verspreidingsgebied af en voorkom verdere emissie B9 Politie, gemeente Actie loopt door in fase C Houd publiek op afstand, handhaaf openbare orde en tref verkeersmaatregelen B10 Politie Actie loopt door in fase C; alleen bij categorie II en III Geef voorlichting aan bevolking en pers B11 Gemeente 2e maal voorlichting (bij categorie I en II eerste en enige moment van voorlichting) Korte toelichting op de stappen van het stappenplan zoals weergegeven in tabel 6. B1 Start procedure asbestbrand Het vermoeden dat asbest aanwezig is wordt bevestigd. De AGS en/of MPL wordt gealarmeerd. Voorkom bij aanwezigheid van knappende asbestcementplaten emissie naar lucht door het aanleggen van waterschermen op 5-10 meter benedenwinds. Neem zo nodig maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de bodem en het oppervlaktewater. B2 Indeling van de brand in een categorie Om de schaalgrootte van de aanpak ven een asbestbrand te bepalen, wordt de brand in een van de drie categorieën ingedeeld. Zie hiervoor hoofdstuk 7 ”Beslisschema brandweer voor categorie-indeling asbestbrand”. Deze indeling wordt gebaseerd op een eerste grove inschatting van de omvang van het verspreidingsgebied (visuele waarneming, AGS, MPL en WVD). Later in het proces wordt het verspreidingsgebied nauwkeuriger bepaald. B3 Waarschuwen andere diensten Afhankelijk van de categorie van de brand worden overige instanties en diensten ingeschakeld. Diensten en instanties die altijd ingeschakeld zijn: Gemeente (diverse diensten zoals Bouw en Woning toezicht) of gemeentelijk samenwerkingsverband). Verzekeringsexpert en/of andere vertegenwoordiger verzekeraars (via Stichting Salvage) Eigenaren, huurders, exploitanten en beheerders. Voor branden van alle categorieën is het inschakelen van een gecertificeerd inventarisatiebedrijf noodzakelijk. Het proces van verwijdering wordt bevorderd indien de onafhankelijke deskundige de inventarisatie kan verrichten (gecertificeerd). B4 Uitbereiding Commando Plaats Incident (COPI) Over het algemeen zal bij asbestbranden van de categorie II en III een Commando Plaats Incident (CoPI) moeten worden geformeerd dat beslissingen neemt over operationele zaken. Het CoPI bestaat minimaal uit vertegenwoordigers van de parate diensten brandweer, Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) en politie, eventueel aangevuld met de ambtenaar rampbestrijding. Gezien het belang van de beslissingen in de eerste fasen van categorie drie branden is het raadzaam om z.s.m. de onafhankelijk (gecertificeerde) asbestdeskundige deel te laten nemen aan het Commando Plaats Incident (CoPI). Het verlenen van een opdracht aan de onafhankelijk deskundige geschiedt door de beleidsverantwoordelijke (burgemeester of Hoofd Officier van Dienst of Commandant van Dienst). Het CoPI kan worden uitgebreid met de in stap B3 gewaarschuwde diensten. Bij asbestbranden van categorie 3 zal veelal opgeschaald worden naar GRIP 2 niveau. B5 Overweeg op te schalen Nadat de categorie-indeling van de asbestbrand bekend is, moet opschaling overwogen worden. Vanaf GRIP 2 worden het ROT en een beleidsteam/crisisteam van de gemeente geformeerd. Het ROT heeft o.a. de volgende taken: Controle of inschatting vrijgekomen asbest op de juiste gronden heeft plaatsgevonden; Formele vaststelling van de omvang van het verspreidingsgebied; Het geformeerde beleidsteam hebben de volgende taken: Coördinatie van voorlichting aan de bevolking; Besluitvorming over opdrachtverlening asbestinventarisatie, opstellen asbestinventarisatierapport, opruimen asbest, eindcontrole en overleg over daartoe treffen van bestuursrechtelijke maatregelen tegen verantwoordelijke; Toezicht op goede uitvoering opruimen binnen de afgesproken termijn. B6 Definitieve vaststelling of asbest vrijkomt Visuele waarneming en informatie over aanwezige materialen zijn bij de vaststelling van de aanwezigheid van asbest van groot belang. De asbestdeskundige kan, zij het op eigen verantwoording, op basis van eigen waarneming of historische gegevens zonder analyse vaststellen dat asbest aanwezig is. Het analyseren van asbest is lastig en tijdrovend (24 uur tot 5 dagen). Indien niet met zekerheid wordt vastgesteld dat inderdaad asbesthoudend materiaal is verspreid dient onder verantwoordelijkheid van het Commando Plaats Incident (CoPI) z.s.m. materiaalanalyse door een gespecialiseerd laboratorium plaats te vinden m.b.v. polarisatiemicroscopie conform NEN 5896. Bij het vrijkomen van spuitasbest kunnen veegmonsters van verharde oppervlakken worden genomen (het materiaal kan moeilijk met het blote oog worden waargenomen en dus lastig worden verzameld voor de analyse) voor analyse met behulp van lichtmicroscopie of elektronenmicroscopie (voorkeur!). Luchtmetingen buiten het brandgebied zijn veelal niet zinvol. B7 Bepaling verspreidingsgebied Bij het bepalen van het verspreidingsgebied moet zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen het vrijkomen van vrije inadembare asbestvezels en het vrijkomen van asbesthoudend materiaal. Dit kan verschillende gebieden opleveren. Bij het bepalen van het verspreidingsgebied wordt visueel het gebied bepaald waar asbestcementflinters zijn neergekomen en eventueel wordt aanvullend het gebied bepaald waarin de uurgemiddelde asbestconcentratie meer dan 10.000 vezelequivalenten per kubieke meter bedraagt. De grens van het af te zetten gebied wordt bepaald door het verspreidingspatroon van de asbestcementflinters. In de praktijk wordt de grens van het verspreidingsgebied tijdens en na de brand door middel van zogenaamde “mallen” bepaald, gebruikmakend het berekende verspreidingsgebied en verificatie daarvan middels visuele waarneming. Eventueel kan in plaats van voor standaardmallen ook gekozen worden voor verspreidingsberekeningen. B8 Waarschuwen bevolking voor primaire emissie Het is van belang bij de voorlichting de risico’s van een asbestbrand voor de bevolking te nuanceren (“incidentele blootstelling leidt vrijwel nooit tot gezondheidseffecten”), maar daarnaast te benadrukken dat het van belang is onnodige risico’s zoveel mogelijk te beperken. Zie bijlage 3 voor voorbeeldbrieven. B9 Afzetten terrein en verspreidingsgebied en voorkomen verdere emissie Nadat het verspreidingsgebied is vastgesteld dienen onmiddellijk verkeersmaatregelen genomen te worden ten einde een tweede emissie van asbestvezels zoveel mogelijk te voorkomen. De politie is verantwoordelijk voor het proces afzetten, maar er ligt een duidelijke relatie met de gemeente. De gemeente levert afzetmateriaal en gaat over het instellen van een noodverordening. Ook zorgt de gemeente voor een bewakingsdienst, na de acute fase. De grondslag hiervoor ligt in artikel 125 van de Gemeentewet en de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Bij categorie 2 en 3 branden wegen afzetten en verkeer regelen (actie Politie). B10 Houd publiek op afstand, handhaaf openbare orde en tref verkeersmaatregelen Handhaven van de openbare orde en herstellen, zodat hulpverleningsactiviteiten ongestoord kunnen plaatsvinden en de schadelijke gevolgen voor de bevolking beperkt worden. Voorkomen en/of oplossen van verkeersopstoppingen en stremmingen, zowel binnen als buiten het rampterrein, om stagnatie in de hulpverlening en bestrijdingsactiviteiten te voorkomen en economische schade zoveel mogelijk te beperken. B11 Geef voorlichting aan bevolking en pers In overleg met de Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) zorg dragen voor waarschuwen van en voorlichting aan de bevolking en pers. De bevolking waarschuwen kan onder andere door middel van een bewonersbrief, over de risico’s en de te volgen gedragsadviezen. Eventueel een informatiepunt inrichten voor omwonenden met vragen.Zie bijlage 3 voor voorbeeldbrieven. Stappenplan in fase C (Opruimen van de asbestresten ) Actie Stap Eerstverantwoordelijke: Adviseur / ondersteuning Opmerkingen Overleg over vervolgacties (operationeel/beleidsmatig). In principe overdracht leiding en verantwoordelijkheden aan gemeente. C1 COPI, beleidsteam Zorg voor verwijdering asbest van straten en wegen C2 COPI en beleidsteam Alleen bij categorie II en III; overleg met verzekeraar/Salvage Geef voorlichting aan bevolking C3 Gemeente; GHOR/GGD 3e maal voorlichting alleen bij categorie III Bepaal wie opdracht tot asbestinventarisatie en opstellen asbest inventarisatierapport verleent. Laat saneringsplan opstellen. C4 Beleidsteam; Gemeente Overleg met verzekeraars Verricht asbestinventarisatie en stel inventarisatierapport en saneringsplan op. C5 Gecertificeerd inventarisatiebedrijf Overleg verzekeraars Bepaal wie opdracht tot opruimen (en mogelijke sloop) verleent C6 Beleidsteam; gemeente Overleg met verzekeraars Selecteer gecertificeerde bedrijven voor opruimen (en sloop) asbest C7 Opdrachtgever (veelal eigenaar gebouw) Overleg met verzekeraars Vraag offertes voor opruimen (en sloop) asbest aan en beoordeel deze C8 Opdrachtgever (veelal eigenaar gebouw) Overleg met verzekeraars Verstrek sloopvergunning of aanschrijving voor sloop asbest uit restant bouwwerk C9 Gemeente Maak afspraken verantwoordelijkheden / bevoegdheden op terrein C10 Gemeente; Arbeidsinspectie Verleen opdracht tot opruimen (en sloop) asbest C11 Opdrachtgever Overleg met verzekeraar Verricht opruimen (en sloop) asbest, en voert asbesthoudend afval af C12 Deskundig gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf Overleg met verzekeraar Verricht eindcontrole na opruimen en sloop conform artikel 9 lid 2 Asbestverwijderingsbesluit 2005 (NEN 2990) C13 Onafhankelijk asbestdeskundige (en gespecialiseerd laboratorium) Samen met de gemeente. Beëindig verkeersmaatregelen en afzetten terrein van de brand / verspreidingsgebied C14 Politie in samenwerking met de gemeente Tabel 7 : Stappenplan in fase C ( opruimen van de asbestresten ) Korte toelichting op de stappen van het stappenplan zoals weergegeven in de bovenstaande tabellen. C1 Overleg over vervolg acties Na de repressiefase wordt in principe de verantwoordelijkheid en leiding door de brandweer overgedragen aan de verantwoordelijke afdeling van de gemeente (veelal bouw en woningtoezicht en/of milieuzaken). De gemeente is in deze fase veelal leidend en verantwoordelijk voor het nemen van initiatief en het treffen van maatregelen. Juridische bijstand bij het nemen van verantwoorde beslissingen zal in veel gevallen aan te bevelen zijn gezien de complexiteit van de problematiek. Prioritering en noodzakelijke snelheid van handelen zijn in de opruimfase van groot belang. In het algemeen geldt: Categorie I en II asbestbranden: geen spoed; categorie III asbestbranden: spoed. Binnen categorie III branden kan m.b.t. de prioritering nog onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende onderdelen van het verspreidingsgebied. Openbaar terrein buiten het perceel van de brandhaard dient snel gereinigd te worden. Het streven is om in een woon-/werkgebied asbest binnen enkele dagen op te ruimen. Van de brandhaard zelf dient voor de sloop een risico inventarisatie gemaakt te worden. Deze moet snel uitgevoerd worden zodat duidelijk is in welk tempo de vervolg stappen genomen moeten worden. Voor de overige omliggende percelen heeft men in het algemeen meer ruimte voor het optimaliseren en het kosteneffectief uitvoeren van de opruimingswerkzaamheden. Bij inrichtingen in gevolge de Wet milieubeheer is in principe de “veroorzaker” verantwoordelijk voor de opruiming van omliggende percelen. De “veroorzaker” is dan de inrichting waar het asbest vandaan komt. Indien het geen inrichting in gevolge de Wet milieubeheer betreft dan schrijft de gemeente de gedupeerde(
