Verordening op de heffing en de invordering van precariorechten 2006De raad der gemeente Leiderdorp; gelezen het voorstel van 18 oktober 2005, nr. 143; gezien het advies van commissie 1 van 7 november 2005; gelet op het bepaalde artikel 228 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van precariorechten 2006 Artikel1Begripsomschrijvingen a. “dagdeel” de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij de periode maximaal 6 aaneengesloten uren betreft; b. “jaar“ een kalenderjaar Artikel2Belastbaar feit Onder de naam “ precariorechten “ wordt ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond of voor de openbare dienst bestemd gemeentewater een recht geheven overeenkomstig de navolgende bepalingen. Artikel3Belastingplicht De rechten als bedoeld in artikel 2 worden geheven van diegene van wie dan wel ten behoeve van wie voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond of gemeentewater afkomstig zijn of worden aangetroffen. Artikel4Belastingtijdvak Het heffingstijdvak is de in een kalenderjaar gelegen periode gedurende welke zich een belastbaar feit in de zin van de verordening voordoet of zal voordoen. Artikel5Tarieven De rechten worden geheven naar de tarieven en naar het aantal eenheden bepaald en berekend aan de hand van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Belastingaanslagen van minder dan EUR 4,55 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde precariorechten aangemerkt als een belastingaanslag. Artikel6Wijze van heffing; tijdstip verschuldigdheid 1.De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. 2.Het recht is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd voor de nog volle kalendermaanden die na de aanvang van de belastingplicht, in het belastingtijdvak overblijven. 4.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel nog volle kalendermaanden die na het einde van de belastingplicht, in het belastingtijdvak overblijven. Artikel7Termijnen van betaling De aanslag moet worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. Artikel8Vrijstellingen De in artikel 2 bedoelde rechten worden niet geheven ter zake van: het hebben van voorwerpen of werken, ten behoeve van eigendommen welke bij de gemeente of haar instellingen in gebruik zijn, met uitzondering van eigendommen welke aan derden zijn verhuurd of in beheer en exploitatie zijn gegeven; het hebben van voorwerpen of werken welke, noodzakelijk voor de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak, door het rijk, de provincie, de gemeente of door waterschappen zijnaangebracht of geplaatst; verzamelbakken, zoals glascontainers, welke in het belang van het hergebruik van afzon- derlijk in te zamelen afvalstoffen bedoeld in artikel 30 van de Afvalstoffenwet op of in devoor de openbare dienst bestemde grond zijn geplaatst; brievenbussen, postzegelautomaten, telefooncellen; wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWBen van andere overeenkomstige instellingen; het hebben van voorwerpen waarvan de aanwezigheid door de gemeente op grond vaneen overeenkomst of anderszins rechtens moet worden gedoogd; het hebben van voorwerpen uitsluitend langs de gevel aangebracht, welke aan een gebouwzijn aangebracht en niet meer dan 0,10 meter buiten de gevel steken; het hebben van voorwerpen uitsluitend gebezigd door een liefdadig doel en of door instel- ling of groeperingen welke een bijdrage kunnen leveren tot politieke of maatschappelijke bewustwording van de burgers, doch welke nog direct, nog indirect een zakelijk belang nastreven; het hebben van reclame-uitingen en aankondigingen voor een periode van maximaal vieraaneengesloten weken per jaar. Artikel9Kwijtschelding Bij de invordering van de precariorechten wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel10Machtiging tot overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het verlenen van schriftelijke toe- stemming met betrekking tot het verdagen van de uitspraak op het bezwaarschrift voor ten hoogste een jaar. Artikel11Nakoming van verplichtingen De verplichtingen bedoeld in de artikelen 47, 49 en 50 van de Algemene wet inzake rijks- belastingen (Stbl. 1959, 301) en in de artikelen 58 en 60 van de Invorderingswet 1990, danwel bedoelt of van toepassing verklaard in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 246a van de Gemeentewet, gelden mede jegens de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeente- lijke belastingen. Artikel12Rente Het bepaalde in Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 inzake invorderingsrente vindt toe- passing op de invordering van precariorechten. De ministeriele regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet vindt daarbij overeen- komstige toepassing. Artikel13Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de verordening, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van zwaarwegende aard zou leiden. Artikel14Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel De “verordening precariobelasting 2005 “ van 20 december 2004 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekend- making. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.