- n)(buren) op grond van de Woningwet artikel 1a en 1b aan, om het asbest uit de percelen te laten verwijderen. Deze gedupeerden dienen op hun beurt dan zelf opdracht te verlenen of via een procedure het opruimen door de veroorzaker (waar het asbest vandaan komt) te laten geschieden of achteraf daarop de kosten te verhalen. Indien de eigenaren en/of de veroorzaker het opruimen niet ter hand nemen dient de gemeente, onder aanzegging van bestuursdwang, in ieder geval binnen enkele dagen tot opruiming over te gaan. C2 Verwijderen asbest van straten en wegen De opdracht tot verwijdering van asbest van straten en wegen wordt net als de sanering van de rest van de omgeving bij voorkeur door de eigenaar/veroorzaker gegeven. Omwille van de snelheid kan de gemeente beslissen zelf opdracht te verlenen tot opruimen waarbij het maken van een afspraak over wie de kosten daarvan betaalt aanbevolen wordt. C3 Voorlichting aan bevolking Zie bijlage 2 en 3 voor tips en voorbeeldbrieven. C4 Bepalen wie opdracht tot inventarisatie en opstellen inventarisatierapport verleent . Laat saneringsplan opstellen. In principe verleent de eigenaar/veroorzaker opdracht, deze is verantwoordelijk. Zoals reeds onder C1 beschreven heeft ook de gemeente een verantwoordelijkheid ten aanzien van het beschermen van de volksgezondheid. De eigenaar van het bouwwerk (waar het asbest vandaan komt) is verantwoordelijk. Indien de eigenaar geen actie onderneemt dient de gemeente door het toepassen van bestuurdwang hiervoor zorg te dragen (waarna de kosten worden verhaald). C5 Verricht asbestinventarisatie en stel inventarisatierapport en saneringsplan op. Het gaat bij een asbestbrand om een incident waarvan de verontreiniging conform het Asbestverwijderingsbesluit 2005 dient te worden opgeruimd. Na verwijdering dient in elk geval geen zichtbare asbest meer aanwezig te zijn. Het is aan te bevelen de inventarisatie in overleg met de verzekeraar uit te voeren. De verzekeringsexpert heeft de taak erop toe te zien dat uitvoerende werkzaamheden worden verricht tegen redelijke kosten. C6 Bepalen wie opdracht tot opruimen (en sloop) verleent Afhankelijk van de situatie kunnen verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van opdracht tot opruimen (en sloop): de gemeente en/of de wegbeheerder, degene die de inrichting drijft, de drijver van de inrichting waar het asbest vandaan komt, de eigenaar van het betreffende bouwwerk, de eigenaar van het belaste perceel, de veroorzaker van de brand, de verzekeraar. Opdrachtverlening dient in eerste instantie te geschieden door degene die daarvoor verantwoordelijk is, om latere verhaalacties te beperken. In de regel zal de eigenaar, huurder, exploitant of beheerder van het afgebrande bouwwerk, object of inrichting verantwoordelijk zijn. Treedt in die gevallen als overheid niet eerder in de opdrachtverlening tot sanering dan nadat duidelijk is dat een eigenaar onwillig of niet in staat is opdracht te geven, tenzij zodanig risico bestaat dat direct ingrijpen noodzakelijk is. C7 Selectie van bedrijven voor opruimen (en sloop) asbest Voor de opruimwerkzaamheden is het verplicht een deskundig gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf in te schakelen. Bij het opruimen dient aan de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het daarbij gewijzigde Arbeidsomstandighedenbesluit te worden voldaan. Voor sloopwerkzaamheden is een sloopvergunning of aanschrijving tot sloop van de gemeente vereist. Ook deze werkzaamheden vallen onder voornoemde besluiten indien in het te slopen bouwwerk nog asbest aanwezig is. C8 Aanvraag en beoordelen offertes voor opruimen (en sloop) asbest Overleg met de verzekeraar en onafhankelijk deskundige voor toezicht op de kosteneffectiviteit. C9 Verstrek sloopvergunning of aanschrijving voor sloop asbest uit restant bouwwerk C 10 Maken van afspraken over verantwoordelijkheden/bevoegdheden het terrein Ter voorkoming van secundaire emissie en directe blootstelling is de gemeente onder andere gemachtigd een erf of terrein af te sluiten voor onbevoegden. C11 Opruimen (en sloop) asbest en afvoeren asbesthoudend afval Eventueel contact opnemen met de Arbeidsinspectie voor het toezicht op naleving van het Arbeidsomstandighedenbesluit door alle overige betrokken overheidsdiensten, bedrijven en personen. C12 Verricht opruimen (en sloop) asbest, en voer asbesthoudend afval af Voor bouwwerken waarvoor geen sprake is van een inrichting waarop de wet Milieubeheer van toepassing is wordt de nazorg van asbestbranden, begeleid door een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in het kader van de Woningwet. Indien er sprake is van een bouwwerk waarop de Wet milieubeheer van toepassing is, wordt tevens een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in het kader van de Wet milieubeheer betrokken. Alvorens het na de brand resterende deel van het bouwwerk of object wordt gesloopt, moet op grond van het Asbestverwijderingsbesluit of de daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften in de bouwverordening eerst alle asbesthoudende materialen daaruit zijn verwijderd. De opruimwerkzaamheden van gevaarlijke asbestmaterialen vinden plaats door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Het asbestmateriaal uit risicoklasse 1 kan ook door een niet gecertificeerd bedrijf met gepaste beschermingsmiddelen en maatregelen verwijderd worden. In het verspreidingsgebied moeten alle zichtbare asbesthoudende materialen die zich op verharde oppervlakken (zoals straten, trottoirs, speelplaatsen en daken) en niet-verharde oppervlakken (zoals tuinen, plantsoenen, heide en grasland) bevinden worden verwijderd. Dit is van belang om secundaire emissies te voorkomen. De wegen in het verspreidingsgebied worden zo snel mogelijk gesaneerd, zodat verkeersbeperkende maatregelen zo snel mogelijk kunnen worden opgeheven. De prioriteit van schoonmaken wordt verder bepaald door het gevaar dat het asbest oplevert voor de hulpverleners en bevolking. C 13 Verricht eindcontrole na opruimen en sloop Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 stelt in artikel 9 dat direct na het verrichten van verwijderen bij na een asbestbrand een visuele inspectie wordt uitgevoerd. Nadat de reiniging- en opruimingswerkzaamheden zijn uitgevoerd, dient een ruimte zodanig te zijn gereinigd dat er geen gevaar meer is voor de gezondheid van de betrokkenen. Deze visuele inspectie hoeft niet verplicht te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, maar wel door een externe gekwalificeerde partij die de inspectie deskundig kan uitvoeren. C14 Beëindig verkeersmaatregelen en afzetten terrein van de brand / verspreidingsgebied In nauw overleg met gemeente, brandweer, GHOR de verkeersmaatregelen en afzettingen beëindigen. Stappenplan in fase D (Nazorg ) Actie Stap Eerstverantwoordelijke: Adviseur / ondersteuning Opmerkingen Geef voorlichting aan bevolking D1 Gemeente; GHOR/GGD 4e maal voorlichting; alleen bij categorie III Handel schade af D2 Gemeente; verzekeraars Verhaal, indien nodig en mogelijk, kosten D3 Gemeente en/of brandweer Strafrechtelijk onderzoek D4 Politie /OM Verslaglegging en rapportage D5 COPI en/of beleidsteam Verslaglegging start reeds in fase B Evaluatie D6 COPI en/of beleidsteam Tabel 8 : Stappenplan in fase D (Nazorg) D1 Geef voorlichting aan bevolking Het is van belang dat de communicatie na een crisis of ramp op adequate wijze plaatsvindt. De voorlichting dient naadloos aan te sluiten op het proces ‘crisiscommunicatie’ dat tijdens de acute fase uitvoering geeft aan de communicatie. De volgende taken dienen uitgevoerd te worden: Het tijdig, adequaat en persoonlijk informeren van de getroffenen, belanghebbenden van een (grootschalige) crisis of een ramp over voor hen relevante ontwikkelingen; Het tijdig en adequaat informeren van alle diensten en instanties welke bij de nafase betrokken zijn indien noodzakelijk zowel op lokaal, regionaal provinciaal en landelijk niveau; Het ontwikkelen en uitvoeren van een eenduidige communicatiestrategie binnen de kaders van de gemeentelijke verantwoordelijkheid, zodanig dat wordt voldaan aan de eisen van zorgvuldig bestuur; Het voeren van een eenduidige communicatiestrategie voor alle betrokken diensten zodat er consistent beleid gevoerd wordt binnen de gemeente. D2 Handel schade af De gemeente dient afspraken te maken met dienstverleners zoals verzekeraars over de afhandeling van schade. Mogelijk kan de gemeente een loket opzetten waar belanghebbenden/betrokkenen terecht kunnen met vragen over de geleden schade. Het loket dient de betrokkenen te verwijzen naar de juiste instanties. D3 Verhaal, indien nodig en mogelijk, kosten Het kostenverhaal en de aansprakelijkheid komt aan bod in hoofdstuk 12, toelichting juridische aspecten gemeenten. D4 Strafrechtelijk onderzoek De OM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek. Dit wordt gedaan door de politie. Deze taak is een reguliere taak van de politie en het OM. D5 verslaglegging en rapportage Gedurende en na het incident/ramp is noodzakelijk verslagen c.q. actielijsten te maken en een logboek bij te houden. Dit kan onder meer van belang zijn bij het afwikkelen van de schade, bij het eventueel verhalen van kosten en voor evaluatie. Ten tijde van het incident dient ook een apart archief aangemaakt te worden. Alle relevante informatie, zoals besluitenlijsten, verslagen, emails, dienen gebundeld te worden in dit archief. Ook alle informatie over de afwikkeling/nafase van het incident dienen hier opgeslagen te worden. Het is daarnaast raadzaam afspraken te maken over het bewaren van de archiefbescheiden. D6 Evaluatie Gegevens die betrekking hebben op handelingen en beslissingen van organisatie en personen tijdens en na een asbestbrand dienen bewaard te worden. De gegevens zijn van belang voor de democratische controle en een evaluatie. De gemeente dient zelf een eigen evaluatie op te starten over het optreden van de gemeentelijke diensten. Schakel voor de uitvoering van de evaluatie een externe instantie in (bijvoorbeeld de landelijke ‘Onderzoeksraad voor de veiligheid’). Gezondheidsonderzoek en monitoring Indien van toepassing, kan de burgemeester besluiten een gezondheidsonderzoek uit te laten voeren. De directeur van de GGD draagt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van zo’n gezondheidsonderzoek. De resultaten van het gezondheidsonderzoek vormen input voor het uit te voeren beleid en voor de in de nafase opererende zorg- en dienstverleningsinstanties Het kan nuttig zijn om meerdere inventarisaties en evaluaties geheel of gedeeltelijk te herhalen in latere nazorgfasen. In dat geval spreekt men van het opzetten van een monitor. Verantwoordelijkheden overige instanties Onafhankelijk asbestdeskundige In het stappenplan wordt gesproken over het (eventueel) inschakelen van een onafhankelijk asbestdeskundige. In principe bestaat daartoe geen enkele wettelijke verplichting, maar het kan wel een meerwaarde hebben voor een juiste beoordeling. Wel kan zo'n persoon door de Brandweer of het CoPI ingeschakeld worden ter ondersteuning en ter onderbouwing van te nemen beslissingen, zeker bij complexe asbestbranden. Aan een onafhankelijk asbestdeskundige kunnen de volgende taken toebedeeld worden: adviseren over betrokken zijn bij de vaststelling dat het om asbest gaat; adviseren over betrokken zijn bij het categoriseren van een asbestbrand; adviseren over betrokken zijn bij het bepalen van het verspreidingsgebied; adviseren over de mogelijke risico's van het verspreide asbest; adviseren over betrokken zijn bij het bodemonderzoek en het opstellen van een plan voor de sanering; adviseren over de te treffen maatregelen; adviseren over / beoordeling van offertes voor de uitvoering van opruimwerkzaamheden; eindcontrole en beoordeling van het opruimen. De onafhankelijke asbestdeskundige kan een werknemer zijn van een, bij voorkeur gecertificeerd, asbestonderzoeksbureau of -instantie of een functionaris die aantoonbaar beschikt over vergelijkbare deskundigheid. Belangrijk is dat hij, op het moment dat bij gevraagd wordt om advies, een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van andere ingezette instanties, zoals asbestlaboratoria, asbestonderzoekbureaus of asbestverwijderingsbedrijven. De onafhankelijke asbestdeskundige is te alle tijden verantwoording schuldig aan het CoPI en vormt een ondersteuning voor alle betrokken diensten. Arbeidsinspectie De taak van de Arbeidsinspectie is het toezicht houden op naleving van de Arbeidsomstandighedenbesluit. In het geval van asbestbranden is dit vooral gericht op het voorkomen c.q. beperken van gezondheidsrisico's voor brandweerpersoneel en andere personen die in het verspreidingsgebied moeten werken. Ook andere hulpdiensten die zich in het besmette gebied bevinden dienen zich net zo als de brandweer d.m.v doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen te beschermen tegen eventuele asbestvezels De Arbeidsinspectie houdt in eerste instantie toezicht op o.a. deze Arbeidsomstandighedenwet en richt zich dan ook op de werknemers en de werkgevers, maar in sommige gevallen ook op zelfstandig werkende wat ook voor asbest het geval is. Het deskundig Asbestverwijderingsbedrijf is verplicht ook bij calamiteiten een melding te doen aan de Arbeidsinspectie van de werkzaamheden en een werkplan op te stellen. Waterbeheerder De taken van de waterbeheerders (Waterschappen) omvatten onder meer het regelen van de kwaliteit van het oppervlaktewater evenals de zuivering van rioolwater. Bij branden waarbij grote hoeveelheden bluswater, of kleine hoeveelheden met chemische stoffen verontreinigd bluswater, in het riool of in het oppervlaktewater terechtkomen, dient de waterbeheerder gewaarschuwd te worden en dienen maatregelen getroffen te worden tegen verontreiniging van oppervlaktewater in de omgeving. In dergelijke gevallen, dus ook indien er asbest bij betrokken is, zal de waterbeheerder ter plaatse komen. Stichting Salvage Ook bij asbestbranden is het wenselijk om de hulp van de Salvage coördinator in te roepen. Dat kan alleen via de brandweer. De Salvage coördinator is iemand die namens de gezamenlijke brandverzekeraars hulp verleent aan gedupeerden en zorg draagt voor eventuele bereddering van goederen. De Salvage coördinator heeft geen mandaat om asbest te laten opruimen. Wel kan door zijn bemiddeling contact worden gelegd met de betreffende verzekeraar om zodoende een versnelde schaderegeling in gang te zetten. TWENTS PROTOCOL ASBEST DEEL B HULPVERLENINGSDIENSTEN Taken en verantwoordelijkheden hulpverleningsdiensten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van de hulpverleningsdiensten. Deze taken en verantwoordelijkheden zijn gebaseerd op: het Plan van aanpak van VROM, de GRIP procedure en de ter beschikking gestelde procedures en wetgeving. Brandweer Op grond van artikel 3 lid 1 Wet veiligheidsregio’s (de wet wordt in februari 2010 behandeld in de eerste kamer der Staten-Generaal) zijn burgemeester en wethouders ondermeer belast met het beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al het geen daarmee verband houdt. Het onderstaande stroomschema geeft de stappen weer die worden genomen om te komen tot de beslissing dat er sprake is van een asbestbrand. Dit beslisschema is de eerste stap in de afhandeling van een asbestbrand en zal voorafgaand aan het stappenplan van categorie I en II branden of aan het stappenplan van categorie III branden moeten worden doorlopen. Beslisschema voor brandweer bij categorie-indeling asbestbrand Fase B : bestrijden brand Voordat een indeling in een categorie kan plaatsvinden, moet vastgesteld worden of er sprake is van asbest. Dit gebeurt op de volgende wijze: Vermoeden van de aanwezigheid van asbest door de brandweer vindt plaats m.b.v. overzicht afkomstig uit “Plan van aanpak asbestbranden”(VROM). Indien er twijfel over de aanwezigheid van asbest bestaat, zorgt de OVD-B in samenspraak met de AGS en in overleg met de Gemeente, voor de opdrachtverlening aan een onafhankelijk asbestdeskundige om definitief de aanwezigheid van asbest vast te stellen. Bij het mogelijk vrijkomen van asbest dient de brandweer de asbestprocedure te hanteren (zie hfd 9). Bij asbestbranden Categorie I heeft men de mogelijkheid een adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) ter plaatse te laten komen, Bij Categorie II en III branden komt altijd een AGS ter plaatse. De AGS adviseert het lokale commando en is betrokken bij overleg met overige diensten. De OVD-B bepaalt in welke categorie de asbestbrand wordt ingeschaald: Categorie I, II of III en maakt, eventueel in overleg met de AGS / MPL een inschatting van de hoeveelheid asbest die is vrijgekomen. De MPL assisteert bij het vaststellen van de aard en omvang of effecten van de brand en adviseert aan de AGS en lokale commando. Door de leidinggevende van de brandweer, politie en GHOR kan besloten worden tot opschaling van de coördinatie. Hiervoor gebruik maken van de GRIP procedure. Afhankelijk van de categorie-indeling en een schatting van de hoeveelheid asbest die vrijkomt zijn de volgende taken te noemen: 1 . Categorie I en II brand Waarschuwen overige organisaties Bij branden waarbij asbest is betrokken of een vermoeden bestaat dat asbest betrokken is, dienen overige instanties gewaarschuwd te worden zodat ieder op zijn terrein de nodige maatregelen kan treffen. De Brandweer /OVD-B is verantwoordelijk voor het waarschuwen van de diensten. Eerder genoemde categorie-indeling is bepalend welke instanties gewaarschuwd moeten worden. Zie hiervoor tabel 5 op pagina 14. Nemen van beschermende maatregelen Als asbestvezels zich in de rook bevinden kan getracht worden om met sproeistralen en/of oscillerende waterkanonnen de rook van asbestdeeltjes/brokstukken te “zuiveren”. De verspreiding van flinters asbesthoudend materiaal wordt door het gebruik van waterschermen enigszins beperkt. In geval van een brand met asbestcement is het beste plaats voor waterschermen benedenwinds op 5 tot 10 meter afstand van de knappende platen. Wanneer de waterschermen te dicht op de platen worden gezet, zullen flinters door de kracht van de explosie door het scherm heen slaan. De verspreiding van losse asbestvezels kan door waterschermen nauwelijks worden beperkt: door de minuscule afmetingen van de vezels blijft de trefkans, ondanks het grote aantal waterdruppels zeer klein. Geven van persinformatie Bij asbestbranden zal de brandweer eventueel in samenwerking met de gemeente en de GHOR de pers informeren. Hierover kunnen lokaal afspraken gemaakt worden. 2. Categorie III brand Waarschuwen overige organisaties Bij een categorie III brand dienen tevens de gemeente (via AOV) en de GHOR gewaarschuwd te worden. In alle gevallen is het noodzakelijk dat de gewaarschuwde diensten ter plaatse komen. Oprichten CoPI Zie hiervoor de procedure “Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijding Procedure” te raadplegen op het veiligheidsnet Twente. Aandachtspunten in het CoPI zijn in ieder geval: controle of inschatting van vrijgekomen asbest op juiste gronden heeft plaatsgevonden inschatting van de omvang van het besmette gebied opschaling operationele diensten coördinatie van voorlichting aan de bevolking; informatie aan de pers; plan van aanpak m.b.t. opruiming; vaststellen van de wijze van toezicht gedurende het vervolgtraject; zorg dragen voor het waarschuwen van overige functionarissen en instanties. Alarmeren lijnfunctionarissen Alle functionarissen worden conform GRIP procedure gealarmeerd door de meldkamer. AGS / MPL De Adviseur Gevaarlijke Stoffen en / of Meetplanleider met Meetplanorganisatie wordt gealarmeerd. Zij verzamelen (meet)gegevens en brengen het besmette gebied in kaart. Tevens geven zij: - informatie over aard, omvang of dreiging van het incident door aan de brandweer. - advies over te nemen maatregelen. Gemeente Burgemeester De burgemeester laat zich informeren en adviseren door de leidinggevenden van de regionale operationele kerndiensten. Het is zijn verantwoordelijkheid om te bepalen of en wanneer hij daadwerkelijk invulling geeft aan zijn functie als opperbevelhebber op basis van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo). Ambtenaar Openbare Veiligheid (AOV) De AOV spreekt in overleg met de (H)OVD-Brandweer af of het noodzakelijk is om een gemeentelijke afgevaardigde zitting te laten nemen in het Commando Plaats Incident (CoPI). De AOV alarmeert vervolgens indien nodig de benodigde gemeentelijke functionaris(sen) . Nemen van beschermende maatregelen Idem als categorie I en II brand. Geven van persinformatie Bij inschakeling GRIP zal in eerste instantie de CoPI-persvoorlichter de persvoorlichting verzorgen (zie ook 5.1 Stappenplan categorie III, fase 1), deze taak zo spoedig mogelijk overdragen aan de gemeente. Voorlichting aan bevolking AGS adviseert GHOR hierover, uitvoering na overleg in het CoPI. De voorlichting blijft een verantwoordelijkheid van de gemeente. In principe heeft de brandweer geen taken bij opruimen van asbestresten, tenzij dit noodzakelijk is op basis van de wettelijke taak: ‘het beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al het geen daarmee verband houdt’. Na de repressieve fase wordt de leiding door de brandweer overgedragen aan de desbetreffende gemeente. Politie Voor de politie gelden de volgende wettelijke taken: handhaving openbare orde (bijv. publiek op afstandhouden); eventueel instellen strafrechtelijk onderzoek. Ontruimen Afzetten en afschermen Verkeersmanagement (verkeer regelen) Begidsen Identificatie slachtoffers Aandachtspunten tijdens fase 1, 2 en 3 zijn: Afzetten terrein en afgrendelen verspreidingsgebied: Nadat het verspreidingsgebied is vastgesteld dienen onmiddellijk verkeersmaatregelen genomen te worden ten einde een tweede emissie van asbestvezels zoveel mogelijk te voorkomen. De politie is verantwoordelijk voor het proces afzetten. De gemeente levert zaken en goederen, te denken valt aan afzetmateriaal. Ook zorgt de gemeente voor een bewakingsdienst, na de acute fase. Zorg dragen dat overige diensten hun werk zonder belemmeringen kunnen uitvoeren (handhaven rechtsorde). Eventueel begidsen overige diensten. Deelnemen aan het CoPI Hulp bij voorlichting bevolking over brand, secundaire emissies en opruimen verspreiding gebeid. Strafrechtelijk onderzoek: Eventueel inzetten van een strafrechtelijk onderzoek in fase 3 of indien noodzakelijk geacht in fase 1 of 2. Identificatie van slachtoffers door asbestbrand. GHOR De wettelijke taken van de GHOR zijn onder te verdelen in de volgende 3 processen: Geneekundige Hulpverlening – somatisch Geneeskundige Hulpverlening – psycosociaal (PSHOR) Preventieve Openbare Gezondheidszorg (POG) Bij een asbestbrand wordt in ieder geval het proces POG opgestart. Dit betekent dat de volgende processen in gang gezet moeten worden: Advisering: risico-inschatting en advisering over te treffen maatregelen, waarbij zo nodig een beroep gedaan kan worden op ondersteuning van de verschillende adviseurs. Voorlichting: Input geven voor een adequatie voorlichting naar de bevolking. Coördinatie: bij GRIP heeft de GHOR zitting in het CoPi/ROT/GRS. De op te starten processen zijn afhankelijk van het incident en het opstarten zal gebeuren volgens standaard procedures. Asbestprocedure brandweer Onderstaande asbestprocedure brandweer is afkomstig uit het “Plan van aanpak asbest”(VROM). 8.1 Inzetprocedure Een inzet van de brandweer dient plaats te vinden conform de standaard-inzetprocedure. Daaraan kan bij een asbestbrand - naar bevind van zaken - het volgende worden toegevoegd: Geen overbodig personeel ter plaatse laten komen. Sloop niet meer dan voor de bestrijding van de brand strikt nodig is. Laat de werkzaamheden in kleine groepjes verrichten (2 of 3 man). Een eet-, drink- en rookverbod in de wijde omgeving totdat decontaminatie heeft plaatsgevonden. Regel een (ruime) afzetting rond het mogelijk verontreinigde gebied. Voorkom zo veel mogelijk verontreiniging van het 'schone' gebied en de voertuigen. Een apart aangewezen bevelvoerder regelt toegang tot, controle, schoonmaken en verlaten van het inzetgebied bij de opstellijn. Betreden van het inzetgebied uitsluitend met duidelijke opdracht, gesloten bluskleding, aangesloten adembeschermingsapparatuur en handschoenen. Om onnodig heen- en weerlopen te beperken moeten alle voor de opdracht benodigde gereedschappen ineens naar de inzetplaats worden gebracht. De gemarkeerde looproute vanaf het incident naar de opstellen kan met een sproeistraal regelmatig worden natgehouden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen. Verplaatsingen van personeel dienen zoveel mogelijk via natte routes plaats te vinden; vast looproutes kunnen zoveel mogelijk nat worden gehouden met een sproeistraal. Niet toegestaan zijn: het af- en weer opzetten van het masker of het afkoppelen en weer aansluiten van de ademautomaat. Vóór het ontkoppelen van de ademautomaat en het afzetten van het masker moet bij de opstellen de omgeving van de ademautomaat, het masker, de huid rondom de maskerranden en de hals en handen worden afgespoeld met water, zo mogelijk met een zeepoplossing. Let vooral op de naden en spleten rond de koppeling van de ademautomaat. Is een zeepoplossing gebruikt, dan naspoelen met leidingwater. Vóór het opnieuw opzetten van het masker of het opnieuw aansluiten van de ademautomaat moeten de maskerranden, de koppelingen en het gelaat worden afgespoeld met water. Verlaten van het inzetgebied uitsluitend via de aangegeven looproute naar de opstellijn, reiniging van de kleding op de daar aangegeven wijze en met achterlating van (mogelijk) verontreinigde kleding en adembeschermingsapparatuur / gereedschap; deze luchtdicht verpakt afvoeren. Als wordt vermoed dat zich asbestcementflinters in de rook bevinden, kan aanvankelijk met sproeistralen en vervolgens met oscillerende waterkanonnen ('waterschermen') op 5 tot 10 meter afstand van de knappende platen worden getracht de rook van asbestcementflinters te 'zuiveren' om verspreiding van asbestcementflinters in de omgeving tegen te gaan. Het is niet mogelijk om door middel van 'waterschermen' verspreiding van asbestvezels naar de omgeving tegen te gaan. 8.2 Controle en nazorg van personeel en materieel Zaken die ter plaatse schoongemaakt moeten worden zijn: verontreinigde kleding van personeel: Materieel, materiaal en gereedschappen. Voor het ontsmetten kan de standaard ontsmettingsprocedure OGS worden toegepast. De meest recente versie is te verkrijgen op het Veiligheidsnet Twente. Voor de registratie van ingezet personeel en materieel kan er gebruik worden gemaakt van de formulieren : “registratieformulier Persoon” en “registratieformulier Materieel”. De laatste versie van deze formulieren zijn te verkrijgen op het Veiligheidsnet Twente Veiligheid Algemeen De brandweer, maar ook de andere hulpdiensten of betrokkenen die zich in het besmette gebied moeten begeven dienen zich d.m.v. persoonlijke beschermingsmiddelen te beschermen tegen de eventuele asbestvezels. De Arbeidsinspectie houdt in eerste instantie toezicht op o.a. de Arbeidsomstandighedenwet en richt zich dan op de werknemers en de werkgevers, maar in sommige gevallen ook op zelfstandig werkenden wat ook voor asbest het geval is. Het deskundig asbestverwijderingsbedrijf is verplicht ook bij calamiteiten een melding te doen aan de Arbeidsinspectie van de werkzaamheden. Tevens dient het asbestverwijderingsbedrijf een werkplan op te stellen. Beschermende maatregelen In principe dienen alle in te zetten (bescherming)maatregelen erop gericht te zijn de concentratie van asbestvezels en -stof, waaraan mensen in verband met uit te voeren werk worden of kunnen worden blootgesteld zo laag mogelijk te houden. Voor de bescherming tegen inademing van verhoogde concentraties asbestvezels, dienen de personen, die werkzaamheden in het met asbest besmette gebied verrichten, adembeschermende apparatuur te dragen. Geschikt hiervoor is: Ademluchtapparatuur zoals in gebruik bij de brandweer; Een overdruk volgelaatsmasker met aanblaasunit en een P3-filter. Ad 1) De ademluchtapparatuur, zoals die gebruikt wordt bij de brandweer, voldoet in ruime mate tegen inademing van asbestvezels. Ad 2) Het overdruk volgelaatsmasker is voorzien van een motor die de gefilterde lucht naar het gelaatsstuk blaast. Dit type gelaatsstuk wordt veel toegepast door werknemers van asbestverwijderende bedrijven, omdat men dan niet afhankelijk is van een vaste ademlucht unit. In diverse artikelen staat vermeld dat een onderdruk volgelaatsstuk met P3-filter ook voldoet als adembescherming. Een onderdruk volgelaatsstuk heeft als nadeel dat wanneer het gelaatsstuk niet goed afdicht, er vervuilde lucht kan worden aangezogen. Derhalve wordt dit gelaatsstuk als niet geschikt beschouwd en door de arbeidsinspectie niet toegestaan voor personen die werkzaamheden in het besmette gebied verrichten. Wanneer andere diensten dan de brandweer binnen het verspreidingsgebied van het asbest moeten opereren, dienen ze altijd zodanig beschermd te zijn dat zij niet blootgesteld behoeven te worden aan vrijkomende asbestvezels. Dit betekent dat ze in sommige gevallen een wegwerpoverall, overschoenen en handschoenen dienen te dragen, zo nodig veiligheidschoenen. In het 1e afzettingsgebied dient men bij inspectie in ieder geval overschoenen te dragen. Wanneer betrokken hulpverleners de brandhaardlocatie dienen te betreden, behoren zij altijd conform het Arbeidsomstandighedenbesluit adequate adembeschermende apparatuur te dragen (zie boven), dit in aanvang van de brand op advies van de brandweer, later na overleg met CoPI (Coördinatie Plaats Incident). In een later stadium moeten alle gebruikte beschermingsmiddelen weggegooid of indien mogelijk goed afgespoeld worden. Denk hierbij aan het invullen van de desbetreffende registratieformulieren, deze zijn beschikbaar op het Veiligheidsnet Twente. Wanneer wordt verwacht dat tijdens een brand omwonenden aan grote hoeveelheden asbestvezels kunnen worden blootgesteld dan dient men ook voor die personen blootstellingbeperkende maatregelen te nemen, zoals de oproep om binnen te blijven, ramen en deuren gesloten te houden en ventilatiesystemen af te zetten. Metingen tijdens of na asbestbranden Meetmethoden lucht De meest betrouwbare maar daarnaast ook de duurste meetmethode voor de bepaling van asbestconcentraties in de lucht is de elektronenmicroscopische (EM) meetmethode (Transmissie of Raster electronen microscopische). Deze laatste methode is eigenlijk uitsluitend van toepassing in milieusituaties en is voldoende betrouwbaar om een gezondheidskundige indruk te krijgen van asbestblootstellingen in binnen- en buitenlucht. Met een elektronenmicroscoop kunnen zowel de vezels langer dan 5 ìm als ook de kleinere vezels worden waargenomen; met een lichtmicroscoop daarentegen kunnen eventueel alleen de grotere vezels worden waargenomen. Bovendien kan met een lichtmicroscoop het verschil tussen asbestvezels en andere vezels, zoals allerlei organische vezels, in een groot aantal gevallen niet worden bepaald. In de arbeidssituaties wordt doorgaans gebruik gemaakt van de lichtmicroscopische meetmethode. De meetmethode is duidelijk goedkoper, maar leidt tot minder nauwkeurige resultaten en is derhalve ongeschikt voor het meten van lage concentraties. Resultaten, bepaald met de lichtmicroscopische meetmethode, zijn snel beschikbaar (binnen 24 uur), terwijl dat bij de elektronische meetmethode enige dagen duurt (3-5 dagen). Een vaste omrekeningsfactor tussen beide genoemde meetmethoden bestaat er niet. Bij het interpreteren van de meetresultaten spelen de meetomstandigheden een belangrijke rol (zoals activiteiten ten tijde van de meting, plaats van monstername, matrix van het monster etc.). Deze omstandigheden kunnen nogal sterk variëren in plaats en tijd. Monsterneming en -analyse bij asbestbranden De vraag of er allerlei metingen uitgevoerd moeten worden tijdens een asbestbrand is in de praktijk een moeilijk te beantwoorden vraag. De reden waarom men metingen wil laten uitvoeren is vaak tweeledig. Ten eerste wil men weten of er als gevolg van de brand een zekere emissie van asbestvezels/asbeststof heeft plaatsgevonden en ten tweede, als er als gevolg van deze emissie een zekere kans op blootstelling bestaat, hoe groot deze blootstelling dan is of is geweest. Het is bij de afweging of er tijdens een asbestbrand gemeten moet worden, belangrijk dat men zich vooraf realiseert: wat de mate van urgentie van monsterneming en -analyse is; welke type monster het meest relevant of representatief is voor de situatie; wat de methode van monsterneming en -analyse moet zijn. Met betrekking tot de omstandigheden zoals die zich bij een asbestbrand voordoen is het laten uitvoeren van luchtmetingen een moeilijk discussiepunt. Zeker als men in aanmerking neemt dat bij het uitvoeren van dergelijke metingen naar asbestconcentraties in de lucht vaak elke representativiteit ontbreekt en dat de resultaten altijd minstens enige uren op zich laten wachten. Dit nog afgezien van de problemen die zich voordoen bij het interpreteren van de resultaten. Omdat bij branden vezels van velerlei oorsprong vrijkomen, zijn alleen electronenmicroscopische metingen betrouwbaar voor het bepalen van de soort concentratie van vezels in de lucht. De resultaten hiervan laten echter lange tijd op zich wachten. Belangrijk is om in eerste instantie na te gaan of de producten/materialen die bij de brand betrokken zijn, asbest bevatten en of de brokstukken die bij visuele inspectie in de directe omgeving worden teruggevonden ook asbest bevatten. Het laten uitvoeren van luchtmetingen naar de concentraties van asbestvezels in de lucht is op zich op dat moment weinig opportuun, zeker wanneer de bepaling uitsluitend lichtmicroscopisch zou gebeuren. Soms kan het, zeker wanneer men te maken heeft met weinig hechtgebonden asbesthoudende materiaal en er een grote kans bestaat dat asbestvezels zijn vrijgekomen en zich hebben verspreid naar de omgeving, mogelijk zelfs tot in aangrenzende woningen, zinvol zijn om aan de hand van SEM-veegmonsters, die vergelijkenderwijze zijn genomen, na te gaan of er een meer dan normale emissie en depositie heeft plaatsgevonden van asbestvezels/-stof en om na te gaan of het noodzakelijk is om maatregelen te nemen. Echter dit zal bij iedere situatie opnieuw beoordeeld moeten worden. De enige meerwaarde van het beschikbaar zijn van analyseresultaten is dat de gevolgen van de asbestbrand "objectief" worden vastgesteld, waardoor de vervolgacties beter kunnen worden onderbouwd. Bij een asbestbrand dient het belang benadrukt te worden van de visuele inspectie ter vaststelling van de orde grootte van de brand en de gevolgen hiervan op de directe omgeving. Bij deze inspectie dienen de volgende aspecten meegenomen te worden: welke producten/materialen zijn bij de asbestbrand betrokken; vaststelling ordegrootte van de brand (categoriseren van de brand) en de mate van verspreiding van vrijgekomen asbestbrokstukken en - flinters, in eerste instantie in het benedenwinds gelegen gebied; (mate van pluimstijging, route rookgassen, weersomstandigheden tijdens de brand, zoals neerslag, windrichting, windsnelheid) vaststellen van de omvang besmet gebied; belangrijk is te letten op aanwezigheid van zichtbaar asbestcement op wegen en paden; en op aanwezigheid van zichtbaar asbestcement in de bewoonde omgeving, dan wel in de openbare ruimte; inschatten van de kans op verdere verspreiding en blootstelling Tabel 1 0 : Visuele inspectie Nagaan aanwezigheid van asbest Het beste kan men in eerste instantie informatiebronnen raadplegen, vóór men allerlei maatregelen gaat nemen: informatie uit de melding en van personen ter plaatse; navraag bij de eigenaar of beheerder naar: inventarisatie van asbesthoudende materialen en/of -bronnen; hoeveelheid en de vorm/product waarin het asbest aanwezig is; ouderdom van het object; productinformatie bij leveranciers, fabrikanten, Inspectie Gezondheidsbescherming, voormalige Keuringsdienst van Waren etc.. Indien dit geen uitsluitsel kan geven over de aanwezigheid van asbest, kan bij zeer gerede twijfel tot onderzoek overgegaan worden van materiaalmonsters naar samenstelling en hechtgebondenheid. Het nemen van deze monsters kan het beste geschieden door personeel van een daartoe gespecialiseerd laboratorium of door personeel van de reeds ter plaatse aanwezig zijnde hulpverlenende diensten, zoals de brandweer en politie. Afhankelijk van de omvang van de brand kan hierbij de ondersteuning gevraagd worden van een onafhankelijk asbestdeskundige, dit in overleg met het CoPI. TWENTS PROTOCOL ASBEST DEEL C GEMEENTE Taken/verantwoordelijkheden Gemeenten De taken en verantwoordelijkheden van de gemeente bij een asbestbrand zijn hieronder samengevat en hierbij zijn enkele belangrijke aandachtspunten genoemd. Het onderstaande sluit aan bij de indeling van de brand in fasen en categorieën in hoofdstuk 2 en bij het uitgebreide stappenplan in hoofdstuk 5. Verder staat in hoofdstuk 12 een uitgebreide toelichting op juridische aspecten. Het kan nodig zijn een bepaalde actie uit een latere fase eerder uit te voeren. Voorts zullen veel acties binnen een fase elkaar in tijd overlappen. Fase B: Tijdens de brand Elke categorie brand Stap Actie Toelichting B4 Ga naar de locatie en neem zitting in het CoPI De AOV spreekt in overleg met de (H)OVD-Brandweer af of het noodzakelijk is om een gemeentelijke afgevaardigde zitting te laten nemen in het Commando Plaats Incident (CoPI). De AOV alarmeert vervolgens indien nodig de benodigde gemeentelijke functionaris(sen), bijvoorbeeld milieu functionaris. . B5 Formeer eventueel een beleidsteam en wijs de eerstverantwoordelijke ambtenaar aan Afhankelijk van het aantal gemeentelijke acties kan een beleidsteam/crisisteam geformeerd worden. De gemeente verricht in het bron en/of effectgebied ondersteunende taken voor de operationele diensten. Indien nodig vervult de AOV een coördinerende rol: 1. voor de gemeentelijke alarmering en 2. de uitvoering van de gemeentelijke processen. De AOV is het gemeentelijk aanspreekpunt in het COPI. B8 Waarschuw bevolking voor primaire emissie Dit vindt plaats in overleg met de GHOR, GGD en/of AGS. Geldt alleen voor een categorie III brand. B9 Zet terrein van de brand en verspreidingsgebied af en voorkom verdere emissie De politie is verantwoordelijk voor het proces afzetten, maar er ligt een duidelijke relatie met de gemeente. De gemeente levert afzetmateriaal en gaat over het instellen van een noodverordening (zie draaiboek bestuurlijk handelen). Denk aan een in- en uitgang voor noodgevallen met bijvoorbeeld een douche voor auto’s. En het evt. inhuren van bewaking ter beveiliging van de besmette en niet-besmette gebieden. B11 Geef voorlichting aan bevolking en pers Bij een categorie III brand. Laat plan van aanpak maken voor opruimen asbest Maak tijdens de afschaling een plan van aanpak, met de volgende punten: Wijs binnen de gemeente een leidinggevende/aanspreekpunt aan die verantwoordelijk is voor het brongebied/effectgebied. Bespreek welke werkzaamheden nog plaatsvinden en welke instanties werkzaam zijn in het veld. Bespreek de gemaakte afspraken met de instanties in het veld Maak nieuwe afspraken met alle betrokkenen in het veld wat betreft de verantwoordelijkheden, aanspreekpunt, communicatie en vergaderlocaties Fase C: Opruimen van asbestresten Elke categorie brand Stap Actie Toelichting C1 Overleg over vervolgacties. In principe overdracht leiding en verantwoordelijkheden aan gemeente. Coördinatie van de officier van dienst Brandweer overnemen vanaf het moment dat de situatie is gestabiliseerd en er geen brand of brandgevaar is. Het opruimen van de asbest is voorbereid in de vorige fase. C2 Zorg voor verwijdering asbest van straten en wegen De opdracht tot verwijdering van asbest van straten en wegen wordt net als de sanering van de rest van de omgeving bij voorkeur door de eigenaar/veroorzaker gegeven. Omwille van de snelheid kan de gemeente beslissen zelf opdracht te verlenen tot opruimen waarbij het maken van een afspraak over wie de kosten daarvan betaalt aanbevolen wordt. C3 Geef voorlichting aan bevolking Zie voorbeeldbrieven in bijlage 3. Deze brieven gelden alleen voor categorie III branden. C4 Bepaal wie opdracht tot asbest inventarisatie en opstellen asbest inventarisatierapport verleent De verantwoordelijke voor de brand is meestal de eigenaar of gebruiker van het pand of de curator in het faillissement. Vaak dekt de brandverzekering de kosten van opruiming, ook van in de omgeving neergekomen asbest. Probeer te bereiken dat de verzekeraar de opdracht geeft aan het asbestverwijderingsbedrijf zodat hij rechtstreeks de opruimkosten draagt. Lukt dat niet, zeg dan mondeling bestuursdwang aan. De mondelinge aanzegging van bestuursdwang kan later schriftelijk worden bevestigd. C5 Verricht asbestinventarisatie en stel inventarisatierapport en saneringsplan op. Het is aan te bevelen de inventarisatie in overleg met de verzekeraar uit te voeren. De verzekeringsexpert heeft de taak erop toe te zien dat uitvoerende werkzaamheden worden verricht tegen redelijke kosten. C6 Bepaal wie opdracht tot opruimen (en mogelijke sloop) verleent Geef als gemeente alleen zelf opdracht voor het opruimen als dit niet (langer) kan worden uitgesteld en de verantwoordelijke of zijn verzekeraar dit (nog) niet doen. Zorg ervoor dat de gemeente dit juridisch deugdelijk inleidt zodat de kosten zoveel mogelijk op de verantwoordelijke kunnen worden verhaald. C7 Selecteer gecertificeerde bedrijven voor opruimen (en sloop) asbest Alleen indien gemeente opdrachtgever is. C8 Vraag offertes voor opruimen (en sloop) asbest aan en beoordeel deze Alleen indien gemeente opdrachtgever is. C9 Verstrek sloopvergunning of aanschrijving voor sloop asbest uit restant bouwwerk Hieronder valt ook het bepalen van de noodzaak van sloop. Het verstrekken van een sloopvergunning kan worden vervangen door een evt. bestuursdwangaanzegging. C10 Maak afspraken verantwoordelijkheden / bevoegdheden op terrein Gemeente is onder andere gemachtigd om een erf of terrein af te sluiten voor onbevoegden. C11 Verleen opdracht tot opruimen (en sloop) asbest Alleen indien gemeente opdrachtgever is. C12 Verricht opruimen (en sloop) asbest, en voert asbesthoudend afval af Voor bouwwerken waarvoor geen sprake is van een inrichting waarop de wet Milieubeheer van toepassing is wordt de nazorg van asbestbranden, begeleid door een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in het kader van de Woningwet. Indien er sprake is van een bouwwerk waarop de Wet milieubeheer van toepassing is, wordt tevens een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in het kader van de Wet milieubeheer betrokken. Alvorens het na de brand resterende deel van het bouwwerk of object wordt gesloopt, moet op grond van het Asbestverwijderingsbesluit of de daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften in de bouwverordening eerst alle asbesthoudende materialen daaruit zijn verwijderd. De opruimwerkzaamheden van gevaarlijke asbestmaterialen vinden plaats door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Het asbestmateriaal uit risicoklasse 1 kan ook door een niet gecertificeerd bedrijf met gepaste beschermingsmiddelen en maatregelen verwijderd worden. C13 Verricht eindcontrole na opruimen en sloop conform artikel 9 lid 2 Asbestverwijderingsbesluit 2005 (NEN 2990) Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 stelt in artikel 9 dat direct na het verrichten van verwijderen bij na een asbestbrand een visuele inspectie wordt uitgevoerd. Nadat de reiniging- en opruimingswerkzaamheden zijn uitgevoerd, dient een ruimte zodanig te zijn gereinigd dat er geen gevaar meer is voor de gezondheid van de betrokkenen. Deze visuele inspectie hoeft niet verplicht te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, maar wel door een externe gekwalificeerde partij die de inspectie deskundig kan uitvoeren. C14 Beëindig verkeersmaatregelen en afzetten terrein van de brand / verspreidingsgebied In nauw overleg met gemeente, brandweer, GHOR de verkeersmaatregelen en afzettingen beëindigen. Fase D. Nazorg Elke categorie brand Stap Actie Toelichting D1 Geef voorlichting aan bevolking Alleen bij categorie III D2 Handel schade af In overleg met verzekeraars D3 Verhaal, indien nodig en mogelijk, kosten De route van bestuursdwang heeft uitdrukkelijk de voorkeur boven de privaatrechtelijke route. De gemeente kan de kosten verhalen als ze dit in de bestuursdwangbeschikking heeft aangezegd en als hetzij de verantwoordelijke het asbest niet binnen de gestelde termijn heeft opgeruimd, hetzij de gemeente wegens de vereiste spoed geen termijn heeft gesteld. D5 Verslaglegging en rapportage Houd tijdens het gehele proces een logboek bij. Dit kan onder meer van belang zijn bij het afwikkelen van de schade, bij het eventueel verhalen van kosten en voor evaluatie. D6 Evaluatie Start zo spoedig mogelijk een evaluatie op. Bij de evaluatie dienen bij voorkeur alle bij de aanpak aanwezige partijen betrokken te worden. Toelichting juridische aspecten gemeenten Let op : De hierna genoemde wetteksten en hetgeen daarover in de voorbeeldbrieven is verwoord kunnen na het opstellen van het TPA 2010 gewijzigd zijn. Raadpleeg daarom altijd via www.overheid.nl de meest actuele wetteksten. Inleiding Uit verschillende evaluaties van asbestbranden is gebleken dat het juridisch aspect voor gemeenten erg complex is en dat hier nog wel eens wat mis gaat. In dit hoofdstuk zullen alle juridische aspecten uitgebreid worden toegelicht. Na een asbestbrand bevordert de gemeente dat de vrijgekomen asbestdeeltjes binnen korte tijd worden opgeruimd. Dit ter beperking van de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu. De verantwoordelijke voor de brand is meestal de eigenaar of gebruiker van het pand of de curator in het faillissement. Het is zijn verantwoordelijkheid om het opruimen te laten uitvoeren en de kosten daarvan te dragen. Vaak dekt de brandverzekering de kosten van opruiming, ook van in de omgeving neergekomen asbest. Zonder de betrokkene onnodig onder druk te zetten treedt de gemeente zo snel mogelijk in overleg met hem of zijn verzekeraar. Degene die de opdracht geeft aan het asbestverwijderingsbedrijf draagt als contractant de opruimkosten. Geeft de gemeente direct zelf opdracht aan een asbestverwijderingsbedrijf, dan is de kans groot dat ze met de kosten blijft zitten. De gemeente kan deze opdracht beter pas geven als het opruimen niet (langer) kan worden uitgesteld en de verantwoordelijke of zijn verzekeraar dit (nog) niet doen. Om de kosten te kunnen verhalen op de verantwoordelijke voor de brand is het van belang dit juridisch ten opzichte van hem deugdelijk in te leiden. De route van de last onder bestuursdwang verdient uitdrukkelijk de voorkeur. Juridische vragen spitsen zich toe op het aanzeggen en effectueren van de bestuursdwang en het verhalen van de kosten. Het antwoord kan juridisch erg gecompliceerd zijn. In dit hoofdstuk worden verschillende mogelijkheden van bestuursdwang en de alternatieven dwangsom en privaatrechtelijk kostenverhaal toegelicht. In verband met de hectiek tijdens een calamiteit, wordt aan het TPA bovendien een stappenplan op posters toegevoegd zodat dit zo gebruiksvriendelijk mogelijk is. Bestuursdwang algemeen Bestuursdwang in Algemene wet bestuursrecht De last onder Bestuursdwang door de overheid is algemeen geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 5.3, artikelen 5.21 t/m 5.31). De bevoegdheid van het gemeentebestuur om bestuursdwang toe te passen ligt in algemene zin vast in artikel 125 Gemeentewet. Deze regeling is ook van toepassing bij bestuursdwang in het kader van een asbestcalamiteit. Bestuursdwang is het feitelijke ingrijpenvan de gemeente om een ongewenste situatie ongedaan te maken. Het college van B&W of de burgemeester oefent deze bevoegdheid uit. De gemeente mag bestuursdwang toepassen als er sprake is van een overtreding door een burger of bedrijf, dus een handelen of nalaten in strijd met wettelijke verplichtingen, waarvan het gemeentebestuur of de burgemeester belast is met de handhaving. Bestuursdwang is niet bedoeld voor situaties waarin handhaving van de openbare orde als zodanig voorop staat, wel kan de openbare orde een rol spelen. Bij bestuursdwang is de gemeente ten opzichte van de burger geen opdrachtgever in de privaatrechtelijke betekenis van contractant. In dat geval zou de burger de vrijheid hebben de opdracht wel of niet aan te nemen. In plaats daarvan is er sprake van het bestuursrechtelijk, eenzijdig opleggen van een verplichting via een beschikking. Hoewel men bestuurlijk en in het Europese recht soms wel over een opdracht spreekt, is dit begrip juridisch gezien in de verhouding tussen gemeente en burger verwarrend en kan dit beter worden vermeden. Het begrip ‘opdracht’ kan het best worden gereserveerd voor de opdracht aan het asbestverwijderingsbedrijf en de overeenkomst daarmee. Het aanzeggen van een last onder bestuursdwang gebeurt in beginsel schriftelijk. In spoedeisende gevallen mag hiervan worden afgeweken, zie hierna. Zoals bij elk besluit is het van belang de feiten en belangen vooraf helder in beeld te krijgen en de betrokkene de gelegenheid te geven zijn zienswijze naar voren te brengen. De gemeente past een belangenafweging toe en motiveert het besluit. Ook moet(
- en)de verlangde maatregel(
- en)proportioneel zijn in relatie tot de overtreding en mag het voorval niet worden gebruikt om andere doelen te realiseren. De gemeente stuurt de beschikking toe aan de overtreder en de gebruikers van het pand. De beschikking geeft in ieder geval het volgende aan: het wettelijk voorschrift dat is of wordt overtreden de te nemen maatregelen een termijn waarbinnen de belanghebbenden alsnog zelf deze maatregelen kunnen treffen; de termijn kan achterwege blijven als de vereiste spoed dit niet toelaat dat en welk deel van de kosten van de bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen/zal worden gebracht de wijze van betreden van bepaalde plaatsen namens de gemeente ‘algemene’ zaken als de motivering van de beslissing en de mogelijkheid van bezwaar. Het eventuele bezwaarschrift heeft geen schorsende werking. Daarvoor moet de betrokkene bij de rechter een voorlopige voorziening vragen. In spoedeisende gevallen kan de gemeente direct aanzeggen dat zij bestuursdwang zal toepassen, zonder voorafgaand een last op de leggen (artikl 5:31 lid 1 Awb). De termijn waarbinnen een verantwoordelijke zelf opdracht kan geven, kan dan achterwege blijven. Ook de mogelijkheid om een zienswijze te geven, kan dan komen te vervallen. In zeer spoedeisende gevallenis het zelfs mogelijk direct bestuursdwang toe te passen, dit mondelijk aan te zeggen en het schriftelijke besluit pas later op schrift te stellen (artikel 5:31 lid 2 Awb). Bijvoorbeeld tijdens een brand zelf ligt de prioriteit bij goede mondeline communicatie. Het is van belang de drijver van de inrichting mondeling te laten weten dat hij verantwoordelijk si voor het opruimen van de asbest en hierover afspraken te maken met hem en zijn verzekeraar. De schriftelijke bevestiging van de aanzegging van de bestuursdwang kan plaatsvinden zodra meer gegevens bekend zijn, bijvoorbeeld de volgende stap. De gemeente mag spoed niet te snel aannemen en het is van belang dit goed schriftelijk te motiveren. Bepalend zijn het risico voor de volksgezondheid en het verspreidingsrisico. In het TPA wordt in beginsel een situatie spoedeisend geoordeeld als er sprake is van een categorie III brand. Dat wil zeggen bij verspreiding van asbest buiten het terrein van de brand in een gebied voor wonen, werken of recreatie. In zulke gevallen moeten openbare terreinen in ieder geval binnen enkele uren tot dagen worden gereinigd. De gemeente maakt altijd zelf een afweging. Zie ook de beg ripstoelichting in paragraaf 11.7 . Het effectueren van de bestuursdwang mag plaatsvinden als de burger of het bedrijf zelf binnen de gestelde termijn geen maatregelen treft. De gemeente mag eerder ingrijpen in (zeer) spoedeisende gevallen waarin zij geen termijn heeft gegeven of de termijn niet langer kan worden afgewacht. Voor de effectuering van bestuursdwang moet altijd via een laboratoriumanalyse zijn vastgesteld dat er asbest en/of asbesthoudend materiaal is verspreid. De gemeente kan ook beschikken over recente gegevens, bijvoorbeeld in het kader van een sloopvergunning. Van de brandhaard zelf is ook een snelle risico-inventarisatie nodig om het tempo van de vervolgstappen te kunnen bepalen. Een object waarbij nog steeds risico aanwezig is, verdient acute aandacht. In andere gevallen is er ruimte om meer tijd te nemen. Tenslotte is het verhalen van kosten op de verantwoordelijke voor de brand in geval van bestuursdwang wettelijk mogelijk (artikel 5:25 Awb). Dat en/of in hoeverre de gemeente de kosten van de bestuursdwang op de verantwoordelijkke zal verhalen, moet zij dan wel vermelden in haar aanzegging van de (last onder) bestuursdwang. De gemeente stelt de hoogte van de verschildigde kosten naar redelijkheid vast, bij beschikking. Hiertegen zijn opnieuw bezwaar en beroep mogelijk. Onder de kosten vallen in ieder geval kosten die dirct verband houden met het voorval – tenzij er sprake is van een publieke taak – en bijkomende kosten zoals de kosten van voorbereiding, gedeeltelijke effectuering en invordering. Het invorderen vindt plaats conform titel 4.4 inzake bestuurlijke geldschulden. Hoe staat het in de wet? Last onder Bestuursdwang: Afdeling 5.3 .1 (artikel 5 : 21 t/m 5 : 31 c ) Algemene wet bestuursrecht Artikel 5 : 21 Awb – Definitie Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Artikel 5:4 Awb – Bevoegdheid De bevoegdheid tot het opleggen van en bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Artikel 125 Gemeentewet – Bevoegdheid gemeentebestuur Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert. Een bestuurscommissie, een deelraad, het dagelijks bestuur van een deelgemeente of de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente waaraan bevoegdheden van de raad, het college of de burgemeester zijn overgedragen, bezit de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen. Artikel 5.23 Awb – Niet voor openbare orde Deze afdeling (5.3) is niet van toepassing op optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Artikel 5 : 24 Awb – Voorwaarden besluitvorming bestuursdwang De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager Artikel 5:25 Awb – Kostenverhaal De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebrachtDe beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast. Artikel 5:27 Awb – Betreden van plaatsen Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden. Artikel 5:31 Awb – Spoedeisend Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24 Awb, eerst en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt. Maatregelen bij een asbestbrand Bij een asbestbrand zijn de volgende maatregelen denkbaar: Het afzetten van terreinen, wegen en openbare ruimten Het inhuren van bewaking ter beveiliging van de besmette en niet-besmette gebieden Het uitvoeren van een asbestinventarisatie en opstellen van een rapport Het saneren van terreinen, wegen, gebouwen en openbare ruimten Het afvoeren van met asbest besmet materiaal Het uitvoeren van nacontrole op het voldoende zichtbaar vrij zijn van asbest waar het gaat om het verspreidingsgebied, etc. Het asbestinventarisatierapport is een belangrijk onderdeel van de maatregelen. Dit rapport is meestal wettelijk voorgeschreven voor het opruimen van asbest dat is vrijgekomen of vrijkomt door een incident of bij sloopwerkzaamheden. Het asbestinventarisatierapport gaat o.a. in op de soort asbest, de omvang, het verspreidingsgebied, de mate van verspreiding, de risico’s en de saneringswijze. Het opruimen en afvoeren van de asbest moet plaatsvinden door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. De eisen liggen vast in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor de sloop van de restanten van de brand kan een sloopvergunning nodig zijn. Hoe staat het in de wet? Artikel 3 Asbestverwijderingsbesluit 2005 – Asbestinventaristierapport Degene die … een bouwwerk of object geheel of gedeeltelijk afbreekt of uit elkaar neemt [of dit laat doen] … beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk of object asbest of een asbesthoudend product bevindt. Degene die … asbest of een asbesthoudend product uit een bouwwerk of object verwijdert [of dit laat doen] … beschikt met betrekking tot het bouwwerk of object over een asbestinventarisatierapport. Degene die materialen of producten doet opruimen die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen, beschikt met betrekking tot de materialen of producten over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in de materialen of producten asbest of een asbesthoudend product bevindt. Artikel 4 Asbestverwijderingsbesluit 2005 – Uitzonderingen [Bevat diverse uitzonderingen op artikel 3] Artikel 6 Asbestverwijderingsbesluit 2005 – Afvalverwijdering De volgende handelingen mogen slechts worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het arbeidsomstandighedenbesluit: het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten indien in die bouwwerken of objecten asbest of een asbesthoudend product is verwerkt; het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit bouwwerken of objecten; het opruimen van asbest dat of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident is of zijn vrijgekomen. Artikel 4 is, met uitzondering van het eerste lid onder a, van overeenkomstige toepassing. Het is verboden een handeling als bedoeld in het eerste lid te doen verrichten in strijd met het bepaalde in het eerste lid in verbinding met het tweede lid. Bestuursdwang bij een bedrijf (‘inrichting in de zin van de Wet milieubeheer’) Ongewoon voorval in de zin van titel 17.1 Wet milieubeheer Een brand waarbij asbest is vrijgekomen, is aan te merken als een ‘ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan’. Dit blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State (ABRvS 18 juli 2000, AB 2001,30). Is de brand uitgebroken in een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer dan biedt titel 17.1 (artikelen 17.1 t/m 17.5) juridisch een deugdelijke grondslag voor het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. De omstandigheden van het geval zijn van belang bij het beoordelen of er wel of geen sprake is van een inrichting . Is er nog een milieuvergunning van kracht dan zal er sprake zijn een ‘inrichting’ ongeacht of er op het moment van de brand wel of niet bedrijfsmatige activiteiten plaatsvonden. Niet aan de definitie voldoet bijvoorbeeld een ‘AMvB-inrichting’ waar op het moment van de brand geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvonden of althans niet in een bedrijfsmatige omvang. De eerder gedane melding in het kader van de AMvB vervalt van rechtswege als er geen bedrijfsactiviteiten meer zijn. De Wet milieubeheer verplicht de drijver van de inrichting, meestal de vergunninghouder, direct maatregelen te treffen om de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. B&W kunnen verplichtingen en een verbod opleggen. Het gaat hier vooral om het laten saneren van terreinen, wegen, gebouwen en openbare ruimten en het laten afvoeren van met asbest besmet materiaal. De drijver van de inrichting is ook verantwoordelijk voor het opruimen van de asbest bij aangrenzende percelenen openbare terreinen . De maatregel moet wel proportioneel zijn. De gemeente kan bijvoorbeeld niet verlangen een gebied van 10 km2 te saneren als bij de brand 1 m² asbesthoudend materiaal betrokken is geweest. Een aansprakelijkstelling is bij bestuursdwang niet aan de orde , dit begrip kan beter worden gereserveerd voor het privaatrecht. Bestuursrechtelijk is de hoofdregel dat de verantwoordelijke voor de asbestbrand van rechtswege verplicht is tot sanering en dat de kosten voor zijn rekening komen. Bij toepassing van bestuursdwang stuurt de gemeente een ‘aanzegging (last onder) bestuursdwang’ waarin zij ook het – eventuele – kostenverhaal vermeldt. Daarnaast kan de gemeente vergunninghouders hierop wijzen bijvoorbeeld via algemene berichtgevingen. De gemeente kan ook ingrijpen als de inrichting beschikt over een milieuvergunning en de vergunninghouder in strijd handelt met vergunningvoorschriften. Via bestuursdwang richt de gemeente zich op het naleven van deze voorschriften, via het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning op het (gedeeltelijk) staken van het bedrijf. Dit laatste is wel een zwaar middel en als tussenoplossing kan ook voor de dwangsom worden gekozen. Hoe staat het in de wet? Maatregelen bij een ongewoon voorval: Titel 17.1 (artikelen 17.1 t/m 17.5) Wm Artikel 17.1 Wet milieubeheer – Ongewoon voorval Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Artikel 1.1 Wet milieubeheer – Definitie inrichting In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Artikel 17.4 Wet milieubeheer – Verplichtingen of verbod Indien dat door een ongewoon voorval nodig is, kunnen in het belang van de bescherming van het milieu een of meer van de volgende verplichtingen of het volgende verbod worden opgelegd aan degene bij wie afvalstoffen ontstaan of aanwezig zijn, die zijn aangewezen in de daartoe strekkende beschikking: een verplichting die afvalstoffen te scheiden en – mede van andere stoffen en afvalstoffen – gescheiden te houden; een verplichting die afvalstoffen gescheiden af te geven, wanneer zij zich daarvan ontdoen; een verplichting die afvalstoffen ter plaatse waar zij zijn ontstaan, op een bij de beschikking aangegeven wijze nuttig toe te passen of te verwijderen; een verbod die afvalstoffen langer onder zich te houden dan gedurende een bij de beschikking aangegeven termijn; een verplichting die afvalstoffen af te geven aan een persoon behorende tot een bij de beschikking aangewezen categorie, of te brengen naar een daartoe aangewezen plaats. Een verplichting of verbod als bedoeld in het eerste lid, kan worden opgelegd: voor zover de verplichting of het verbod betrekking heeft op een inrichting: door [lees] burgemeester en wethouders; Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, kan bij zijn beschikking aangeven binnen welke termijn en op welke wijze de verplichting moet worden uitgevoerd. Artikel 18.2 Wet milieubeheer – Handhaving wettelijke voorschriften Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, heeft tot taak: zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft, gelden op grond van: de betrokken wetten; Artikel 18.12 Wet milieubeheer – Intrekken milieuvergunning Het ten aanzien van een vergunning of ontheffing bevoegde gezag kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet overeenkomstig die vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld, dan wel indien aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet worden nageleefd. Artikel 18.18 Wet milieubeheer – Voorschriften milieuvergunning Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing is verboden. Milieuaansprakelijkheid op grond van titel 17.2 Wet milieubeheer Zijn de brand en het vrijkomen van de asbest het gevolg van bepaalde bedrijfsactiviteiten, dan geldt de strengere regeling van titel 17.2 (artikelen 17.6 t/m 17.18). Deze regeling is afkomstig van de Europese Richtlijn milieuaansprakelijkheid 2004/35/EG en is op 1 juni 2008 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gaat om de activiteiten die zijn genoemd in bijlage III van de EG-richtlijn of in een (toekomstige) AMvB. Voorbeelden van zulke bedrijven zijn IPPC-inrichtingen (o.a. ook intensieve veehouderijen), chemische industrie/opslag en winningsafvalvoorzieningen. Op de website www.infomil.nl is een handreiking en een interactief digitaal stappenplan beschikbaar om te beoordelen of een bedrijf hieronder valt. Let ook op het volgende: B&W is alleen het bevoegd gezag tot handhaving als ze ook verlener is van de milieuvergunning . Dus bijvoorbeeld niet in het geval van een autosloopbedrijf of Twence. Om dezelfde reden gaan we niet in op titel 17.1A over afvalvoorzieningen. Het is van belang afspraken te maken met de provincie. Er moet sprake zijn van een oorzakelijk verband tussen de brand en de bedrijfsactiviteiten. Hoe direct is ons (nog) niet bekend, bijvoorbeeld of hieronder ook een brand valt die overslaat uit het woongedeelte. Is deze regeling van toepassing dan is bij een asbestbrand de gemeente verplicht de bedrijfsexploitant aan te zeggen dat onmiddellijk bestuursdwang wordt toegepast. Belanghebbenden mogen hun zienswijze nog uitbrengen tenzij de situatie daarvoor te spoedeisend is. De bedrijfsexploitant is verplicht elke haalbare maatregel te verrichten om de asbest onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen. Doel is verdere schade voor mens en milieu te voorkomen of te beperken. Als de bedrijfsexploitant dit nalaat, kan de gemeente de bestuursdwang effectueren en deze maatregelen zelf laten uitvoeren. Een aandachtspunt is nog de samenloop met bestuursdwang in verband met de andere schadelijke stoffen die in geval van brand bij zo’n bedrijf vrijkomen. Ten opzichte van het bedrijf is het noodzakelijk dat de gemeente haar acties coördineert, vooral omdat het hetzelfde incident betreft. Ook het kostenverhaal is in dit geval wettelijk verplicht. De gemeente is verplicht de gemaakte kosten op de veroorzaker te verhalen. Het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ is hier expliciet wettelijk verankerd. De gemeente stelt de hoogte van de kosten bij beschikking vast. Een ander aandachtspunt is de mogelijkheid voor de gemeente het bedrijf te verplichten bepaalde preventieve maatregelen te treffen. Het verdient de voorkeur hier zoveel mogelijk gebruik van te maken. Als de bedrijfsexploitant dit nalaat, kan de gemeente deze maatregelen voor rekening van het bedrijf zelf (laten) uitvoeren. Hoe staat het in de wet? Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan: Titel 17.2 (artikel en 17.6 t/m 17.18) Wet milieubeheer Artikel 17.6 Wet milieubeheer – Definitie milieuschade milieuschade: elke vorm van bodemverontreiniging die een aanmerkelijk risico inhoudt voor negatieve effecten op de menselijke gezondheid, waarbij direct of indirect op, in of onder de bodem, stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen gebracht zijn; Artikel 17.7 Wet milieubeheer – Activiteiten Deze titel is van toepassing op: milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan die wordt veroorzaakt door: activiteiten als bedoeld in bijlage III bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid; andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten. Artikel 17.9 Wet milieubeheer – Bevoegd gezag Indien de activiteit waardoor de milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, wordt verricht binnen een inrichting of in het kader van het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, is het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 18.2 het bevoegd gezag. Artikel 17.10 Wet milieubeheer – Maatregelen Het bevoegd gezag kan degene die een activiteit verricht, waardoor zich milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan voordoet: verplichten de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; instructies geven met betrekking tot de maatregelen, bedoeld onder c. Het bevoegd gezag kan zelf elke maatregel als bedoeld in artikel 17.13, eerste lid, alsmede de nodige preventie of herstelmaatregelen treffen of de uitvoering daarvan opdragen aan derden. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onder c, of tweede lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. … Artikel 17.12 Wet milie u beheer – Onmiddellijke dreiging milieuschade Indien door een activiteit een onmiddellijke dreiging van milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige preventieve maatregelen. Het bevoegd gezag verplicht degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen. Het bevoegd gezag stelt belanghebbenden … in de gelegenheid hun zienswijze … uit te brengen over het te nemen besluit, bedoeld in het vierde lid, tenzij de situatie zo spoedeisend is dat een zienswijze … niet kan worden afgewacht. Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing, bedoeld in het vierde lid, de naar voren gebrachte zienswijzen … Artikel 17.13 Wet milieubeheer – Ontstane milieuschade Indien door een activiteit milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht elke haalbare maatregel om de betrokken verontreinigde stoffen of andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid of verdere aantasting van functies te voorkomen of te beperken. Het bevoegd gezag verplicht degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen. Artikel 17.12, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. [Herstelmaatregelen aangetaste natuurlijke rijkdommen: voorstel] Artikel 17.14 Wet milieubeheer – Veroorzaker en omvang schade Het bevoegd gezag stelt vast wie de activiteit verricht waardoor milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, alsmede de omvang van de milieuschade. … 4. 5. [Herstelmaatregelen aangetaste natuurlijke rijkdommen: besluit] Artikel 17.16 Wet milieubeheer – Kostenverhaal Degene die de activiteit verricht waardoor milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, draagt de kosten voor de getroffen preventieve of herstelmaatregelen, tenzij hij bewijst dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan: ondanks door hem getroffen passende veiligheidsmaatregelen door een derde is veroorzaakt, of het gevolg is van de opvolging van een dwingende opdracht of instructie van een bestuursorgaan, niet zijnde een opdracht of instructie naar aanleiding van een emissie of gebeurtenis die door hemzelf is veroorzaakt. In het geval het bevoegd gezag zelf maatregelen treft of de uitvoering daarvan opdraagt aan derden, verhaalt het de kosten op degene die de activiteit verricht. Het bevoegd gezag stelt de verschuldigde kosten bij beschikking vast. Artikel 5.26 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag kan afzien van kostenverhaal indien: de verhaalkosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag, of niet kan worden vastgesteld wie de activiteit verricht. [Herstelmaatregelen: B&W kan afzien van kostenverhaal] Artikel 17.17 Wet milieubeheer – Verjaringstermijn kostenverhaal vijf jaar De bevoegdheid tot kostenverhaal met betrekking tot de uit hoofde van deze titel genomen maatregelen verjaart door verloop van een periode van vijf jaar na de dag waarop die maatregelen geheel zijn voltooid of na de dag waarop degene die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan veroorzaakt is geïdentificeerd, indien deze dag later valt. Artikel 18.2g** Wet milieubeheer – Handhaving Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9 eerste, tweede, derde of vierde lid, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens titel 17.2 gestelde verplichtingen. Bestuursdwang overig Algemene zorgplicht voor het milieu Bij een brand buiten een inrichting kan de bestuursdwang worden gebaseerd op de algemene zorgplicht voor het milieu van een ieder bedoeld in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer. Dit blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State (ABRvS 8 december 2004, 200401808/1 en ABRvS 25 november 2009, 200901919/1/M2 , LJN:BK4371 inzake gemeente Twenterand, asbestbrand Vroomshoop). Het gaat om een vangnetbepaling die alleen kan worden toegepast indien de Wet milieubeheer geen andere mogelijkheid tot handhaving biedt. De situatie moet in beginsel ernstig zijn (“ernstige nadelige gevolgen voor het milieu die optreden of acuut dreigen op te treden”; bijvoorbeeld bij een zeer grote asbestbrand). En de betrokkene moet nalaten direct de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. De verplichting geldt voor een ieder, dus bijvoorbeeld de exploitant en de eigenaar van een pand, de BV en de directeur-grootaandeelhouder persoonlijk.” De algemene zorgplicht voor het milieu geldt ook voor bedrijven. Dan is deze zorgplicht alleen subsidiair van belang en gaat de specifieke regeling van hoofdstuk 17 Wm voor. Verder is er sprake van een samenloop van het bevoegd gezag . Behalve door B&W kan bestuursdwang op grond van de algemene zorgplicht voor het milieu ook worden toegepast door GS of de Minister. Het orgaan dat bestuursdwang aanzegt informeert de andere organen die vervolgens bestuursdwang achterwege laten. Past de gemeente bestuursdwang toe, dan is daarmee ook voorzien in de mogelijkheid haar kosten op de eigenaar van het pand te verhalen. De mogelijkheid van privaatrechtelijk kostenverhaal die in artikel 1.1a wordt genoemd kan worden gebruikt door burgers onderling. Bijvoorbeeld door de eigenaren van aangrenzende percelen die ook saneringskosten moesten maken. Overigens is dit in de praktijk lastiger te realiseren dan de wettekst doet vermoeden. Op de mogelijkheid van privaatrechtelijk kostenverhaal door de gemeente op de pandeigenaar wordt in paragraaf 12.6 terug gekomen. Hoe staat het in de wet? Artikel 1.1a Wet milieubeheer – Algemene zorgplicht Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en de mogelijkheid van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te treden. Artikel 18.2a Wet milieubeheer – Organen belast met handhaving Onze betrokken Minister, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en de waterkwaliteitsbeheerder hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de artikelen 1.1a en 10.1. Artikel 18.9 Wet milieubeheer – Eenmaal bestuursdwang Een bestuursorgaan past geen bestuursdwang toe indien ter zake van de betrokken overtreding door een ander bestuursorgaan reeds een beschikking tot toepassing van bestuursdwang is gegeven en deze niet is ingetrokken. Artikel 18.10 Wet milieubeheer – Inkennisstelling andere bestuursorganen Het bestuursorgaan dat een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom heeft gegeven terzake van overtreding van de artikelen 1.1a, 10.1, 10.2 of 10.54, van artikel 13 van de Wet bodembescherming of van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen, zendt onverwijld een afschrift van die beschikking aan de bestuursorganen die eveneens bevoegd zijn tot bestuursrechtelijke handhaving van die bepalingen. Afvalstoffen Wat betreft afvalstoffen bevat artikel 10.1 Wm een algemene zorgplicht. Op grond daarvan is het iedereen bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen te verrichten of na te laten die nadelig kunnen zijn voor het milieu (lid 2). En degene die handelingen verricht of nalaat met betrekking tot afvalstoffen, is verplicht maatregelen te nemen om nadelen voor het milieu te voorkomen of te beperken (lid 1). Ook dit artikel biedt een grondslag voor bestuursdwang en kan worden gehandhaafd door B&W, GS en de Minister (artikel 18.2a lid 1 Wm). Het is van belang het verband met de specifieke regeling van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 nog nader te onderzoeken. Daarin is het opruimen van asbest na een incident voorbehouden aan gecertificeerde bedrijven. Afvalstoffen mogen niet buiten een inrichting worden gestort of op of in de bodem gebracht of verbrand. Dit algemene stortverbod ligt vast in artikel 10.2 Wm. Ook dit artikel biedt een grondslag voor bestuursdwang en kan worden gehandhaafd door B&W en GS (artikel 18.2a lid 2 Wm). Verder kan de afvalstoffenverordening (artikel 10.23 Wm) voorschriften bevatten die door B&W kunnen worden gehandhaafd (artikel